-A +A

Bouwen op andermans grond

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De eigenaar van de grond wordt vermoed eigenaar te zijn van de gebouwen en de beplantingen.

Bouwen op andermans grond

Wie bouwt of constructies aanbrengt op de grond waarvan een derde eigenaar is wordt geconfronteerd met het recht op natrekking (artikel 552 B.W.).

De eigenaar van de grond wordt ingevolge het recht op natrekking ook eigenaar van de constructies die de derde hierop heeft gezet.

De gevolgen met betrekking tot deze natrekking worden verder uitgewerkt door artikel 555 B.W.

Dit artikel stelt: “Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gekomen door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen.

Indien de eigenaar van het erf de wegruiming vordert van de beplantingen en gebouwen, geschiedt deze op kosten van diegene door wie zij zijn tot stand gebracht, zonder enige vergoeding voor hem; hij kan zelfs, indien daartoe reden is, veroordeeld worden tot schadevergoeding wegens het nadeel dat de eigenaar van het erf mocht hebben geleden.

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt.

Indien echter de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde, onder wie het goed is uitgewonnen en die niet tot teruggave van de vruchten is veroordeeld, daar hij ter goeder trouw was, dan kan de eigenaar de wegruiming van die werken, beplantingen en gebouwen niet vorderen; maar hij heeft de keuze om ofwel de waarde van de materialen en het arbeidsloon te vergoeden, ofwel een bedrag te betalen dat gelijk is aan de door het erf verkregen meerwaarden.

De volledige regels met betrekking tot het recht van natrekking worden geregeld door artikel 551 tot 577 van het B.W.

Deze regels gaan terug tot het Romeins recht, namelijk tot het superficies solo cedit beginsel.

Rechtspraak: Hof van Cassatie, 03.02.2011, rechtskundig weekblad, 2013-2014, kolom 495 met noot van Sofie Pouly, de verbintenisrechterlijke vergoedingsregels in het raam van de onroerende natrekking.

Uittreksel uit het burgerlijk wetboek

RECHT VAN NATREKKING BETREFFENDE ONROERENDE ZAKEN.

Art. 552. De eigendom van de grond bevat in zich de eigendom van hetgeen op en onder de grond is.
De eigenaar mag op de grond naar goeddunken planten en bouwen, behoudens de in de titel Erfdienstbaarheden of grondlasten gestelde uitzonderingen.
Onder de grond mag hij naar goeddunken bouwen en graven en uit die gravingen alle voortbrengsels halen die zij kunnen opleveren, behoudens de beperkingen voortvloeiende uit de wetten en verordeningen betreffende de mijnen en uit de wetten en verordeningen van politie.

Art. 553. Alle gebouwen, beplantingen en werken op of onder de grond van een erf, worden vermoed door de eigenaar, op zijn kosten, te zijn tot stand gebracht en hem toe te behoren, tenzij het tegenovergestelde bewezen is; onverminderd de eigendom die een derde door verjaring mocht verkrijgen of hebben verkregen, hetzij van een ondergrondse ruimte onder eens anders gebouw, hetzij van enig ander gedeelte van het gebouw.

Art. 554. De eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, moet de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.

Art. 555. Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen.
Indien de eigenaar van het erf de wegruiming vordert van de beplantingen en gebouwen, geschiedt deze op kosten van degene door wie zij zijn tot stand gebracht, zonder enige vergoeding voor hem; hij kan zelfs, indien daartoe reden is, veroordeeld worden tot schadevergoeding wegens het nadeel dat de eigenaar van het erf mocht hebben geleden.
Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt. Indien echter de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde, onder wie het goed is uitgewonnen en die niet tot teruggave van de vruchten is veroordeeld, daar hij te goeder trouw was, dan kan de eigenaar de wegruiming van die werken, beplantingen en gebouwen niet vorderen; maar hij heeft de keus om, ofwel de waarde van de materialen en het arbeidsloon te vergoeden, ofwel een bedrag te betalen dat gelijk is aan de door het erf verkregen meerwaarde.

