-A +A

kortgeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het kortgeding is een versnelde procedure aanwendbaar om ten strikt voorlopige titel maatregel te vorderen in spoedeisende gevallen, zonder dat de gevorderde maatregel onomkeerbare gevolgen zou hebben, die geen nadeel toebrengt aan de zaak zelf en die de rechter die gebeurlijk later over de grond van de zaak zal moeten oordelen niet bindt.

In een procedure voor de rechtbank wil de eiser meestal zijn zaak bespoedigen terwijl de verweerder niet zelden de zaak tracht te vertragen. Hierna heeft ook de rechter de tijd nodig om te zoeken naar een zo correct mogelijke oplossing. Deze tweestrijd inzake de snelheid van het recht wordt geregeld door “het gerechtelijk recht” (de regels die de procedure bepalen) waarin een evenwicht wordt nagestreefd tussen de tijd die de rechtbank nodig heeft, het ongeduld van de eisende partij en de rechten van verdediging van de verweerder.
De snelheid van het recht is dus afhankelijk van het kalender en de werkdruk van de rechtbank, de initiatieven van de partijen, hun advocaten en de "procedurewetten".
Omdat er bepaalde problemen zijn die vlugger dan de normale of vertraagde "rechtsgang" dienen opgelost heeft de wet in bepaalde gevallen voorzien in versnelde procedures. Deze procedures volgen in grote lijnen de principes van het kortgeding, zonder evenwel eigenlijke kortgedingprocedures te zijn. Zij worden gevoerd "zoals in kortgeding" en betreffen ondermeer:
-  geschillen inzake lijkbezorging
-  een aantal geschillen ruimtelijke ordening en leefmilieu
-  geschillen m.b.t. de zogeheten "zwarte lijsten"
-  geschillen inzake auteursrechten
-  geschillen met de ambtenaar van burgerlijke stand die een huwelijk zou weigeren
- stakingsvorderingen conform het wetboek van economisch recht
In andere zeer dringende zaken kan de voorzitter van rechtbank van eerste aanleg op een versnelde vereenvoudigde wijze met kortere termijnen een voorlopige uitspraak (beschikking) doen. Deze voorzitter zal dan op zeer snelle wijze uitspraak moeten doen zonder dat misschien alle argumenten zeer grondig kunnen onderzocht worden. Wanneer de rechtbank hierna ten gronde (dus in de gewone procedure) opnieuw kennis neemt van de zaak kan zij daarom zonder problemen een andere beslissing nemen. De beschikking kortgeding is "uitvoerbaar bij voorraad". Dit betekent dat tegen een beschikking in kortgeding beroep kan worden aangetekend, maar dat ondertussen de beschikking in kortgeding wel kan worden uitgevoerd.
Daarom wordt in het rechtsgeleerd ingewikkeld Nederlands gezegd dat de beslissing in kortgeding geen nadeel mag doen aan de zaak zelf. Dit wil ondermeer zeggen dat het gevraagde van voorlopige aard moet zijn.

In de huidige stand van het recht betekent dit niet dat de rechter die uitspraak doet in kort geding in geen geval de grond van de zaak mag behandelen. Hij mag zijn beslissing baseren op de « ogenschijnlijke » rechten van een partij wanneer deze niet ernstig betwist zijn (Cass., 16 november 1995, Pas., 1995, I, p. 1018 ; R.W., 1995-1996, p. 1318).

Maar de kortgedingrechter kan onder geen beding maatregelen bevelen die op definitieve en onherroepelijke wijze de rechten van de partijen regelen (Cass., 9 september 1982, Arr.Cass., 1982-83, p. 51 ; R.W., 1983-1984, p. 1338).

