-A +A

Kantonnement

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een kantonnement is een bewaargeving bij een sekwester of bij de Deposito- en Consignatiekas van een som, toereikend om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, intresten en kosten van de ene partij ten opzichte van de andere.

Rechtsleer met overzicht van rechtspraak: TPR 2007-4, 2069

 


1. GERECHTELIJK KANTONNEMENT

Het gerechtelijk kantonnement is een procedure die de schuldenaar toelaat om hetzij een beslag op zijn goederen te vermijden, hetzij de reeds beslagen goederen terug vrij te maken van dit beslag. Daartoe deponeert hij bij de Deposito- en Consignatiekas een bedrag ter hoogte van zijn hoofdschuld, intresten en kosten.

Het gerechtelijk kantonnement maakt het de schuldenaar eveneens mogelijk om zich te beschermen tegen eventuele problemen inzake de teruggave (insolvabiliteit van de tegenpartij) in het geval dat de bestreden gerechtelijke beslissing in beroep of verzet wordt veranderd.

De procedure hiertoe is voorzien in de artikelen 1403 tot 1407 van het Gerechtelijk Wetboek.

Bij uitvoerend beslag geldt het kantonnement van de oorzaak van het beslag als een voorwaardelijke betaling, zodat de schuldenaar vanaf dat tijdstip geen interest meer verschuldigd is. De schuldeiser is gebonden door de aanvaarding door de gerechtsdeurwaarder van de omvang van het te kantonneren bedrag.

2. VRIJWILLIG KANTONNEMENT

Een kantonnement is daarentegen "vrijwillig", als het niet opgelegd of toegestaan wordt door een gerechtelijke uitspraak. Partijen beslissen samen in afwachting van het geschil de gelden te blokkeren.

Een minnelijk kantonnement geldt als een voorwaardelijke betaling, althans indien dit overeenstemt met de bedoeling van de partijen. In dit geval is de schuldenaar vanaf het tijdstip van storting op de geblokkeerde rekening niet langer gehouden tot de gerechtelijke rente (rb. Gent 27/09/2005, RW 2005-2006, 410).
 

Middels een mijlpaal arrest van 2 februari 2007 van het Hof van Cassatie (rechtskundig weekblad 2006-2007, 1679) wordt het minnelijk kantonnement thans tegenwerpelijk verklaard ingeval van samenloop. Volgens de vroegere opvattingen konden andere schuldeisers ingeval van samenloop op de geblokkeerde gelden ook aanspraak maken, waardoor de minnelijke kantonnement als dusdanig geen effectieve bescherming bood, lees geen waterdichte garantie dat bij vervulling van de voorwaarden er in alle omstandigheden zal betaald worden aan de partij die in het geschil gelijk kreeg.

De interpretatie die het Hof van Cassatie thans geeft aan het minnelijke kantonnement biedt wel deze waarborg.

Rechtspraak:

•• Hof van Beroep te Antwerpen, 3e Kamer – 19 april 2006, R.W. 2006-2007, 1130


"Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 5 juni 2000 werden huidige geïntimeerden veroordeeld tot betaling van 53.503,58 euro (2.158.329 fr.), vermeerderd met de interesten op 28.733,31 euro (1.159.099 fr.) vanaf 20 augustus 1996 en op 24.770,26 euro (999.230 fr.) vanaf 1 november 1996 en jaarlijkse kapitalisatie van de interesten vanaf 26 december 1997 en kosten. Dit vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, werd betekend met bevel tot betalen op 6 juli 2000.

Op 12 september 2000 werd een bedrag van 72.541,26 euro (2.926.307 fr.) gekantonneerd door storting in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, die het bedrag overmaakte aan de deposito- en consignatiekas.

Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 januari 2003 werd het bestreden vonnis bevestigd en werd (bij eisuitbreiding) de kapitalisatie van de interesten toegestaan vanaf 22 oktober 1999, vanaf 13 december 2000 en vanaf 8 oktober 2002. Daarnaast werd een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep toegekend van 1.250 euro.

Daarop werden de gekantonneerde gelden vrijgegeven, vermeerderd met de interesten betaald door de deposito- en consignatiekas en werd de schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep betaald.