Art. 556. Aanslijkingen en aanwassen die langzamerhand en ongemerkt ontstaan aan bij een stroom of rivier gelegen gronden, worden aanspoelingen genoemd.
De aanspoeling komt ten goede aan de eigenaar van de oever, onverschillig of het een stroom of een al dan niet bevaarbare of vlotbare rivier betreft; in het eerste geval echter moet het voetpad of jaagpad worden vrijgelaten, overeenkomstig de verordeningen.

Art. 557. Het voorafgaande is ook van toepassing op de droge plaatsen die ontstaan wanneer het lopend water zich ongemerkt van een van zijn oevers terugtrekt en zich naar de andere verplaatst; de eigenaar van de drooggelopen oever heeft het voordeel van de aanspoeling, zonder dat de eigenaar van de andere oever de grond die hij verloren heeft, kan opeisen.
Zodanig recht bestaat niet ten aanzien van door de zee verlaten gronden.

Art. 558. Aanspoeling bestaat niet ten aanzien van meren en vijvers en de eigenaar daarvan behoudt steeds de grond die door het water bedekt wordt, wanneer het tot zodanige hoogte is gekomen dat de vijver zich daarvan ontlast, ofschoon ook de hoeveelheid van het water naderhand weer afneemt.
Omgekeerd verkrijgt de eigenaar van de vijver geen recht op de aan de oever gelegen gronden die door zijn water, bij buitengewone was, overdekt worden.

Art. 559. Wanneer een stroom of een al dan niet bevaarbare rivier door een plotseling geweld een aanzienlijk en herkenbaar stuk van een aan de oever gelegen land afscheurt en aan een lager gelegen land of aan de tegenoverliggende oever aanwerpt, kan de eigenaar van het afgescheurde stuk zijn eigendom opeisen : hij is echter gehouden zijn eis in te stellen binnen een jaar; na die termijn is hij daartoe niet meer ontvankelijk, tenzij de eigenaar van het land waarmee het afgescheurde stuk verenigd is, van dit stuk nog geen bezit genomen heeft.

Art. 560. Eilanden, eilandjes en aanslijkingen die in de bedding van stromen of van bevaarbare of vlotbare rivieren ontstaan, behoren toe aan de Staat, tenzij er een daarmee strijdige titel of verjaring is.

Art. 561. Eilanden en aanslijkingen die in niet bevaarbare en niet vlotbare rivieren ontstaan, behoren de eigenaars van de oevers toe, aan de zijde waar het eiland zich gevormd heeft; indien het eiland niet aan een enkele zijde is ontstaan, behoort het de eigenaars van beide oevers toe, te rekenen van een lijn die verondersteld wordt in het midden van de rivier te zijn getrokken.

Art. 562. Indien een rivier of een stroom, bij de vorming van een nieuwe arm, het aan de oever gelegen land van een eigenaar afsnijdt en omvat, en tot een eiland maakt, behoudt die eigenaar de eigendom van zijn land, zelfs indien het eiland zich gevormd heeft in een stroom of in een bevaarbare of vlotbare rivier.

Art. 563. Wanneer een stroom of een al dan niet bevaarbare of vlotbare rivier een nieuwe loop aanneemt en zijn oude bedding verlaat, verkrijgen de eigenaars van de overstroomde erven, als vergoeding, de oude verlaten bedding, ieder naar evenredigheid van de hoeveelheid grond die hij verloren heeft.

Art. 564. Duiven, konijnen, vissen, die naar een andere til, warande of vijver overgaan, behoren de eigenaar van deze zaken toe, mits de dieren niet door bedrog en list werden binnengelokt.

AFDELING II. - RECHT VAN NATREKKING BETREFFENDE ROERENDE ZAKEN.

Art. 565. Wanneer het recht van natrekking twee roerende zaken betreft, die aan twee verschillende eigenaars toebehoren, is dat recht geheel onderworpen aan de beginselen van de natuurlijke billijkheid.
De volgende regels dienen de rechter tot voorbeeld, om hem in staat te stellen in de niet voorziene gevallen volgens de bijzondere omstandigheden te beslissen.

