-A +A

keuzebeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Waarom kiezen?

Wanneer een echtpaar met kinderen overlijdt, gaat in de regel een belangrijk deel naar de kinderen en wordt de langstlevende niet alleen achtergelaten met het partnerverlies maar behoudt deze ook slechts een deel van het vermogen waarvoor destijds een leven lang samen werd gewerkt. Plots worden de kinderen voor een deel naakte eigenaar, of zelfs van een deel volle eigenaar en moet er met de kinderen onderhandeld worden. In meer dan één geval ligt dit moeilijk.

Echtgenoten kunnen dit voorzien door een wijziging van hun huwelijkscontract of door een huwelijkscontract aan te gaan wanneer ze nog geen huwelijkscontract hebben waarin een verblijvingsbeding is opgenomen (het vermogen blijft bij de langstlevende) in de volksmond wordt deze clausule “langst-leeft-al” geheten.

Ingevolge deze notariële akte zal de langstlevende dan de volledige nalatenschap bekomen.
Teneinde te vermijden dat u als langstlevende de nalatenschap van de eerststervende moet verdelen met de kinderen.

Maar hoe interessant dit ook lijkt, fiscaal is dit niet zo interessant. Immers hierdoor zullen de erfgenamen bij het overlijden van de langstlevende alles in en keer krijgen, dus dan in 1 maal veel meer. De successierechten worden berekend aan de hand van schalen. Hoe meer men erft hoe hoger de schaal. Dus in plaats van in 2 maal aan een lager tarief te erven zullen de erfgenamen in één keer aan het hoogste tarief dienen te betalen.

Sommigen zien van de clausule “langst-leeft-al” af omdat zij toch geld genoeg hebben, zo weinig mogelijk hun kinderen met successierechten willen opzadelen en vooral omdat ze goed met de kinderen overeenkomen. Maar dit is misschien de situatie vandaag, hoe zal de situatie en de relatie zijn binnen enkele jaren op het onzekere en onbepaalde ogenblik van het overlijden van de eerststervende?

Het keuzebeding verleent de oplossing:

Bij een keuzebeding komen de echtgenoten in een huwelijkscontract overeen dat de langstlevende van hen bij het overlijden van de eerststervende zal mogen kiezen wat er zal gebeuren het gemeenschappelijk vermogen, m.a.w welk deel de langstlevende echtgenoot dan voor zich zelf houdt en welk deel aan de overige erfgenamen.
Het keuzebeding laat dus op dat vlak alle keuzes open voor de langstlevende tot aan het overlijden van de eerststervende echtgenoot. En op dat ogenblik krijgt door dit keuzebeding de langstlevende het recht te beslissen hoe het gemeenschappelijk vermogen wordt verdeeld tussen zichzelf en de kinderen.

De keuze kan dus gemaakt worden op het ogenblik dat er verdeeld moet worden, in plaats van jaren ervoor. Er wordt dus gekozen op een ogenblik dat de langstlevende de omvang van het vermogen kent en kant tellen en hoe dan is met de relatie met de kinderen, kleinkinderen en schoonkinderen en vooral hoe de fiscale wet en de fiscale tarieven (want die veranderen ook) er dan uitzien.
De langstlevende staat dan niet alleen en kan de deskundige raad inwinnen van een notaris of van een advocaat.

 

Het gemeenschappelijk vermogen wordt bij echtscheiding of bij overlijden principieel bij helften verdeeld.

Het kan evenwel fiscaal interessant zijn om m.b.t. het gemeenschappelijk vermogen een keuzebeding op te
nemen in het huwelijkscontract zodat de langstlevende echtgenoot, na overlijden van de partner, kan kiezen hoeveel en welke goederen hij of zij verkiest van de huwgemeenschap.

Het keuzebeding is dan ook vaak een alternatief ten aanzien van het fiscaal veel minder interessante verblijvingsbeding.

