-A +A

overlevingspensioen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het overlevingspensioen wordt berekend op basis van de loopbaan de de overleden huwelijkspartner voor de beroepsactiviteit in België, als werknemer, ambtenaar of zelfstandige of voor activiteiten in het buiten voor een Belgische werkgever.

 

 

 

HET OVERLEVINGSPENSIOEN

Inhoudsopgave

 

 

Wetgeving: 

Koninklijk besluit tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers
Hoofdstuk VI Overlevingspensioen

Art. 46

§ 1
De Geneeskundige Raad voor invaliditeit, ingesteld bij de wetgeving inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, wordt belast met het vaststellen van de ongeschiktheid welke vereist is voor de toekenning van het overlevingspensioen aan de 1[langstlevende echtgenoot]1 die de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt; hij stelt de duur van de ongeschiktheid en de datum waarop deze begonnen is vast.

§ 2
Om van deze ongeschiktheid te laten blijken, richt de langstlevende echtgenoot aan de 2[Rijksdienst voor pensioenen]2, tot staving van zijn aanvraag om overlevingspensioen, een door zijn behandelend geneesheer, onder vertrouwelijke omslag, afgeleverd bewijs, bestemd voor de Geneeskundige Raad voor invaliditeit, opgemaakt overeenkomstig een model dat door deze Raad is opgesteld, na overleg met de Rijksdienst voor werknemerspensioenen.
Alle voorzorgen worden genomen om in alle omstandigheden het medisch beroepsgeheim volkomen te verzekeren.

§ 3
De beslissing van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit wordt binnen drie dagen betekend aan de 2[Rijksdienst voor pensioenen]2 en aan 1[de belanghebbende]1.
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 22, 1°, K.B. 20 september 1984 (B.S., 6 oktober 1984), met ingang van 1 september 1984 (art. 45).
§ 2 vervangen bij art. 22, 2°, K.B. 20 september 1984 (B.S., 6 oktober 1984), met ingang van 1 september 1984 (art. 45) en gewijzigd bij art. 1 K.B. 19 maart 1990 (B.S., 24 april 1990).
§ 3 gewijzigd bij art. 22, 3° K.B. 20 september 1984 (B.S., 6 oktober 1984), met ingang van 1 september 1984 (art. 45) en bij art. 1 K.B. 19 maart 1990 (B.S., 24 april 1990).

Art. 47

§ 1
De beslissingen van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit zijn voor herziening vatbaar, op verzoek 1[van de langstlevende echtgenoot]1 of van de 2[Rijksdienst voor pensioenen]2.
Het verzoek van de langstlevende echtgenoot wordt de Rijksdienst voor pensioenen per aangetekende brief overgemaakt, samen met een nieuw medisch getuigschrift dat werd afgeleverd volgens de regelen zoals bepaald in artikel 46, § 2.