Op 25 april 2003 werd het genoemde arrest betekend met bevel tot betalen van een saldo van 10.560,13 euro.

Tegen deze betekening met bevel werd door huidige geïntimeerden verzet aangetekend.

...

Bij het exploot van betekening-bevel van 6 juli 2000 werd een afrekening gevoegd ten bedrage van 74.069 euro (2.987.964 fr.), vermeerderd met de interesten vanaf 5 juli 2000 op de som van 66.673,44 euro (2.689.600 fr.) aan 7%, d.i. 12,79 euro (515,81 fr.) per dag.

...

Indien beslag wordt gelegd krachtens een uitvoerbare rechterlijke beslissing waartegen een gewoon rechtsmiddel werd ingesteld, kan de schuldenaar het beslag doen opheffen of, wanneer het nog niet werd gelegd, verhinderen, door middel van het kantonnement van de oorzaak van het beslag.

Een kantonnement van de oorzaak van het beslag bij uitvoerend beslag geldt als voorwaardelijke betaling, waardoor, bij bevestiging van de uitvoerbare titel, de schuldeiser genoegen zal moeten nemen met de betaling van de gekantonneerde bedragen, te vermeerderen met de interesten die worden uitbetaald door de deposito- en consignatiekas. Vanaf de kantonnering zijn er bijgevolg geen gerechtelijke interesten meer verschuldigd door de schuldenaar.

Teneinde deze gevolgen te sorteren, dient het bedrag dat wordt gekantonneerd evenwel toereikend te zijn om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, interest en kosten, zoals kan worden vastgesteld uit de uitvoerbare titel.

Wanneer de schuldenaar rechtstreeks aan de optredende gerechtsdeurwaarder kantonneert, is de schuldeiser gebonden door de aanvaarding van de gerechtsdeurwaarder (zie Beslag in A.P.R., 2001, nr. 379, in fine).

In casu werd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 januari 2003 in essentie het bestreden vonnis ten gronde van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 5 juni 2000 bevestigd en werden enkel de data van kapitalisatie van de interesten gepreciseerd.

Bij het exploot van betekening-bevel van 25 april 2003 (de uitvoering van het genoemde arrest ten gronde) werd een afrekening gevoegd, die een herberekening uitmaakt, vertrekkende van de bedragen opgenomen in de afrekening bij het exploot van betekening-bevel van 6 juli 2000 (de uitvoering van het vonnis ten gronde) en de inmiddels vervallen interesten aan de wettelijke interestvoet enerzijds en anderzijds het gekantonneerde bedrag, dat na het vellen van het vonnis ten gronde, werd overgemaakt, vermeerderd met de interesten van de deposito- en consignatiekas en de betaling van 1.250 euro schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep.

Appellante gaat bij deze afrekening kennelijk voorbij aan onder meer het feit dat de registratierechten oorspronkelijk werden opgenomen in de afrekening, terwijl deze door geïntimeerden rechtstreeks werden betaald, en aan enkele opmerkingen betreffende interesten op kosten, die door de gerechtsdeurwaarder blijkbaar werden aanvaard. Bovendien gaat appellante voorbij aan het feit dat de schuldenaars (geïntimeerden) rechtstreeks in handen van de instrumenterende (door haar gelaste) gerechtsdeurwaarder hebben betaald, dat deze attesteerde dat de betaling wel degelijk toereikend was en dat de schuldeiser (appellante) daardoor gebonden is.

Ten onrechte voert appellante bijgevolg aan dat zij niets te maken heeft met de kantonnering en dat de gerechtsdeurwaarder op dat punt handelde in opdracht van de schuldenaars. Zoals gezegd, is appellante steeds als opdrachtgeefster te beschouwen en is zij, bij kantonnering rechtstreeks in handen van de door haar met de uitvoering gelaste gerechtsdeurwaarder, gebonden door diens aanvaarding. De gerechtsdeurwaarder heeft trouwens namens zijn opdrachtgevers met de schuldenaar onderhandeld betreffende de hoegrootheid van het te kantonneren bedrag, tot hij ervan overtuigd was dat het toereikend was, waarna hij het proces-verbaal van kantonnement heeft opgesteld en de gelden overgemaakt aan de deposito- en consignatiekas.

Het kantonnement was dan ook zowel in feite als in rechte toereikend".