En keuzebeding is een flexibele variant om de langstlevende een keuze te bieden tussen bv. alles in volle eigendom; of de helft in volle eigendom, de helft in vruchtgebruik; ofwel alle roerende goederen in volle eigendom,…

Bij een keuzebeding onder last heeft de langstlevende de keuze om goederen uit de gemeenschap aan te wijzen onder de last om de tegenwaarde van wat aan de eerstoverledene zou zijn toegekomen bij een gelijke verdeling aan de nalatenschap uit te betalen. Dit biedt de vrijheid om bij een goede relatie met de kinderen goed het vruchtgebruik aan de langstlevende toe te bedelen en bij een minder goede relatie de volle eigendom of bepaalde bestanddelen van de gemeenschap.

Rechtspraak keuzebeding:

• Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt dd. 18.10.2006

samenvatting:

Beding onvoorwaardelijke toebedeling gemeenschappelijk vermogen aan een bepaalde echtgenoot - Inbreng van eigen goederen - Contractuele erfstelling (art. 2 en 5 W.Succ. en 1464 BW)
Artikel 5 W.Succ. kan niet worden toegepast op het beding van ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen wanneer het voordeel ingevolge de huwelijksovereenkomst onvoorwaardelijk toevalt aan een welbepaalde echtgenoot ongeacht het feit of deze echtgenoot de andere overleeft.

Dergelijk beding kan wel aanleiding geven tot de heffing van de successiebelasting in de gevallen waarbij de bevoordeelde echtgenoot goederen verkrijgt die door de andere echtgenoot werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen of indien deze eigen goederen bezat bij het aannemen van een stelsel van algemene gemeenschap. Het beding van ongelijke verdeling moet in die situatie niet meer beschouwd worden als te zijn aangegaan als huwelijksovereenkomst maar wordt op basis van artikel 1464, tweede lid BW als een schenking aangemerkt. In de mate dat de bevoordeelde echtgenoot meer dan de helft van de door de andere echtgenoot ingebrachte goederen verkrijgt, wordt het beding als een contractuele erfstelling gekwalificeerd. Artikel 2 W.Succ. is dus van toepassing tot beloop van de helft van de waarde van de ingebrachte onroerende goederen.



Integrale tekst arrest (bron: fisconet):

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING  HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN

Rep. 8758

Gr. nr. 2182

IN ZAKE A.R. nr. 05.1045.A

V. Y., huisvrouw, geboren te H. op 08.11.1929, wonende te L.

Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. V., advocaat te L.

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de heer gewestelijk directeur der registratie te Hasselt met kantoren te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

Verweerder, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. R., advocaat te T.

VOLGT HET VONNIS:

Gelet op :

het exploot van gerechtsdeurwaarder P. W. te H. van 06.04.2005 waarbij eiseres verweerder heeft gedagvaard:

de besluiten, antwoordbesluiten en stukken van verweerder;

de conclusies en stukken van eiseres.

* * *

FEITEN EN RETROACTEN:

Op 23.01.2004 overleed te L., de heer J. V., geboren te W. (Nederland) op 04.06.1924, echtgenoot van huidige eiseres, met als erfgenamen :

zijn echtgenote, mevr. Y. V., wonende te L.;

zijn twee kinderen :

a) de heer R. V., geboren te L. op 13.04.1957 en wonende te L.;

b) mevr. M. V., geboren te L. op 23.12.1060 en wonende te L.

Eiseres was met wijlen de heer J. V. gehuwd onder het wettelijk stelstel aanvankelijk bij gebreke aan huwelijkscontract, nadien gewijzigd bij akten verleden voor notaris B. I. te L.