Art. 566. Wanneer twee aan verschillende eigenaars toebehorende zaken, derwijze verenigd dat zij een geheel uitmaken, toch gescheiden kunnen worden, zodat de ene zonder de andere kan bestaan, behoort het geheel toe aan de eigenaar van de zaak die het voornaamste gedeelte uitmaakt, onder verplichting om aan de andere eigenaar de waarde van de zaak die met de eerste verenigd is, te betalen.

Art. 567. Als het voornaamste gedeelte wordt beschouwd dat gedeelte waarmee het andere enkel tot gebruik, versiering of aanvulling verenigd is.

Art. 568. Wanneer echter de verenigde zaak veel kostbaarder is dan de hoofdzaak en wanneer zij buiten weten van de eigenaar is gebruikt, kan deze vorderen dat de verenigde zaak wordt afgescheiden om hem teruggegeven te worden, zelfs indien enige beschadiging van de zaak waarmee zij verenigd is, daarvan het gevolg zou kunnen zijn.

Art. 569. Indien van twee zaken die verenigd zijn om een geheel te vormen, de ene niet voor de bijzaak van de andere kan worden gehouden, wordt die welke in waarde, of, indien beider waarde ongeveer gelijk is, in omvang de voornaamste is, als de hoofdzaak beschouwd.

Art. 570. Indien een ambachtsman of enig ander persoon, om een zaak van een nieuwe soort te vervaardigen, een hem niet toebehorende stof heeft gebruikt, hetzij deze haar eerste vorm kan herkrijgen of niet, heeft hij die eigenaar was van de stof, het recht de daaruit vervaardigde zaak op te eisen, mits hij de waarde van het arbeidsloon vergoedt.

Art. 571. Indien echter de arbeid van zoveel belang was dat hij de waarde van de gebruikte stof ver overtreft, wordt de arbeid als de hoofdzaak beschouwd, en heeft de arbeider het recht de bewerkte zaak voor zich te behouden, mits hij de prijs van de stof aan de eigenaar vergoedt.

Art. 572. Wanneer iemand, om een zaak van een nieuwe soort te vervaardigen, gedeeltelijk een hem toebehorende stof en gedeeltelijk een hem niet toebehorende stof heeft gebruikt, zonder dat een van beide stoffen geheel vernietigd is, doch derwijze dat zij niet zonder bezwaar kunnen worden gescheiden, is de zaak aan beide eigenaars gemeen : voor de ene, naar evenredigheid van de stof die hem toebehoorde, en voor de andere, naar evenredigheid zowel van de stof die hem toebehoorde als van de waarde van zijn arbeid.

Art. 573. Wanneer een zaak vervaardigd is door vermenging van verscheidene aan verschillende eigenaars toebehorende stoffen, waarvan echter geen enkele als de hoofdstof kan worden beschouwd, kan hij buiten wiens weten de stoffen vermengd werden, daarvan de verdeling vorderen, indien zij gescheiden kunnen worden.
Indien de stoffen niet meer zonder bezwaar gescheiden kunnen worden, verkrijgen de eigenaars gemeenschappelijk de eigendom van de zaak, naar evenredigheid van de hoeveelheid, de hoedanigheid en de waarde van de stoffen die aan ieder van hen toebehoorden.

Art. 574. Indien de aan een van de eigenaars toebehorende stof die van de andere in hoeveelheid en prijs ver overtreft, kan de eigenaar van de kostbaarder stof de uit de vermenging ontstane zaak opeisen, mits hij aan de andere de waarde van zijn stof vergoedt.

Art. 575. Wanneer de zaak gemeen blijft aan de eigenaars van de stoffen waaruit zij vervaardigd is, moet zij tot hun gemeen voordeel geveild worden.

Art. 576. In alle gevallen waarin de eigenaar wiens stof, buiten zijn weten, tot het vervaardigen van een zaak van een andere soort is gebruikt, de eigendom kan opeisen van die zaak, heeft hij de keus om, ofwel de teruggave van zijn stof, dezelfde in aard, hoeveelheid, gewicht, maat en hoedanigheid, ofwel de waarde daarvan, te vorderen.