• GWH 05/05/2012, juridat Artikel 1404 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het voorziet in de uitsluiting van de mogelijkheid van het kantonnement voor de schuldvorderingen tot levensonderhoud.

•• Burgerlijke Rechtbank te Dendermonde, 11e Kamer – 15 september 2005, R.W. Jaargang : 2007-2008 (71) Pagina : 830


De enkele betaling van het bedrag waartoe men in een bij voorraad uitvoerbaar vonnis is veroordeeld, maakt het verzoek tot kantonnement niet zonder nut of zonder voorwerp.

Het recht op kantonnement van het bedrag waartoe men in een bij voorraad uitvoerbaar vonnis is veroordeeld, kan enkel worden ontzegd indien een vertraagde betaling de schuldeiser aan een ernstig gevaar blootstelt, wat hij moet bewijzen. De schuldeiser die enkel aanvoert dat hij het bedoelde bedrag nodig heeft om zijn economisch voortbestaan te waarborgen, voldoet niet aan voormelde bewijslast, maar bevestigt veeleer dat de schuldenaar belang heeft om het bedoelde bedrag te kantonneren.

uittreksel uit het vonnis:


"Op basis van de grieven zoals geformuleerd in de beroepsakte, wordt door appellante hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 10 maart 2005, waarin de eerste rechter appellante veroordeelt om te betalen aan geïntimeerde 32.535,99 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 1 februari 2004 tot de dag van de algehele betaling.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Appellante vordert het bestreden vonnis teniet te doen en, opnieuw wijzende, allereerst aan appellante het recht van kantonnement toe te kennen overeenkomstig art. 1406 Ger. W. Voorts vraagt zij de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af te wijzen.

...

In haar conclusies vraagt appellante haar te machtigen het door haar volgens het vonnis a quo verschuldigde bedrag van 35.751,78 euro te kantonneren en de zaak voor het overige naar de rol te verzenden, onder voorbehoud van alle rechten.

Geïntimeerde concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering van appellante om het bestreden vonnis te herzien wat betreft het kantonnement. Zij vraagt de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

III. Beoordeling

A. ...
B. Het vermogen tot kantonnement

Vooraleer de grond van de zaak te behandelen, verklaarden de partijen op de inleidende terechtzitting van 28 april 2005 uitdrukkelijk dat ze thans enkel de betwisting over het kantonnement aan het oordeel van de rechtbank wensten te onderwerpen.

Appellante acht zich immers gegriefd door het verbod van kantonnement dat tegen haar werd uitgesproken in het eerste vonnis. Zij is van oordeel dat het kantonnement een absoluut recht van de schuldenaar uitmaakt, dat hem enkel kan worden ontnomen indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt, wat in casu niet het geval zou zijn. Het vermogen tot kantonnement zou de belangen van de partijen niet schaden.

Geïntimeerde werpt de onontvankelijkheid op van de vordering van appellante tot opheffing van het verbod tot kantonnement, aangezien de betwiste som inmiddels zonder voorbehoud werd gestort op een derdenrekening op naam van geïntimeerde.

Appellante houdt staande dat haar aanbod tot consignatie niet werd beantwoord en de door haar uitgevoerde betaling werd verricht onder voorbehoud van kantonnement.

1. Ontvankelijkheid van de vordering tot opheffing van het verbod tot kantonnement

De omstandigheid dat het eerste vonnis inmiddels werd uitgevoerd doordat geïntimeerde betaling ontving van de fondsen waarop zij op grond van dit vonnis aanspraak kon maken, brengt niet mee dat de vraag tot het kantonnement zonder nut of zonder voorwerp is geworden.

Het kantonnement biedt appellante bescherming tegen een eventuele insolventie van geïntimeerde voor het geval deze op grond van de beslissing in hoger beroep tot teruggave zou zijn gehouden.

Daar geïntimeerde in haar conclusie betoogt «dat zij het bedrag tot betaling waartoe eiseres door de eerste rechter werd veroordeeld, dus wel degelijk nodig heeft als bedrijfskapitaal, om dus het economisch voortbestaan van de onderneming te kunnen waarborgen», onderstreept zij eigenlijk zelf het belang van het kantonnement.

