-A +A

korte verjaring van 1 jaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De eenjarige verjaringstermijn is gegrond op een vermoeden van betaling. Degene die zich op deze termijn beroept, erkent met andere woorden steeds dat hij de goederen gekocht heeft, zo niet zou hij zich niet op het vermoeden van betaling van deze aankoop, waarop de verjaring gebaseerd is, beroepen (A. Van Oevelen, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987, 1824).

Het schriftelijk bewijs van de schuld waardoor de eenjarige verjaringstermijn buiten spel wordt gezet, is immers enkel het schriftelijk bewijs waardoor de schuldeiser het bestaan van de schuld bewijst ten aanzien van de schuldenaar (A. Van Oevelen, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987, 1824; W. Wilms, De ingebrekestelling en de kwijtende verjaring, Brussel, Swinnen, 1985, 104-106). Bestelbonnen, leveringsbonnen, facturen en rekeninguittreksels maken niet het geschrift uit op basis waarvan de eenjarige verjaring vervalt.

Wettelijke bron: art. 2272, tweede lid BW.

Art. 2272 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

«De rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren;

Die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn;

Die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen; en van andere meesters, tot betaling van het leergeld;

Die van dienstboden die zich bij het jaar verhuren, tot betaling van hun loon,

Verjaren door verloop van een jaar».

Art. 2272 B.W. voert een korte verjaringstermijn van één jaar in voor sommige rechtsvorderingen, waaronder die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn.

De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld. Op grond van art. 2274, tweede lid, B.W. houdt de verjaring op te lopen, «indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd».

Omdat de korte verjaringstermijn afwijkt van de algemene regel, dient art. 2272, tweede lid, B.W. beperkend te worden geïnterpreteerd.

Rechtspraak:

Algemeen:

• Vred. Brakel 14 maart 1997, R.W. 1999-00, 685

Geen enkele wetsbepaling in het Gerechtelijk Wetboek schrijft voor dat de exceptie van de verjaring van de rechtsvordering dient te worden ingeroepen voor elk verweer ten gronde. Het verweermiddel van de verjaring heeft de procesrechtelijke kwalificatie van een middel van niet-ontvankelijkheid, dat in iedere stand van het geding tot aan de sluiting van de debatten mag worden voorgedragen.

 

• Cass. 14 februari 1992  , Arr. Cass. 1991-92, 555;  R.W. 1991-92 (verkort), 1402.

Hij tegen wie men zich op de verjaring bedoeld in art. 2271 B.W. beroept, mag aan degene die zich erop beroept, de bekentenis tegenwerpen dat de zaak niet betaald is (art. 2274 en 2275 B.W.).

• Cass. 10 december 1885, Pas. 1886, I, 17, advies O.M.

De rechter moet de eenjarige verjaring van art. 2272 B.W. verwerpen wanneer uit de akten van rechtspleging een bekentenis van niet betaling blijkt.

• Brussel 4 mei 1983, R.W. 1983-84, 446.

De verjaring van één jaar van de rechtsvordering van kooplieden wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, houdt op te lopen wanneer tussen partijen een overeenkomst nopens uitstel van betaling is gesloten.

• Gent 24 februari 1988, T.G.R. 1988, 56.

De verjaring van art. 2272, 3 B.W. is gebaseerd op een vermoeden van betaling. Dit impliceert dat deze verjaring niet kan ingeroepen worden door een schuldenaar die het bestaan van de schuld zelf loochent, want deze bewering sluit elke gedachte van betaling uit. De verjaring slaat niet op het bestaan van de schuld, maar enkel op de opeisbaarheid ervan.

• Gent (12e bis k.) nr. 2002/AR/927, 26 februari 2003, T.B.B.R. 2005, afl. 2, 118.

Toen hij korte verjaringstermijnen invoerde, in het bijzonder die van het artikel 2272 B.W., dacht de wetgever aan de schulden die onmiddellijk worden betaald en waarvoor de partijen geen geschrift opmaken. Die korte verjaringstermijnen mogen niet worden ingeroepen wanneer de betwiste verbintenis in een geschrift werd vastgelegd. Een factuur is geen geschrift dat het mogelijk maakt om de korte verjaring van het artikel 2272, lid 2, B.W. af te wijzen.
Wanneer evenwel de schuldenaar in zijn boekhouding melding maakt van de betwiste facturen is er een schuldbekentenis in de zin van het artikel 2274, lid 2, B.W., wat de verandering van de verjaring meebrengt.

• Luik 2 februari 1999, T.B.B.R. 2000, 310.

Er bestaat in het Belgische recht geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk
een subjectief recht zou uitdoven of niet meer zou kunnen worden ingeroepen wanneer zijn titularis een gedrag heeft aangenomen dat objectief onverenigbaar is met dit recht.

• Cass. (1e k.) 15 januari 1999 , R.W. 2001-02, 451

Uit art. 1315, lid 2 B.W. en art. 870 Ger.W. volgt dat degene die zich op de in art. 2272, lid 1 B.W. bepaalde kwijtende verjaring beroept, daarvan het bewijs moet leveren.

• Bergen 2 december 1996, J.T. 1997, 299.

De korte verjaringstermijn van art. 2272 B.W. berust op het vermoeden dat de betwiste schuldvordering reeds werd betaald.
Het bestaan van een titel vastgesteld sinds het ontstaan van de schuldvordering zorgt voor de niet-toepassing van de art. 2271 tot 2275 B.W. en de terugkeer naar de gemeenrechtelijke dertigjarige verjaring.
De grondslag van de niet-toepassing van de art. 2271 en volgende ligt in art. 2274, lid 2 B.W. dat betrekking heeft op alle handelingen die de stuiting van de verjaring veroorzaken, wanneer die tijdens het verstrijken van de termijn plaatsvinden.

• Bergen 6 februari 1996, J.L.M.B. 1996, 1318

De door art. 2271 tot 2273 B.W. voorziene korte verjaringstermijnen berusten op het feit dat de schuldvorderingen die er het voorwerp van uitmaken, geen sporen achterlaten: geen enkel geschrift stelt het ontstaan ervan vast, geen enkele kwijting stelt de betaling ervan vast.
Deze verjaringstermijnen zijn ingegeven door de vaststelling dat het gebruikelijk is om de schulden die daar worden bedoeld, snel te betalen en helemaal geen schriftelijk bewijs van de betaling bij te houden. Ze zijn voornamelijk gebaseerd op een vermoeden van betaling.
Het opstellen van een geschrift haalt heel het stelsel van de eenjarige verjaringstermijn onderuit. Wanneer de schuldvordering schriftelijk wordt vastgelegd, brengt dit de omzetting van de verjaringstermijn met zich mee, vermits de partijen opnieuw onderworpen zijn aan de dertigjarige verjaringstermijn. Deze omzetting gebeurt van rechtswege.

• Luik 5 januari 1993, J.T. 1994, 43.

De schuldenaar die de bij art. 2272 B.W. bepaalde en op een vermoeden van betaling gegronde verjaring inroept, hoeft niet te bewijzen noch zelfs aan te voeren dat hij de schuld heeft betaald, vermits het bewijs van betaling volgt uit de verjaring zelf.
Het gaat niet op te beweren dat art. 2272 B.W. is uitgevaardigd voor opdrachten die gewoonlijk zonder geschrift worden afgehandeld en dat deze tekst derhalve niet toepasselijk is op verrichtingen waarvoor het gebruik, zo niet de wetgeving, het opstellen van facturen vereist.
Art. 2272 B.W., alsmede trouwens art. 5 Wet 1 mei 1913, zijn toepasselijk op de vermelde schuldvorderingen zonder onderscheid naargelang deze al dan niet schriftelijk zijn vastgesteld.
Een factuur, een door de handelaar uitgereikt document, is geen geschrift bedoeld bij art. 2274 B.W. en kan derhalve niet leiden tot stuiting van de verjaring.