Art. 577. Hij die stoffen heeft gebruikt die aan anderen toebehoren en buiten hun weten, kan ook, indien daartoe reden is, tot schadevergoeding veroordeeld worden, onverminderd de strafvervolging, indien het geval daartoe aanleiding geeft.

 

Rechtspraak: 

• Antwerpen 31 januari 2017 AR: 2015/FA/100, TBBR 2018/4, 230

Samenvatting

Tussen samenlevers, waar de ene partner in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, is artikel 555 BW zinledig.

Tekst arrest

( ... )

1. Wat voorafgaat

Appellante heeft op 5 november 2005 een woning gekocht te Bornem aan de ( ... ).

Nadat partijen in februari 2008 een relatie zijn begonnen, heeft geïntimeerde zich op 7 januari 2009 laten inschrijven op het adres van appellante.

Vervolgens hebben zij op 19 augustus 2009 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Bornem.

Uit hun relatie is één kind geboren, te weten: M.-A.R., op ( ... ).

Op 17 september 2009 hebben partijen een onderhandse overeenkomst afgesloten, betreffende een financiële regeling "omtrent het huis dat door hen beiden wordt bewoond, maar (voorlopig) in eigendom is van R.F. ".

In deze overeenkomst is onder meer het volgende bedongen: - "maandelijks zal WR. een som van 600 EUR betalen aan R.F., hetgeen overeenkomt met de helft van de afbetaling van de woning. Vanaf januari 2010 zullen deze bedragen gezien worden als investering ....

- Alle investeringen aan de woning(. .. ) die enkel door WR. worden gedragen, zullen minimaal 2 maal per jaar worden vastgelegd tussen de partijen, om een vlotte opvolging van de staat van de kosten te garanderen.

- In geval dat WR. verhuist en geen mede-eigenaar wil worden van de woning, zal het totaal van deze investeringen aan hem worden terugbetaald."

Die overeenkomst bevatte ook een addendum, door beide partijen ondertekend, houdende de omschrijving van een reeks aankopen tussen 11 juni 2009 en 5 september 2009 voor in totaal 14.599,02 EUR.

Geïntimeerde heeft op 22 februari 2013 een eenzijdige verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning afgelegd.

Op 22 oktober 2013 heeft geïntimeerde appellante doen dagvaarden

Zijn oorspronkelijke vordering strekte ertoe:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 76.752 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot aan de volledige betaling;

- appellante te horen veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR, basisbedrag voor vorderingen vanaf 100.000,01 EUR;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Hij baseerde zijn vordering op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking om vergoeding te bekomen voor investeringen ten bedrage van 50.955 EUR, voor terugbetaling van het woonkrediet voor 17.040 EUR en onkosten voor 8.757,22 EUR, hetzij in totaal 76.752 EUR, nog te vermeerderen met conventionele intresten.

Appellante besloot tot de ongegrondheid van die vordering en stelde in haar conclusie neergelegd op 24 januari 2014 een tegenvordering, die ertoe strekte geïntimeerde te horen veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800, onder aftrok van de bedragen die hij zou bewijzen effectief betaald te hebben, en tot betalen van de gedingkosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR.

In conclusies neergelegd op 27 februari 2014 vorderde geïntimeerde dan:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 67.996,27 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- haar tevens te veroordelen tot betalen van 8.789,79 EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum der onkosten tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- de tegeneis af te wijzen als ongegrond;

- appellante te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR. - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In conclusies neergelegd op 10 april 2014 herleidde appellante haar tegenvordering en vorderde nog een saldo van 6.560 EUR, meer intresten vanaf 22 februari 2013, meer de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR. In zijn syntheseconclusies baseerde geïntimeerde zich in hooforde op de overeenkomst van 17 september 2009, ondergeschikt op de overeenkomst die zij hierover bij notaris MAES hebben bereikt, meer ondergeschikt op de leer van de natrekking, meest ondergeschikt op de verrijking zonder oorzaak.