2. De gegrondheid van de vordering tot opheffing van het verbod tot kantonnement

Anders dan de eerste rechter, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding was om appellante het recht tot kantonnement van de som waartoe zij werd veroordeeld, te ontzeggen.

De rechtbank merkt vooraf op dat noch geïntimeerde in al haar conclusies voor de eerste rechter, noch de eerste rechter zelf, ook maar enige argumentatie hebben ontwikkeld waarom zij van oordeel waren dat appellante het recht op kantonnement moest worden ontzegd. Het kantonnement is nochtans een recht dat toekomt aan de schuldenaar die veroordeeld is bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing waartegen hoger beroep is ingesteld (art. 1404, eerste lid, Ger. W.), zodat een ontzegging van dit recht uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd.

Krachtens art. 1406 Ger. W. kan de rechter de schuldenaar dit recht tot kantonnement enkel ontzeggen indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt.

Het is niet appellante die moet aantonen dat er geen redenen zouden zijn om het kantonnement uit te sluiten. De schuldeiser draagt de bewijslast: geïntimeerde moet aantonen dat de vertraging, d.i. het kantonnement, haar zou blootstellen aan een ernstig nadeel. Dit bewijs wordt niet geleverd.

De jaarbalans en resultatenrekening van geïntimeerde tonen inderdaad aan dat haar liquide middelen, eigen vermogen en haar bedrijfsopbrengsten voor 2004 in vergelijking met het vorige jaar daalden en haar bedrijfskosten stegen, maar dit betekent niet dat een vertraging in de regeling haar aan een ernstig nadeel blootstelt. Indien de financiële situatie van geïntimeerde zo precair is dat zij de som gelijk aan 35.751,78 euro nodig heeft om haar economisch voortbestaan te waarborgen, zal de geringe som gelijk aan 35,751,78 euro geen soelaas kunnen bieden (voor een dreigend faillissement).

De bewering van geïntimeerde dat zij de laatste twee jaren al voldoende financiële schade heeft geleden door appellante, is ook geen voldoende gegronde reden om het recht op kantonnement uit te sluiten.

De rechtbank vernietigt de uitspraak van de eerste rechter in zoverre appellante werd verboden de gelden, waartoe zij bij het bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis werd veroordeeld, te kantonneren.

Het eerste vonnis levert dan ook geen geldige titel meer op voor het behoud door geïntimeerde van het ontvangen bedrag. Geïntimeerde heeft slechts recht op een voorwaardelijke betaling, namelijk door middel van kantonnement.
..."

• Hof van Beroep te Antwerpen 2e Kamer – 17 februari 2010, RW 2012-2013, 706

a) De rechter die ingaat op de vraag tot voorlopige uitvoerbaarverklaring van het vonnis, hoewel die vraag enkel bij dagvaarding is gesteld en niet bij syntheseconclusie is hernomen, miskent niet het art. 1138, 2° Ger.W.

b) De schuldeiser die het recht op kantonnement van de schuldenaar wil uitsluiten, dragt de bewijslast dringend behoefte te hebben aan de gelden die hem krachtens het bedoelde vonnis toekomen. (hieraan dient evenwel toegevoegd dat deze schuldeiser ook het bewijs dient te leveren dat hij bij hervormend vonnis in staat moet zijn tot terugbetaling.

NV A. t/ BVBA C...

2. De eisen in hoger beroep

2.1. Appellante vraagt de voorlopige tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis op te heffen dan wel te schorsen.

2.2. Geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het verzoek van appellante. Zij heeft zelf een verzoek ingediend tot een kantonnementsverbod ten laste van appellante. In het geval het hof het verzoek van appellante zou inwilligen, vraagt geïntimeerde het beroepen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren met uitsluiting van de borgstelling en zonder recht van kantonnement.

3. De beoordeling

De uitvoerbaarheid bij voorraad van het beroepen vonnis

3.1. De appelrechter kan krachtens art. 1402 Ger.W. in geen geval de tenuitvoerlegging van vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid.

Het staat niet aan de appelrechter de opportuniteit van de voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw te beoordelen. Daaraan staat evenwel niet in de weg dat de appelrechter de uitvoerbaarheid bij voorraad wel teniet kan doen wanneer daaraan een onregelmatige beslissing van de eerste rechter ten grondslag ligt. Die onregelmatigheid kan bestaan in het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging in gevallen waarin de wet dat verboden heeft, wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging.