• Luik 16 november 1992, J.T. 1994, 44.

Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een subjectief recht zou worden uitgedoofd wanneer de titularis ervan zich heeft gedragen op een manier die onverenigbaar is met dit recht. Het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst (art. 1134, lid 3 B.W.) wordt niet geschonden wanneer een partij gebruik maakt van het recht dat zij ontleent aan de op wettige wijze gesloten overeenkomst en niet wordt bewezen dat zij ervan misbruik heeft gemaakt. Binnen die perken kent het Burgerlijk Wetboek, wanneer het de regels voor de extinctieve verjaring vaststelt, aan een partij impliciet de mogelijkheid toe om niet onmiddellijk het recht uit te oefenen dat haar door de overeenkomst wordt verleend.

Wanneer partijen regelmatig zaken doen met elkaar en de veelvuldigde facturen nooit worden geprotesteerd, wordt het langdurig stilzwijgen van de schuldenaar bij ontvangst van een factuur, niettegenstaande verscheidene maningen tot betaling en rekeningafschriften, omschreven en uitgelegd als een stilzwijgende buitengerechtelijke bekentenis die bewijs levert van de verplichtingen.

Het vermoeden van betaling na het verstrijken van een termijn van één jaar, bepaald bij art. 2272, lid 3 B.W., is enkel bepaald ten gunste van een particulier, gewone consument, die noch de plicht, noch de gewoonte heeft na deze termijn nog een spoor te bewaren van de verbintenissen die hij aangaat of het bewijs van de uitvoering ervan bij te houden. De hoedanigheid van "koopman" valt niet noodzakelijk samen met die van handelaar in de zin van titel 1 Wetboek van Koophandel.
De eenjarige verjaringstermijn uit art. 2272, lid 3 B.W. is niet toepasselijk wanneer de schuldeiser een boekhouding voert en regelmatig facturen verstuurt. De koopman, bedoeld bij het 3de lid van dit art. 2272, kan niet degene zijn die facturen uitreikt, vermits de schuldvorderingen die zijn opgesomd in de art. 2271 tot 2273 B.W., die zijn welke geen spoor nalaten noch van het ontstaan, noch van de uitdoving ervan.

• Luik 8 december 1988, D.C.C.R. 1989-90, 217, noot DEJEMEPPE, P., La prescription trentenaire abolie; , J.L.M.B. 1989, 587, noot JEUNEHOMME, J., La prescription des créances des marchands vis-à-vis des particuliers ; , J.T. 1989, 273.


De korte verjaring zoals vervat in art. 2272 B.W. is ook van toepassing op de schuldvorderingen die niet in een geschrift zijn vastgelegd. Deze verjaring berust op het vermoeden van betaling in hoofde van de schuldenaar.

• JP Visé, 11 december 2006 tijdschrift voor vrederechters 2007, 449, met kritische noot

De verkorte verjaring zoals voorzien in artikel vijf van de wet van 1 mei 1913 op het krediet ter kleinhandelaars en ambachtslieden en op de intresten wegens vertraagde betaling, stellen de dat de vordering tot betaling die de kooplieden hebben uithoofde van koopwaren verkocht aan particulieren verjaart na een jaar te rekenen vanaf het verstrijken van het burgerlijk jaar tijdens welke de koopwaren werden verkocht, mag niet verward worden met de termijn voorzien in artikel 2272 burgerlijk wetboek. De wet van 1 mei 1913 betreft de vorderingen die door hun facturen werden vastgesteld terwijl artikel 2272 burgerlijk wetboek op het vermoeden berust van betaling en niet van toepassing is op vorderingen vastgesteld door een fractuur

• Rb. Brussel (21e k.) 24 januari 2006, Res Jur. Imm. 2006, afl. 4, 231

Na de stuiting van de verjaring (in casu, van een rechtsvordering tot terugbetaling van kosten en lasten in de zin van art. 1728quater BW) wegens erkenning van een recht van hem tegen wie de verjaring loopt, vangt in de regel een nieuwe (gelijke) verjaringstermijn aan die ingaat vanaf de dag na de erkenning.

• Rb. Gent 3 september 1993, Intern. Vervoerr. 1994, 335.

Nu er een onderhandse schuldbekentenis bestaat, wordt de éénjarige verjaringstermijn overeenkomstig art. 2274, lid 2 B.W. omgezet in een dertigjarige termijn. (Ingevolge de nieuwe verjaringstermijn zou dit thans 10 jaar zijn).

• Rb. Ieper 7 mei 1993, D.C.C.R. 1994-95, 350, noot SCHUERMANS, D.

De eenjarige verjaringstermijn voorzien in art. 2272, lid 3 B.W. is slechts van toepassing op schulden die betrekking hebben op leveringen die normaliter nooit in een geschrift vervat worden en waarvan het de gewoonte is deze onmiddellijk te betalen.
Deze verjaringstermijn gaat uit van een betalingsvermoeden. Zij kan niet worden ingeroepen wanneer van de verbintenissen een geschrift werd opgesteld, ook wanneer het geschrift slechts na het ontstaan van de verbintenis werd opgemaakt.
Een factuur is een geschrift in de zin van deze bepaling.

• Vred. Nijvel 15 april 1965, Jur. Niv. 1965-66, 58.

De korte verjaring van art. 2272, 3 B.W. is niet van toepassing op schriftelijke overeenkomsten. Dit geschrift moet dan wel beantwoorden aan de vereisten van art. 1325 B.W. Indien dit niet het geval is, dan is art. 2272, 3 B.W. wel van toepassing.



• Rb. Hasselt 10 februari 1987, T.B.B.R. 1987, 73.

De korte verjaring van art. 2272, 1 B.W. is gebaseerd op een vermoeden van betaling. Ten opzichte van een niet-handelaar is een factuur geen bewijsmiddel, maar enkel een boekhoudkundig document waarvan de verzending door de schuldeiser voor zover de facturen niet door de schuldenaar voor ontvangst en akkoord verklaard werden, niet kan gekwalificeerd worden als een schuldbekentenis in hoofde van de debiteur.

• Rb. Bergen 8 januari 1986, Rechtspr. B.F.E. 1987, afl. 1, 1.

De verjaring van één jaar is gebaseerd op een vermoeden van betaling. Als de schuldenaar erkent dat hij niet heeft betaald, kan hij die verjaring niet inroepen.

• Rb. Brugge 29 april 1985, T.B.R. 1985, 79.

Wanneer een schuldenaar bekent niet te hebben betaald en rechtens beweert niet te moeten betalen, kan hij zich niet beroepen op de korte verjaring vervat in art. 2272, lid 3 B.W.

• Vred. Luik 7 mei 1953, J.L. 1953-54, 38.

De korte verjaringen die op een vermoeden van betaling gebaseerd zijn kunnen niet ingeroepen worden wanneer de schuldenaar erkent niet te hebben betaald. In casu blijkt deze erkenning uit het feit dat de debiteur zich tevens beroept op een andere wijze van tenietgaan van verbintenissen, nl. de schuldvernieuwing.
In casu betreft het art. 2272, lid 1 B.W.

