-A +A

Inbezitstelling van legaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Bij gebreke aan rservataire erfgenamen treeft de algemene legatris van rechtswege in het bezit van het legaat zonder dat hij afgifte moet vragen.

Doch wanneer de algemene legatris niet werd aangesteld in een openbaar testament maar wel in een eigegnhandig of internatiuonaal testament zal de legataris een voering dienen te stellen voor de voorziiter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement war de nalatenschap is opengevallen teniende in het bezit gesteld te worden van het legaat (art. 976 B.W.)

Wanneer er voorbehouden erfgenmaen zijn dan heeft de algemene legataris geen saisine, dus geen bezitsvordering en moet hij de afgifte van zin legaat vragen aan de resevataire erfgenamen.

Erfgenemen ten algemenetitel en bijzondere legatarissen hebben nooit saisine en moeten afgigte vragen an de algemene legataris od aan de wettelijke erfgenamen.

 

Rechtspraak: 

Rechtbank eerste aanleg Gent, 1 juni 2010, R.W. 2012-2013, 261

Wa. E. t/ Wi. E.

II. Relevante elementen van het voorliggend geval

1. De heer E.E., weduwnaar, (...), is overleden te Gent op 30 augustus 2007 en heeft daarbij beide partijen, zijn zonen en enige kinderen, als wettige/reservataire erfgenamen nagelaten.

Bij authentiek testament van 16 augustus 2007 vermaakt E. aan de eiser een woning met toebehoren te Gent (...).

Het betreft een bijzonder legaat buiten erfdeel: na afgifte van het bedoelde legaat, dient de restnalatenschap bij helften toe te komen aan beide partijen (die als algemene legatarissen fungeren).

2. Bij vonnis van 20 mei 2008 beveelt deze rechtbank en (anders samengestelde) kamer de uitonverdeeldheidtreding/gerechtelijke vereffening-verdeling van onder meer de nalatenschap van vader E., met aanstelling van notaris T. als boedelnotaris.

De partijen (en vader E.) zijn (bij akte van 10 juni 2003) eerder overgegaan tot (gedeeltelijke) vereffening-verdeling van de gewezen huwelijksgemeenschap tussen vader E. en moeder M., zo ook tot uitonverdeeldheidtreding/vereffening-verdeling van de nalatenschap van moeder M.

III. Vorderingen

1. De bij dagvaarding van 2 juni 2009 ingestelde (hoofd)vordering van de eiser strekt, met toepassing van art. 1014 BW, tot afgifte van het voormelde bijzondere legaat, vermeerderd met de vruchten en de interesten.

2. De verweerder neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering. Volgens de verweerder zou de eiser sinds het overlijden van hun vader de vruchten en de interesten (huurgelden) hebben ontvangen en uiteindelijk voormelde woning reeds hebben verkocht met een compromis van 27 januari 2009 (met terbeschikkingstelling van de koper).

Bij wijze van tegenvordering beoogt de verweerder een schadevergoeding (ten bedrage van 2.500 euro) wegens het beweerd tergend en roekeloos geding.

IV. Beoordeling

1. Met de verweerder is de rechtbank van oordeel dat de eiser met zijn voormelde vordering bezwaarlijk de geijkte procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van vader E. kan omzeilen. Wanneer, zoals in casu, tussen de eiser en de verweerder als wettige/reservataire erfgenamen/deelgenoten een gerechtelijke vereffening-verdeling aan de gang is, dient de eiser, die tegelijk bijzondere legataris is, zo nodig, in dit verband om de afgifte (sensu lato, met inbegrip van de betaling) van zijn legaat te verzoeken (art. 1207 e.v. Ger.W.).

Daar de eiser dit heeft nagelaten in het raam van de procedure die het voormelde vonnis van 20 mei 2008 heeft meegebracht, kan de rechtbank dienaangaande, zonder notariële werkzaamheden in het raam van een staat van vereffening-verdeling, niet zonder meer tussenkomen. Het komt thans in de eerste plaats aan de boedelnotaris (die blijkens het proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 8 juli 2008 in kennis is gesteld) toe om dienaangaande standpunt in te nemen.

