-A +A

Aansprakelijkheid bestuurders van vennootschappen arrest grondwettelijk Hof 17/09/2009

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
AANSPRAKELIJKHEID VAN DE BESTUURDERS VAN VENNOOTSCHAPPEN ARREST GRONDWETTELIJK HOF 17.09.2009
 
Art. 530 § 2 van het wetboek van vennootschappen voert een bijzondere aansprakelijkheid in van bestuurders, gewezen bestuurders en feitelijke bestuurders van naamloze vennootschappen voor niet betaalde sociale zekerheidsheidsbijdragen. Zij kunnen immers onder bepaalde voorwaarden persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen, bijdrage opslagen, verwijlinteresten en de vaste vergoedingen bedoeld in art. 54 ter K.B. 28.11.1969 tot uitvoering van de wet van 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
 
Opdat daartoe kan worden besloten moet wel vaststaan hetzij dat zij een grove fout hebben begaan die aan de basis lag van het faillissement (1ste hypothese), hetzij dat zij in de periode van 5 jaar voorafgaand een de faillietverklaring, reeds waren betrokken bij minstens 2 faillissement, vereffeningen of soortgelijke operaties met schulden tav een inninginstelling van de sociale zekerheidsbijdragen (2de hypothese). De invoering van een bijzondere aansprakelijkheidsregeling voor sociale zekerheidsschulden werd verantwoord als een instrument voor een betere inning van de sociale zekerheidsbijdragen. Daarbij werd tevens erop gewezen dat een dergelijke persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid reeds in andere Europese landen zoals Nederland bestaat (parlementaire stukken Kamer 2005-2006, DOC 51-2517/003, pg 7 en DOC 51-2517/011pg 8).
 
Bij de bespreking van het amendement dat aanleiding gaf tot wijziging van deze bepaling bij wet van 27.12.2006 houdende diverse bepalingen werd beklemtoond dat die bepaling vooral is gericht tegen malafide ondernemers : “het gaat niet op dat sommige malafide werkgevers ondernemingen oprichten, op het ogenblik dat de eerste betalingen moeten gebeuren de boeken sluiten, om vervolgens een nieuwe vennootschap op te richten enz.   Het komt erop neer dat de verschuldigde bijdragen correct moeten worden betaald “ (Parlementaire Stukken Kamer, 2006-2007 DOC 51-2760/030 pg 6).
 
Deze wettelijke bepaling inhoudende de persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van een bepaalde categorie personen is een objectieve aansprakelijkheid omdat de grove fout voor hen niet moet worden aangetoond. Het feitelijk gegeven dat de bestuurders in de loop van de periode van 5 jaar voorafgaand aan de faillietverklaring reeds betrokken zijn geweest bij minstens twee andere faillissementen, vereffeningen, of soortgelijke operaties die resulteerden in schulden tegenover een instelling die sociale zekerheidsbijdragen int, wordt immers door de wetgever zelf uitdrukkelijk – en dus op een voor de rechter bindende wijze – gelijk gesteld met “een grove fout die aan de basis van het faillissement lag” en kan, net als deze, de persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid teweeg brengen.
 
Het onderscheid tussen de eerste en de tweede categorie van personen, waarbij de tweede categorie van personen een objectieve aansprakelijkheid heeft en de eerste categorie een subjectieve aansprakelijkheid heeft, wordt door het Grondwettelijk Hof niet aanzien als een schending van het gelijkheidsbeginsel. Wel stelt het Grondwettelijk Hof dat een en ander de toets dient te doorstaan van art. 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de mens. Deze bepalingen doorstaan perfect deze toets, doordat deze bepalingen voorzien dat de betrokkenen kunnen aansprakelijk gesteld worden “ voor het geheel of het deel van de sociale bijdragen, bijdrage opslagen, verwijlinteresten en vaste vergoedingen, waarbij de RSZ en de curator de mate van deze hoofdelijkheid kunnen vorderen waarbij de rechtbank in rechte en in feite (de rechtbank van Koophandel) de omvang van de verschuldigde sociale bijdragen, bijdrage opslagen, verwijlinteresten en vaste vergoedingen kan beoordelen op basis van de bij haar ingestelde vordering. T.a.v. de omvang van de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen en supplementen, heeft de bevoegde rechtbank, bij de behandeling van de ingestelde vordering derhalve eenzelfde beoordelingsbevoegdheid als de R.S.Z. en de curator.
 
Zie ter zake voor het volledig arrest en bijhorende noot, N.J.W. 215, pg 61.
 
 
Gerelateerd
Gerelateerde modellen: 
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 23/03/2010 - 22:24
Laatst aangepast op: di, 23/03/2010 - 22:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.