• Rb. Hoei 4 mei 1981, J.L. 1981, 232.

De korte verjaringstermijn van art. 2272 B.W. is niet van toepassing wanneer de schuld schriftelijk is vastgesteld. Een factuur moet beschouwd worden als dergelijk geschrift.

• Vred. Ronse 14 maart 2000, D.C.C.R. 2000, 273, noot BALLON, G.. De nasleep van een verjaardagsfuif


Art. 2272, lid 3 B.W. speelt ook in de gevallen waarin er een factuur voorhanden is en vestigt een vermoeden van betaling na verloop van de verjaringstermijn van één jaar. Deze verjaring kan niet ingeroepen worden door de schuldenaar die erkent niet te hebben betaald.
 

• Vred. Brakel 14 maart 1997, R.W. 1999-00, 685

Door de invoering van de korte verjaringstermijnen, in het bijzonder die bedoeld in art. 2272 B.W., heeft de wetgever die schulden op het oog gehad die betrekking hebben op leveringen en prestaties van kleinere omvang, die gebruikelijk zonder geschrift worden aangegaan en op korte termijn nadien worden betaald, maar daaruit mag niet worden afgeleid dat art. 2272 B.W. geen toepassing mag vinden in de gevallen waarin er wel een factuur voorhanden is.
Een factuur is geen geschrift als bedoeld in art. 2274, lid 2 B.W. zodat zij de verjaring niet kan stuiten.

• Vred. Luik (3) 5 mei 1986, J.L. 1986, 486.

Het regime van de korte verjaring geldt slechts bij gebreke van een schriftelijk bewijs van de verbintenis.
De korte verjaring is niet van toepassing wanneer een handelaar een boekhouding houdt en regelmatig facturen aan zijn klanten verzendt.

• Vred. Namen 6 oktober 1983, R.R.D. 1983, 337, noot BORN, H.

De korte verjaring van art. 2272 B.W. heeft slechts betrekking op verrichtingen gesteld zonder het opmaken van enig geschrift zoals bijvoorbeeld een factuur.

• Vred. Aarlen 14 februari 1986, J.L. 1986, 195.

Men kan zich slechts beroepen op één van de korte verjaringstermijnen als er geen enkel schriftelijk bewijs van de verbintenis bestaat. Als een schuldvordering vastgelegd is in een geschrift wordt de korte verjaring van art. 2272 B.W. vervangen door de dertigjarige verjaring (volgens de nieuwe verjaringswet zou dit thans 10 jaar zijn).

• Vred. St.-Jans-Molenbeek 19 februari 1985, R.W. 1985-86, 2652.

De korte verjaring (art. 2272 B.W.) is gestoeld op het vermoeden van betaling. Vermits het in casu om een kwijtende verjaring gaat en de debiteur beweert betaald te hebben, zonder enig betalingsbewijs voor te leggen, is hij ontslagen van verdere bewijslast. Gewone aanmaningen tot betaling weerleggen het vermoeden van kwijting niet (art. 2274, lid 2 B.W.).

• Vred. Fosses-la-Ville 13 juni 1984, R.R.D. 1985, 182.

De korte verjaring van art. 2272, 3 B.W. is gebaseerd op een vermoeden van betaling. Wanneer men erkent niet te hebben betaald, dan kan men zich niet meer op deze verjaring beroepen. Zo kan men deze korte verjaring niet inroepen wanneer men weigert bepaalde prestaties, in casu het leveren van wisselstukken voor een wagen, te betalen omdat men beweert dat deze prestaties gratis dienen te gebeuren.


• Vred. Bilzen 4 december 1989, Limb. Rechtsl. 1991, 166, noot VANHELMONT, P.. De korte verjaring bij leveringen door handelaars aan niet-handelaars

Bij levering van stookolie (brandstof, mazout) door een handelaar aan een niet-handelaar, kan een opgestelde factuur-leveringsdocument niet beschouwd worden als een afgesloten rekening die de korte verjaringstermijn zou stuiten. De verjaringstermijn van één jaar is toepasselijk.


• Rb. Aarlen 22 mei 1979, J.L. 1980, 30.

De korte verjaring van art. 2272, 3 B.W. is gebaseerd op een vermoeden van betaling. Deze verjaring is van toepassing op overeenkomsten die geen sporen achterlaten, daar ze normalerwijze contant afgerekend worden. Art. 2272 B.W. kan dan ook niet ingeroepen worden wanneer een overeenkomst bij geschrift werd vastgelegd.

• Rb. Luik 12 oktober 1978, J.L. 1978-79, 174 en 220.

De op een vermoeden van betaling berustende verjaring van art. 2272, 3 B.W en art. 5 Wet 1 mei 1913 is van toepassing op de leveringen van een koopman aan een andere koopman voor de private doeleinden van deze laatste.

• Rb. Gent 4 maart 1964, R.W. 1963-64, 1715.

Wanneer het vermoeden van betaling, waarop de bij art. 2272, 1 B.W. gestelde termijn gebaseerd is, tenietgaat door een schuldbekentenis, dan vangt er een nieuwe verjaringstermijn van dertig jaar aan (ingevolge nieuwe verjaringswet: 10 jaar).

• Rb. Antwerpen 31 oktober 1961, J.T. 1962, 137.

Een verjaring gebaseerd op een vermoeden van betaling, zoals deze van art. 2272, 1 B.W., kan ontkracht worden door het opdragen van de eed voorzien bij art. 2275 B.W. De eed die aan de erfgenamen van de schuldenaar kan opgedragen worden slaat niet op de vraag of de zaak werkelijk betaald is, maar enkel op de vraag of zij al dan niet weten dat de zaak verschuldigd is.


• Kh. Gent 24 september 1952, R.W. 1954-55, 96.

De in art. 2272 B.W. bedoelde verjaring berust op een vermoeden van betaling en kan dus niet toegepast worden, wanneer door de bekentenis van de schuldenaar vaststaat, dat hij zijn schuld niet voldaan heeft.

• Vred. Turnhout 24 november 1989, T. Vred. 1990, 142.

De schuldenaar die zich bevindt in één van de in art. 2271 en 2272 B.W. bedoelde situaties, moet niet concreet bewijzen dat de schuldvordering werd betaald ; de korte verjaring geldt voor hem als kwijting. Het gaat om een vermoeden van betaling en niet om een bevrijding als dusdanig.
Slechts de bewijslast in verband met de realiteit van de betaling wordt door de werking der kwijtende verjaring omgekeerd.
 

• Vred. Fosses-la-Ville 12 november 1986, R.R.D. 1987, 271.

De éénjarige verjaring zoals bepaald in art. 2272, lid 3 B.W. is slechts van toepassing op schulden aangaande leveringen die weinig belangrijk zijn, die normaal nooit in een geschrift worden vervat en waarvan het de gewoonte is ze onmiddellijk te betalen.
Als bovendien de schuldenaar erkent dat hij niet heeft betaald, kan in geen geval de verjaring worden ingeroepen.

• Vred. Brugge 4 september 1981, Rechtspr. B.F.E. 1982, 10.

De korte verjaring van art. 2272 par. 3 B.W. steunt op een vermoeden van betaling. Welnu de verweerder (verbruiker) beweert niet dat hij betaald heeft, doch betwist integendeel de omvang van zijn schuld, derhalve kan de korte verjaring niet ingeroepen worden.