In het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 24 september 2014 heeft de eerste rechter - de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009 absoluut nietig bevonden, nu zij niet bij authentieke akte is verleden;

- de hoofdvordering van geïntimeerde evenwel gegrond verklaard voor 50.956,27 EUR (voor de door hem betaalde materialen en werken uitgevoerd aan de woning), en appellante veroordeeld tot betalen van dit bedrag aan geïntimeerde, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet, en dit op grond van de verrijking zonder oorzaak, nu deze uitgaven kennelijk de normale lasten van het samenleven te boven gingen;

- het overige van de hoofdvordering (de afbetalingen van het hypothecair krediet en diverse onkosten) alsook de tegenvordering ongegrond verklaard;

- partijen ieder in de eigen gerechtskosten verwezen. Dit vonnis is betekend op 8 januari 2015.

2. De vorderingen in beroep

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 6 februari 2015, heeft appellante een naar vorm en termijn regelmatig beperkt hoger beroep ingesteld, in zover zij op grond van de vermogensverschuiving zonder oorzaak veroordeeld werd tot betalen van 50.956,27 EUR, meer de gerechtelijke intresten.

Het hoger beroep strekt ertoe de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en rechtdoende op de oorspronkelijke tegeneis van appellante, deze tegeneis, voor zover geen compensatie van de prestaties van beide partijen in het kader van de kosten van huishouding zou aanvaard worden, quod non, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800 EUR, onder aftrok van de bedragen die hij bewijst effectief betaald te hebben voor het woningkrediet hetzij 15.840 EUR, blijft verschuldigd 6.960 EUR, meer de intresten vanaf 22 januari 2013.

Zij vordert tevens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de procedure, en begroot deze op een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR per aanleg, alsook het rolrecht hoger beroep p.m.

Geïntimeerde vorderde in conclusies de laattijdig neergelegde conclusies van appellante van 19 december 2015 uit de debatten te weren, alsook de wering van de niet-meegedeelde stukken. Ter terechtzitting van 27 september 2016 verklaarde geïntimeerde die exceptie van laattijdigheid van conclusies en van wering van stukken niet aan te houden. Geïntimeerde besluit ten gronde tot de ongegrondheid van het beroep en vordert op incidenteel beroep, ingesteld bij conclusies neergelegd op 26 juni 2015, en zoals geherformuleerd in conclusies neergelegd op 28 december 2015:

- appellante te veroordelen tot betaling van 67.996,27 EUR, vermeerderd met de nalatigheidintrest conform de conventionele intrestvoet aan 8 % vanaf de datum investering of afbetaling woningkrediet tot op de dag van de dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot op de dag van de volledige betaling.

- appellante te veroordelen tot betalen van 8. 789, 79 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum der onkosten tot de datum dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling.

- ondergeschikt, te oordelen dat de mondelinge overeenkomst tussen partijen in aanwezigheid van notaris MAES van 3 september 2012 bindend is en dienvolgens appellante te veroordelen tot betalen van 85.500 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 september 2012.

- ondergeschikt, notaris MAES met studie te 2540 HOVE, Kapelstraat 90 op te roepen als getuige ten einde onder eed te worden verhoord nopens het bestaan van de overeenkomst van 3 september 2012.

- de initiële tegeneis van appellante af te wijzen als ongegrond.

- appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten, met inbegrip de rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR per aanleg.

- dit alles bij 'vonnis' uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.

3. Beoordeling

3.1. Over de exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 201 Sen over het weren van die conclusie en van stukken

Geïntimeerde heeft op de zitting van 27 september 2016 zijn exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 2015 en van het weren van niet-medegedeelde stukken niet aangehouden.

Er dienen bijgevolg geen conclusies en /of stukken te worden geweerd uit het beraad.

3.2. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn tijdig en naar vorm regelmatig ingesteld. Dit vastgesteld zijnde heeft het hof geen middelen van ontvankelijkheid ambtshalve te onderzoeken.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk.

