-A +A

Aansprakelijkheid bestuurders ten aanzien van een failliet verklaarde vennootschap toepassing van de wet in de tijd

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

voor de aansprakelijkheid bestuurders wegens niet doorstorting van bedrijfsvoorheffing klik hier

Krachtens art. 265, § 2, eerste lid, W.Venn. kunnen de zaakvoerders, gewezen zaakvoerders en alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de curator persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlinteresten en de vaste vergoeding bedoeld in art. 54ter van het K.B. van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien komt vast te staan dat een door hen begane grove fout aan de basis lag van het faillissement, of indien zij zich, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, in de situatie bevonden hebben zoals beschreven in art. 38, § 3octies, 8o, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

Krachtens art. 38, § 3octies, 8o, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers mag een werkgever die in aanmerking wil komen voor onder meer een vrijstelling van socialezekerheidsbijdragen zich niet bevinden in volgende situatie, met name «onder de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te verbinden, personen tellen die bij minstens twee faillissementen, vereffeningen of gelijkaardige operaties betrokken werden met schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen».
 
Met toepassing van de hoger aangehaalde bepalingen kunnen zaakvoerders, gewezen zaakvoerders en alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad die in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring betrokken waren in minstens twee faillissementen, vereffeningen of gelijksoortige procedures met schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen worden aangesproken. Het betreft hier een objectieve aansprakelijkheid, omdat er niet dient te worden aangetoond dat die betrokkenheid aan de basis lag van het faillissement (S. De Geyter, «Bestuursaansprakelijkheid voor onbetaalde bedrijfsvoorheffing, BTW en socialezekerheidsbijdragen: de Programmawet van 20 juli 2006», Acc. Bedr. 2007, p. 18, nr. 17; Th. Lauwers, «Recente uitbreiding van de aansprakelijkheid van bestuurders van handelsvennootschappen op diverse vlakken», N.N.K. 2008, p. 32, nr. 36; anders: Ph. Malherbe, «Les dirigeants responsables de dettes tributaires», Rev. prat. doc. 2007, p. 379, nr. 9).
 
De tweede paragraaf van het art. 265 W.Venn. werd ingelast door art. 56 van de Programmawet van 20 juli 2006 (B.S. 28 juli 2006, tweede uitgave). Deze wet trad op 1 september 2006 in werking (art. 59 van de Programmawet).
De parlementaire voorbereidingsstukken van de Programmawet van 20 juli 2006 vermelden wat de temporele toepassing van de tweede paragraaf van art. 265 W.Venn. betreft laconiek dat de nieuwe aansprakelijkheidsregeling slechts (kan) word(t)(en) toegepast op vanaf 1 september 2006 uitgesproken faillissementen (Verantwoording, Parl. St. Kamer, 2005- 06, Doc 51, nr. 2517/03, p. 7-8; Verslag namens de Commissie voor de Sociale Zaken, Parl. St. Kamer, 2005-06, Doc 51, nr. 2517/011, p. 9; Verslag namens de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden, Parl. St. Senaat, 2005-06, nr. 3 – 1774/3, p. 6).
 
Tenzij de wetgever duidelijk heeft willen afwijken van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet (art. 2 B.W.), moet worden aangenomen dat wetten die bestaande regels ter zake aansprakelijkheid aanpassen of een nieuwe aansprakelijkheid invoeren niet van toepassing zijn op feiten die de aansprakelijkheid in het gedrang brengen en zich vóór hun inwerkingtreding hebben voorgedaan (W. Van Gerven, Algemeen deel, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Standaard, 1973, p. 63, nr. 21). Feiten die aansprakelijkheid genereren ontstaan en voltrekken zich namelijk definitief op het ogenblik dat ze zich voordoen (H. De Page, Traité élémentaire de droit civil, I, Brussel, Bruylant, 1962, p. 344, nr. 232).
Bij gemis aan andersluidende overgangsbepalingen moeten de voorwaarden van art. 265, § 2, eerste lid, W.Venn. vervuld zijn na 1 september 2006, .