3.2. Appellante betwist dat geïntimeerde de voorlopige tenuitvoerlegging (nog) heeft gevorderd. Zij verwijst naar de conclusie van geïntimeerde van 22 juni 2009, waaraan zij de gevolgen toeschrijft van een syntheseconclusie in de zin van art. 748bis Ger.W. en waarin geen verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging werd vermeld. Volgens appellante kende de eerste rechter aldus in strijd met art. 1138, 2° Ger.W. meer toe dan werd gevorderd.

Het hof stelt vast dat appellante in haar inleidende dagvaarding van 5 maart 2009 o.m. heeft gevorderd het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande enig verhaal en zonder mogelijkheid tot kantonnement of borgstelling. Die eis werd in haar enige conclusie van 22 mei 2009 niet herhaald.

Hieruit kan nochtans niet worden afgeleid dat zij afstand deed van die eis. Zo’n afstand heeft ze niet uitdrukkelijk geformuleerd en die volgt ook niet uit het loutere feit dat deze eis niet werd herhaald in de conclusie.

De verwijzing van appellante naar art. 748bis in fine Ger.W. dient niet ter zake Die bepaling slaat op de motiveringsplicht van de rechter (art. 780, eerste lid, 3o Ger.W.) maar houdt geen verbod in voor de rechter om een eis die door middel van de dagvaarding werd ingediend, die in de laatste conclusie niet werd herhaald maar waarvan geen afstand werd gedaan, te beoordelen. Het feit dat middelen in de inleidende dagvaarding werden vermeld die niet werden hernomen in de laatste conclusie, houdt niet in dat de inleidende akte wat die middelen betreft haar rechtsgeldigheid verliest of uit het debat verdwijnt. Ze blijft alle rechtsgevolgen hebben die eraan verbonden kunnen zijn, behalve ten aanzien van de motiveringsplicht van de rechter.

De eerste rechter oordeelde dus geenszins in strijd met art. 1138, 2° Ger.W.

3.3. Appellante heeft in haar conclusie in eerste aanleg van 15 mei 2009 noch in die van 31 augustus 2009 tegen het verzoek van geïntimeerde m.b.t. de uitvoerbaarheid bij voorraad enig verweer voorgedragen, niettegenstaande zij daartoe de kans had van zodra de dagvaarding met (o.a.) dat verzoek aan haar werd betekend. Het feit dat geïntimeerde zijn verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging niet motiveerde, houdt niet in dat appellante daartegen geen tegenspraak heeft kunnen voeren. Zij heeft in dat verband haar recht van verdediging kunnen uitoefenen.

Het was in die omstandigheden niet strijdig met het recht van verdediging van appellante dat de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging toestond zonder specifieke redengeving. Bij afwezigheid van verweer, inzonderheid wat de opportuniteit van het gevorderde betreft, vermocht de eerste rechter het verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging zonder opgave van redenen toestaan. Daardoor werd het recht van verdediging van appellante te dezen niet geschonden. Ook de wet verbiedt in onderhavig geval de voorlopige tenuitvoerlegging niet.

3.4. Aldus blijkt dat art. 1402 Ger.W. de toewijzing van de eis van appellante in de weg staat.

Het recht op kantonnement

3.5. Geïntimeerde verzoekt het recht van appellante op kantonnement uit te sluiten (art. 1406 Ger.W.).

Het kantonnement is een recht van de schuldenaar.

Het komt aan de schuldeiser, in onderhavig geval geïntimeerde, te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou lijden bij het behoud van het recht van appellante op kantonnement. Dit ernstig nadeel houdt voor de schuldeiser de dringende behoefte in om te beschikken over de gelden, die hem in de beroepen beslissing werden toegewezen. Deze dringende behoefte kan slaan op o.m. haar economisch overleven.

Appellante betwist dat geïntimeerde aan haar bewijslast voldoet.