Schuldvorderingen van Kooplieden:

• Vred. Ukkel 11 december 1937, T. Vred. 1938, 145.

Wil men de verjaring voorzien door art. 2272, 3 B.W. kunnen toepassen, dan moet men eerst onderzoeken wat de wet bedoelt met het begrip 'kooplieden'. Dit begrip, dat men moet onderscheiden van het begrip 'handelaar', slaat enkel op diegenen die waren in het klein verkopen.

 

• Bergen 9 oktober 2000, R.R.D. 2001, 146; , T.B.B.R. 2001, 311.

Art. 2272, lid 2 B.W. beoogt uitdrukkelijk de schuldvorderingen van de 'kooplieden' op de 'personen die geen koopman zijn', waarbij enkel laatstgenoemden zich ten opzichte van de eerstgenoemden kunnen beroepen op het genot van de verjaring na één jaar.
Bijgevolg dient het begrip 'persoon die geen koopman is' te worden verduidelijkt. Het beslissende criterium in dat opzicht ligt in de bestemming van de koopwaar voor een niet-beroepsmatig gebruik door de koper of deze nu koopman is of niet. Met andere woorden stemt de 'persoon die geen koopman is', bedoeld in art. 2272, lid 2, overeen met het huidige begrip van 'consument'. In het onderhavige geval kan de geïntimeerde die het beroep van landbouwer uitoefent en die niet de hoedanigheid van koopman heeft, niet erkend worden als niet-koopman met diens bijbehorende bescherming door eenjarige verjaring na één jaar aangezien de koopwaar waarover geschil bestaat, noodzakelijk en exclusief bestemd was voor de behoeften van zijn bedrijf.

• Gent (7e k.) 29 september 1999, P.&B. 2001, 26.

De korte verjaringstermijn van één jaar voor kooplieden wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, kan niet ingeroepen wanneer de verbintenis in een geschrift is vastgelegd. Zij wordt dan gestuit of houdt op te lopen.
De schulderkenning die bestaat in de omstandigheid dat de schuldenaar de facturen ontving, een creditnota vroeg en tenslotte vrede nam met het aldus bekomen saldo, doet voldoende blijken van een verbintenis die in een geschrift werd vastgesteld waardoor de verjaring overeenkomstig art. 2274 B.W. ophoudt te lopen.

• Luik 2 februari 1999, T.B.B.R. 2000, 310.

Maakt geen 'persoon die geen koopman is' uit in de zin van art. 2272, lid 2 B.W. degene die goederen aankoopt niet voor zijn persoonlijk verbruik, maar voor de behoeftes van zijn professionele activiteit. Als een landbouwer voor zijn landbouwexploitatie met een zekere regelmaat een hoeveelheid voeder voor zijn dieren bij een gespecialiseerde leverancier aankoopt, sluit dat te zijnen voordele de toepassing uit van de eenjarige verjaring uit het genoemde art. 2272, lid 2 B.W.

• Rb. Verviers 28 oktober 1996, T.B.B.R. 1999, 67.

De bevrijdende verjaring van art. 2272 B.W. voor de rechtsvordering van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, is een kwijtende verjaring. Deze verjaring blijft van toepassing zelfs wanneer fakturen werden uitgeschreven.

• Cass. AR 5965, 26 september 1988, R.W. 1988-89, 610.

Ontvangstbewijzen die alleen maar de levering van koopwaren vaststellen, zijn geen schuldbekentenis die de eenjarige verjaring van de rechtsvordring van de koopman doet ophouden te lopen (art. 2272 en 2274, lid 2 B.W.).

• Cass. AR 7667, 12 februari 1987 , R.W. 1987-88, 191

De rechtsvordering tot betaling van consumpties, ingesteld door een vereniging zonder winstoogmerk die als werkelijk doel de bevordering van een sport heeft en waarvoor de leveringen aan haar leden van ondergeschikt belang zijn, verjaart niet door het verstrijken van de korte termijnen die krachtens de art. 2271 en 2272 B.W. voor de hotelhouders, tafelhouders en kooplieden gelden.

• Antwerpen 4 januari 1994, R.W. 1995-96, 325.

Als 'koopman' in de zin van art. 2272, lid 3 B.W. en van art. 5 Wet 1 mei 1913 betreffende het krediet der kleinhandelaars en ambachtslieden en op de intresten wegens vertraagde betaling dient te worden beschouwd degene die voedingsmiddelen of andere produkten verkoopt die courant worden gebruikt.
Een handelaar die boeken verkoopt aan niet-handelaars valt onder de toepassing van art. 2272, lid 3 B.W. en van art. 2 en 5 Wet 1 mei 1913.
Art. 2274, lid 2 B.W. waarin wordt bepaald dat de in art. 2272 B.W. bedoelde verjaring slechts ophoudt te lopen indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of een authentieke schuldbekentenis bestaat, is niet van toepassing wanneer het enige geschrift waarover de schuldeiser beschikt, het contractuele instrumentum zelf is.

• Bergen 30 december 1975, Pas. 1976, II, 178.

De vordering van een handelaar in veevoeders, in betaling van de prijs, tegen een landbouwer, verjaart door één jaar (art. 2272, al. 3 B.W.). Deze korte verjaringstermijn is gesteund op een vermoeden van betaling, dat evenwel weerlegbaar is. De weerlegging kan gebeuren door de expliciete of impliciete erkenning van de schuld door de schuldenaar, of door de vaststelling van de schuldvordering door een geschrift. De handtekening van de schuldenaar bij de levering voldoet niet aan de voorwaarden van art. 2274, lid 2 om de loop van de verjaring te doen ophouden.

• Brussel 12 december 1959, J.T. 1960, 581 en , Pas. 1961, II, 77.

De vordering van een handelaar wegens de verkoop van levensmiddelen aan een gemeente verjaart volgens de op een vermoeden van betaling berustende verjaring van art. 2272, 3 B.W. In hoofde van de gemeente is deze schuld immers een burgerrechtelijke schuld daar ze de levensmiddelen kocht voor haar inwoners en deze van naburige gemeenten, en ze bovendien afstond zonder enig winstoogmerk.

• Rb. Kortrijk 25 juni 1881, Pas. 1882, III, 250.

De eenjarige verjaring van art. 2272, 3 B.W. is niet toepasselijk op de vordering van een handelaar tegen een andere handelaar voor de levering van zaken die tot de handel van deze laatste behoren.
 

• Kh. Gent 24 april 1985, Intern. Vervoerr. 1986, afl. 1, 55.

De éénjarige verjaring van art. 2272 B.W. kan niet ingeroepen worden door een schipper, aangezien deze een handelaar is.
 

• Kh. Brussel 30 november 1951, Jur. Comm. Brux. 1952, 307.

Art. 2272, 3 B.W., dat de verjaring regelt van de rechtsvordering van kooplieden wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, kan slechts uitgebreid worden tot aankopen gedaan door kooplieden die geenszins hun handel betreffen en dus in hun hoofde een zuiver burgerrechtelijke aangelegenheid zijn. Deze korte verjaring is niet van toepassing op de vordering gericht tegen een handelaar die een machine kocht, die hij gebruikt in zijn magazijnen, alhoewel hij zelf geen handel drijft in dergelijke machines.

• Vred. Brakel 14 maart 1997, R.W. 1999-00, 685 en http://www.rwe.be (12 juli 2006).