De beschikking van de kortgedingrechter heeft aldus geen gezag van rechterlijk gewijsde tegenover de rechter ten gronde, die volstrekt vrij blijft anders te oordelen. De voorzitter kan evenwel alle voorlopige maatregelen bevelen die hij na onderzoek van de rechten van de partijen nuttig acht. Hij kan zelfs de bevolen maatregelen wijzigen in geval van veranderde omstandigheden.
wetgeving: uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 584. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.
De voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen bij voorraad uitspraak doen in gevallen die zij spoedeisend achten, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren.
De zaak wordt vóór de voorzitter aanhangig gemaakt in kort geding of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, bij verzoekschrift.
De voorzitter kan onder meer:
1° sekwesters aanstellen;
2° om het even welke vaststellingen of deskundige onderzoekingen bevelen, zelfs met raming van de schade en opsporing van de oorzaken ervan;
3° alle nodige maatregelen bevelen tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen, met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn;
4° bevelen dat een of meer getuigen worden gehoord wanneer een partij van een kennelijk belang doet blijken, zelfs met het oog op een toekomstig geschil, indien vaststaat dat het bij enige vertraging van dat verhoor te vrezen is dat het getuigenis niet meer zal kunnen worden afgenomen.
(5° bevelen, in geval van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht bepaald bij artikel 1369bis /1, begaan op commerciële schaal, en op verzoek van de houder van het recht die omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, om ten bewarende titel beslag te laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. De voorzitter, die uitspraak doet over deze vordering, gaat na :
1) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is;
2) of de inbreuk op het betrokken intellectueel recht niet redelijkerwijze betwist kan worden;
3) of, na de betrokken belangen, waaronder het algemeen belang, te hebben afgewogen, de feiten en, in voorkomend geval, de stukken waarop de eiser zich baseert van dien aard zijn dat ze het beslag - dat tot de bescherming strekt van het ingeroepen recht - redelijkerwijze verantwoorden.) <W 2007-05-10/33, art. 15, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>

 
Voorbeelden van zaken die men in kortgeding kan vragen:
-  de aanstelling van een expert (dringend zodat de schade nog goed vaststelbaar is en de te onderzoeken zaken hierna kunnen vrijgegeven worden)
-  het verhoor van een getuige die het land dreigt te verlaten
-  een verontrustingsverbod
-   de aanstelling van een sekwester (een beheerder aangeduid door de rechtbank) ter beheer van onverdeelde eigendommen of rechten waarover betwisting bestaat.
-   voorlopige maatregelen tijdens een echtscheiding inzake voorlopig bezit van goederen afzonderlijke verblijfplaats en maatregelen t.a.v. kinderen. De  rechter in kortgeding mag niet oordelen of de echtscheidingseis gegrond is. Toch mag hij  nazien of de onderliggende echtscheidingsvordering niet op het eerste zicht kennelijk ongegrond is. Zo werd de eis van een dame in kortgeding tot het ontzeggen van de echtelijke woonst aan haar echtgenoot samen met een vordering tot echtscheiding, omdat ze haar man op het toilet betrapt had terwijl hij een sigaret rookte ondanks zijn belofte nooit meer te roken, afgewezen bij gebrek aan ernst van de echtscheidingsvordering.
In de regel wordt een kortgedingprocedure gestart door een dagvaarding, waarbij dus de tegenpartij door de deurwaarder wordt opgeroepen om voor de rechter te verschijnen en waarbij zij zich kan verdedigen. Sommige zaken zijn evenwel zo dringend dat elk uitstel onherstelbare schade zou veroorzaken. Een voorbeeld: Een ouder in een echtscheiding stelde vast dat de andere ouder aanstalten maakte om met het kind naar het buitenland te vluchten. Het uitsturen van een dagvaarding zou te veel tijd gevergd hebben. Bovendien kreeg de ouder hiervan pas kennis op vrijdagavond en werd verondersteld dat het kind reeds op zondag buiten Europa zou zijn. De advocaat van deze ouder legde een eenzijdig verzoekschrift neer op vrijdagavond 22 uur aan de woonst van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Diezelfde avond nog willigde de voorzitter in kamerjas en sloffen in zijn woning de eis in, waardoor Mevrouw onmiddellijk het kind kon ophalen en aan de luchthavenpolitie deze beslissing kon kenbaar gemaakt. Elke daad strijdig hiermede kon aldus als ontvoering worden verijdeld. 
De rechter in kortgeding kan slechts kennisnemen van de zaak voor zover de zaak spoedeisend is.
Wanneer tegen de uitspraak van de kortgedingrechter hoger beroep wordt aangetekend, zal de rechter in de graad van beroep eveneens dienen vast te stellen dat de zaak op het ogenblik van de uitspraak nog steeds spoedeisend is. (Cassatie 19 januari 2006, RW 2006-2007, 1677
De oorzaak hiervan ligt in de devolutieve werking van het hoger beroep. Hierdoor diende rechter in hoger beroep, zoals de eerste rechter in kortgeding, de urgentie te beoordelen op het ogenblik van zijn uitspraak. zie Cass. 19 januari 2006, NJW 160, 318).
De beschikking van de voorzitter is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep en zonder borgtocht, tenzij de rechter heeft bevolen dat er een wordt gesteld (art. 1039, 2e lid, Ger.W).