§ 2
Binnen dertig dagen na de betekening waarvan sprake in artikel 46, § 3, kunnen de Rijksdienst voor pensioenen en de langstlevende echtgenoot verhaal nemen tegen de beslissing van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit vóór het rechtscollege van beroep, als bepaald in artikel 66 van het koninklijk besluit nr. 50.
Het bevoegde rechtscollege doet uitspraak op verslag van een geneesheer-deskundige, door dat college aangesteld buiten de leden van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit om.
De aldus aangestelde deskundige mag inzage eisen van het dossier van betrokkene bij de Geneeskundige Raad voor invaliditeit; hij moet zijn verslag indienen binnen de maand van de betekening der hem toevertrouwde opdracht.
Tegen de beslissing van het rechtscollege van beroep is er mogelijkheid tot het instellen binnen dertig dagen na de betekening ervan, van beroep bij het in artikel 66 voormeld bedoelde bevoegde rechtscollege.
Dat rechtscollege zal een deskundige aanwijzen, belast met een onderzoek op tegenspraak en kan, te dien einde, de eerste deskundige oproepen.
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 23 K.B. 20 september 1984 (B.S., 6 oktober 1984), met ingang van 1 januari 1984 (art. 45) en bij art. 1 K.B. 19 maart 1990 (B.S., 24 april 1990).
§ 2 gewijzigd bij art. 23, 2° en 3° K.B. 20 september 1984 (B.S., 6 oktober 1984) met ingang van 1 januari 1984 (art. 45) en bij art. 1 K.B. 19 maart 1990 (B.S., 24 april 1990).
Art. 48
De langstlevende echtgenoot]2 die de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt en die een kind opvoedt voor hetwelk hij aanspraak kan maken op kinderbijslag, legt, bij de indiening van zijn aanvraag, een verklaring en een attest over, conform de modellen die zijn vastgesteld door de Rijksdienst voor pensioenen. Dat attest wordt door de betrokken kas voor kinderbijslag afgeleverd en wordt bij het begin van elk kwartaal vernieuwd.
De langstlevende echtgenoot die de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt en die zijn eigen of wettelijk aangenomen kind opvoedt, voor hetwelk hij geen aanspraak kan maken op kinderbijslag voldoet aan de voorwaarde gesteld bij artikel 16, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 50, gewijzigd bij de wet van 5 juni 1970, mits:
1°het kind jonger is dan 14 jaar oud;
2°hij voor het kind van 14 jaar of ouder wezenbijslag ten laste van de Dienst voor overzeese sociale zekerheid geniet;
3°het kind van 14 jaar of ouder waarvoor niet is voldaan aan de onder 2° vermelde voorwaarde
a)jonger is dan 21 jaar en verbonden is door een leerovereenkomst, bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
b)jonger is dan 25 jaar en leergangen volgt waarvan de duur ten minste gelijk is aan deze vastgesteld bij de reglementering tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt;
c)minstens 66 pct. arbeidsongeschikt is.
Het genot van de wezenbijslag wordt bewezen met een attest, conform aan het model vastgesteld door de 3[Rijksdienst voor pensioenen]3 en afgeleverd door de Dienst voor overzeese sociale zekerheid.
Aan de in het tweede lid, 3°, gestelde voorwaarden wordt voldaan door de voorlegging van:
a)hetzij de leerovereenkomst;
b)hetzij een schoolgetuigschrift afgeleverd door het hoofd van de door het kind bezochte inrichting;
c)hetzij een getuigschrift van de behandelende dokter.
De in het derde en vierde lid, vermelde getuigschriften moeten elk jaar op 15 oktober hernieuwd worden.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 11 K.B. 21 december 1970 (B.S., 30 december 1970), met ingang van 1 juli 1970 (art. 14), bij art. 24, 1° en 2° K.B. 20 september 1984 (B.S., 6 oktober 1984), met ingang van 1 januari 1984 (art. 45) en bij art. 1 K.B. 19 maart 1990 (B.S., 24 april 1990).

Art. 49
[...]

Opgeheven bij art. 50, § 1, 1°, K.B. 4 december 1990 (B.S., 20 december 1990), met ingang van 1 januari 1991 (art. 52).