Bij akte "wijziging van huwelijkscontract" verleden op 01.07.2003 voor notaris B. I. te L. werden de volgende wijzigingen aangebracht :

"Artikel 1: De heer V. J. verklaart in de gemeenschap te brengen met alle lasten, ook hypothecaire die het eventueel zou kunnen bezwaren :

Gemeente L. (art. …)

- landgebouw H., tuin achter H., boomgaard "'A." bouwland "A." gekadastreerd of geweest Sectie D, nummers …, groot één are zesenzeventig centiare; groot respectievelijk : één are zesenzeventig centiare, negen are zestig centiare, elf are zevenenzeventig centiare, zestig centiare; groot in totaal drieëntwintig are drieënzeventig centiare;

Gemeente L. (art. …)

- weiland "A." weiland "A." bouwgrond "H.", bouwgrond R., bouwgrond R., gekadastreerd of geweest Sectie D, nummers …, groot respectievelijk twee are dertien centiare, een are zevenendertig centiare, acht are vijfenzeventig centiare, zeven are twintig centiare, twaalf are tien centiare; groot in totaal eenendertig are vijfenvijftig centiare,

(…)

Artikel 2 : De huwgemeenschap wordt bij overlijden van de heer V. in volle eigendom, toebedeeld aan mevrouw V."

(zie stuk B31, overtuigingsstukken verweerder).

Bij akte, "wijziging van huwelijkscontract" verleden op 20.10.2003 voor notaris B. I. te L. werd art. 2 gewijzigd :

"Artikel 2 : Bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap om eender welke reden, wordt de gemeenschap toebedeeld aan mevrouw V. Y."

(zie stuk B2, overtuigingstukken verweerder).

Op 22.06.2004 dienden de erfgenamen van wijlen J. V. een aangifte van nalatenschap in op het Registratiekantoor Beringen 2, gekend onder nummer 04.142 (zie stuk B4, overtuigingsstukken verweerder).

In deze aangifte van nalatenschap werd de volgende verklaring opgenomen :

"Dat deze nalatenschap op het vlak van successierechten ONBELASTBAAR is. Zoals hogergemeld was de huwelijksgemeenschap immers toebedeeld aan mevrouw V., ongeacht om welke reden de huwelijkgemeenschap zou ontbonden worden. Derhalve is art. 5 van het wetboek Successierechten (dat een "voorwaarde van overleving» vereist) NIET van toepassing. Daarom is die toebedeling van de gemeenschap aan mevrouw V. dan ook niet belastbaar op het vlak van successierechten.

Zie i.v.m. het principe van onbelastbaarheid : DECUYPER, Successierechten, nr. 133; WERDEFROY, Registratierechten, nr. 1188.

Het enige wel belastbare bedrag (75 euro aan kleding en persoonlijke voorwerpen) is kleiner dan het aangevoerde passief, en derhalve daardoor ook onbelastbaar"

(zie stuk B4, overtuigingsstukken verweerder).

Op 24.08.2004 werd door eiseres, in eigen naam en als volmachtdrager van haar kinderen een bijvoeglijke aangifte ingediend onder nummer 04.142/2 waarin een aantal verzuimen werden hersteld ten bedrage van 80.000 BEF (1.983,15 euro) (zie stuk B5, overtuigingsstukken verweerder).

In toepassing van art. 2 W. Succ. werd op de helft van de door de overledene in de gemeenschap ingebrachte onroerende goederen, successierechten geheven ten bedrage van 9.941,30 euro (zie stuk B6, overtuigingsstukken verweerder).

Verweerder is immers van oordeel dat in de gevallen waarbij de bevoordeelde echtgenoot goederen verkrijgt die door de andere echtgenoot werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen of indien deze eigen goederen bezat bij het aannemen van een stelsel van algemene gemeenschap, dan moet het beding van ongelijke verdeling niet meer beschouwd worden als te zijn aangegaan als een huwelijksovereenkomst maar wordt het op basis van art. 1464, tweede lid BW als een schenking aangemerkt. Het beding moet derhalve in de mate dat de bevoordeelde echtgenoot meer dan de helft van de door de andere echtgenoot ingebrachte goederen verkrijgt, als een contractuele erfstelling worden beschouwd.

Deze contractuele erfstelling valt niet onder de toepassing van art. 5 W. Succ., maar wel onder de toepassing van art. 2 W. Succ volgens verweerder.

