-A +A

Laster en eerroof

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

SITUERING EN ONDERSCHEID

Het strafwetboek stelt in de artikelen 443 en volgende een reeks misdrijven strafbaar die een inbreuk vormen op het privé-leven, de reputatie of de eer van een persoon. Het betreft de misdrijven laster, eerroof,
belediging, lasterlijke aangifte, kwaadwillige ruchtbaarmaking.

Laster: iemand kwaadwillig iets verwijten dat de eer van die persoon aantast of hem blootstelt aan publieke verachting, zonder dat men erin slaagt het wettelijke bewijs ervan te leveren, terwijl de wet het leveren van het bewijs veronderstelt. Bijvoorbeeld: men verwijt iemand dat hij een diefstal heeft gepleegd, zonder hiervoor het bewijs te leveren.

Eerroof: iemand kwaadwillig iets verwijten dat de eer van die persoon aantast of hem blootstelt aan publieke verachting, zonder het te kunnen bewijzen.

Bijvoorbeeld: men verwijt iemand een diefstal te hebben gepleegd, maar het wettelijke bewijs daarvan is niet meer te leveren omdat de zaak verjaard is.

•• Belediging:
verspreiden van informatie over onduidelijke feiten, die de eer van een andere persoon aantast.


•• Lasterlijke aangifte: laster in de vorm van een aangifte aan de overheid 


•• Kwaadwillige ruchtbaarmaking:
 Anders dan laster en eerroof impliceert de kwaadwillige ruchtbaarheid het verspreiden van weliswaar correcte informatie waarvan de verspreiding op zichzelf storend overkomt (bv een veroordeling).

ONTLEDING LASTER

•• Laster bestaat erin aan een persoon kwaadwillig een bepaald feit ten laste te leggen dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd, terwijl de wet dat bewijs toelaat. Laster is o.m. strafbaar wanneer deze gepleegd wordt in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken (art. 443 en 444 Sw.). (Cass. (2e k.) AR P.01.0175.F, 2 mei 2001 (P. / C.) http://www.cass.be (18 oktober 2001);

•• Corr. Gent 15 januari 1998, T.G.R. 1998, 155.

Waar inzake laster en eerroof het bewijs van het aangegeven feit in casu wettelijk mogelijk is, is de vaststelling van de echtheid of van de valsheid van dat feit een prejudicieel geschil.
 

•• Cass. (2e k.) AR P.03.1104.F, 3 december 2003 (H.J. / F.C.)  (25 februari 2004);

Het in art. 445, derde lid, Sw., bedoelde wanbedrijf is zowel van toepassing op de aantijging van een waar feit als op de aantijging van een vals feit, mits de aantijging is ingegeven door kwaad opzet.

•• Cass. AR 9632, 20 mei 1992 (Gol / Tshisekedi Wa Mulumba); Het toepassingsgebied van art. 443 Sw. wordt op onwettige wijze beperkt door de rechter die kwaadwillig opzet en de mogelijkheid dat de eer van de klager is gekrenkt uitsluit op grond dat de litigieuze uitspraken 'door (verdachte) blijkbaar zijn gedaan in een sterk emotioneel geladen klimaat' en dat 'de gebruikte termen een politieke bijklank hebben en verband schijnen te houden met een politiek geschil'.

•• Cass. AR 5822, 10 maart 1992 (Hilven / Coenen) . De straffeloosheid bepaald bij art. 452 Sw. (laster en eerroof) beoogt de uitoefening van de rechten van de verdediging voor de hoven en rechtbanken. Ze is derhalve uitsluitend van toepassing op door de partijen 'vóór de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften'. Ze is niet van toepassing op getuigen of gerechtsdeskundigen.

• Gent (6e k.) 28 juni 2005, T.G.R. - T.W.V.R. 2005, afl. 3, 217, noot.

De immuniteit met betrekking tot voor de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overgelegde geschriften, voorzien in artikel 452 Sw., geldt uitsluitend voor de voor de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overgelegde geschriften door de in het geding zijnde partijen

 •• Cass. AR 8797, 15 mei 1991 (M. / P.);  Arr. Cass. 1990-91, 918; , Bull. 1991, 805;

Een veroordeling wegens lasterlijke aangifte mag pas na de eindbeslissing van de bevoegde overheid over het aangegeven feit worden uitgesproken; het rechtscollege waarbij vervolging wegens lasterlijke aangifte is ingesteld, heeft niet tot opdracht na te gaan of het aangegeven feit ook werkelijk is gepleegd.
Wanneer het aangegeven feit een tuchtfout is, geldt de beslissing van die bevoegde tuchtoverheid als de beslissing van de bevoegde overheid.