Aansprakelijkheid bestuurders wegens niet doorstorting van bedrijfsvoorheffing

Wanneer een zaakvoerder van een vennootschap kennis heeft of moest hebben van de desastreuze financiële en economische toestand van de vennootschap, niet het door de alarmbelprocedure (art. 332 W.Venn.) vereiste bijzonder verslag heeft opgesteld en zonder enige nochtans noodzakelijke herstelmaatregel te nemen een manifest verlieslatende activiteit zonder enige redelijke verantwoording verderzet door o.m. wetens en willens te beslissen de ingehouden bedrijfsvoorheffing over een bepaalde periode niet door te storten, hoewel de vennootschap daartoe verplicht was en de geldelijke middelen voorhanden waren, maar deze gelden eerder te besteden aan de betaling van andere schuldeisers, begaat deze zaakvoerder een onrechtmatige daad en dient de daardoor aan de fiscus toegebrachte schade te vergoeden. De orgaantheorie krachtens welke deze onrechtmatige daad meteen ook aan de vennootschap wordt toegerekend, staat er niet aan in de weg dat de zaakvoerder zelf de schade dient te vergoeden die door zijn onrechtmatige daad aan de fiscus werd berokkend. De schade die de fiscus in dit geval door de fout van de zaakvoerder lijdt, is gelegen in de inkomstenderving door het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing en kan bij equivalent worden bepaald op de niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing in hoofdsom, vermeerderd met de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet.

Rechtsleer:

Bart Van Den Bergh, Bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing het privaat recht neemt het roer over van het fiscaal recht, R.W. 2010-2011, 149,  noot onder Hof van Beroep Antwerpen, 8 januari 2009, R.W. 2010-2011, 146

• Hof van Beroep Antwerpen, 8 januari 2009, R.W. 2010-2011, 146

Belgische Staat, minister van Financiën t/ V.M.

1. Antecedenten – procedure

Het voorwerp van de door appellant bij dagvaarding van 8 november 2005 tegen geïntimeerde ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout van 20 april 2007, en het hof verwijst daarnaar en vult de feiten aan zoals hierna volgt.

In het eindvonnis van 29 juni 2007 verklaarde de Rechtbank van Koophandel te Turnhout de vordering gedeeltelijk gegrond en besloot dat geïntimeerde foutief had gehandeld door er als zaakvoerder van de BVBA Van L.E. & C. niet te hebben op toegezien dat de door deze vennootschap vanaf maart 2002 tot en met februari 2003 op de lonen van de werknemers (twee) en de vergoedingen voor de zaakvoerder ingehouden bedrijfsvoorheffing ook effectief aan de fiscus zou worden doorgestort. Om die reden veroordeelde de eerste rechter geïntimeerde tot betaling van een met deze bedrijfsvoorheffing overeenstemmende schadevergoeding van 35.283,84 euro, vermeerderd met gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding.

Appellant, die bij een ter griffie van het hof op 18 oktober 2007 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde tegen de vonnissen van 20 april 2007 en 29 juni 2007, besluit tot de integrale gegrondheid van zijn vordering. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoofdberoep en vordert bij incidenteel beroep de volledige ongegrondverklaring van de in eerste aanleg ingestelde vordering.

2. Beoordeling

I. Aan de door de eerste rechter uiteengezette feiten voegt het hof toe hetgeen volgt.

1. Op 13 september 1995 werd door geïntimeerde en zijn echtgenote G.K. de BVBA Van L.E. & C. opgericht met een maatschappelijk kapitaal van 750.000 fr. (18.592,01 euro). Zaakvoerder was geïntimeerde en het doel bestond uit verkoop van hard- en software en ontwikkeling van software.

2. De jaarrekening van 2001 toonde een overgedragen verlies van 417.521 fr. (10.350,08 euro) en een negatief eigen vermogen van 2.661,92 euro.