Eiseres deelde deze zienswijze van de administratie niet.

Zij is van oordeel dat de clausule dewelke door de overledene is opgenomen in de wijziging van "huwelijkscontract, houdende de toebedeling van de gemeenschap aan één partner en "ongeacht hoe de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden", een sterfhuisclausule is, dewelke onmogelijk als een contractuele erfstelling kan worden aanzien.

Art. 2 W. Succ kan volgens eiseres hierop niet van toepassing zijn.

Eiseres betaalde onder voorbehoud van terugvordering de successierechten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder P. W. te Hasselt van 06.04.2005 heeft eiseres verweerder gedagvaard :

" - in terugbetaling van de door haar ten onrechte betaalde successierechten, verhoogd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van de betaling ervan en met vergoeding voor alle mogelijke - zowel materiële als emotionele - schade, kosten, voorschotten en uitgaven die mevrouw V. zal aantonen ;

- betaling van de gerechtskosten, en van de kosten en erelonen die mevrouw V. aan haar raadsman/vertegenwoordiger zal verschuldigd zijn ingevolge zijn tussenkomst ;

- gedaagde te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verzoekster geraamd op 342,89 euro ;

- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement"

BEOORDELING:

1. Voorafgaand : betreffende het verzoek van verweerder om de conclusies, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.11.20052. te weren uit de debatten :

Bij besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.02.2006, merkt verweerder voorafgaandelijk op dat eiseres niet geldig vertegenwoordigd werd overeenkomstig art. 728 Ger. W. en dat de besluiten, neergelegd ter griffie op 18.11.2005 "voor mevrouw V. Y., huisvrouw, geboren te H. op …, wonend te L., vertegenwoordigd door de BVBA "I." met zetel te L., op haar beurt vertegenwoordigd door haar zaakvoerder, de heer B. l., notaris, wonend te L." uit de debatten dienen geweerd te worden.

Art. 728 Ger. W. bepaalt onder meer dat op het ogenblik van de rechtsingang en later de partijen in persoon of bij advocaat dienen te verschijnen.

Ter zitting van deze rechtbank van 13.09.2006 verscheen Mr. R. V., advocaat bij de balie te Hasselt, met kantooradres te L. voor eiseres.

Eiseres was derhalve geldig vertegenwoordigd ter zitting van 13.09.2006.

Ten onrechte houdt verweerder dan ook voor dat nu eiseres niet overeenkomstig art. 728 Ger. W. geldig vertegenwoordigd was, de conclusie neergelegd ter griffie op 18.11.2005 uit de debatten zou dienen te worden geweerd.

De rechtbank dient vast te stellen dat de conclusie neergelegd ter griffie op 18.11.2005 niet door eiseres ondertekend werd, doch door notaris B. I.

Een conclusie dient door een partij of haar advocaat te worden ondertekend. Evenwel is deze ondertekening niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. De rechtbank bemerkt dan ook geen enkele reden om de niet-ondertekende conclusie uit de debatten te weren. Temeer niet nu de raadsman van eiseres ter zitting van 13.09.2006 de inhoud van de conclusie tot de zijne maakte (zie LAENENS, J., BROECKX, K. en SCHEERS, D., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, Antwerpen-Oxford, 2004, p. 376, nr. 784).

2. Ontvankelijkheid:

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankeiijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

3. Ten gronde:

De discussie tussen partijen behelst de vraag of eiseres successierechten verschuldigd is op de waarde van de onroerende goederen die bij een eerste wijziging van het huwelijkscontract werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen en bij overlijden van de heer J. V. in volle eigendom worden toebedeeld aan eiseres en bij een latere wijziging van het huwelijkscontract worden toebedeeld aan eiseres bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap "om eender welke reden".

Bij akte "wijziging van huwelijkscontract" verleden op 01.07.2003 voor notaris B. I. te L. werden een aantal onroerende goederen ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen van wijlen de heer J. V. en eiseres en werd er in art. 2 voorzien in een overlevingsvoorwaarde (zie stuk 131, overtuigingsstukken verweerder).