De in art. 2272, lid 2 B.W. bedoelde verjaring loopt ook tegen de vereffenaar van de verkoper-handelaar, aangezien de vereffenaar niet meer rechten kan laten gelden dan de verkoper.

• Vred. Nijvel 6 december 1978, T. Vred. 1981, 8.

Zijn art 2272, 3 B.W. en de Wet 1 mei 1913 van toepassing op de rechtsvorderingen van een gereputeerd kleermakershuis voor het leveren en herstellen van hemden? De oplossing van deze vraag ligt niet in de begripsbepaling van het woord 'vakman', noch in het begrip 'verkoop'. Beide zijn immers onzeker. Het criterium bestaat erin na te gaan of de handelaar of de vakman die de schuldvordering van zijn handel opeist, de gewoonte heeft contant te verkopen zonder formaliteiten. Is dit het geval, dan dient de korte verjaring te worden toegepast. Indien de handelaar of vakman echter een boekhouding houdt en regelmatig facturen verstuurt, dan is deze verjaring niet van toepassing.


Aannemers - garagisten - industriëlen, producenten, ambachtslieden ...

• Rb. Dendermonde (7e k.) nr. 00/2448/A, 9 oktober 2003, T.B.B.R. 2006, afl. 4, 232.

De korte verjaring van het artikel 2272 B.W. is niet van toepassing wanneer de schuldeiser geen verkoper, maar een ondernemer is, in casu een garagehouder die aan een voertuig
heeft gewerkt.

• Antwerpen 6 november 1985, R.W. 1986-87 (verkort), 2659, noot.

Een garagehouder die herstellingen doet en bij deze gelegenheid ook leveringen doet van reserve-onderdelen, onderhoudsprodukten e.d., is geen koopman in de zin van art. 2272, 3 B.W. Wel is er sprake van een aannemingsovereenkomst.

• Vred. Verviers 18 juni 1976, J.L. 1976-77, 39.

Een hersteller van wagens die daarbij tevens materialen verschaft is geen koopman in de zin van art. 2272, 3 B.W. Evenmin kan hij beschouwd worden als een ambachtsman: dit laatste impliceert immers persoonlijke arbeid en enkele beginselen van kunst.

• Vred. Nijvel 26 februari 1975, T. Vred. 1977, 17.

De korte verjaring van art. 2272, 3 B.W. is niet van toepassing op het aannemingscontract dat de herstelling van een wagen tot voorwerp heeft, dit zelfs met levering van stukken die daartoe nodig zijn. Dergelijk contract is immers in hoofde van de garagehouder een verbintenis om iets te doen waarbij menselijke bedrijvigheid een overheersend element vormt.



• Brussel 10 oktober 1969, J.T. 1970, 497, noot LINSMEAU, J.

Een hersteller van wagens is geen koopman in de zin van art. 2272, 3 B.W. of art. 2 en 5 Wet 1 mei 1913. Enkel de wet, en niet de hedendaagse gebruiken kunnen het toepassingsgebied van een verjaring verruimen.

• Rb. Antwerpen 17 december 1971, T. Vred. 1972, 269.

Indien men te maken heeft met een kleine garage waar een ambachtsman alleen, of met een helper de cliënten bedient, dan is dit een ambachtsman zoals voorzien door art. 2272 B.W. en is derhalve de korte verjaring van toepassing.
Zie ook Vred. Antwerpen 8 juli 1970, «T. Vred.» 1972, 266.

• Vred. Sint-Joost-Ten-Node 14 februari 1962, J.T. 1962, 732.

De evolutie van de autoindustrie maakt dat de rechtsvorderingen van wagenherstellers en garagisten, voor wat de toepassing van de verjaring betreft, moeten gelijkgesteld worden met de vorderingen van kooplieden in art. 2272, 3 B.W. De 'kooplieden' van art. 2272, 3 B.W. zijn immers personen die goederen voor dagelijks gebruik leveren.

 

• Vred. Grâce-Hollogne 25 juni 1974, J.L. 1974-75, 55, noot M.H.

De schuldvordering van een garagist voor het herstellen van een wagen en het daarbij leveren van het gebruikelijk toebehoren, valt onder het toepassingsgebied van de Wet 1 mei 1913. Dit blijft zo indien de cliënt ook een handelaar is, maar de uitgevoerde werken geen uitstaans hebben met de handel van deze laatste. Het opmaken van een factuur zal geen omzetting van de eenjarige verjaring naar de dertigjarige met zich meebrengen; dit is wel het geval wanneer de debiteur in een geschrift de schuld erkent.

• Vred. Bergen 27 november 1969, T. Vred. 1971, 217.

De verjaring van één jaar voorzien door art. 2272, 3 B.W., gewijzigd en aangevuld bij art. 5 Wet 1 mei 1913 is gebaseerd op een vermoeden van betaling en is feitelijk evenveel waard als een kwijting. Zij is tegenstelbaar tegen ondernemers, nl. tegen garagehouders, zowel als tegen handelaars en ambachtslieden wanneer de schuld betrekking heeft op leveringen of prestaties van geringe omvang en deze prestaties of leveringen normaal zonder geschrift gesloten worden en men de gewoonte heeft deze spoedig te betalen.
 

• Vred. Andenne 15 december 1967, J.L. 1967-68, 215.

De korte verjaring van art. 2272, 3 B.W. en de Wet 1 mei 1913 is niet van toepassing op aannemers. Diegene die er zich toe beperkt om aan zijn cliënten materiaal te leveren en arbeidskrachten ter beschikking te stellen is geen aannemer.

• Vred. Luik 23 maart 1967, J.L. 1967-68, 39.

Een garagist-hersteller kan niet worden beschouwd als een aannemer. De eenjarige verjaring van de Wet 1 mei 1913 is dan ook op hem van toepassing. Heden ten dage immers zijn de schuldvorderingen wegens het herstellen van wagens niet onderworpen aan een krediet op lange termijn. Dit zou echter wel het geval zijn mocht men dergelijke vorderingen onderwerpen aan de dertigjarige verjaring.

• Vred. Lennik 10 februari 1975, B.R.H. 1975, 236.

De korte verjaring ingesteld door art. 5 Wet 1 mei 1913 berust op een vermoeden van betaling. Deze verjaring is niet van toepassing op herstellers, zelfs wanneer deze naast de herstelling ook stukken leveren.

• Rb. Brussel 9 maart 1965, R.W. 1965-66, 353, noot C.C.

Samenvatting Een timmerman-schrijnwerker die zelf in zijn onderneming werkt samen met één of enkele werklieden, is een ambachtsman in de zin van de Wet 1 mei 1913. Art. 5 van deze wet, dat de verjaring bepaalt, verwijst naar art. 2 van dezelfde wet, waar de schuldvorderingen worden vermeld waarop deze verjaring van toepassing is, met name: de schuldvorderingen van koop- en ambachtslieden voor koopwaren verkocht of werken geleverd aan particulieren die geen koopman zijn. Het is dan ook duidelijk dat het toepassingsgebied van deze verjaring ruimer is dan de 'terugbetaling van intresten'.
 

• Rb. Gent 29 januari 1953, R.W. 1953-54, 1584.

De verjaring ingesteld door de Wet 1 mei 1913 slaat alleen op vorderingen van kleinhandelaars en ambachtslieden, doch niet op vorderingen van aannemers.

• Rb. Bergen 12 oktober 1951, J.T. 1951, 10.

De Wet 1 mei 1913 is van strikte interpretatie. Een aannemer is noch een koopman, noch een ambachtsman en valt dan ook niet onder het toepassingsgebied van deze wet.