•• Luik 30 juni 1988, J.L.M.B. 1989, 388.

Hij die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient, is strafbaar (art. 445 Sw.). De valsheid van de tenlastelegging staat vast indien de onderzoeksgerechten hebben beslist tot niet-vervolging van de ten laste gelegde feiten.

• Cass. AR P.97.1370.N, 5 januari 1999 (Delannoye) , Arr. Cass. 1999, 3; , Bull. 1999, 3.

Bij een klacht wegens lasterlijke aangifte, en indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging of een aangifte waarover nog geen uitspraak is gedaan, wordt de vordering wegens laster geschorst tot het definitief vonnis, en niet omgekeerd (art. 447, lid 3 Sw.).

•• Antwerpen 12 oktober 1988, J.T. 1989, 584.

Het ondertekenen van een proces-verbaal van aangifte van een misdrijf bij de politie, vormt het indienen van een geschrift, dat in aanmerking komt als constitutief element van het misdrijf van lasterlijke aangifte.

•• Antwerpen 26 juni 1991, R.W. 1991-92, 578, noot.

Een klacht bij de rijkswacht wegens diefstal is een aangifte bij de overheid in de zin van art. 445 Sw. (lasterlijke aangifte)

 

•• Brussel 27 september 1993, Journ. proc. 1994, afl. 252, 24, noot LEBRUN, A., [La notion de sanction politique]

Het laten verspreiden als uitgever van een pamflet waarin de politieke verantwoordelijkheid van een politicus in vraag wordt gesteld met betrekking tot de vestiging van een vervuilende fabriek in een woongebied, makt geen aanranding van de eerbaarheid uit wanneer de verspreiding van deze opinie gebaseerd is op juiste feiten.

•• Gent 9 juni 1997, AM 1998, 46; , T.G.R. 1997, 241.

Door de onsplitsbaarheid van mondelinge laster en laster middels gedrukte geschriften is de correctionele rechtbank onbevoegd. Immers wanneer , daar deze feiten, mochten zij bewezen zijn, zouden zij als drukpersmisdrijf te kwalificeren zijn.
In de voorliggende zaak waren er mogelijks lasterlijke woorden uitgesproken op de persconferentie, maar werd ook de gedrukte persmap verspreid die alle aantijgingen op gedetailleerde wijze bevatte. Het ten laste gelegde misdrijf vloeit voort uit de strafbare uiting van een idee of mening in gedrukte en bekendgemaakte geschriften hetgeen een drukpersmisdrijf oplevert zoals bedoeld in art. 150 G.W. 1994, dat uitsluitend tot de bevoegdheid van het Hof van Assisen behoort.

•• Gent 27 juni 1983, T.B.R. 1984, 56, noot.

Het meedragen van een zelfgemaakt bord bij een eenmansbetoging een bord waarop een tekst niet gedrukte staat geschreven die lasterlijk is, maakt geen drukpersmisdrijf maar laster of eerroof. Het feit dat deze tekst een loutere vergrote weergave uitmaakt van door de beklaagde alsdan verspreide gedrukte pamfletten is niet dienend.


•• Luik 19 november 1992, J.L.M.B. 1993, 321).

De grieven geformuleerd in een brief beantwoorden aan de definitie in art. 444 Sw : ze werden geuit met de bedoeling nadeel toe te brengen, in casu om de burgerlijke partij uit haar ambt van onderwijzer te doen ontzetten. Ze beantwoorden aan de voorwaarde van openbaarmaking vermits het geschrift aan verschillende ouders werd voorgelegd om het ook te ondertekenen.
De lasterlijke aantijging aan de overheid (in casu de directie van het Bisschoppelijk Instituut van Büllingen) is bewezen gelet op het verzet van beklaagden tegen elke minnelijke oplossing en hun wens om de burgerlijke partij uit haar ambt van onderwijzer te doen ontzetten. Het is niet relevant dat de andere ouders niet werden vervolgd.