Een drietal maanden later, te weten op 20.10.2003, wordt art. 2 bij akte verleden voor notaris B. I. te L. gewijzigd in die zin dat de overlevingsclausule niet langer opgenomen is in art. 2 en dat bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap "om eender welke reden" de gemeenschap wordt toebedeeld aan eiseres (zie stuk B2, overtuigingsstukken verweerder).

Vervolgens overleed de heer J. V. op 23.01.2004.

Samen met partijen is de rechtbank van oordeel dat art. 5 W. Succ. niet kan worden toegepast op kwestieuze betwisting: de wettekst zelf bepaalt immers dat de toebedeling op voorwaarde van overleving moet zijn.

Een dergelijk beding van ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, kan echter in de gevallen waarbij de bevoordeelde echtgenoot goederen verkrijgt die door de andere echtgenoot werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen of indien deze eigen goederen bezat bij het aannemen van het stelsel van algemene gemeenschap, niet meer beschouwd worden als te zijn aangegaan als huwelijksovereenkomst maar wordt op basis van art. 1464, tweede lid BW als een schenking aangemerkt. Het beding moet derhalve in de mate dat de bevoordeelde echtgenoot, in casu eiseres, meer dan de helft van de door de andere echtgenoot ingebrachte goederen verkrijgt als een contractuele erfstelling worden bestempeld.

De administratie heeft terecht geoordeeld dat een beding in een huwelijkscontract, dat niet als een huwelijksovereenkomst beschouwd kan worden, maar wel op toekomstige goederen betrekking heeft en onherroepelijk is, als een contractuele erfstelling gekwalificeerd kan worden.

Een contractuele erfstelling is immers precies een schenking van toekomstige goederen aan een echtgenoot, al dan niet bij huwelijkscontract (zie VAN ACOLEYEN, O., Successierecht, Fiscale Hogeschool, 1976, nr. 68, p. 107-108; DEBLAUWE, R., Successieplanning tussen echtgenoten, in Fiscaal recht, F. VANISTENDAEL (ed.), die Keure, Brugge, 2006, p 24).

Overeenkomstig art. 2 W. Succ. zijn de rechten verschuldigd op de erfgoederen ongeacht of zij ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling worden overgemaakt. Ze zijn, bovendien, verschuldigd in de gevallen aangeduid onder artikelen 3 tot 14.

Bijgevolg is art. 2 W. Succ in casu van toepassing tot beloop van de helft van de waarde van de ingebrachte onroerende goederen.

De rechtbank verwijst dienaangaande naar een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 05.10.2004 waarbij in het kader van een verrekeningsberekening bij het vereffenen van een stelsel van scheiding van goederen werd geoordeeld dat huwelijksvoordelen die betrekking hebben op meer dan de waarde van alle aanwinsten en meer dan de helft van de inbreng van de vooroverleden echtgenoot niet meer als een huwelijksvoordeel, maar als een schenking moeten worden beschouwd. Art. 1464 BW geldt als een algemene regel inzake huwelijksvoordelen (zie Antwerpen, 05.10.2004, T.F.R., nr. 279, 2005, p. 374, noot M. Delboo).

De verwijzing naar het adagium "in dubio contra fiscum" is derhalve niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres tot terugbetaling van de door haar betaalde successierechten is dan ook ongegrond.

Ook de vordering tot terugbetaling van de kosten en erelonen die eiseres heeft dienen te betalen aan haar raadsman ingevolge de toepassing van "het principe dat beslist werd door Cass., 2 september 2004, J. T., 2004, 684" is ongegrond.

