-A +A

Voordelen van alle aard

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Voordelen van alle aard
Het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92) stelt bepaalde voordelen van alle aard op forfaitaire wijze vast. De forfaitaire basisbedragen worden door koninklijk besluit gewijzigd.
Klik hierna om deze forfaitaire bedragen van de voordelen van alle aard terug te vinden:
Rechtspraak: 

Cass. 14/10/2016, RW 2016-2017, 1255

Samenvatting

Kosten die een vennootschap maakt om aan haar bedrijfsleiders een voordeel van alle aard te verlenen of toe te kennen als bezoldiging voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid binnen de vennootschap, zijn beroepskosten die aftrekbaar zijn op grond van art. 49 WIB92. Daartoe is vereist dat de toegekende voordelen beantwoorden aan werkelijke prestaties verricht ten behoeve van de vennootschap.

Tekst arrest

AR nr. F.15.0103.N

BvbA E. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13 januari 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede middel

2. Volgens art. 49, eerste lid WIB92, dat krachtens art. 183 van toepassing is op vennootschappen, zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen, mits hij die kosten door middel van bewijsstukken verantwoordt.

Art. 52, 3° van hetzelfde wetboek bepaalt dat de bezoldigingen van de personeelsleden voor hun werkgever beroepskosten vormen en art. 195, § 1 betreffende de beroepskosten van de vennootschappen bepaalt dat bedrijfsleiders voor de toepassing van de bepalingen inzake beroepskosten met werknemers worden gelijkgesteld en hun bezoldigingen worden aangemerkt als beroepskosten van de vennootschappen waarvan ze de leiding hebben.

De bezoldigingen van de bedrijfsleiders zijn, overeenkomstig art. 32, eerste lid van het voormelde wetboek, alle beloningen die hun worden verleend of toegekend. Zij omvatten met name volgens art. 32, tweede lid, 2o de voordelen die vermeld worden in art. 31, tweede lid, 2o, namelijk de voordelen van alle aard verkregen uit hoofde van of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.

Uit die bepalingen volgt dat de kosten die een vennootschap maakt om aan haar bedrijfsleiders een voordeel van alle aard te verlenen of toe te kennen als bezoldiging voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid binnen de vennootschap, beroepskosten zijn die aftrekbaar zijn op grond van art. 49 WIB92. Daartoe is vereist dat de toegekende voordelen beantwoorden aan werkelijke prestaties verricht ten behoeve van de vennootschap.

3. De appelrechters oordelen dat:

– het feit dat in de persoon van de zaakvoerders van de eiseres een voordeel van alle aard van een bedrag 883,73 euro voor aanslagjaar 2006 en 899,56 euro voor aanslagjaar 2007 op fiche werd vermeld, niet tot gevolg heeft dat de kosten die door de vennootschap werden gedragen, daarom verband houden met haar beroepswerkzaamheid;

– te dezen niet wordt aangetoond dat de kosten werden gemaakt met het oog op het vergoeden van werkelijke prestaties door de zaakvoerders geleverd voor de vennootschap in het kader van de maatschappelijke activiteiten van deze laatste;

– de eerste rechter derhalve terecht besliste dat de vennootschap tot beloop van 80 % van de gemaakte kosten (afschrijvingen, vruchtgebruik, verbouwingen) louter de privékosten van de blote eigenaars ten laste nam.

Door op die gronden de aftrekbaarheid van de gemaakte kosten als bezoldiging van de bedrijfsleider te verwerpen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...

Zie ook het arrest van zelfde datum Cass., 14/10/2016, R.A.B.G., 2016/19, p. 1418-1420, weze het met AR F.14.0203.N:

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 maart 2014.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 1 maart 2016 een schriftelijke conclusie neergelegd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Deze bepaling, waarin de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden worden geformuleerd, laat in beginsel niet toe kosten af te trekken die niet aan de werkelijke prestaties beantwoorden.

2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de kosten die een vennootschap maakt om haar zaakvoerder een voordeel van alle aard te verlenen steeds aftrekbaar zijn, zonder dat de belastingadministratie of de rechter kan nagaan of tegenover die kosten werkelijke prestaties staan, faalt in zoverre naar recht.

3. In zoverre het onderdeel de beslissing van de appelrechters bekritiseert dat de litigieuze uitgaven slechts als beroepskosten aftrekbaar zijn als zij betrekking hebben op de maatschappelijke activiteit van de eiseres, komt het op tegen een overtollige reden.

In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel
4. De belastingplichtige moet het bewijs leveren dat de kosten waarvan hij de aftrek vraagt, beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

5. Anders dan de eiseres aanvoert, oordelen de appelrechters niet dat de uitgaven niet als beroepskost aftrekbaar zijn omdat zij geen betrekking hebben op haar maatschappelijke activiteit, maar verwerpen zij de aftrekbaarheid van de bezoldigingen omdat er geen effectieve prestaties tegenover staan.

In zoverre steunt het onderdeel op een onjuiste lezing van de beslissing van de appelrechters en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede middel
6. De appelrechters oordelen dat:

bezoldigingen aftrekbare beroepskosten zijn zolang dat er effectieve prestaties tegenover staan;
derhalve het aan de eiseres behoort te bewijzen dat de bestuurdersbezoldigingen werkelijke prestaties bezoldigen en noodzakelijkerwijze betrekking hebben op de maatschappelijke activiteit;
dit bewijs, dat tegenover voornoemd voordeel werkelijke prestaties staan, ontbreekt.
7. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel bedoelde verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 177,94 EUR.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 13/12/2009 - 14:29
Laatst aangepast op: za, 15/07/2017 - 11:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.