•• K.I. Brussel 5 december 1991, J.T. 1992, 387, noot JONGEN, F. JONGEN, F., [Calomnie ou diffamation?]

Laster veronderstelt het animus injurandi, de wil tot schaden. De uitlatingen die zich situeren in het kader van een emotionele context en een politiek debat kunnen aldus niet aanzien worden als laster.

•• Gent 16 januari 2004, NjW 2004, afl. 72, 631, noot BREWAEYS, E.

Een aangifte van een feit is kwaadwillig indien dit gebeurt met het kwaadwillig opzet om te schaden. Dit opzet bestaat wanneer de aangever op het ogenblik van de aangifte redenen had om te twijfelen aan de echtheid van de feiten. Wanneer dit bestanddeel ontbreekt is het ongenuanceerd meedelen van affirmatieve uitlatingen aan de pers op een ogenblik dat een strafonderzoek, en de in het kader daarvan bevolen medische expertise, over de betrokken feiten loopt, geen inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht.

•• Rb. Brussel (4e k.) 25 juli 2001, J.L.M.B. 2001, afl. 36, 1575.

Een essentieel element van laster is de kwaadwillige intentie: de dader moet hebben gehandeld met de bedoeling aan de belasterde persoon schade toe te brengen. Dit bijzonder opzet wordt niet vermoed maar moet worden bewezen door de vervolgende partij.

•• Cass. AR 8919, 19 juni 1991 (Laurent / Dalla Palma); 

Ook al vereist een lasterlijke aantijging dat de dader heeft gehandeld met de kwaadwillige bedoeling schade toe te brengen, toch houdt dit misdrijf niet noodzakelijk in dat de dader op het ogenblik van de aantijging kennis heeft gehad van de valsheid van de aan de kaak gestelde feiten en kan er een kwaadwillige bedoeling bestaan wanneer de aangever voldoende redenen had om te twijfelen aan de waarheid van de feiten of aan de mogelijkheid om het bewijs ervan te leveren (art. 445 Sw).

•• Rb. Luik 1 april 1993, J.L.M.B. 1993, 1144, noot.

Opdat er sprake zou zijn van laster, moet een welbepaald feit ten laste worden gelegd. Van een enkeling zeggen dat hij een fascist of een racist is, zonder aan dat verwijt een welbepaald feit te koppelen, is slechts een belediging.

• Laster in politiek Rb. Dinant 14 december 1988, J.L.M.B. 1996,  

Het antwoord verspreid in een huis aan huis blad op een beledigende uitlating geuit tijdens een gemeenteraadszitting in afwezigheid van de betrokkene, dat ruimte laat voor verdachtmakingen zowel omtrent het privé- als het beroepsleven van de auteur van die beschuldigingen, is onevenredig en maakt het een fout uit in de zin van art. 1382 B.W.
Het slachtoffer van dergelijke beweringen is gerechtigd om morele schadevergoeding te eisen van de auteur van het pamflet en de volledige tekst van het vonnis op kosten van deze laatste te laten publiceren in een krant en een weekblad.
[Arrest in hoger beroep: Luik 27 juni 1995, «J.L.M.B.» 1996, 156]

• Rb. Tongeren 30 september 1988, Limb. Rechtsl. 1989, 26.

Het aantasten van de morele integriteit van een volksvertegenwoordiger in pamfletten, door tenlasteleggingen die het voorbereiden van een wetsvoorstel betreffen, dient als laster te worden beschouwd (art. 447 Sw.).

Op het lasteren van een openbaar gezagsdrager in de pers wegens feiten in de uitoefening van zijn ambt gepleegd, is de korte verjaringstermijn van drie maanden van toepassing (art. 12 Decr. 20 juli 1831 op de drukpers).

•• Rb. Brussel 14 september 1988, J.L. 1988, 1227.


Een journalist heeft geen absolute objectiviteitsplicht maar heeft toch de plicht zich te baseren op gecontroleerde gegevens voor zover dit redelijkerwijze binnen zijn mogelijkheden ligt. Het is aan de journalist om de juistheid of de waarschijnlijkheid van zijn beweringen te bewijzen.
Een journalist kan zich niet beroepen op het informatiedoel of op zijn loyale intenties wanneer het betwist artikel agressieve intenties vertoont en de bedoeling heeft een persoon in opspraak te brengen, hoewel de persoon in kwestie een publieke functie uitoefent en door zijn politieke stellingnamen meer aan openlijke kritiek en kwaadwillige geruchten bloot staat.
Het feit dat het tijdschrift in kwestie reeds een recht van antwoord van eiser publiceerde doet krachtens art. 1 van de Wet van 23 juni 1961 niets af aan de civielrechtelijke aansprakelijkheid.
 