De rechtbank is van oordeel dat in de huidige stand van de rechtspraak de advocatenkosten in o.m. familiale, sociale en fiscaalrechtelijke aangelegenheden niet ten laste kan worden gelegd van de tegenpartij. In dergelijke geschillen komt immers de contractuele of strafrechtelijke aansprakelijkheid van de tegenpartij niet aan bod (zie Cass., AR C.01.0186.F, 2 september 2004, www.cass.be; CALLEWAERT, V. en DE CONINCK, B., Le répétibilité des frais et honoraires d'avocat après l'arrêt de la Cour de cassation du 2 septembre 2004: responsabilité et assurances, R.G.A.R., 2005, nr. 13944).

De vorderingen van eiseres zijn derhalve ongegrond.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze in hoofde van verweerder begroot op 182,20 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 18.10.2006 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C. enige rechter, en,

De Heer P. N., griffier.

 

Voorbeeld van een keuzebeding

ARTIKEL # - KEUZEBEDING BETREFFENDE DE VERDELING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK VERMOGEN.



Partijen komen overeen dat in geval hun huwgemeenschap wordt ontbonden door het overlijden van één der echtgenoten en mits zij niet feitelijk gescheiden zijn of een echtscheidingsprocedure bezig is, en ongeacht of er kinderen uit het huwelijk geboren zijn of niet, het gemeenschappelijk vermogen, naar keuze van de langstlevende der echtgenoten zal verdeeld worden als volgt en binnen de modaliteiten die verder worden bepaald in het hierna volgende artikel # :

1° ofwel : zullen alle gemeenschapsgoederen, zowel roerende als onroerende verblijven voor de geheelheid in volle eigendom aan de langstlevende der echtgenoten.

2° ofwel : zullen alle gemeenschapsgoederen, zowel roerende als onroerende, aan de langstlevende der echtgenoten toebehoren voor de helft in vruchtgebruik en voor de overige helft in volle eigendom.

3° ofwel : zullen de gemeenschapsgoederen aan de langstlevende der echtgenoten toebehoren als volgt :

a) de roerende goederen, geen uitgezonderd noch voorbehouden : voor de geheelheid in volle eigendom.

b) de onroerende goederen : voor de helft in volle eigendom en voor de overige helft in vruchtgebruik;

4° ofwel : zullen de gemeenschapsgoederen aan de langstlevende der echtgenoten toebehoren als volgt :

a) de roerende goederen en de gezinswoning : in volle eigendom.

b) de overige onroerende goederen : voor de helft in vruchtgebruik en de helft in volle eigendom.

5° ofwel : de langstlevende echtgenoot heeft de keuze om - vóór de verdeling van de huwelijksgemeenschap - de gezinswoning vooraf te nemen in volle eigendom, alsmede het huisraad dat zich daar bevindt, alsmede elk ander roerend goed van de huwelijksgemeenschap, of slechts één of méér van deze goederen zoals hij of zij zal wensen. Zo zal dit keuzebeding kunnen omvatten, ten titel
van voorbeeld : "de gezinswoning in volle eigendom en/of het huisraad dat zich daar bevindt en/of de personenwagen in volle eigendom en/of de banktegoeden in volle eigendom, enz...".

6° ofwel : zal de gemeenschap worden verdeeld volgens de regels die in het Burgerlijk Wetboek zijn voorzien volgens artikel 1445 en 1446, inhoudende de preferentiële toewijzing tegen opleg van de gezinswoning met de huisraad, en/of het onroerend goed dat dient voor de uitoefening van zijn/haar beroep samen met de roerende beroepsvoorwerpen die zich aldaar bevinden. Onderhavige
keuzemogelijkheid beperkt zich evenwel niet tot de gezinswoning en/of het professioneel onroerend goed. De langstlevende echtgenoot heeft het keuzerecht om op schatting elk gemeenschappelijk onroerend goed over te nemen volgens dezelfde regels als in artikel 1445 en 1446 B.W.

7° ofwel : zullen alle gemeenschapsgoederen, zowel roerende als onroerende verblijven voor de geheelheid in vruchtgebruik aan de langstlevende der echtgenoten.