3.6. Geïntimeerde voert aan dat zij door de hinder die de werken van appellante veroorzaken voor de uitbating van haar bakkerij, grote verliezen lijdt en in de nabije toekomst nog zal lijden wegens de te verwachten duur van de werken, zodat haar economisch overleven bedreigd wordt. Zij voert aan dat haar gemiddeld maandelijks verlies groter is dan de door de eerste rechter toegekende provisie.

Het blijkt dat geïntimeerde verschillende bakkerswinkels uitbaat, zodat de winkel in kwestie slechts een deel van haar omzet realiseert. De andere winkels hebben niet te lijden van de werken van appellante. Het is niet tegengesproken door geïntimeerde dat zij de voorbije vier jaar (2006 uitgezonderd) verliezen heeft geleden. Het is vooralsnog niet aangetoond of de winkel in kwestie een aandeel had in dit verlies, hoe groot dit aandeel was en hoeveel groter dit dan geworden is sedert de beweerde hinder door de werken van appellante. Geïntimeerde verwijst naar de eerste bevindingen van gerechtsdeskundige B. Het hof vermag daar geen acht op te slaan, omdat ook het deskundigenonderzoek door appellante wordt aangevochten en daarover nog niet werd geoordeeld. Het staat dus nog niet vast dat die onderzoeksmaatregel wordt bevestigd.

Geïntimeerde laat trouwens gelden dat zij recentelijk nieuwe commerciële initiatieven heeft genomen waardoor zij positieve vooruitzichten heeft. Zo zou de tussentijdse balans per 30 juni 2009 een positief resultaat vertonen. Zij zegt dat er geen hangende gedingen zijn en dat er geen schuldeisers zijn die iets tegen haar voortbestaan zouden ondernemen.

Geïntimeerde slaagt niet in het bewijs van het vereiste ernstig nadeel om het recht van appellante op kantonnement uit te sluiten.
 


probleemstellingen bij minnelijk kantonnement een bijdrage van M. Storme 
 

 

Nog dit: 

Burgerlijke Rechtbank te Gent, Burgerlijke Rechtbank te Gent Beslagrechter – 25 januari 2011? RW 2012-2013, 907

samenvatting

Een appelrechter kan de beroepen beslissing, die de eerste rechter voorlopig uitvoerbaar verklaarde met uitsluiting van het recht tot kantonnement, hervormen in die zin dat het recht tot kantonnement niet wordt uitgesloten en zodoende aan de appellant wordt toegestaan.

tekst arrest

V. t/ A.G.

...

II. Litigieuze tenuitvoerlegging

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 8 oktober 2010 laat de verweerster, in uitvoering van een tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 26 februari 2010 tot gedeeltelijke hervorming van het beroepen tussenvonnis van de vrederechter van het eerste kanton te Gent van 2 november 2009, in die zin dat het recht tot kantonnement niet wordt uitgesloten en zodoende aan de verweerster wordt toegestaan, en zodoende tot terugbetaling door de eiser aan de verweerster van een bedrag van 20.000 euro en toebehoren met het oog op kantonnement, na de betekening van de uitgifte van voormelde tussenvonnissen met een bevel tot betalen op 14 mei 2010, ten laste van de eiser uitvoerend beslag op roerend goed leggen op een aantal roerende goederen/interieurelementen die zich bevinden op het adres van de eiser (...).

...

III. Vordering

1. Bij dagvaarding van 10 november 2010 verzet de eiser zich tegen het voormelde beslag, met het oog op opheffing ervan.

2. De verweerster neemt conclusie tot afwijzing van dit verzet.

IV. Beoordeling

1. Bij tussenkomst van 2 november 2009 veroordeelt de vrederechter van het eerste kanton te Gent de verweerster, met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W., tot betaling aan de eiser van een provisionele schadevergoeding van 20.000 euro. Het betreft een voorschot op vergoeding voor de schade van de eiser aan zijn vinylplaten en hoezencollectie. De schade vloeit voort uit vochtinfiltratie/waterinfiltratie waarvoor de verweerster als bewaarder in de zin van art. 1384, eerste lid BW (beheerder van het gebouw “C.M.”) aansprakelijk is. De vrederechter verklaart het vonnis voorlopig uitvoerbaar (art. 1397-1398 Ger.W.) en sluit het recht tot kantonnement uit (art. 1404 en 1406 Ger.W.).