•• Rb. Brussel 29 juni 1987, J.T. 1987, 685, Noot RIGAUX, F., [De vrijheid van expressie en informatie en de bescherming van de goede naam van anderen]

De journalist die door het gebruik van kwetsende titels en fotografische afbeeldingen de eer en goede naam van een persoon aantast begaat een fout in de zin van art. 1382-1383 BW. Als vergoeding wordt aan de benadeelde partij 1 F toegekend en de publikatie van de uitspraak.

•• Corr. Antwerpen 16 december 2005, AM 2006, afl. 2, 205; , NjW 2006, afl. 138, 226, noot DEENE, J.

Het verzenden van een tekstbestand via e-mail aan een lijst van 29 personen beantwoordt aan de omstandigheid van openbaarheid die in artikel 444, in fine Sw. wordt omschreven als een geschrift, dat niet openbaar gemaakt is, maar aan verscheidene personen toegestuurd of medegedeeld is. Het via e-mail verspreiden of het via een bestanduitwisselingsprogramma ter beschikking stellen van een racistisch muziekbestand kan gelijkgesteld worden met het verspreiden op een openbare plaats in de zin van artikel 444, lid 2 Sw.
 

•• Corr. Antwerpen (3e k. C) nr. AN 52.99.83-04, 15 april 2005, AM 2005, afl. 5, 452.

Bij bewezen laster en eerroof kan men zich niet verschuilen achter de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. In de hedendaagse maatschappij zijn prominente figuren onderhevig aan terechte of onterechte kritiek of satire en dienen zij deze als behorende tot hun vak te beschouwen. De vrijheid van meningsuiting kent echter haar grenzen waar kritiek wordt gespuid op taken of situaties die geen verband houden met het door de geviseerde publieke persoon uitgeoefende ambt of mandaat en die duidelijk tot de privé-sfeer van de personen behoort, zoals het op ongepaste wijze insinuaties neerschrijven in verband met de kinderen van een publiek persoon.

•• Corr. Marche-en-Famenne 6 mei 1992, J.L.M.B. 1993, 1066

De misdrijven die worden beteugeld door de art. 443, 444, 448 en 449 Sw., bestaan enkel indien de dader kwaadwillig wilde schaden; algemeen opzet volstaat niet.
Het is absoluut noodzakelijk dat de vrijheid van het woord van politieke mandatarissen tijdens zittingen wordt beschermd, voor zover de aantijgingen tegen derden niet worden uitgesproken vanuit een louter persoonlijk belang en zonder noodzaak voor het uitdrukken van het verdedigde standpunt.

•• Best. Dep. Limburg 16 december 1994, De Provincie 1995, afl. 3, 70.

Lasterlijke aantijgingen in de verkiezingsstrijd veronderstellen het opzettelijk verspreiden van onjuiste voorstellingen van feiten te onderscheiden van natuurlijke, zonder bijzonder opzet verspreide, van mond tot mond gaande, misvormde geruchten.
 

Wat zegt het strafwetboek?

