-A +A

Hoge Commissie tot Bescherming van de Maatschappij

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De geïnterneerde of de procureur des Konings tkunnen tegen de beslissingen van de commissie tot bescherming van de maatschappij (CBM) in beroep gaan bij de Hoge Commissie tot Bescherming van de Maatschappij.P.16.0846.N

Deze Hoge CBM is op haar beurt samengesteld uit een werkend of eremagistraat van het Hof van Cassatie of van het Hof van Beroep, tevens voorzitter; een advocaat en de geneesheer-directeur van de desbetreffende antropologische dienst. Bovendien wordt minstens één magistraat van het parket-generaal aan deze commissie toegevoegd. De leden van de hoge commissie worden benoemd voor een periode van zes jaar. Het secretariaat wordt waargenomen door ambtenaren van het ministerie van Justitie.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 25/10/2016, A.R. P.16.0846.N

Samenvatting:

De hoge commissie heeft bij het onderzoek of er grond is om de invrijheidstelling van een geïnterneerde te bevelen overeenkomstig artikel 18 Wet Bescherming Maatschappij, zoals hier toepasselijk, de definitieve beslissingen van de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten die de internering van de betrokkene hebben bevolen en de gronden waarop die beslissingen steunen, niet te beoordelen.

Tekst Arrest

Nr. P.16.0846.N
C A J N,
geïnterneerde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de hoge commissie tot be-scherming van de maatschappij van 23 juni 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 7 Wet Bescherming Maatschap-pij: de beslissing maakt een onjuiste toepassing van deze wet; de internering had moeten worden opgeheven; de voorbije jaren hebben drie psychiaters een deskun-digenverslag opgesteld betreffende de eiser die tot eenzelfde besluit leiden, namelijk dat de eiser op het ogenblik van de feiten en ook op het ogenblik van deze verslagen niet verkeerde in één van de toestanden bedoeld door artikel 7 Wet Bescherming Maatschappij en dat hij niet gevaarlijk is voor de maatschappij en voor hemzelf; dit betekent concreet dat de eiser niet onder het toepassingsgebied van de Wet Bescherming Maatschappij valt.

2. Artikel 7 Wet Bescherming Maatschappij, zoals hier toepasselijk, bepaalt de voorwaarden waaronder de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten de inter-nering kunnen gelasten.

3. De hoge commissie heeft bij het onderzoek of er grond is om de invrijheid-stelling van een geïnterneerde te bevelen overeenkomstig artikel 18 Wet Bescherming Maatschappij, zoals hier toepasselijk, de definitieve beslissingen van de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten die de internering van de betrokkene hebben bevolen en de gronden waarop die beslissingen steunen, niet te be-oordelen.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede middel
Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 18 Wet Bescherming Maat-schappij: de hoge commissie beslist ten onrechte niet tot eisers definitieve invrijheidstelling; zij ontkent niet dat aan de beide voorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling of de vrijheid op proef is voldaan, zoals werd vastgesteld met de beroepen beslissing, maar ze oordeelt wel dat een definitieve invrijheidstelling voorbarig is; aldus voegt zij aan artikel 18 Wet Bescherming Maatschappij een voorwaarde toe.

5. Artikel 18, eerste lid, tweede zin, Wet Bescherming Maatschappij, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat de commissie tot bescherming van de maatschappij hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de procureur des Konings, van de geïnterneerde of van zijn advocaat, de invrijheidstelling op proef of de definitieve in-vrijheidstelling van de geïnterneerde kan gelasten wanneer zijn geestestoestand voldoende is verbeterd en de voorwaarden voor zijn reclassering zijn vervuld.

Opdat de commissie de invrijheidstelling van de geïnterneerde zou kunnen beve-len, moet aan de beide voorwaarden zijn voldaan.

6. Uit de tekst van artikel 18, eerste lid, tweede zin, Wet Bescherming Maat-schappij volgt dat zelfs als de hoge commissie vaststelt dat de geestestoestand van een geïnterneerde voldoende is verbeterd en dat de voorwaarden voor zijn reclas-sering zijn vervuld, zij niet verplicht is de definitieve invrijheidstelling van de ge-interneerde te bevelen. Zij kan oordelen dat het ter bescherming van de maat-schappij aangewezen is slechts een invrijheidstelling op proef toe te kennen.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de bestreden beslissing is tegenstrijdig gemotiveerd; zij stelt enerzijds vast dat aan de voor-waarden voor een definitieve invrijheidstelling is voldaan, terwijl zij anderzijds slechts een invrijheidstelling op proef toekent.

8. Het motiveringsgebrek is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde wetsschending.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 25 oktober 2016 uitgesproken
 

Franse term: 
commission de défense sociale
Gerelateerd
Gerelateerde modellen: 
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: za, 09/09/2017 - 10:28
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 10:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.