Op grond hiervan betoogt de eiser bij brief van 17 november 2009 aan de gerechtsdeurwaarder opdracht te hebben gegeven om over te gaan tot betekening en tenuitvoerlegging. De betekening van het vonnis met een bevel tot betalen volgt inderdaad op 23 november 2009.

De verweerster reageert bij brief van 3 december 2009 en geeft aan de bedoelde gelden te hebben gestort op de rekening van de gerechtsdeurwaarder, zij het “louter wegens het voorlopig uitvoerbaar karakter van het vonnis en de uitsluiting van het recht tot kantonnement”. De verweerster behoudt zich nadrukkelijk het recht voor om hoger beroep aan te tekenen en de zaak aan te houden met het oog op beslechting van haar betwisting, inzonderheid van de uitsluiting van het recht tot kantonnement (art. 1406 Ger.W.).

En zo geschiedt. De verweerster tekent hoger beroep aan bij verzoekschrift van 21 december 2009 en verkrijgt, na behandeling ter terechtzitting van 29 januari 2010 (bij vonnis van 26 februari 2010 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent) voormelde gedeeltelijke hervorming van het beroepen vonnis in die zin dat het recht tot kantonnement niet wordt uitgesloten en zodoende aan de verweerster wordt toegestaan.

2. Gelet op deze hervorming geldt het vonnis van 2 november 2009 niet langer als titel tot behoud van de gestorte gelden. De eiser is op eigen risico tot voorlopige uitvoering van het vonnis van 2 november 2009 overgegaan door de betekening van 23 november 2009 met een bevel tot betalen (art. 1398 Ger.W.); de verweerster heeft vervolgens onder nadrukkelijk voorbehoud betaald. De eiser kan thans bezwaarlijk beweren dat de gelden, gestort gelet op de voorlopige uitvoering op zijn eigen risico, verworven blijven.

Het hervormende vonnis van 26 februari 2010 geldt als titel tot terugbetaling, en dit met het oog op kantonnement (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 179, nr. 257; zie ook: Cass. 10 januari 2003, RW 2004-05, 740). Gelet op de hervorming heeft de eiser slechts recht op een voorwaardelijke betaling door middel van kantonnement en geenszins op een betaling zonder meer. Om die reden was het hoger beroep (in de eerste plaats inzonderheid met het oog op herstel van het recht tot kantonnement), ondanks de storting, geenszins zonder voorwerp (zie ook: Beslagr. Dendermonde 15 september 2005, RW 2007-08, 830; S. Brijs, “Over de uitvoering van een impliciet dispositief van een rechterlijke beslissing” (noot onder Antwerpen 27 juni 2000 en Beslagr. Tongeren 16 november 1999), P&B 2001, p. 85-86, nr. 12). Het kantonnement biedt de appellant bescherming tegen een eventuele insolventie van de geïntimeerde voor het geval deze op grond van de appelbeslissing tot terugbetaling zou zijn gehouden. Het enkele gegeven dat de verweerster eerst onder nadrukkelijk voorbehoud heeft betaald en pas kort nadien hoger beroep heeft aangetekend, doet daaraan geen afbreuk.

...

De verweerster mocht derhalve voormelde terugbetaling nastreven van het bedrag van 20.000 euro en toebehoren met het oog op kantonnement. Daar de eiser hieraan niet vrijwillig is tegemoetgekomen, mocht de verweerster tot de litigieuze tenuitvoerlegging overgaan.

Het bevel tot betalen van 14 mei 2010 en het beslag van 8 oktober 2010 vertonen een rechtmatig karakter.

3. Anders dan de verweerster bij conclusie van 20 december 2010 onderstelt, strekt het verzet niet tot beoordeling van het recht tot kantonnement en evenmin tot enige terugbetaling (vgl. Beslagr. Tongeren 16 november 1999, P&B 2001, 91; zie dienaangaande ook: S. Brijs, o.c., P&B 2001, p. 85, nr. 11).

Het voorliggende geschil (op verzet tegen het beslag van 8 oktober 2010) is wel degelijk een executiegeschil dat tot de beoordelingsbevoegdheid van de beslagrechter behoort.

Het verzet is voorts ontvankelijk maar ongegrond.

...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: za, 26/01/2013 - 04:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.