 Art. 443. Hij die in de hierna aangeduide gevallen aan een persoon kwaadwillig een bepaald feit ten laste legt, dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd, is schuldig aan laster, wanneer de wet het bewijs van het ten laste gelegde feit toelaat, en aan eerroof, wanneer de wet dit bewijs niet toelaat.
  (Wanneer het ten laste gelegde feit hierin bestaat dat gedurende vijandelijkheden is geheuld met de vijand, hetzij door hem te helpen door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen, wapens, munitie of materialen, hetzij door hem het betreden van het grondgebied, het zich handhaven of het verblijven aldaar door enig middel mogelijk of gemakkelijk te maken, zonder daartoe gedwongen of gevorderd te zijn, is het bewijs daarvan altijd ontvankelijk en kan het door alle middelen geleverd worden.
  Wordt een genoegzaam bewijs geleverd, dan geeft de tenlastelegging geen aanleiding tot enige strafvervolging.) <W 11-10-1919, enig art.>
  Art. 444. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank, wanneer de tenlasteleggingen geschieden :
  Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;
  Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;
  Hetzij om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;
  Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;
  Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.
  Art. 445. Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank wordt gestraft :
  Hij die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient;
  Hij die schriftelijk aan een persoon lasterlijke aantijgingen tegen zijn ondergeschikte toestuurt.
  Art. 446. Laster en eerroof jegens een gesteld lichaam worden op dezelfde wijze gestraft als laster en eerroof jegens individuele personen.
  Art. 447. Hij die van laster beticht wordt wegens tenlasteleggingen, gericht, hetzij tegen dragers of agenten van het gezag of tegen enig persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, hetzij tegen enig gesteld lichaam, naar aanleiding van feiten in verband met hun bediening, wordt toegelaten om door alle gewone middelen het bewijs van de ten laste gelegde feiten te leveren, behoudens het tegenbewijs door dezelfde middelen.
  Indien het een feit betreft dat tot het private leven behoort, mag de dader van de tenlastelegging geen ander bewijs tot zijn verdediging aanvoeren dan het bewijs dat volgt uit een vonnis of uit enige andere authentieke akte.
  Indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging of een aangifte waarover nog geen uitspraak is gedaan, wordt de vordering wegens laster geschorst tot het definitief vonnis of tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid.
  (Zo de strafvordering of de tuchtvordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit vervallen is, wordt het betrokken dossier bij het dossier van het geding wegens laster gevoegd en wordt de vordering wegens laster hervat.
  In geval van een beslissing van seponering of buitenvervolgingstelling betreffende de vordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit, wordt de vordering wegens laster hervat, onverminderd een schorsing van deze vordering wanneer het onderzoek met betrekking tot het ten laste gelegde feit een nieuwe gerechtelijke ontwikkeling kent.) <W 2001-07-04/55, art. 2, 032; Van kracht : 20-08-2001>
  Art. 448. Hij die hetzij door daden, hetzij door geschriften, prenten of zinnebeelden iemand beledigt in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.
  (Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, iemand die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of die met een openbare hoedanigheid is bekleed, door woorden beledigt in zijn hoedanigheid of wegens zijn bediening.) <W 27-07-1934, art. 3>
  Art. 449. Indien er op het ogenblik van het misdrijf een wettelijk bewijs van de ten laste gelegde feiten bestaat en het blijkt dat de beklaagde de tenlastelegging heeft gedaan zonder enige reden van openbaar of van privaat belang en enkel met het oogmerk om te schaden, wordt hij, als schuldig aan kwaadwillige ruchtbaarmaking, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vierhonderd frank of met een van die straffen alleen.
  Art. 450. De in dit hoofdstuk omschreven misdrijven tegen bijzondere personen gepleegd, de lasterlijke aangifte uitgezonderd, kunnen niet worden vervolgd dan op klacht van de persoon die beweert beledigd te zijn.
  Indien de persoon overleden is zonder een klacht te hebben gedaan of zonder daarvan te hebben afgezien, of indien de laster of de eerroof tegen iemand is gericht na zijn overlijden, kan de vervolging niet geschieden dan op klacht van zijn echtgenoot, van zijn afstammelingen of (wettelijke) erfgenamen tot en met de derde graad. <W 31-03-1987, art. 98>
  Art. 451. Niemand kan de rechtvaardigings- of verschoningsgrond aanvoeren dat de geschriften, drukwerken, prenten of zinnebeelden die het voorwerp van de vervolging uitmaken, slechts de reproduktie zijn van uitgaven die in België of in het buitenland verschenen zijn.
  Art. 452. <W 10-10-1967, art. 141> Vóór de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften, geven geen aanleiding tot strafvervolging wanneer die woorden of die geschriften op de zaak of op de partijen betrekking hebben.
  Lasterlijke, beledigende of eerrovende tenlasteleggingen die aan de zaak of aan de partijen vreemd zijn kunnen aanleiding geven hetzij tot een strafvordering hetzij tot burgerlijke rechtvordering van de partijen of van derden.


 

Rechtsleer:

• ARNOU, P., Aanranding van de eer of de goede naam van personen. Overzicht van rechtspraak 1970-1992 Verzamelwerk In X., Om deze redenen. Liber Amicorum Armand Vandeplas , 49-90.

