-A +A

aansprakelijkheid van de Belgische staat voor fouten van de rechter-commisaris in een faillissement door gebrek aan toezicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Krachtens art. 1382-1383 B.W. is de Belgische Staat aansprakelijk voor de fout die een rechter-commissaris in het raam van zijn toezichtsbevoegdheid begaat en die schade veroorzaakt. De beweerde buitencontractuele fout van een rechter-commissaris moet worden beoordeeld in verhouding tot de redelijkerwijze zorgvuldige en vooruitziende rechter-commissaris die in dezelfde omstandigheden verkeert.

Krachtens art. 1382 en 1383 B.W. is de Belgische Staat aansprakelijk voor de fout die de rechter-commissaris in het raam van zijn toezichtsbevoegdheid begaat en die schade veroorzaakt.

De beweerde buitencontractuele fout van een rechter-commissaris moet worden beoordeeld in verhouding tot de redelijkerwijze zorgvuldige en vooruitziende rechter-commissaris die in dezelfde omstandigheden verkeert.

Krachtens het toepasselijke art. 463 van de Faillissementswet van 18 april 1851 heeft de rechter- commissaris in het bijzonder opdracht om op het beheer en de vereffening van de failliete boedel toezicht te houden en de verrichtingen te bespoedigen.

Volgens art. 470 en 528 van dezelfde wet houdt de rechter-commissaris toezicht op de wijze waarop de curator de failliete boedel beheert en vereffent, zulks in het belang van de failliet en de schuldeisers.

Die toezichtsopdracht krijgt, naar gelang van de omstandigheden van het faillissement, concrete invulling en brengt mee dat de rechter-commissaris, waar nodig, onderzoek voert en maatregelen treft, maar zonder zich in het eigenlijke beheer en de vereffening van de failliete boedel te mengen.

De algemene toezichtsplicht die rust op de rechter-commissaris impliceert dat hij erop toeziet, in het belang van de failliet en de schuldeisers, dat de curator de wettelijke verplichtingen naleeft die in het bijzonder het goede beheer en de correcte vereffening van het faillissement moeten waarborgen.

 

Rechtspraak: 

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 21 april 2006, RW 2009-2010, 278 voor het vonnis gewezen in eerste aanleg, zie Rb. Brussel 22 november 2000, R.W. 2001-02, 171.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

II. Feiten

Bij vonnissen van 3 en 29 april 1980 verklaart de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen de NV A. Van B., de NV Q. en P. Van B. failliet, waarbij telkens mr. C.D. als curator en F.D. als rechter-commissaris worden aangesteld.

Bij vonnissen van 24 juni 1982 wordt mr. C.D. als curator vervangen door mr. W.S. in de faillissementen van de NV A. Van B. en P. Van B. en door mr. L.D. in het faillissement van de NV Q.

Bij vonnis van 15 december 1982 wordt F.D. als rechter-commissaris vervangen door een andere rechter in handelszaken.

Bij vonnis van 3 april 1984 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Antwerpen P. Van B. wegens vermenging van activa en vermogen met de NV A. Van B. en de NV Q., het uitschrijven van cheques zonder dekking, de niet-tijdige aangifte van faillissement en het houden van een onvolledige en onwettige boekhouding.

Op 9 mei 1985 wordt het faillissement van de NV Q. afgesloten «bij ontoereikend actief».

Bij vonnis van 23 juni 1986 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Antwerpen mr. C.D. wegens verduistering van gelden (ten bedrage van 9.076.894 fr.) die hij als curator beheerde en wegens ontrouw, onder meer inzake de faillissementen van de NV A. Van B., de NV Q. en P. Van B.; dit vonnis wordt, na verzet, bevestigd bij vonnis van 30 mei 1991.

Op 27 mei 1993 worden de faillissementen van de NV A. Van B. en P. Van B. afgesloten «wegens vereffening».

Bij arrest van 21 oktober 1996 kent het hof van beroep eerherstel toe aan P. Van B. Het hof overweegt hierbij onder meer dat, indien de door mr. C.D. gepleegde verduisteringen niet zouden zijn begaan, de drie samenhangende faillissementen zouden zijn afgesloten met een actief van 7.726.444 fr.

Bij dagvaarding van 11 februari 1998 vordert de eiser tegen de verweerder een vergoeding van de materiële en morele schade ingevolge het gebrekkige toezicht van rechter-commissaris F.D.

Bij vonnis van 22 november 2000 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel deze vordering (gedeeltelijk) gegrond ten bedrage van 2.000.000 fr. met vergoedende interest.

Bij het thans bestreden arrest van 6 september 2004 verklaart de appelrechter de vordering ongegrond.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

4. Krachtens art. 1382 en 1383 B.W. is de Belgische Staat aansprakelijk voor de fout die de rechter-commissaris in het raam van zijn toezichtsbevoegdheid begaat en die schade veroorzaakt.

De beweerde buitencontractuele fout van een rechter-commissaris moet worden beoordeeld in verhouding tot de redelijkerwijze zorgvuldige en vooruitziende rechter-commissaris die in dezelfde omstandigheden verkeert.

5. Krachtens het toepasselijke art. 463 van de Faillissementswet van 18 april 1851 heeft de rechter- commissaris in het bijzonder opdracht om op het beheer en de vereffening van de failliete boedel toezicht te houden en de verrichtingen te bespoedigen.

Volgens art. 470 en 528 van dezelfde wet houdt de rechter-commissaris toezicht op de wijze waarop de curator de failliete boedel beheert en vereffent, zulks in het belang van de failliet en de schuldeisers.

Die toezichtsopdracht krijgt, naar gelang van de omstandigheden van het faillissement, concrete invulling en brengt mee dat de rechter-commissaris, waar nodig, onderzoek voert en maatregelen treft, maar zonder zich in het eigenlijke beheer en de vereffening van de failliete boedel te mengen.

6. De algemene toezichtsplicht die rust op de rechter-commissaris impliceert dat hij erop toeziet, in het belang van de failliet en de schuldeisers, dat de curator de wettelijke verplichtingen naleeft die in het bijzonder het goede beheer en de correcte vereffening van het faillissement moeten waarborgen.

7. De beoordeling van die toezichtsplicht door de feitenrechter is onaantastbaar, in zoverre de door die rechter vastgestelde feiten zijn oordeel kunnen staven.

8. Het arrest dat uit de vastgestelde feiten afleidt dat het gebrek aan toezicht op de curator in de persoon van de rechter-commissaris geen fout uitmaakt die een redelijkerwijze zorgvuldige en vooruitziende rechter- commissaris niet zou begaan, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

9. Het onderdeel is gegrond.

...

NOOT – 1. Zie het in deze zaak in eerste aanleg gewezen vonnis van Rb. Brussel 22 november 2000, R.W. 2001-02, 171.

 

 

Wetgeving: 

Voor de exacte omschrijving van de toezichtstaak van de rechter-commissaris, zie het huidige art. 35 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: di, 13/10/2009 - 15:46
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.