Uithandengeving
Minderjarigen van 16 jaar en ouder die een ernstig feit hebben gepleegd of die eerder maatregelen opgelegd kregen, kunnen verwezen worden naar een ander rechtscollege.
De minderjarige zal dan als een volwassene berecht worden, hetzij
• door een bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, samengesteld uit twee jeugdrechters en een correctionele rechter;
• hetzij door een hof van assisen.
Wetgeving
• art. 57bis Jeugdwet 8 april 1965
Rechtsleer:
• Bart De Smet, Draagwijdte van de controle bij uithandengeving, RW 2011-2012, 1766.
• R. Verstraeten, S. Dedecker en T. Van Hoogenbempt, “Jeugd(beschermings)recht en strafrecht: een problematische relatie” in Het nieuwe jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 126-145
• B. De Smet, Jeugdbeschermingsrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2010, 331-345
Rechtspraak
• Cass. 20/04/2011, RW 2011-2012, 1766
Q.P.
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, jeugdkamer, van 7 februari 2011.
...
II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
De eiser verwijt het arrest dat het beslist dat de betwisting van de redelijke termijn niet diende te worden onderzocht, daar het debat beperkt bleef tot het vraagstuk van de uithandengeving.
Art. 21ter Voorafgaande Titel Sv. bepaalt dat indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de rechter de veroordeling kan uitspreken bij eenvoudige schuldigverklaring of een straf kan opleggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf.
De onredelijke duur van de rechtspleging kan evenwel ook aanleiding geven tot de niet-ontvankelijkheid van de vervolging als de overdreven lange duur ervan tot gevolg heeft dat bewijsmateriaal is verloren gegaan of dat het de normale uitoefening van het recht van verdediging onmogelijk maakt.
Uit de beperking van het debat tot het vraagstuk van de uithandengeving van de zaak door de jeugdrechtbank volgt dus niet dat dit rechtscollege zich ervan mag onthouden een verweermiddel te onderzoeken dat, indien het gegrond zou worden bevonden, tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering zou kunnen leiden.
Het onderdeel is gegrond.
• Cass. 24 november 2009, RW 2009-10, 1383, met conclusie van advocaat-generaal M. Timperman en met noot B. De Smet
• C. Van den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2011, 691
• B. De Smet, “Uithandengeving” in Comm.Straf., 2007, 15
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Link rubrieken:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
- login of registreer om te reageren
-

Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