3.3. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

3.3.1. Het standpunt van partijen

De vordering van geïntimeerde in betalen van 76. 786,06 EUR omvat drie elementen:

- door hem gedane investeringen in het onroerend goed van appellante voor in totaal 50.956,27 EUR;

- door hem verrichte terugbetalingen op het woonkrediet voor het onroerend goed van appellante voor in totaal 17.040 EUR;

- door hem betaalde onkosten voor in totaal 8.789,79 EUR. Hij steunt zich in rechte op het art. 1134 BW, ingevolge de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009, verder op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking, nu zijn bijdragen aan het woonkrediet en aan de investeringen voor renovatie niet kunnen worden aangezien als bijdrage in het samenleven.

Appellante stelt dat

- de overeenkomst tussen partijen van 17 september 2009 nietig is;

- alle betalingen door geïntimeerde uitgevoerd moeten worden aangezien als een bijdrage aan het samenleven, overeenkomstig het bepaalde onder art. 1477 BW;

- zij niet op de hoogte werd gebracht van de investeringen in het onroerend goed, zoals de onderhandse overeenkomst vereiste;

- de door geïntimeerde uitgevoerde werken gebreken vertonen zodat deze geen meerwaarde betekenden voor haar onroerend goed.

3.3.2. Over de geldigheid van de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009

Het artikel 1478, vierde lid BW bepaalt dat de samenwonenden "voorts" hun wettelijke samenwoning naar goeddunken regelen door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. En, in fine: "Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris .... "

De tussen wettelijk samenwonenden gesloten samenlevingsovereenkomst is een plechtige akte. Indien de betrokkenen ervoor opteren een samenlevingsovereenkomst op te stellen, dan moet zij om geldig te zijn noodzakelijkerwijze de vorm van een authentieke akte aannemen en dus worden verleden voor een notaris (art. 1478, vierde lid, in fine BW). Doordat het gaat om een formele rechtshandeling, leidt de niet-naleving van deze geldigheidsvereiste tot absolute nietigheid. Ook bij een latere wijziging van de samenlevingsovereenkomst moet de notariële vorm worden aangehouden. (zie ook: Verslag namens de commissie voor de Justitie, Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 49K0170/008, 95; en: W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, lntersentia, 2010, 501, nr. 943; en: J.-F. TAYMANS, 'Les contrats de vie commune' in Y.-H. LELEU, Y. PARENT en J.-F. TAYMANS (eds.), Le couple. Vie commune et rupture, Brussel, Larcier, 2009, 162, nr. 183)

Anders dan wat geïntimeerde voorhoudt heeft het vormgebrek, doordat de wil der partijen niet is vastgelegd door een notaris, wel degelijk vérstrekkende gevolgen: ingevolge het niet nakomen van het zogenaamde wilsformalisme is die overeenkomst absoluut nietig. Immers, de wetgever heeft bij het opmaken van een samenlevingsovereenkomst tussen wettelijk samenwonenden kennelijk dezelfde garanties geeist als bij het opmaken van een huwelijkscontract, en heeft in tegenstelling tot een louter consensueel contract (de regel) geëist dat er een plechtige overeenkomst (de uitzondering) zou worden opgesteld door een notaris. Deze vorm is een essentiële vereiste "ad solemnitatem et non ad probationem" (lees: de vervulling van de formaliteit wordt vereist voor de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling en niet slechts voor het bewijs ervan), (zie terzake het plechtig contract en het wilsformalisme o.m. R. DEKKERS, Handboek Burgerlijk Recht, II, 1971, nr. 39 en H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. 1, 28-29 ent. Il, 454)

Nu er geen geldige samenlevingsovereenkomst bestaat, kunnen partijen daarvan ook niet de uitvoering eisen.

3.3.3. Over de toepassing van art. 544-554 B.W. c.q. de kosten/eer Geïntimeerde beroept zich tevergeefs op de gevolgen van de natrekking ex. art. 554 BW en/of op de kostenleer (art. 1381 BW):

Het art. 554 BW bepaalt:

"De eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, moet de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.".