Art. 50

Art. 51

Opgeheven bij art. 50, § 1, 1°, K.B. 4 december 1990 (B.S., 20 december 1990), met ingang van 1 januari 1991 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij art. 18 K.B. 5 april 1976 (B.S., 8 april 1976), bij art. 27 K.B. 20 september 1984 (B.S., 6 oktober 1984) en bij art. 13 K.B. 8 augustus 1986 (B.S., 22 augustus 1986).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling: zie art. 50 K.B. 4 december 1990 (B.S., 20 december 1990).
Verwijzingen
Toepasselijkheid
Art. 51 is opgeheven bij art. 50, § 1, 1o K.B. 4 december 1990 (B.S., 20 december 1990), maar blijft van toepassing op de rust- en overlevingspensioenen die voor het eerst daadwerkelijk vóór 1 januari 1991 zijn ingegaan.
Het opgeheven artikel luidde als volgt:
§ 1:
“[Het bij artikel 18, § 1, zevende lid, van het koninklijk besluit nr. 50 bedoelde refertepensioen wordt, per kalenderjaar, berekend [naar rata van 1/45 of 1/40 naargelang de overleden echtgenoot de man of de vrouw is]:
a) van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het overlevingspensioen, voor zover zij betrekking hebben op jaren die gedekt zijn door een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling en op jaren die toegekend werden bij toepassing van artikel 11bis van het koninklijk besluit nr. 50;
b) van het forfaitair loon bedoeld bij artikel 9, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 50 of, indien het om een overlevingspensioen gaat, dat toegekend werd bij toepassing van artikel 18bis van vermeld koninklijk besluit nr. 50, van het forfaitair loon bedoeld bij [artikel 9bis, 1°], van hetzelfde besluit voor een aantal jaren gelijk aan het verschil tussen 45 [of 40 naargelang de overleden echtgenoot de man of de vrouw is] en het aantal jaren bedoeld onder a].
§ 2: [Het bij voornoemd artikel 18, § 1, zevende lid, bedoelde refertepensioen mag nochtans niet lager zijn dan het rustpensioen dat als basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen, wanneer de echtgenoot overleden is na de normale pensioenleeftijd bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1°, a), van het koninklijk besluit nr. 50].”
Art. 52

§ 1
Wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken, enerzijds, op een overlevingspensioen krachtens de pensioenregeling voor werknemers en, anderzijds, op één of meer rustpensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden krachtens de pensioenregeling voor werknemers of één of meer andere pensioenregelingen, mag het overlevingspensioen niet worden samen genoten met de vermelde rustpensioenen dan tot beloop van een som gelijk aan 110% van het bedrag van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot zou zijn toegekend voor een volledige loopbaan.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde echtgenoot eveneens aanspraak kan maken op één of meer overlevingspensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden in de zin van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, mag het overlevingspensioen niet meer belopen dan het verschil tussen, enerzijds 110% van het bedrag van het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan en, anderzijds, de som van de bedragen van de rustpensioenen of van de als dusdanig geldende voordelen bedoeld in het eerste lid, en van een bedrag gelijk aan het overlevingspensioen als werknemer voor een volledige loopbaan, vermenigvuldigd met de breuk of met de som van de breuken die de belangrijkheid van de overlevingspensioenen in de andere pensioenregelingen, die van de zelfstandigen uitgezonderd, uitdrukken. Deze breuken zijn die welke voor de toepassing van het voormelde artikel 10bis in aanmerking werden of zouden worden genomen.
De toepassing van het tweede lid kan evenwel niet tot gevolg hebben dat het overlevingspensioen wordt verminderd tot een bedrag dat kleiner is dan het verschil tussen het bedrag van het vóór de toepassing van de vorige leden toekenbaar overlevingspensioenen en de som van de bedragen van de rustpensioenen en van de als zodanig geldende voordelen, beoogd in het eerste lid.
Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid dient onder overlevingspensioen voor een volledige loopbaan te worden verstaan, het overlevingspensioen dat toekenbaar is aan de langstlevende echtgenoot vóór de toepassing van de vorige leden, vermenigvuldigd met het omgekeerde van de breuk die, in voorkomend geval beperkt in toepassing van het genoemd artikel 10bis, gebruikt werd voor de berekening van het rustpensioen dat als basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen.