In geval van absolute noodzaak, kan de voorzitter bevel geven tot tenuitvoerlegging van de beschikking op de minuut. In dit geval wordt de minuut zelf door de optredende gerechtsdeurwaarder betekend (art. 1041, 2e lid, Ger.W.
de beschikkingen in kort geding mag geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf.
Procedureregels Inleiding en behandeling van de vordering in kort geding.

Art. 1035. Op de dag en het uur bepaald in het reglement van de rechtbank, wordt de vordering in kort geding gebracht op de zitting, gehouden door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hem vervangt.
De termijn van dagvaarding bedraagt ten minste twee dagen. Heeft de verweerder geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.

Art. 1036. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter evenwel bij een beschikking verlof geven om ter zitting of te zijnen huize te dagvaarden op het bepaalde uur, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.

Art. 1037. In zee- en rivierzaken kan dagvaarding in kort geding van dag tot dag of van uur tot uur geschieden zonder beschikking, en bij verstek kan terstond recht worden gedaan.

Art. 1038. Wanneer de voorzitter machtiging verleent tot een maatregel van onderzoek, geschiedt dit onderzoek met inachtneming van de gewone regels, behoudens het recht van de voorzitter om in geval van noodzaak alle termijnen van rechtspleging te verkorten.

Art. 1039. De beschikkingen in kort geding brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf; zij zijn uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep en, zonder borgtocht indien de rechter niet heeft bevolen dat er een wordt gesteld.
(opgeheven) <W 15-7-1970, art. 37>
Indien de partij die verstek laat gaan verzet doet tegen de beschikking, kan haar hoger beroep tegen de beschikking bij verstek, niet worden toegelaten.
(opgeheven) <W 15-7-1970, art. 37>

Art. 1040. Artikel 1035 is van toepassing op de termijnen voor verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof.
In spoedeisende gevallen, kan de eerste voorzitter bij beschikking verlof geven om te dagvaarden op de zitting binnen een termijn die hij bepaalt.
(Op het hoger beroep wordt uitspraak gedaan overeenkomstig artikel 1066.) <W 1992-08-03/31, art. 41, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

Art. 1041. De minuten van de beschikkingen en de arresten in kort geding worden ter griffie neergelegd.
Bij uiterste noodzaak kan de rechter in kort geding of het hof bevel geven tot tenuitvoerlegging van de beschikking of van het arrest (op) de minuut. <W 15-7-1970, art 38>

Rechtspraak:
• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 12 januari 2007, RW 2008-2009, 607

Hoewel de kortgedingrechter, ingeval een partij een overeenkomst van onbepaalde duur wenst te beëindigen met inachtneming van een beperkte opzeggingstermijn, niet, door het opleggen van een bijkomende opzeggingstermijn, in de uitvoering van de overeenkomst mag ingrijpen, kan hij wel als bewarende maatregel de uitwerking van de opzegging voorlopig schorsen.