• Alain De Nauw De waarheidsexceptie bij aanranding van de eer en de goede naam en de rechten van de mens, RW 2012-2013, pagina 2

I. Inleiding
II. Het arrest-Klouvi van het EHRM van 30 juni 2011: een schending van art. 6, §§ 1 en 2 EVRM wegens een dubbel vermoeden
III. Relevante gegevens van Belgisch en Frans recht
IV. Bestaat er ook een dubbel vermoeden in het Belgische recht?
V. Een vermoeden m.b.t. de waarachtigheid van de ten laste gelegde feiten?
A. de wet van 4 juli 2001
B. Na de wet van 4 juli 2001
VI. Een vermoeden m.b.t. het kwaadwillig opzet?
VII. De gevolgen van het arrest-Klouvi voor het Belgische recht
VIII. Ter afronding

Noten bij deze bijdrage

• P. Lemmens, Vrijheid van meningsuiting. Een grondrecht ingebed in plichten en verantwoordelijkheid, Deventer, Kluwer, 2005, 45-49;

• D. Voorhoof, «Artikel 10. Vrijheid van meningsuiting» in J. Vande Lanotte en Y. Haeck, Handboek E.V.R.M, Antwerpen, Intersentia, 2004, I, 837-1006;

• Cass. 2 mei 2001, Arr.Cass. 2001, nr. 249;

• Cass. 7 december 2004, Arr.Cass. 2004, nr. 594, NJW 2005, 200, Rev.dr.pén. 2005, 1265, noot G. Rossoux;

• Corr. Antwerpen 15 april 2005, A & M 2005, 452.

• Cass. 15 februari 1991, Arr.Cass. 1991, nr. 322, met conclusie van advocaat-generaal G. D’Hoore, RW 1991-92, 15, JT 1991, 741, noot R.O. Dalcq.

• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2010, nrs. 3371-3372.

• P. Arnou, «Aanranding van de eer of de goede naam van personen» in Om deze redenen. Liber Amicorum Armand Vandeplas, Gent, Mys en Breesch, 1994, (49) 85-86.

• EHRM 7 oktober 1988, Saliabaku t/ Frankrijk, Publ. Cour eur.D.H., série A, vol. 141.

• H. Bekaert en W. Calewaert, «De aanranding van de eer en de goede naam van personen in het Belgisch strafrecht», RW 1938-39, 1425-1460 en 1489-1510, i.h.b. nr. 17;

• J. Leclercq, «Atteintes portées à l’honneur ou à la considération des personnes» in Les Novelles, Droit pénal, IV, nr. 7279; RPDB, vo Diffamation, calomnie et divulgation méchante, nr. 95;

•. Pradel en M. Danti-Juan, Droit pénal spécial, Parijs, Cujas, 2001, nr. 463;

• M.L. Rassat, Droit pénal spécial, Parijs, Dalloz, 2011, nrs. 506 en 517;

• M. Veron, Droit pénal spécial, Parijs, Sirey, 2008, nr. 244.

• Cass. 2 december 1895, Pas. 1896, I, 31;

• Cass. 1 juni 1909, Pas. 1909, I, 283;

• Cass. 4 oktober 1944, Arr.Verbr. 1944, 8;

• Antwerpen 12 oktober 1988, JT 1989, 584;

• KI Brussel 28 april 1983, Pas. 1983, II, 76;

• Corr. Verviers 20 mei 1986, JL, 1986, 684.

• P. Arnou, «De wet van 4 juli 2001 en het prejudicieel geschil inzake laster en lasterlijke aangifte», RW 2001-02, (833), nr. 18;

• J. D’Haenens, Belgisch strafprocesrecht, Gent, Story-Scientia, nr. 162; J. Leclercq, o.c., in Les Novelles, Droit pénal, nrs. 7390 en 7484;

• J. Nijpels en J. Servais, Le Code pénal belge interpreté, III, art. 447, nr. 41.

• P. Arnou, o.c., RW 2001-02, (833), nr. 31 d; zie wellicht ook: R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2005, nr. 135.

• Cass. 1 juli 1909, Pas. 1909, I, 283; zie voorts: A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 351;

• J. Leclercq, o.c., in Les Novelles, Droit pénal, IV, nr. 7390.

• Cass. 16 mei 2007, Arr.Cass. 2007, nr. 255, NC 2009, 36, Rev.dr.pén. 2007, 961.