§ 2
Het krachtens de wet van 20 juli 1990 toegekend overlevingspensioen dat werd verhoogd met het bedrag van het supplement bij toepassing van artikel 4, § 1, vijfde lid of dat werd berekend op grond van een bij toepassing van artikel 3, § 6, met het bedrag van het supplement verhoogd rustpensioen 4[en het overlevingspensioen toegekend krachtens het koninklijk besluit van 23 december 1996 dat werd verhoogd met het bedrag van het supplement bij toepassing van artikel 7, § 1, vijfde lid, of dat werd berekend op grond van een bij toepassing van artikel 5, § 6, van hetzelfde besluit, met het bedrag van het supplement verhoogd rustpensioen]4 kan evenmin worden gecumuleerd met één of meer rustpensioenen of als zodanig geldende voordelen, toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van het personeel van een volkenrechtelijke instelling, tenzij ten bedrage van een som gelijk aan 110 % van het bedrag van het aan de langstlevende echtgenoot toegekende overlevingspensioen vermenigvuldigd met het omgekeerde van de eventueel tot de eenheid beperkte breuk die gebruikt werd voor de berekening van het rustpensioen dat als basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen.

§ 3
Bij het vaststellen van de som en van de breuk beoogd in de §§ 1 en 2 wordt, zo deze wijze van berekenen gunstiger is voor de langstlevende echtgenoot, uitsluitend rekening gehouden met de jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling.

§ 4
Onverminderd de bepalingen van § 3 wordt bij de vaststelling van de in § 2 beoogde som geen rekening gehouden met het bedrag van het supplement.

§ 5
Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 wordt geen rekening gehouden met het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot van een bij artikel 3, § 7, van de wet van 20 juli 1990 [of bij artikel 5, § 7, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bedoelde werknemer wordt toegekend krachtens de wetgeving van het land van tewerkstelling van de overleden werknemer.

Art. 52bis
Voor de toepassing van artikel 20, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 wordt het bedrag van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot toegekend krachtens het koninklijk besluit nr. 50 of de wet van 20 juli 1990 of het koninklijk besluit van 23 december 1996, verminderd met het bedrag van het overlevingspensioen of elke als zodanig geldende uitkering verleend krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling waaraan niet kan worden verzaakt.

Art. 53
Het jaarbedrag van de renten bedoeld in artikel 4, § 3, derde lid, van de wet van 20 juli 1990 wordt vastgesteld in bijlage II van dit besluit.
 

Koninklijk besluit 50 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers

Hoofdstuk III Overlevingspensioen
Art. 16

§ 1
Onder voorbehoud van de bepalingen van § 2, en voor zover de aanvraag van overlevingspensioen ingediend wordt binnen de twaalf maanden na het overlijden van de echtgenoot, gaat het overlevingspensioen in op de eerste dag van de maand tijdens[welke de echtgenoot overleden is zo hij bij zijn overlijden nog geen pensioen genoot, en op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij reeds een pensioen genoot bij zijn overlijden. In de overige gevallen gaat het ten vroegste in de eerste dag van de maand welke op die aanvraag volgt. De verklaring van afwezigheid overeenkomstig de bepalingen van het burgerlijk wetboek geldt als bewijs van het overlijden. De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak van verklaring van afwezigheid.
Het gaat evenwel ten vroegste in op de eerste dag van de maand die volgt op deze tijdens welke de langstlevende echtgenoot 45 jaar wordt, tenzij deze het bewijs levert van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct., dat hij een kind ten laste heeft of dat de overleden echtgenoot gedurende ten minste 20 jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als ondergronds mijnwerker tewerkgesteld is geweest. De Koning bepaalt de wijze waarop deze voorwaarden bewezen worden.

§ 2

Het recht op het overlevingspensioen wordt ambtshalve onderzocht in de door de Koning bepaalde gevallen. Hij stelt tevens voor elk van deze gevallen de ingangsdatum van het overlevingspensioen vast.

Art. 17
Het overlevingspensioen wordt slechts toegekend indien, op de datum van het overlijden, de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden werknemer gehuwd was. Het huwelijk dient nochtans niet een jaar te duren indien één van de volgende voorwaarden vervuld is:
–er is een kind geboren uit het huwelijk;
–op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
–het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.[In geval van postume geboorte binnen de driehonderd dagen na het overlijden gaat het overlevingspensioen, voor zover de aanvraag binnen de twaalf maanden na de geboorte is ingediend, in op de eerste dag van de maand tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij bij zijn overlijden nog geen pensioen genoot, en op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij reeds een pensioen genoot bij zijn overlijden.