I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

II. Feiten

Uit het arrest blijkt:

1) tussen de eiseres en de verweerster bestond sedert 1 oktober 1996 een concessieovereenkomst die door de eiseres op 8 maart 2001 werd opgezegd met een opzeggingstermijn van drie jaar, die verstreek op 31 maart 2004;

2) teneinde zich te conformeren aan de Verordening (EG) 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002, betreffende de toepassing van art. 81, derde lid, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, werden in 2003 tussen de eiseres en de verweerster twee nieuwe overeenkomsten voor onbepaalde duur gesloten, betiteld als «V. Erkende werkplaats» en «V. Concessieovereenkomst»;

3) aangezien de verweerster er niet mee akkoord ging dat de voorheen gegeven opzeggingstermijn ook gold voor de nieuwe overeenkomsten, werden deze laatste door de eiseres op 3 november 2003 opgezegd met een opzeggingstermijn van een jaar, ingaande op 1 november 2003;

4) op 27 september 2004 richtte de eiseres een aangetekende brief naar de verweerster waarbij het einde van de relaties per 31 oktober 2004 werd bevestigd (onder verwijzing naar wat in de brief van 3 november 2003 was gesteld en met name ook naar de «breuk in het vertrouwen tussen partijen»).

...

IV. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Art. 1039 Ger. W., dat bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, is vreemd aan de grief dat de appelrechters uitspraak hebben gedaan over de grond van de zaak.

2. Voor het overige oordelen de appelrechters niet stellig dat de concessie voor onbepaalde tijd was verleend, maar preciseren ze ook dat «op het eerste gezicht» de opzegging van aangegane verbintenissen in de concrete omstandigheden onrechtmatig leek.

3. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Als de zaak spoedeisend is, kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt. Hij mag hierbij geen declaratoir van rechten doen, noch de rechtspositie van de partijen definitief regelen.

De rechter in kort geding die zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van de partijen na te gaan en te onderzoeken, zonder daarbij rechtsregels te betrekken die de voorlopige maatregelen die hij beveelt, niet redelijk kunnen schragen, overschrijdt de grenzen van zijn bevoegdheid niet.

5. Wanneer de partij de overeenkomst van onbepaalde duur eenzijdig wenst te beëindigen, vermag de rechter niet, door het opleggen van een bijkomende opzeggingstermijn, in de uitvoering van de overeenkomst in te grijpen. In een dergelijk geval heeft de kortgedingrechter wel de mogelijkheid om beperkte maatregelen tot bewaring van het recht te treffen, en om met name een ware schadeloosstelling mogelijk te maken, of nog om de handhaving van de contractuele rechten van de tegenpartij niet louter theoretisch te maken.

6. De appelrechters gronden hun oordeel dat de uitwerking van de opzeggingen vervat in de brieven van de eiseres voorlopig geschorst dient te worden, in hoofdorde op de urgentie gebaseerd op de feitelijke beoordeling dat het geen twijfel lijdt dat in de geschetste omstandigheden de beëindiging van de relaties de verweerster ernstige schade toebrengt, aangezien deze zich sedert oktober 2003 geheel en zonder andere bijkomende activiteit afgestemd heeft op de uitvoering van de vermelde overeenkomsten met onbepaalde tijdshorizon en aangezien zij gerichte investeringen heeft verricht, zich onderworpen heeft aan normatieve controles van V. en heeft deelgenomen aan concessieovereenkomsten.

Verder gaan zij nader in op de rechten van de partijen en oordelen zij dat op het eerste gezicht niet voor ernstige betwisting vatbaar is dat de voor onbepaalde duur aangegane verbintenissen niet rechtmatig konden worden opgezegd na minder dan twee maanden uitwerking te hebben gehad en dat ook de motivering van de opzegging aan kritiek kan blootstaan.

Eveneens stellen zij vast dat de eiseres de relaties niet heeft verbroken, maar opzegging heeft betekend naar wat volgens haar in overeenstemming is met de overeenkomsten tussen de partijen, en dat wanneer de bodemrechter vaststelt dat die opzegging niet het gewenste resultaat heeft kunnen hebben, niet kan worden uitgesloten dat hij de effecten van de opzeggingen neutraliseert, wat kan resulteren in de vaststelling dat de relaties niet werden beëindigd.

7. De appelrechters hebben bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van partijen geen rechtsregels betrokken die hun beslissing niet redelijk konden schragen.

8. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
 
Nog dit: 

zie ook in TPR 1991

1059 Het kort geding naar Belgisch recht - klik hier -
Krings E.
Franse term: 
référé
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: za, 13/01/2018 - 20:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.