• Vred. Brugge 8 april 1983, T. Vred. 1984, 183.

Een garagist die voertuigen tegen betaling herstelt is een aannemer van werken en geen ambachtsman in de zin van de Wet 1 mei 1913. Kenmerkend voor een ambachtsman is dat hij, dank zij zijn eigen technische kennis, het hem opgelegde werk persoonlijk uitvoert, steeds volgens de onderrichtingen van de besteller. Een aannemer van werken daarentegen voert het hem opgelegde werk uit op de wijze die hij juist acht, zij het met behulp van werklui, en zonder ondergeschiktheid ten opzichte van de besteller. Bovendien kan enkel een natuurlijke persoon aangezien worden als ambachtsman, zodat een handelsvennootschap in haar handelsactiviteiten niet als ambachtsman optreedt.
 

• Luik 17 december 1968, Pas. 1969, II, 63.

De eenjarige verjaring van art. 2272, 3 B.W. voor de rechtsvorderingen van kooplieden wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, is van toepassing op handelaars die in een klein- of groothandel levensmiddelen of gebruikelijke consumptiegoederen verkopen. Deze verjaring is dus niet van toepassing op de verkoop van wagens.

• Rb. Leuven 24 september 2003, RABG 2005, afl. 1, 50, noot WERMOES, L.. V, De éénjarige verjaringstermijn van artikel 2272 lid 2 B.W.: heeft de garagehouder geluk?

Een garagehouder die herstellingen doet en bijkomende reserveonderdelen en onderhoudsproducten levert, is geen koopman, noch een ambachtsman zodat de eenjarige verjaringstermijn niet van toepassing is.



• Gent 8 mei 1990, T.G.R. 1990, 114.

De korte verjaring vervat in art. 2272 B.W. is niet van toepassing als degene die betaling vordert geen handelaar-verkoper van koopwaar is, doch een aannemer.

• Luik 13 oktober 1976, J.T. 1977, 8 en , J.L. 1976-77, 89.

Met 'koopman' in art. 2272, 3 B.W. wordt een persoon bedoeld die als beroep waren koopt om deze opnieuw te verkopen, in het bijzonder voorwerpen van dagelijks gebruik. Deze definitie sluit zowel aannemers als industriëlen uit. Deze laatsten verkopen immers de voorwerpen die ze zelf gefabriceerd hebben. De eventueel lage waarde van de goederen is hierbij irrelevant.

• Rb. Verviers 18 december 1996, T.B.B.R. 1997 (verkort), 231.

Een persoon die, naast zijn verkoopsactiviteiten, gewoonlijk apparaten voor centrale verwarming installeert, heeft de hoedanigheid van aannemer en heeft een aannemingscontract gesloten voor de werken en leveringen die het voorwerp van de betwiste factuur uitmaken.
De verjaring van één jaar, als bedoeld in art. 2272 B.W., is niet van toepassing op de aannemers, zelfs niet wanneer zij bijkomstig leveringen doen.

• Rb. Nijvel 29 november 1988, T.B.B.R. 1989 (verkort), 495.

De korte verjaringstermijn van art. 2272, lid 3 B.W. is niet toepasselijk op de vordering van een aannemer tegenover een niet-handelaar.
Deze regel geldt enkel voor handelaars, nl. voor personen die er hun gewoon beroep van maken om goederen in te kopen met het doel ze te verkopen.

Enkel voor voedingsmiddelen of courante goederen

• Hof van Beroep te Antwerpen, 8ebis Kamer – 18 januari 2006, RW 2007-2008, 1255
...

De feiten die aan de grondslag liggen van huidige vordering, kunnen als volgt worden samengevat.

Appellant heeft op 31 december 1998 een voertuig gekocht voor de totale prijs van 941,89 euro. Het betrof een tweedehandsvoertuig, dat werd verkocht door de NV M., thans failliet verklaard, en waarvoor op 31 december 1998 een factuur werd uitgeschreven.

Appellant kan geen bewijs van betaling en/of kwijting van deze factuur voorleggen.

Op 21 november 2003 wordt appellant gedagvaard door de curator van het faillissement van de NV M. in betaling van de factuur.

Appellant voert aan dat de vordering van geïntimeerde q.q. onderworpen is aan de eenjarige verjaringstermijn en dat de vordering verjaard is.

Beoordeling

Appellant beroept zich thans in hoger beroep opnieuw op de eenjarige verjaringstermijn bedoeld in art. 2272 B.W., dat bepaalt: «De rechtsvordering van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, verjaart door verloop van één jaar».

Art. 2272 B.W., dat afwijkt van de regel van de tienjarige verjaring, moet op beperkende wijze worden uitgelegd.

Als «koopman» in de zin van art. 2272, tweede lid, B.W. dient te worden beschouwd diegene die voedingsmiddelen of andere producten verkoopt die courant worden gebruikt.

De verkoop van een wagen kan zeker niet worden beschouwd als de verkoop van een product dat courant wordt gebruikt. Bovendien kadert de verkoop van een voertuig niet binnen het maatschappelijk doel van de NV M., zijnde de uitbating van een werkplaats voor het vervaardigen van allerhande maatwerk voor heren en jongens, dames en meisjes, kleinhandel in textiel.

De vordering van geïntimeerde q.q. werd door de eerste rechter terecht ontvankelijk en gegrond verklaard.

• Burgerlijke Rechtbank te Kortrijk, 4e Kamer – 23 november 2006, RW 2007-2008, 1509

Bij dagvaarding betekend op 17 januari 2006 vordert eiseres de solidaire veroordeling van verweerders tot betaling van 4.538,33 euro, vermeerderd met de interesten en kosten.
...

Eiseres is een vennootschap die onder meer zorgt voor levering en plaatsing van centrale verwarming, sanitaire toestellen, dakwerken, enz.

In 2001 was eerste verweerder werkzaam bij eiseres. Hij wenste een aantal verbouwingswerken uit te voeren aan zijn woning gelegen te (...). Hij vroeg of hij geen materialen kon kopen bij eiseres. Eiseres stemde daarin toe en leverde de gevraagde materialen aan de inkoopprijs.

Er was overeengekomen dat verweerders zouden betalen naar gelang van hun financiële mogelijkheden.

In de loop der jaren betaalde verweerder een bedrag terug van 33.000 Belgische frank via een aantal overuren. Eiseres bracht dit bedrag op haar interne afrekening in mindering.

In het jaar 2004 verliet verweerder het bedrijf van eiseres om op zelfstandige basis te gaan werken.

Op 19 mei 2004 betaalden verweerders nog een bedrag van 500,00 euro in contanten.

Eiseres bleef aandringen op afbetaling, maar verweerders gaven daar geen gevolg aan, zodat eiseres uiteindelijk verplicht was tot facturatie over te gaan.

Toen er geen betaling volgde, werd er door haar raadsman op 19 september 2005 een aangetekende aanmaning verstuurd, waarop pas na een maand werd gereageerd.

Eiseres vernam intussen dat verweerders hun woning verkocht zouden hebben. Een bedrag van 5.000,00 euro werd geconsigneerd tot zekerheid van de betaling van de schuld aan eiseres.

Verweerders voeren aan dat de vordering verjaard is.

...

Art. 2272, tweede lid, B.W. betreft levering voor kleine sommen, levering van klein huishoudgerei «bij de winkelier om de hoek».

De koopwaren die hier het voorwerp uitmaken van de betwisting vallen niet onder voormelde leveringen.