8° ofwel : zullen de gemeenschapsgoederen aan de langstlevende der echtgenoten toebehoren als volgt :

a) de roerende goederen, geen uitgezonderd noch voorbehouden : voor de geheelheid in volle eigendom.

b) de onroerende goederen : voor de geheelheid in vruchtgebruik;

9° ofwel : zullen de gemeenschapsgoederen aan de langstlevende der echtgenoten toebehoren als volgt :

a) de roerende goederen, geen uitgezonderd noch voorbehouden : voor de helft in volle eigendom en de wederhelft in vruchtgebruik.

b) de onroerende goederen : voor de geheelheid in vruchtgebruik;

10° ofwel : keuzebeding onder last. De langstlevende zal het recht hebben om die gemeenschapsgoederen en gemeenschapsschulden aan te wijzen die hij of zij in zijn of haar kavel wenst op te nemen bij de verdeling, en dit ongeacht hun waarde. Indien de aldus aan de langstlevende toegewezen kavel zijn
of haar gerechtigdheden in het gemeenschappelijk vermogen overtreft, zal de langstlevende aan de nalatenschap van de eerststervende een opleg verschuldigd zijn overeenstemmend met hetgeen de langstlevende zo teveel heeft ontvangen. De betaling van deze opleg kan op ieder ogenblik dat de langstlevende geschikt acht plaatsvinden, ook in gedeelten, hetzij in geld, hetzij door afstand van
gemeenschapsgoederen aan de erfgenamen. De betaling kan evenwel niet gevorderd worden zolang de langstlevende in leven is, noch kan voor deze betaling enige zekerheid worden geëist. Opeisbaarheid van de vordering of zekerheidsstelling kan echter wel worden gevorderd in volgende gevallen : a) als de langstlevende niet meer in staat is zijn of haar vermogen zelfstandige te beheren; b) of als
de langstlevende in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeert. De vordering tot opleg is niet rentedragend.

11° ofwel : verblijvingsbeding onder last. De langstlevende zal het recht hebben om alle gemeenschapsgoederen en gemeenschapsschulden in zijn of haar kavel op te nemen bij de verdeling van de huwgemeenschap, en dit ongeacht hun waarde. De langstlevende is in zulk geval aan de nalatenschap van de eerststervende een opleg verschuldigd overeenstemmend met hetgeen de langstlevende méér heeft ontvangen dan zijn of haar gerechtigdheden in de huwelijksgemeenschap. Voor de opeisbaarheid en de betaling van deze opleg gelden dezelfde regels als onder keuze 10° hierboven. De vordering tot opleg is niet rentedragend.

ARTIKEL # - MODALITEITEN VAN HET KEUZEBEDING.



* De langstlevende der echtgenoten zal zijn keuze moeten uitoefenen door een schriftelijke verklaring te doen ofwel in de aangifte van nalatenschap.

* Deze keuze kan slechts geldig worden gedaan, ten vroegste na het verstrijken van één maand vanaf het overlijden van de eerststervende echtgenoot. Indien het overlijden van de langstlevende der echtgenoten plaats heeft binnen de maand na de eerststervende, komen de echtgenoten overeen dat de verdeling zal geschieden overeenkomstig de bepalingen van keuze 2° in het voorgaande artikel.

* Deze keuze kan slechts geldig door de langstlevende persoonlijk worden uitgeoefend en derhalve niet door een volmachtdrager, noch enige vertegenwoordiger.

* Deze keuze moet ten laatste gebeuren vóór het verstrijken van vijf maanden vanaf het overlijden van de eerststervende echtgenoot. Indien de keuze niet binnen de bedongen termijn en op voormelde wijze werd vastgesteld, om welke reden ook, komen de echtgenoten overeen dat de bepalingen van keuze 2° in het
voorgaande artikel van toepassing zullen zijn.

* In geval een procedure van echtscheiding bezig is of de echtgenoten leven feitelijk gescheiden op het ogenblik van overlijden, zullen de bepalingen van keuze 6° in het voorgaande artikel van toepassing zijn.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: wo, 14/11/2012 - 18:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.