Art. 18

Opgeheven bij art. 16, 1°, m) W. 20 juli 1990 (B.S., 15 augustus 1990), met ingang van 1 januari 1991

Art. 19
Het genot van het overlevingspensioen wordt geschorst:
1°wanneer de langstlevende echtgenoot hertrouwt;
2°wanneer hij, minder dan 45 jaar oud zijnde, niet meer voldoet aan de voorwaarden ingevolge welke het overlevingspensioen vervroegd werd toegekend.
Art. 20
Het overlevingspensioen kan niet worden samengevoegd met een rustpensioen of met enig ander als rustpensioen geldend voordeel, tenzij ten belope van het door de Koning bepaald bedrag.

De langstlevende echtgenoot die door opeenvolgende huwelijken verbonden is geweest met werknemers die zouden gevallen zijn onder dit besluit, kan slechts het hoogste der overlevingspensioenen verkrijgen, waarop hij recht zou hebben.
De langstlevende echtgenoot die door opeenvolgende huwelijken verbonden is geweest met een werknemer die zou gevallen zijn onder dit besluit en met een persoon die onderworpen was aan een andere regeling voor rust- en overlevingspensioenen, kan het bij dit besluit bedoelde overlevingspensioen niet verkrijgen tenzij hij afziet van het overlevingspensioen of van enig ander als overlevingspensioen geldend voordeel dat hem zou zijn toegekend krachtens een andere pensioenregeling. Wanneer het niet mogelijk is af te zien van krachtens een andere regeling toegekende overlevingspensioenen of enig ander als overlevingspensioen geldend voordeel, wordt het bedrag van dit pensioen of dit voordeel in mindering gebracht van het overlevingspensioen waarop de langstlevende echtgenoot krachtens dit besluit aanspraak kan maken.
De Koning bepaalt in hoeverre het overlevingspensioen kan worden verminderd wanneer de langstlevende echtgenoot een overlevingspensioen of enig ander als dusdanig geldend voordeel geniet krachtens een regeling inzake rust- en overlevingspensioenen van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.

Uitvoeringsbesluiten
–Koninklijk besluit van 21 december 1979 tot coördinatie van de regels inzake cumulatie van prestaties betaald ten laste van de pensioenregeling voor werknemers (B.S., 10 januari 1980)
Verwijzingen
Zie art. 52, en 64ter K.B. 21 december 1967. Zie eveneens K.B. 21 december 1979 en K.B. 29 juli 1981.

Koninklijk besluit 72 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen
Art. 4

§ 1
Om recht te hebben op het overlevingspensioen 3[onverminderd het bepaalde in artikel 8]3, moet de langstlevende echtgenoot voldoen aan de volgende voorwaarden:
1°minstens één jaar gehuwd zijn met de zelfstandige, behalve wanneer uit het huwelijk een kind geboren is, wanneer, bij het overlijden een kind ten laste was waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving, wanneer het overlijden het gevolg is van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of veroorzaakt werd door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond;
2°minstens 45 jaar oud zijn; die voorwaarde is niet vereist indien de langstlevende echtgenoot naar rata van minstens 66 pct. bestendig arbeidsongeschikt is of een kind opvoedt dat te zijnen laste is of geacht wordt te zijn. De Koning bepaalt wanneer aan een van die voorwaarden voldaan is en hoe het bewijs ervan geleverd wordt.

§ 2
Met het oog op de toekenning van het overlevingspensioen geldt de verklaring van afwezigheid van de echtgenoot, overeenkomstig artikel 115 van het Burgerlijk Wetboek, als bewijs van zijn overlijden. De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak van verklaring van afwezigheid.

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 18/03/2011 - 19:55
Laatst aangepast op: vr, 18/03/2011 - 20:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.