• Parl.St. Kamer 2000-01, nr. 122/6, p. 2.

• R. Declercq, Onderzoeksgerechten in APR, nrs. 317 e.v.

• Arbitragehof 30 mei 2001, nr. 69/2001 , AA 2001, 965.

• Arbitragehof 2 februari 2000, nr. 12/2000, AA 2000, 105, Rev.dr.pén. 2000, 956.

18 Cass. 2 februari 1994, Arr.Cass. 1994, nr. 63, JLMB 1994, 1130, JT 1994, 570.

• P. Arnou, o.c., RW 2001-02, (833), nr. 19;

• J. Constant, Manuel de droit pénal, Luik, 1953, II, 2, nr. 1197;

• J. Leclercq, o.c., in Les Novelles, Droit pénal, IV, nrs. 7379 en 7482;

• J. Nijpels en J. Servais, o.c., III, art. 447, nrs. 18 en 33.

• Cass. 1 juli 1873, Pas. 1873, I, 248.

• Cass. 7 juli 1913, Pas. 1913, I, 371.

• Cass. 10 december 1934, Pas. 1934, I, 77.

• Cass. 17 januari 1887, Pas. 1887, I, 49;

• Cass. 11 maart 1919, Pas. 1919, I, 84;

• Cass. 4 februari 1952, Arr.Verbr. 1952, 278.

• Cass. 16 maart 1959, Arr.Verbr. 1959, 548, Pas. 1959, I, 722, noot R.H.

• Cass. 15 mei 1883, Pas. 1883, I, 239.

• Gent 8 november 1969, RW 1972-73, 1041;

• Luik 30 juni 1988, JLMB 1989, 388;

• Corr. Gent 8 december 1997, TGR 1998, 98.

• P. Arnou, o.c., RW 2001-02, (833), nr. 31 d; zie echter nr. 14.

• 29 Cass. 23 november 2005, Arr.Cass. 2005, nr. 618, Rev.dr.pén. 2006, 585.

• Cass. 10 juli 1916, Pas. 1917, I, 191.

31 Cass. 26 september 1984, Arr.Cass. 1984-85, 148;

• P. Arnou, o.c., in Liber Amicorum Armand Vandeplas, nr. 16;

• P. Magnien, «Les atteintes portées à l’honneur et à la considération des personnes» in Les infractions contre les personnes, Brussel, Larcier, 2010, i.h.b. 768-769.

• Cass. 11 maart 1919, Pas. 1919, I, 84;

• Cass. 10 december 1934, Pas. 1934, I, 77;

• Gent 8 november 1969, RW 1972-73, 1041.

• Cass. 2 maart 1964, Pas. 1964, I, 701;

• Cass. 19 juni 1991, Arr.Cass. 1990-91, 1039.

• Ph. Traest, Het bewijs in strafzaken, Gent, Mys en Breesch, 1992, nr. 847.

• H. Bosly, D. Vandermeersch en M.A. Beernaert, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure, 2010, 753;

• M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de la procédure pénale, Brussel, Larcier, 2009, 991;

• R. Verstraeten, o.c., nr. 1213.

• S. Guinchard en J. Buisson, Procédure pénale, Parijs, Litec, nr. 1674;

• G. Stefani, G. Levasseur en B. Bouloc, Procédure pénale, Parijs, Dalloz, 2004, nr. 795.

• V. Berger, La jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme, Parijs, Sirey, 2009, 335-341;

• F. Kuty, Justice pénale et procès équitable, Brussel, Larcier, 2006, nrs. 1641 e.v.;

• P. Van Dyk, F. Van Hoof, A. Van Rijn en L. Zwaak, Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Antwerpen, Intersentia, 2006, 629-631.

• EHRM 25 maart 1983, Minelli t/ Zwitserland, Publ. Cour eur.D.H., Série A, vol. 62, § 38;

• P. Lemmens, «Het verval van de strafvordering en het vermoeden van onschuld», RW 1983-84, 403-404.

• EHRM 26 maart 1982, Adolf t/ Oostenrijk, PubL. Cour eur.D.H., Série A, vol. 49, §§ 38-40.

• B. Dejemeppe, «La présomption d’innocence entre réalité et fiction» in L’Humanisme dans la résolution des conflits. Utopie ou réalité? Liber Amicorum Paul Martens, Brussel, Larcier, 2007, 17-39; L. Huybrechts, «De rechter en het vermoeden van onschuld» in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001, 195-214.