Zo komt het de boedelnotaris toe om de zogeheten “fictieve massa” samen te stellen (art. 922 BW) en in die optiek na te gaan of, en zo ja in welke mate, de bedoelde gift buiten erfdeel, gelet op de reserve van de partijen (art. 913 BW), binnen het beschikbare gedeelte van de nalatenschap past. In voorkomend geval worden de legaten ingekort vóór de schenkingen (art. 923 BW). Is het beschikbare gedeelte van de nalatenschap opgeslorpt door schenkingen, dan vervallen de legaten (art. 925 BW). Voorts gaan de schulden vooraf (art. 1024 BW).

In die optiek kan de reservataire erfgenaam, zoals de verweerder, de afgifte en de betaling van een legaat weigeren, hetzij geheel hetzij gedeeltelijk.

Ingeval zich een (door middel van beweringen en zwarigheden te uiten) betwisting aandient, die de notariële werkzaamheden blokkeert, kan de rechtbank desnoods aangesproken worden, maar enkel met een (desnoods tussentijds) proces-verbaal van beweringen en zwarigheden (C. Declerck, “Draaiboek van vereffening-verdeling” in W. Pintens en J. Du Mongh (eds.), Themis familiaal vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2004, p. 22-24, nrs. 43-50, waarbij in randnr. 45 terecht wordt aangegeven dat de partijen de rechtbank in de regel niet rechtstreeks kunnen adiëren).

Voormelde vordering, die de eiser wars van de hangende gerechtelijke vereffening-verdeling instelt, is niet ontvankelijk.

2. Het aldus instellen van voormelde vordering is, in de gegeven omstandigheden, foutief en getuigt van kennelijk onredelijk gedrag, minstens van een lichtzinnigheid waarvan elke normale, redelijke en behoedzame persoon zich zou hebben onthouden (rechtsmisbruik).

Daar het vanzelf spreekt dat de verweerder dientengevolge extra schade lijdt, is, bij gebrek aan andere berekeningsmogelijkheden, een ex aequo et bono (op heden definitief) begrote schadevergoeding van 500 euro gepast.

Voormelde tegenvordering kan in die zin slagen.

...
 


Hof van Beroep, Brussel, 08/05/2012, AR 2009AR2285, juridat

samenvatting

Wanneer een reservataire erfgenaam geen vrijwillige afgifte van legaten doet, dient er in beginsel een gerechtelijke afgifte plaats te vinden.
De algemene legataris is evenwel niet verplicht achtereenvolgens twee onderscheiden gerechtelijke procedures aan te spannen: de eerste procedure strekkende tot afgifte van zijn algemeen legaat en de tweede procedure strekkende tot vereffening en verdeling van de nalatenschap. Beide vorderingen mogen tezelfdertijd ingeleid worden bij één en dezelfde dagvaarding.

tekst arrest

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/ A.R. nr. 2009/AR/2285

INZAKE VAN :

De heer D. V.,

Eerste kamer
TEGEN :

1) De heer G. V.O.,

2) De heer C. V.O.,
in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen Mevrouw A. B., overleden op 22 december 2000,

eisers in cassatie van een arrest gewezen op 4 december 1998 door het hof van beroep te Gent, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Z. op 7 juni 1996

3) Mevrouw M. B.,
verweerster in cassatie, geïntimeerde, niet verschijnende, noch vertegenwoordigd.

Trefwoorden van de uitspraak:

Erfrecht. Legaten. Voorwerp. Algemeen legaat en een bijzonder legaat voor een en dezelfde persoon. Legaatsaflevering te vragen een de voorbehouden erfgenaam.
Vordering tot gerechtelijke afgifte van een algemeen legaat. Vordering tot uitonverdeeldheidtreding. Mogelijkheid van cumul van beide vorderingen bij één en dezelfde dagvaarding.

Wanneer een reservataire erfgenaam geen vrijwillige afgifte van legaten doet, dient er in beginsel een gerechtelijke afgifte plaats te vinden.
De algemene legataris is evenwel niet verplicht achtereenvolgens twee onderscheiden gerechtelijke procedures aan te spannen: de eerste procedure strekkende tot afgifte van zijn algemeen legaat en de tweede procedure strekkende tot vereffening en verdeling van de nalatenschap. Beide vorderingen mogen tezelfdertijd ingeleid worden bij één en dezelfde dagvaarding.