3. Ook in 2002 was de bedrijfsuitbating verlieslatend.

4. Met toepassing van art. 332 W.Venn. (alarmbelprocedure) deelde geïntimeerde als zaakvoerder van BVBA Van L.E. & C. (afgekort V.L.E.C.) volgend «bijzonder verslag» mee: «Heden, op 10 maart 2002, ben ik verplicht om een bijzonder verslag op te stellen aangezien ik, na inzage van de cijfers over 2001, tot de conclusie ben gekomen dat het netto-actief van de vennootschap gedaald is onder het wettelijk minimumbedrag van het kapitaal. Het verlies bedraagt 417.521 fr. Ik ben er nochtans van overtuigd dat de vennootschap door een verdere specialisatie in de toekomst een gunstig resultaat kan verkrijgen. Ik stel dan ook voor om de activiteit van de vennootschap verder te zetten. Dit verslag zal op de agenda worden geplaatst van de jaarlijkse algemene vergadering, die gehouden wordt op 21 april 2002 om 14.00 uur». Op deze algemene vergadering werd beslist de activiteit van de onderneming verder te zetten.

5. Volgens geïntimeerde blijkt uit zijn stukken dat in 2002 drie grote projecten inzake ontwikkeling en verkoop van soft- en hardware voorbereid werden die «een belangrijke omzet en ook winst beloofden». Bij nazicht van deze stukken oordeelt het hof dat het enkel gaat om door BVBA V.L.E.C. voorgestelde projecten (V. België, ingenieursbureau E. en het zogenaamd W.- project), zonder dat enig financieel engagement of (blijvende) interesse van potentiële klanten aangetoond wordt. Zo blijkt uit o.m. het door geïntimeerde neergelegd stuk 7 niet, zoals hij nochtans beweert, dat V. België reeds 13.000 euro in een ontwikkelingsproject zou hebben geïnvesteerd (dit document betreft immers enkel een dubbel van een door BVBA V.L.E.C. opgestelde factuur, zonder enig bewijs van verzending of betaling).

6. Vanaf september 2002 heeft appellant door middel van dwangbevelen en uitvoerende beslagen gepoogd om de achterstallige bedrijfsvoorheffing in te vorderen. Daarop heeft BVBA V.L.E.C. in oktober 2002 op de toen openstaande schuld van (afgerond) 65.000 euro eenmaal 7.000 euro betaald. Een poging om een lening (van een makelaarskantoor T.F.) van 37.250 euro te verkrijgen mislukte, en in maart 2003 heeft geïntimeerde aangifte van faillissement gedaan.

7. Het faillissement werd op 10 mei 2005 gesloten. Een beperkt actief van ongeveer 9.000 euro werd gerealiseerd. Geïntimeerde ontving geen dividend. Volgens door de advocaat van appellant ter zitting van 20 november 2008 verstrekte toelichting was de leveranciersschuld ongeveer 80.000 euro.

II. Uit de uiteengezette feiten besluit het hof dat de financiële en economische situatie van BVBA V.L.E.C. minstens vanaf juli 2002 reeds zeer zorgwekkend zo niet bijna desastreus was en dat haar zaakvoerder deze toestand kende of alleszins diende te kennen.

Appellant voert terecht aan dat geïntimeerde als zaakvoerder van de gefailleerde niet het door de alarmbelprocedure nochtans vereiste bijzondere verslag heeft opgesteld dat immers de in concreto ontbrekende gegevens diende te bevatten waardoor de algemene vergadering met kennis van zaken zou kunnen oordelen om te beslissen tot ofwel de ontbinding van de vennootschap ofwel het aannemen van een herstructureringsplan dat het mogelijk maakte de continuïteit van de onderneming te verzekeren en dat geïntimeerde daardoor foutief heeft gehandeld.

Bovendien tonen de uiteengezette feiten aan dat geïntimeerde als zaakvoerder van de gefailleerde zonder enige nochtans noodzakelijke herstelmaatregel te nemen een manifest verlieslatende activiteit zonder enige redelijke verantwoording gewoon heeft voorgezet door o.m. wetens en willens te beslissen de ingehouden bedrijfsvoorheffing verschuldigd over de periode juli 2002 tot en met februari 2003 met uitzondering van een eenmalige storting van 7.000 euro niet door te storten, hoewel de vennootschap daartoe wettelijk verplicht was en de geldelijke middelen daartoe voorhanden waren – zulks blijkt uit de gerealiseerde omzet en de schuldvorderingen op korte termijn, zoals vermeld in de diverse jaarrekeningen – maar deze gelden eerder te besteden aan betaling van andere schuldeisers.