• EHRM 25 april 2006, Puig Panella t/ Spanje, § 57.

• EHRM 13 januari 2005, Capeau t/ België, RW 2006-07, 697, noot P. Lemmens, T.Strafr. 2005, 585, Rev.dr.pén. 2005, 406;

• G.F. Raneri, «La détention préventive inopérante et la présomption d’innocence. L’indemnisation à raison d’une détention suivie d’un non-lieu», JLMB 2005, 1118-1126.

• F. Sudre, Droit européeen et international des droits de l’homme, Parijs, P.U.F., 2005, nr. 218;

• F. Tulkens, «La présomption d’innocence. Les développements récents de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme» in Vigilantibus ius scriptum, Feestbundel Hugo Vandenberghe, Brugge, die Keure, 2007, 305-317.

• EHRM 19 mei 2005, Diamentides t/Griekenland, § 51.

• EHRM 25 augustus 1993, Sekamina t/ Oostenrijk, Publ. Cour eur.D.H., série A, 266 A, § 30 en 21 maart 2000, Asan Rushiti t/ Oostenrijk, § 31.

• EHRM 11 februari 2003, O. t/ Noorwegen, § 39 (RW 2004-05, 193, noot F. Vanneste).

• J. Velu en R. Ergec, «Convention européenne des droits de l’homme» in RPDB, Compl. VII, nr. 570.

• P. De Hert, «Het vermoeden van onschuld» in J. Vande Lanotte en Y. Haeck, Handboek E.V.R.M., Antwerpen, Intersentia, 2004, i.h.b. 538-540.


• H.D. Bosly, D. Vandermeersch en M.A. Beernaert, o.c., 755-756;

• R. Declercq, o.c., nr. 745; R. Verstraeten, o.c., nr. 1189;

• R. Bützler en S. Sonck, «De motiveringsverplichting van de onderzoeksgerechten» in Liber Amicorum Marc Chatel, Deurne, Kluwer, 1991, 11-45.

• Cass. 18 november 1992, Arr.Cass. 1991-92, 1317.

• Cass. 26 september 1984, Arr.Cass., 1984-85, 148.

• Cass. 11 maart 1919, Pas. 1919, I, 84;

• Cass. 10 december 1934, Pas. 1934, I, 77;

• Gent 8 november 1969, RW 1972-73, 104.

• P. Arnou, o.c., in Liber Amicorum Armand Vandeplas, nr. 36;

• J. Leclercq, o.c., in Les Novelles, Droit penal, IV , nr. 7461; RPDB, vo. Dénonciation calomnieuse, nr. 12.

• Nijpels en Servais, o.c., III, article 445, nr. 26: «L’intention méchante ne se présume a priori; elle sera considérée le plus souvent comme établie si la fausseté du fait dénoncé est démontrée, sauf dans le cas où le prévenu a prouvé qu’il a agi de bonne foi; qu’il a des raisons sérieuses pour croire que les faits dénoncés étaient vrais. (….) Il va de soi que dans l’appréciation de cet élément du délit, les juges saisis de la poursuite ne sont nullement liés par l’appréciation de l’autorité compétente pour statuer sur la fausseté des faits dénoncés».

• Cass.fr. 7 april 2005, J.Cl.P. 2006, I, p. 159, nr. 10.

• P. Arnou, o.c., in Liber Amicorum Armand Vandeplas, nr. 36.

• Ph. Traest, o.c., nr. 847.

• Cass. 15 mei 1999, Arr.Cass. 1990-91, 918, Rev.dr.pén. 1991, 854.

• Cass. 21 november 1960, Pas. 1961, I, 308).

• J.P. Marguenaud en D. Roets, «Droits de l’homme», Rev.sc.crim. 2011, 714-716.

• M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, o.c., 993;

• J. Rutsaert, «Chose jugée» in RPDB, Compl. VI, nr. 158.

• Cass. 26 januari 1976, Arr.Cass. 1976, 615.

• Cass. 24 juni 1940, Arr.Verbr. 1940, 67;

• Cass. 30 maart 1953, Arr.Verbr. 1953, 522.

•R.H., noot onder Cass. 30 maart 1953, Pas. 1953, I, 588.

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: zo, 02/09/2012 - 14:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.