Van de andere kant is er de erkenning van levering en uitvoering van de overeenkomst door betaling, het laatst op 19 mei 2004.

Een laattijdige factuur is in die omstandigheden een geldige factuur met bewijskracht.

De vordering is niet verjaard.

...

Zie ook Hof Antwerpen 18 januari 2006, R.W. 2007-08, 1255.


Gerechtsdeurwaarders:

• Cass. (1e k.) AR C.02.0029.N, 25 maart 2004 (V.G. / D.A. e.a.), Arr. Cass. 2004, afl. 3, 529;  Juristenkrant 2004 (weergave BREWAEYS, E.), afl. 89, 16;  Pas. 2004, afl. 3, 507; , R.W. 2004-05, afl. 22, 856 en  noot CLAEYS, I, Gerechtsdeurwaarders en advocaten in de clinch: perikelen over het toepassingsgebied van art. 2272 B.W ;  T.B.B.R. 2004, afl. 8, 429, noot MOSSELMANS, S,  Het toepassingsgebied van artikel 2272, eerste lid B.W

Krachtens art. 2272, lid 1 B.W. verjaart de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen en voor de opdrachten die zij uitvoeren door verloop van een jaar. Deze verjaringstermijn is niet toepasselijk wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënten verzoekt ambtstaken te verrichten. Die advocaat kan zich niet beroepen op het vermoeden van betaling.

Artikel 2272, lid 1 B.W. betreft enkel de rechtsvordering van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt. In geval een advocaat optreedt, ontstaat een rechtstreekse contractuele band tussen de cliënt en de gerechtsdeurwaarder zodat deze laatste de mogelijkheid heeft om een rechtstreekse contractuele vordering in te stellen tegen de cliënt. De gerechtsdeurwaarder heeft (even)wel een vordering tegen de advocaat, zij het op grond van de gewoonte en van de deontologische norm van de advocaten, waardoor dezen zijn gehouden om de openstaande staten van gerechtsdeurwaarders te voldoen.

hotelhouders, tafelhouders, Horeca, rustoorden

• Rb. Brussel 23 december 1994, T.B.B.R. 1996 (verkort), 152.

De exploitant van een rusthuis kan niet worden gelijkgesteld met een hotelhouder of een tafelhouder in de zin van art. 2271 B.W. Immers, een hotelhouder is iemand die reizigers of doorreizende personen al dan niet met maaltijden een onderdak verschaft.
Bovendien hebben de korte verjaringstermijnen van de art. 2271 tot 2273 B.W. betrekking op rechtsvorderingen waarvan het niet gebruikelijk is die bij geschrift vast te stellen, noch wat betreft hun ontstaan, noch wat betreft hun uitdoving. Dit is niet het geval voor de pensionkosten verschuldigd door pensiongasten die ergens langdurig verblijven, die in de meeste gevallen, zoals in casu, door een maandelijkse factuur worden bevestigd. De verjaringstermijn van art. 2271 B.W. geldt dus niet voor achterstallige pensionkosten die aan een rusthuis zijn verschuldigd.

 

Nutsbedrijven en overheden:

• Vred. St.-Truiden 17 maart 1981, Rechtspr. B.F.E. 1982, 4.

Art. 2272, par. 3 B.W. is niet van toepassing daar de aanlegster geen handelaarster is maar een Intercommunale Maatschappij waarop de Wet 1 maart 1922 op de vereniging van gemeenten tot openbaar nut van toepassing is.

 

• Rb. Turnhout 13 juni 1994, Iuvis 1995, 401.

Vergoedingen voor gas- en electriciteitsverbruik vallen niet onder de korte verjaringstermijn van art. 2271 en 2272 B.W. die gebaseerd zijn op een vermoeden van betaling.

 

• Antwerpen 3 november 1997, Iuvis 1999, 969.

De verjaringstermijn voorzien in art. 2272 B.W. kan niet tegen een intercommunale worden ingeroepen gezien zij geen koopman is. Overeenkomstig art. 1315, lid 2 B.W. rust de bewijslast van een beweerde betaling op de debiteur en dit onafgezien van het feit of de debiteur al dan niet boekhoudplichtig is. Het betalen van de jaarlijkse factuur kan evenwel niet worden aangemerkt als betalingsbewijs van de tussentijdse factuur. Wanneer de verbruiker bijgevolg niet effectief kan bewijzen dat de opgevorderde tussentijdse factuur betaald werd, blijft hij deze laatste verschuldigd.

• Bergen 8 februari 1993, Iuvis 1994, 183.

De verjaring voorzien in het art. 2272 B.W. is niet van toepassing indien de gevorderde bedragen betrekking hebben op achtereenvolgende leveringen van elektrische energie die geen periodieke prestaties zijn van eenzelfde aard zoals bedoeld in dit artikel.
De verdeler heeft het recht betaling te eisen van de verbruiker voor wat verbruikt werd, aangezien het art. 1368 Ger. W. toelaat de materiële fouten te verbeteren.

• Bergen 16 juni 1987, Iuvis 1994, 175.

Een foutieve meteropname (verkeerde lezing van de index) die resulteerde in de facturering van één tiende van het verbruik ontheft de verbruiker niet van zijn verplichting tot betaling van de reëel verbruikte energie.
Het feit dat de huurders weigeren bij te dragen in de betaling van de bedragen gefactureerd aan de eigenaar is niet relevant, aangezien de leveringsvoorwaarden tegenstelbaar zijn aan deze laatste.
Door te weigeren het prijssupplement te betalen zonder hete bestaan ervan te betwisten, erkent de verbruiker impliciet het bestaan van de schuld.
Wanneer de schuldenaar verklaart de betaling voor de leveringen die hij genoten heeft te weigeren, maar zonder het bestaan ervan te betwisten, dan is de verjaring voorzien in het art. 2272 B.W. niet van toepassing. Deze verjaring is inderdaad uitsluitend gesteund op het vermoeden van betaling.
De theorie van de dwaling betreft slechts het tot standkomen van het contract en niet de uitvoering ervan. De vergissing in de uitvoering kan de schuldenaar niet bevrijden van zijn verplichtingen. In casu dient het art. 1368 Ger. W. toepassing te krijgen. De tegeneis in schadevergoeding wordt verworpen, aangezien de verbruiker in gebreke blijft de schade waarvan hij de herstelling vraagt te bewijzen.

• Brussel 3 april 1998, Iuvis 1999, 971, noot.

De éénjarige verjaring (art. 2277 B.W.) kan niet tegengesteld worden t.o.v. een intercommunale gezien deze laatste geen handelaar is.

De vijfjarige verjaring (art. 2277 B.W.) is niet toepasselijk op de energieprijzen die het voorwerp uitmaken van opeenvolgende leveringen, periodiek betaalbaar (tussentijdse facturen gevolgd door een jaarlijkse afrekening).

• Gent 5 maart 1993, Iuvis 1994, 186.

Niettegenstaande haar juridische vorm van handelsvennootschap behoudt een intercommunale haar burgerlijk karakter. Zij is bijgevolg geen koopman of ambachtsman onderworpen aan art. 2272, lid 3 B.W. of art. 5 Wet 1 mei 1913.

Art. 2277 B.W. is niet toepasselijk op de energieprijzen die het onderwerp uitmaken van opeenvolgende leveringen, periodiek betaalbaar (tussentijdse facturen gevolgd door een eindafrekening).