Het art. 555 BW bepaalt:

"Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen ....

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt .... "

Het art. 1381 BW bepaalt:

"Hij aan wie de zaak teruggegeven wordt, moet zelfs aan de bezitter te kwader trouw alle noodzakelijke en nuttige uitgaven vergoeden, die tot behoud van de zaak gedaan zijn." De ingeroepen natrekkingsleer (hier in essentie artikel 555 BW) biedt geen uitweg aan de geïntimeerde: er kan slechts een beroep worden gedaan op de natrekkingsleer indien het nagetrokken goed nog individualiseerbaar is, zodat de wegname - strikt gezien - mogelijk blijft, zij het desgevallend met minwaarde/economisch verlies tot gevolg (zie en vgl. Cass. 18 april 1991, Arr. Cass. 1990-91, 891 alsook H. De Page, Traité élémentaire de droit civil beige, VIII, Brussel, Bruylant, p. 9, nr. 420), hetgeen hier evenwel niet het geval is: de geïncorporeerde materialen zijn duidelijk niet vatbaar voor individualisatie en gebeurlijke wegneming.

Artikel 555 BW is bovendien slechts bedoeld voor de situatie waarbij de eigenaar van een onroerend goed, die er niet in het bezit van is, vaststelt dat een derde werken aan het goed heeft uitgevoerd. Een derde is diegene die niet krachtens een overeenkomst heeft gebouwd. Derde is eenieder die gebouwd heeft op de grond van iemand anders of op deze grond werken heeft opgericht op zijn eigen kosten en voor zijn eigen rekening, en waarbij het eigendomsconflict door geen enkele wet en door geen enkele overeenkomst tussen beide partijen werd geregeld (zie ook: F. Van Neste, "Zakenrecht", in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1990, 377, nr. 213). Dit maakt artikel 555 BW zinledig in een rechtsverhouding tussen samen/evers, waar de ene partner, desgevallend met bijstand in natura van zijn familie, in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, hetgeen hier trouwens niet anders was.

De kostenleer is in principe bedoeld voor de situatie waarin de eigenaar zijn onroerend goed terugvordert van een derde die dat goed onder zich heeft en beoogt meer bepaald de hypothese waarin deze derde werken uitvoerde aan het onroerend goed gedurende een tijdspanne of in een periode dat de eigenaar niet in het bezit was van dit goed. Het spreekt voor zich dat geïntimeerde niet kan worden gekwalificeerd als een derde die het onroerend goed van appellante onder zich gehouden heeft. De kostenleer, die uitgaat van de hypothese dat er geen overleg of samenspraak is geweest tussen de vergoedingsgerechtigde en de vergoedingsplichtige, kan in beginsel niet worden toegepast in de verhouding tussen samenlevers, omdat de werken daar in de regel in gezamenlijk overleg worden uitgevoerd, hetgeen hier trouwens kennelijk niet anders was.

3.3.4. Over de verrijking zonder oorzaak

Ook de verrijking zonder oorzaak, die een subsidiair karakter heeft, biedt geen soelaas aan de vordering van geïntimeerde.

Immers, van zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving moet de aanspraak van geïntimeerde worden afgewezen: de oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog onderlijnd dat wanneer de verarmde (bij hypothese geïntimeerde) speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken (het langdurig mogen samenwonen in de voormalige gezinswoning met appellante en hun gemeenschappelijk kind) - dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd- of handelde uit eigen belang de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil beige, III, blz. 54, nr. 40; vgl. met A. DE BERSAQUES, "Le caractère subsidiaire de l'actio de in rem verso", RCJB 1957, (121), 128, nr. 17).

3.3.5. Over de beweerde mondelinge overeenkomst tot vereffening en verdeling bij notaris MAES van 3 september 2012

Geïntimeerde beroept zich in ondergeschikte orde, namelijk "indien het hof de mening zou zijn toegedaan dat met de overeenkomst tussen partijen geen rekening kan worden gehouden en dat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van de vermogensverschuiving zonder oorzaak" op het bestaan van een mondelinge overeenkomst in aanwezigheid van notaris MAES, waarbij appellante een vergoeding zou betalen van 85.500 EUR.