Tekst van het arrest

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:
- de dagvaarding na cassatie, bij exploot van 31 augustus 2004 van gerechtsdeurwaarder Paul Gruyaert te Sint-Kruis-Z. betekend;
- de conclusie van eiser na cassatie V., op 11 augustus 2009 ter griffie van het hof neergelegd;
- de conclusie van verweerders na cassatie V.O., op 18 mei 2005 en 14 oktober 2005 ter griffie van het hof neergelegd.
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 19 maart 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. De heer V. heeft bij exploot van 20 februari 1995 mevrouw M. B., zijn moeder, alsook mevrouw A. B. voor de rechtbank van eerste aanleg te Z. gedagvaard in vereffening en verdeling van de nalatenschap van wijlen R. M., weduwe van Edmond (of Edward) B., grootmoeder van de heer V. en moeder van beide dames B..

Mevrouw R. M. is overleden te Z. op 28 december 1994. Van de nalatenschap hangen o.m. af vijf huizen, een perceel grond en een café, gelegen te Z., L...., 118.

2. De overledene had voor notaris Y. een authentiek testament opgemaakt, gedateerd op 30 september 1992, dat volgens A. B. vals was. De heren G. en C. V.O., wettige erfgenamen van A. B., hebben zich op 10 oktober 2005 burgerlijke partijen gesteld tegen notaris Y. alsook tegen D. V. en zijn vader U. V. wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken. Op 9 april 2008 heeft de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Z. een beschikking van buitenvervolgingstelling uitgesproken.

Het testament luidde:
"Ik legateer vooruit en buiten deel aan mijn kleinzoon D. V. het beschikbaar deel van mijn nalatenschap.
Ik legateer bovendien ten bijzondere titel aan mijn voornoemde kleinzoon: mijn eigendom zijnde een café te Z., L., 118....
Voormeld bijzonder legaat zal geïmputeerd worden op het legaat van het beschikbaar deel, waarvan hoger sprake..."

3. De heer V. vorderde de vereffening en verdeling te bevelen en veiling van de onroerende goederen voor het geval mocht blijken dat de verdeling in natura niet mogelijk zou zijn. Hij vorderde bij zijn dagvaarding de afgifte van het bijzonder legaat (het café) in ondergeschikte orde.

4. Bij vonnis van 7 juni 1996 heeft de rechtbank de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaard.
De rechtbank beval de vereffening en verdeling en stelde notarissen Van Hoestenberghe en Lommee alsook notaris Y. aan. De rechtbank beval tevens overeenkomstig artikel 1215-1216 van het Gerechtelijk Wetboek een deskundig onderzoek nopens de onverdeeldheid en stelde als deskundigen notarissen Van Hoestenberghe en Lommee alsook meetkundige schatter Demuynck aan.
De rechtbank oordeelde meer bepaald dat "de vordering in aangifte, in besluiten van 12 september 1995 thans in hoofdorde gesteld, (...) zeker ontvankelijk (is), zowel wat het algemeen legaat betreft (artikel 1004 van het Burgerlijk Wetboek) als wat het bijzonder legaat betreft (artikel 1014, tweede alinea van het Burgerlijk Wetboek)" (zie bestreden vonnis, sub B I).

Verder oordeelde de eerste rechter m.b.t. de gegrondheid van de vordering tot afgifte (zie bestreden vonnis, sub B III):
"Het is niet nodig om thans reeds te weten of het beschikbaar deel van de nalatenschap M. al dan niet zal toelaten het legaat uit te voeren, of indien het legaat eerst door de beweerde schulden zal opgeslorpt worden (stelling tweede verweerster A. B.), omdat dit laatste alleen kadert in het - ter zake niet van belang zijnde - probleem van de effectieve betaling van het legaat (De Page, Traité, VIII 2, nummer 1081, p. 1232.)
Afgifte van het bijzonder legaat van één welbepaald onroerend goed is duidelijk te onderscheiden van de zogenaamde vordering in "betaling van het legaat" (De Page, Traité, VIII 2, nummer 1080 C, p. 1231) en is derhalve hic et nunc reeds mogelijk.
De vordering tot afgifte moet dus toegelaten worden, en de kosten ervan moeten uiteraard lastens de massa blijven."

De rechtbank beval bijgevolg dat verweersters, binnen de dertig dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zullen moeten verschijnen voor notaris Van Hoestenberghe teneinde de afgifte te doen van het bijzonder legaat zoals omschreven in het testament van 30 september 1992, meer bepaald van het onroerend goed, zijnde het café gelegen te Z., L. 118, nader in het vonnis omschreven.