De afwezigheid van facturatie en meteropname moet de abonnee aanzetten om de verdeler hiervan op de hoogte te stellen. De abonnee die in zulke omstandigheden jaren passief blijft is niet te goeder trouw. In een dergelijk geval kan geen onverschoonbare dwaling in hoofde van de verdeler verweten worden.

 

• Grondwettelijk Hof 20 juni 2007, R.W. 2007-2008, 1113


Samenvatting: 1. en 2. Art. 2272 B.W. voert een korte verjaringstermijn van één jaar in voor sommige rechtsvorderingen, waaronder die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn. Deze bepaling schendt art. 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat ze niet van toepassing is op de rechtsvorderingen van een autonoom overheidsbedrijf voor de levering van «koopwaren» in de zin van die bepaling. Diezelfde bepaling schendt art. 10 en 11 van de Grondwet evenwel niet in de interpretatie dat ze van toepassing is op de rechtsvorderingen van een autonoom overheidsbedrijf voor de levering van «koopwaren» in de zin van de voormelde bepaling. Ze schendt evenmin art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij uitsluitend van toepassing is op rechtsvorderingen voor de levering van «koopwaren» en niet op rechtsvorderingen voor de levering van diensten.

Tekst Arrest nr. 88/2007

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij vonnis van 5 juli 2006 heeft de Vrederechter van het vierde kanton Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. «Is het onderscheid op het gebied van de eenjarige verjaring als bedoeld door art. 2272, tweede lid, B.W. tussen kooplieden wegens de levering van koopwaren en een autonoom overheidsbedrijf zoals Belgacom dat nochtans volgens de wetgeving geacht wordt daden van koophandel te stellen discriminerend?»;

2. «Is het onderscheid tussen materiële goederen en diensten ten aanzien van het begrip koopwaar als bedoeld in art. 2272, tweede lid, B.W. discriminerend?».

...

In rechte

...

B.1. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of art. 2272, tweede lid, B.W. verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet vanuit een tweevoudig oogpunt.

Het Hof dient allereerst het verschil in behandeling te onderzoeken dat voor rechtsvorderingen wegens de levering van koopwaren aan personen die geen koopman zijn, door die bepaling zou worden ingesteld tussen schuldeisers – en daardoor ook tussen schuldenaars –, naargelang het kooplieden betreft dan wel autonome overheidsbedrijven zoals de NV «Belgacom», die daden van koophandel stellen. Voorts legt de verwijzende rechter aan het Hof het verschil in behandeling voor dat door dezelfde bepaling tussen schuldeisers zou worden ingesteld, naargelang hun rechtsvordering betrekking heeft op de levering van materiële goederen dan wel van diensten.

...
Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.4. Het komt in beginsel de verwijzende rechter toe te bepalen wat wordt verstaan onder «kooplieden» in de zin van art. 2272, tweede lid, B.W., en derhalve te beslissen of een autonoom overheidsbedrijf, zoals de NV «Belgacom», voor de toepassing van die bepaling kan worden beschouwd als «koopman», rekening houdend met de aard en het onderwerp van de rechtsvordering waarover hij dient te oordelen.

Het Hof beantwoordt de eerste prejudiciële vraag in de interpretatie van de verwijzende rechter dat een autonoom overheidsbedrijf, zoals de NV «Belgacom», niet zou kunnen worden beschouwd als koopman in de zin van art. 2272, tweede lid, B.W. en zijn rechtsvorderingen voor de levering van koopwaren onderworpen zouden zijn aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn.

B.5. Het aldus door de verwijzende rechter vermelde verschil in behandeling tussen schuldeisers met betrekking tot hun rechtsvorderingen wegens de levering van koopwaren, berust op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, naargelang die een privaatrechtelijk persoon is dan wel een autonoom overheidsbedrijf.

B.6. Het onderscheid tussen privaatrechtelijke personen en autonome overheidsbedrijven is evenwel niet pertinent in het licht van de doelstelling vermeld in B.3.

De enkele omstandigheid dat het gaat om een autonoom overheidsbedrijf, volstaat niet om de onderneming als zodanig uit te sluiten van de toepassing van de korte verjaringstermijn. Op grond van art. 8 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden de handelingen van een autonoom overheidsbedrijf als daden van koophandel aangemerkt. Dat een dergelijk bedrijf ook publieke taken uitvoert, doet geen afbreuk aan het feit dat het vermoeden van betaling evenzeer kan worden aanvaard voor zijn rechtsvorderingen die betrekking hebben op de door dat bedrijf gestelde handelingen die de levering van «koopwaren» betreffen.

B.7. Aldus geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de rechtsvorderingen van een autonoom overheidsbedrijf voor de levering van «koopwaren» aan personen die geen koopman zijn, voert art. 2272, tweede lid, B.W. een verschil in behandeling in dat niet redelijk is verantwoord.

In deze interpretatie van de in het geding zijnde bepaling dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.8. Het Hof stelt evenwel vast dat art. 2272, tweede lid, B.W. anders kan worden geïnterpreteerd. Rekening houdend met het feit dat, krachtens art. 8 van de voormelde wet van 21 maart 1991, de handelingen van een autonoom overheidsbedrijf als daden van koophandel worden bestempeld, kan de in het geding zijnde bepaling immers in die zin worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de rechtsvorderingen van een autonoom overheidsbedrijf voor de levering van «koopwaren» aan personen die geen koopman zijn, zodat zij geen verschil in behandeling teweegbrengt.

In deze interpretatie van de in het geding zijnde bepaling dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.9. Het in de tweede prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling tussen schuldeisers berust op het onderwerp van hun rechtsvordering, namelijk de levering van materiële goederen dan wel van diensten. Het gaat om een objectief criterium van onderscheid.

De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat het vermoeden van betaling niet geldt voor de levering van diensten, omdat in de regel van de overeenkomst voor dergelijke leveringen een geschrift wordt opgesteld. Door de op die leveringen gestoelde rechtsvorderingen te onderwerpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, heeft de wetgever, onverminderd de eventuele toepassing van de wet van 1 mei 1913 «op het krediet der kleinhandelaars en ambachtslieden en op de interesten wegens vertraagde betaling», een maatregel genomen die niet onredelijk is in het licht van de in B.3 vermelde doelstelling van art. 2272, tweede lid, B.W.

B.10. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
 

Aanneming overheidsopdrachten

• Rb. Bergen (1e k.) 15 februari 2000, Cah. dr. immo 2001, afl. 4, 22.

Een aannemer die herstellingen heeft uitgevoerd aan een brug over een waterloop, richt zijn enige aangifte van schuldvordering aan een provincie, overeenkomstig de richtlijnen die deze instantie had verstrekt bij de uitvoering van de opdracht. Meer dan twee jaar na deze verzending deelt de provincie de aannemer mee dat de aangifte van schuldvordering moet worden gericht aan een gemeente, de bouwheer.
Na de betaling eerst door de gemeente van een som die overeenstemt met de hoofdsom, rekent de aannemer deze betaling aan op de interesten, vervolgens op het kapitaal en eist tenslotte het saldo. De aannemer beroept zich op de contractuele aansprakelijkheid van de gemeente en op de aquiliaanse aansprakelijkheid van de provincie.
De Rechtbank beslist dat deze dubbele vordering verjaard is omdat hij meer dan een jaar na de betaling van het saldo van de opdracht werd ingesteld (art. 15, par. 4 M.B. 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten).

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: vr, 28/03/2014 - 23:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.