De verplichting tot doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing ontstaat niet vanaf het inkohieren en verzenden van het aanslagbiljet voor de niet-betaalde bedrijfsvoorheffing, maar wel vanaf de vijftiende dag na de maand van betaling of toekenning van de lonen of vergoedingen (art. 412 WIB 1992). Deze doorstorting van bedrijfsvoorheffing dient spontaan en op eigen aangifte overeenkomstig art. 86 e.v. K.B. WIB 1992 te gebeuren.

Uit de hierboven vermelde overwegingen volgt dat geïntimeerde de op de lonen van de werknemers en op zijn bezoldiging ingehouden bedrijfsvoorheffing, die een werkelijk voorschot is op de daarop verschuldigde directe belastingen, in de periode van juli 2002 tot en met februari 2003 voor het grootste gedeelte (met uitzondering van een in oktober 2002 gedane betaling van 7.000 euro) afgewend heeft van de eigenlijke bestemming en zonder enig overleg met de fiscus misbruikt heeft als een alternatieve onwettige financiering van de vennootschap. Een dergelijk wetens en willens oneigenlijk en onwettig gebruik van de ingehouden bedrijfsvoorheffing, waarvoor in casu geen rechtvaardigingsgrond bestaat – er wordt door geïntimeerde op geen enkele wijze zelfs maar waarschijnlijk gemaakt dat deze achterstallige bedrijfsvoorheffing normaal binnen korte termijn zou kunnen betaald worden – is een onrechtmatige daad van de geïntimeerde als zaakvoerder van de gefailleerde, en hij dient de door deze fout aan de fiscus toegebrachte schade te vergoeden.

Immers, aangezien de niet-doorstorting van deze bedrijfsvoorheffing een schending vormt van een wettelijke verplichting, die wetens en willens werd begaan en geen gronden om deze fout te rechtvaardigen aanwezig zijn, neemt het feit dat de doorstorting van deze bedrijfsvoorheffing een op de vennootschap rustende verplichting was, niet weg dat de zaakvoerder, die instaat voor het bestuur van de vennootschap en tot wiens taak het behoorde zelf in te staan voor de doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing of minstens op de betaling daarvan toe te zien, door zijn verzuim een onrechtmatige daad pleegde en de schade die de Belgische Staat door deze fout leed dient te vergoeden. Anders dan appellant aanvoert, belet de door hem ingeroepen orgaantheorie en waardoor deze onrechtmatige daad meteen ook aan de BVBA V.L.E.C. toegerekend wordt, niet dat ook geïntimeerde zelf de schade dient te vergoeden die door zijn onrechtmatige daad aan de fiscus werd veroorzaakt.

III. De schade die de fiscus door deze fout van geïntimeerde lijdt, is gelegen in de inkomstenderving door het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing, ten gevolge waarvan hij in het raam van de Rijksmiddelenbegroting ten laste van de gemeenschap van burgers andere inkomsten heeft moeten aanspreken. Deze schade kan bij equivalent worden bepaald op de niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing in hoofdsom, vermeerderd met vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf een gemiddelde datum vanaf september 2002 tot datum van algehele betaling. Immers:

1. de vergoedende rente op schadevergoeding uit onrechtmatige daad loopt van rechtswege en daarvoor is geen ingebrekestelling verschuldigd;

2. de rentevoet wordt daarbij door de rechter op grond van de concrete gegevens der zaak naar eigen inzicht bepaald;

3. ingevolge art. 23 Faill. W. liep de met toepassing van art. 414 WIB 1992 uit kracht van de wet verschuldigde rente niet meer t.a.v. de boedel van de gefailleerde BVBA V.L.E.C., maar daardoor wordt geen afbreuk gedaan aan de verplichting van geïntimeerde om de door de rechtbank bepaalde vergoedende rente te betalen op de vastgestelde hoofdsom tot vergoeding van de door zijn fout aan de fiscus toegebrachte schade.

 

 

Gerelateerd
Gerelateerde modellen: 
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 18/10/2009 - 23:04
Laatst aangepast op: vr, 15/09/2017 - 11:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.