5. A. B. heeft hoger beroep ingesteld. A. B. vroeg de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, minstens ongegrond, te verklaren.
Het hof van beroep te Gent verklaarde bij arrest van 4 december 1998 het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond en bevestigde het bestreden vonnis.

6. A. B. heeft op 7 april 1999 een verzoekschrift in cassatie neergelegd.
Bij arrest van 17 maart 2000 heeft het Hof van Cassatie het arrest van 4 december 1998 en de zaak naar het hof van beroep te Brussel verwezen. De reden van cassatie is dat het arrest gewezen werd door een rechter die niet alle zittingen van de zaak heeft bijgewoond.

7. A. B. is op 22 december 2000 overleden. De huidige procedure is gericht tegen haar wettige erfgenamen G. en C. V.O., respectievelijk weduwnaar en zoon van A. B..
Voor het hof vordert partij V. om het hoger beroep destijds ingesteld door A. B. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om bijgevolg het bestreden vonnis integraal te bevestigen.

8. Partijen V.O. besluiten tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering.

II. Bespreking

9. Verweerders na cassatie, appellanten na gedinghervatting, stellen dat geïntimeerde, die geen erfgenaam is, geen saisine heeft en dus de vordering tot afgifte diende te stellen jegens de reservataire erfgenamen, temeer wijlen hun moeder altijd het testament heeft betwist.

Zij voeren verder aan dat dergelijke vordering nooit is gesteld en dat meteen overgaan tot een vordering tot vereffening en verdeling voor er over de afgifte is geoordeeld, niet kan. Zij stellen dat pas na de afgifte de voorwaarde is vervuld van de hoedanigheid in de zin van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Een bijzonder legaat creëert volgens appellanten, net zoals vruchtgebruik, geen onverdeeldheid in mede-eigendom, welke de grondslag uitmaakt van de vordering tot vereffening en verdeling met toepassing van artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek.

10. Het behoort vooreerst de situatie van de heer V. te onderzoeken.
Aan de heer V. heeft de overledene grootmoeder (1) het beschikbaar deel van haar nalatenschap vermaakt en (2) bovendien haar onroerend goed gelegen te Z., L., nummer 118, zijnde een café.
Het legaat van het beschikbaar gedeelte is een algemeen legaat in de zin van artikel 1003 van het Burgerlijk Wetboek. Het is immers de roeping tot de gehele nalatenschap die kenmerkend is voor een algemeen legaat (al wordt in feite de gehele nalatenschap niet door de algemene legataris verkregen) .
Het legaat van een welbepaald onroerend goed, zijnde het café, is een bijzonder legaat in de zin van artikelen 1010, tweede lid en 1014-1024 van het Burgerlijk Wetboek. Dit bijzonder legaat moet worden geïmputeerd op het (algemeen) legaat van het beschikbaar deel.
Het feit dat aan de algemene legataris tevens een bijzonder legaat wordt vermaakt, is op zich geen afdoende reden om de kwalificatie "algemeen legaat" te verwerpen. Het vermaken van een bijkomend, bijzonder legaat kan er immers toe strekken aan de algemene legataris (die de bijzondere legaten moet uitkeren) een minimaal erfdeel te verzekeren .

11. In zijn hoedanigheid van algemeen legataris is de heer V. met toepassing van artikel 1004 van het Burgerlijk Wetboek gehouden de afgifte van de in het testament begrepen goederen te vragen wanneer, zoals in huidig geval, bij het overlijden reservataire erfgenamen bestaan.
In zijn hoedanigheid van bijzondere legataris is de heer V. met toepassing van artikel 1014, tweede lid (en 1011) van het Burgerlijk Wetboek eveneens gehouden de afgifte van de in het testament vermaakte zaak aan te vragen.
De heer V. diende bijgevolg de afgifte, zowel van het algemeen legaat als van het bijzonder legaat te vragen aan de reservataire erfgenamen.

12. Bij zijn dagvaarding van 20 februari 1995 vorderde de heer V. de vereffening en verdeling te bevelen en de aanstelling van notarissen alsook van "een college van deskundigen (...) met opdracht de onroerende goederen die van de nalatenschap afhangen te ramen en te onderzoeken of er, acht slaande op het bijzonder legaat, ten voordelen van (de heer V.), mogelijkheid is tot verdeling in natura".
Hij vorderde verder "bij gebreke daarvan, de (gedaagden) zich te zien en horen veroordelen tot afgifte aan (de heer V.) van zijn bijzonder legaat (...) en zich te zien en horen veroordelen om daartoe te verschijnen voor notaris Y. binnen de dertig dagen na betekening-bevel van het tussen te komen vonnis, bij gebreke waarvan het vonnis zelf als titel van afgifte van eigendom zal gelden."