Hij verwijst daarvoor naar

- een e-post bericht van notaris MAES van 21 september 2012 dat stelt:

"Ik heb getracht tussen partijen een nieuwe regeling tot stand te brengen. Na een lange bespreking kwam er een nieuw (mondeling) akkoord tussen partijen tot stand, doch de daaropvolgende dag kwam mevrouw FAES terug op de gemaakte afspraken.";

- een e-postbericht van 4 september 2012 van appellante, dat wel degelijk verwijst naar het akkoord over het terug te betalen bedrag, maar waarop is teruggekomen: "Geachte Mevrouw Maes, Alvast bedankt voor uw geduld gisteren. Graag had ik een aantal aanpassingen laten doen in de tekst. Het terug te betalen bedrag van 85.500 EUR mag teruggebracht worden naar 80.000 EUR."

Geïntimeerde meent dat het akkoord tussen partijen bindend was.

Uit de door partijen overgelegde briefwisseling is weliswaar af te leiden dat er tussen partijen onderhandelingen gevoerd werden op basis van hun oorspronkelijke onderhandse overeenkomst die hoger evenwel absoluut nietig is verklaard, en is verder allerminst af te leiden dat er tussen hen een definitief akkoord is tot stand gekomen. Met reden werpt appellante aan geïntimeerde tegen dat zo er al een definitief bindend akkoord zou zijn gesloten, de notaris dat akkoord wel op papier zou hebben gezet.

Ter terechtzitting van 27 september 2016 wierp het hof de vraag op naar de toelaatbaarheid van het door geïntimeerde in meer ondergeschikte orde gevraagde getuigenverhoor, gelet op het bepaalde onder art. 1341 BW, en geïntimeerde heeft daarover standpunt ingenomen.

Het art. 1341 B.W. bepaalt: "Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR. Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel."

Te dezen blijkt geen notariële of onderhandse akte te zijn opgesteld over enige regeling tussen partijen aangaande hun vereffening en verdeling, en gelet op het art. 1341 B.W. kan het bewijs door getuigen niet worden toegelaten. Bovendien moet worden vastgesteld dat het verzoek tot bewijs door getuigen onvoldoende bepaald is naar tijd en ruimte om een tegenbewijs mogelijk te maken: ook om die reden is het getuigenbewijs niet toelaatbaar.

Geïntimeerde kan zich derhalve ook niet baseren op enig "mondeling" akkoord tussen partijen.

Kortom: geïntimeerde toont niet aan dat de uitgaven (onder welke vorm ook) die hij verricht heeft tijdens het samenleven van partijen zijn evenredige bijdrage in de kosten van de huishouding en het samenwonen overtreffen.

En ter zake wijst appellante er met reden op dat zijzelf immers ook een ganse reeks uitgaven betaalde (belastingen, verzekeringen, de rekeningen voor nutsvoorzieningen allerhande, de aankoop van de gezinswagen - zie de opsomming onder nr. 6 van haar syntheseconclusies neergelegd op 25 maart 2016 met verwijzing naar haar stukkenbundel). Vermits de (oorspronkelijke) tegeneis van appellante slechts is gesteld voor zover het hof zou oordelen dat er geen compensatie kan gebeuren tussen de prestaties verricht door elk der partijen in het kader van de huishouding, dient daarover verder niets gezegd te worden.

( ... )

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het beperkt hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en rechtdoend binnen de perken ervan:

Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond,

Wijst hem ervan af,

Wijst hem ook af van zijn onderschikte actuele vorderingen; Stelt vast dat de in ondergeschikte orde ingestelde (oorspronkelijke) tegeneis derhalve zonder voorwerp valt,

( ... )

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 05/12/2013 - 05:29
Laatst aangepast op: zo, 10/06/2018 - 17:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.