Bij latere conclusie, neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Z. op 12 september 1995, vorderde hij in hoofdorde "de afgifte van het bijzonder legaat zoals gepreciseerd in de dagvaarding."
Bij zijn conclusie in hoger beroep neergelegd op 13 mei 1997 ter griffie van het hof van beroep te Gent, waarnaar hij thans verwijst, vorderde de heer V. alleszins de partijen B. te veroordelen "tot afgifte van de legaten zoals gepreciseerd in de dagvaarding".

13. De consorten V.O. stellen dat eiser na cassatie geen afgifte heeft gevorderd en dan ook geen hoedanigheid heeft om de vereffening en verdeling te vorderen.
In zijn conclusie neergelegd voor het hof van beroep te Gent, waarnaar hij thans verwijst, repliceerde eiser na cassatie dat hij in hoedanigheid van legataris onder algemene titel eigenaar was geworden van het gelegateerde goed vanaf het openvallen van de nalatenschap en dat hij bijgevolg vanaf dan de vordering tot vereffening en verdeling mocht instellen.
Zoals hierboven (onder randnummer 9) uiteengezet, is de heer V. echter een algemene legataris en niet een legataris onder algemene titel en was hij in deze hoedanigheid gehouden aan de reservataire erfgenamen afgifte te vragen van de in het testament begrepen goederen.

14. Eiser na cassatie, die finaal uitdrukkelijk de "afgifte van de legaten" vorderde, doet bovendien gelden dat de dagvaarding die hij heeft laten betekenen niet anders kan begrepen worden dan als een vordering tot afgifte.
De gedinginleidende dagvaarding beoogde uitdrukkelijk de afgifte van het bijzonder legaat en de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid ontstaan uit de nalatenschap.
De afgifte gebeurt vrijwillig of gerechtelijk door dagvaarding van alle reservataire erfgenamen bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de nalatenschap is opengevallen. Ze zal gepaard gaan met de vereffening en verdeling van de nalatenschap daar het voorwerp van de afgifte niet op een bepaald goed maar op rechten uit een onverdeeldheid slaat .
De aanvraag tot afgifte wordt doorgaans in de vorm van een actie tot boedelscheiding ingesteld .
Hieruit leidt het hof inderdaad af dat, te dezen, eiser in cassatie, door letterlijk de afgifte van het bijzonder legaat en de vereffening en verdeling van de ganse nalatenschap te vorderen, hij in werkelijkheid de afgifte niet alleen van het bijzonder legaat maar tevens van het algemeen legaat heeft aangevraagd. De te formalistische interpretatie vanwege de consorten V.O. kan niet bijgetreden worden.

Dit besluit dringt zich ook op gelet op het verband tussen het algemeen legaat en het bijzonder legaat, verband dat voortspruit uit de eenheid van intentie in hoofde van de testatrice nu het bijzonder legaat krachtens het testament aangerekend dient te worden op het algemeen legaat.
Nu er geen vrijwillige afgifte van legaat plaatshad, diende in beginsel een gerechtelijke afgifte plaats te vinden. De algemene legataris is evenwel niet verplicht achtereenvolgens twee onderscheiden gerechtelijke procedures aan te spannen: de eerste procedure strekkende tot afgifte van zijn algemeen legaat, te dezen geformuleerd als legaat van het beschikbaar deel, en de tweede procedure strekkende tot vereffening en verdeling van de nalatenschap. Dit zou, vanuit proceseconomisch oogpunt, niet opgaan in die zin dat deze werkwijze nutteloze kosten met zich zou meebrengen. Beide vorderingen mogen tezelfdertijd ingeleid worden bij één en dezelfde dagvaarding.

De eiser in cassatie gaf in deze omstandigheden blijk van de vereiste hoedanigheid om de vereffening en verdeling te vorderen en de eerste rechter is dan ook terecht ingegaan op zijn vordering.

Het hoger beroep is ongegrond.
(...)

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
08/05/2012

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 07/10/2012 - 20:33
Laatst aangepast op: za, 16/03/2013 - 14:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.