-A +A

matigingsbevoegdheid van de rechter in consumentenkrediet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
  voor de matiging conform art. 27bis WCK

klik hier

Cassatie 05/03/2004, Tijdschrift van de Vrederechters (T. Vred.)
Jaargang 2006, Volgnummer 1-2, Pagina 56 met noot.

samenvatting:

De Rechtbank van Eerste Aanleg wees een vordering af tot vermindering van  de conventionele rente ten belope tot de met de motivering dat de eiser niet aangeeft waarom de toegepaste interest overdreven of onverantwoord zou
zijn en voegde eraan toe dat de appreciatie van een eventueel overdreven of onverantwoord karakter “onafhankelijk is van de financiële toestand van de kredietnemer.

De rechtbank te Gent wordt hierbij niet gevolgd door het Hof van Cassatie die het vonnis verbreekt. Volgens Het Hof van Cassatie laat artikel 90 alinea 2 WCK toe rekening houden met omstandigheden buiten het contract, zoals de ongelukkigetoestand van de schuldenaar om aldus de schadevergoeding te reduceren of de schuldenaar ervan te ontslaan en de gevorderde interest
te verminderen tot de wettelijke rentevoet wanneer hij ze overdreven of onverantwoord acht.

Conclusie van de Heer advocaat-generaal De Riemaecker

1. Eiser en zijn echtgenote hebben bij verweerster een kredietopening verkregen voor 210.000 BEF, in hoofdsom, terugbetaalbaar tegen een overeengekomen interest van 14 pct.
1.1. Omdat de echtgenoten niet terugbetaalden, heeft verweerster de overeenkomst opgezegd en hen tot betaling van het bedrag en van de overeengekomen interest gedagvaard voor de vrederechter, die haar vordering heeft toegewezen.
1.2. In hoger beroep hebben eiser en zijn echtgenote in hun conclusie de niet-nakoming van de opzeggingstermijn, bedoeld in artikel 58, ,§3, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, en het voordeel van artikel 86 van die wet aangevoerd, op grond waarvan, volgens de uitlegging die zij ervan geven, de rechter de verplichtingen van de consument mag tenietdoen of verminderen, tot ten hoogste het ontleende bedrag.
Bijkomend hebben zij gevorderd dat artikel 90, tweede lid, van de wet zou worden toegepast en dus ook dat de rentevoet van de overeengekomen interest verminderd zou worden tot de wettelijke rentevoet, zulks wegens de fouten van verweerster en wegens hun eigen hachelijke financiële toestand.
1.3. De rechtbank heeft bij een, niet-beroepen, vonnis alvorens recht te doen, het hoger beroep ontvankelijk verklaard en beslist dat de bepalingen van de wet van 12 juni 1991 in die zaak van toepassing waren en vervolgens verweerster gevraagd om een precieze afbetalingsregeling op te maken.
1.4. Luidens het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer afwijzend beschikt op het principaal hoger beroep van eiser en zijn echtgenote, dat gegrond was op de artikelen 58 en 86 van de wet van 12 juni 1991, en op hun aanvullend hoger beroep dat ertoe strekte de overeengekomen interest op grond van artikel 90, tweede lid, van de voornoemde wet te doen herzien.
2. Het enige middel voert de schending aan van voornoemd artikel 90, tweede lid, dat de rechter toestaat, indien hij oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen bij niet-uitvoering van de overeenkomst overdreven of onverantwoord zijn, die bedragen te verminderen of af te schaffen.
Het middel verwijt het vonnis geoordeeld te hebben dat "dat de beoordeling van die eventuele aard los staat van de financiële toestand van de lener" terwijl de overdreven of onverantwoorde aard van de gevorderde vergoedingen niet alleen beoordeeld wordt in verhouding tot de door de kredietgever daadwerkelijk geleden schade, maar ook met inachtneming van de omstandigheden buiten de overeenkomst, onder meer de financiële toestand van de te goeder trouw zijnde schuldenaar.
3. Het enige middel is alleen gericht tegen de beslissing die afwijzend beschikt op het aanvullend hoger beroep van eiser. Dat roept volgende bedenking op:
hoewel de vernietiging van de beslissing hieromtrent tot gevolg heeft dat de bedragen van de veroordeling opnieuw ter discussie staan, meen ik dat het middel daarentegen niet opkomt tegen de beslissing die afwijzend beschikte op eisers hoger beroep dat ertoe strekte de artikelen 58 en 86 van de wet van 12 juni 1991 te doen toepassen.
4. Het middel, dat mijns inziens gegrond is, stelt uw Hof een interessante vraag die het, voor zover ik weet, nog niet heeft moeten beantwoorden, namelijk hoever de rechter, met toepassing van artikel 90, tweede lid van de wet van 12 juni 1991, kan gaan in zijn onderzoek naar de overdreven of onverantwoorde aard van de straffen of schadevergoedingen.
5. Artikel 90, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet luidt als volgt: "Indien de rechter (...) oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen, onder meer in de vorm van strafbedingen, bij niet-uitvoering van de overeenkomst, overdreven of onverantwoord zijn, kan hij deze ambtshalve verminderen of
de consument er geheel van ontslaan."
6. De nalatigheidsinterest die overeengekomen is of wordt toegepast bij de opzegging van de overeenkomst, valt zoals eiser mijns inziens terecht aanvoert, onder toepassing van voornoemd artikel 90, tweede lid.
In gemeen recht is nalatigheidsinterest immers van ambtswege verschuldigd vanaf de ingebrekestelling en de wettelijke rentevoet is erop van toepassing. Het beding waarbij, zoals hier, wordt overeengekomen om de rentevoet van de nalatigheidsinterest vast te stellen, kan mijns inziens dus beschouwd worden als een strafbeding.
7. Over die bepaling, die bijna letterlijk de artikelen 10, ,§2, 19, ,§2, en 19octies, ,§2, van de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling overneemt, werd bij de totstandkoming ervan nauwelijks commentaar gegeven.
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 juni 1991 kunnen wij slechts opmaken dat de vice-eerste minister op een vraag van een parlementslid over de erg vage, in dat artikel gebruikte termen "overdreven" en "onverantwoord", verwezen heeft naar de bepalingen van de voornoemde wet tot regeling van de verkoop op afbetaling en op de toepassing ervan in de rechtspraak (1).
8. In de rechtsleer en de rechtspraak was er weliswaar zeer grote onenigheid over de kwestie van de financiële gevolgen van de wanbetaling en van de opzegging van de kredietovereenkomst, in die mate dat de wetgever, bij de wijzigingswet van 7 januari 2001, een einde aan die betwisting heeft willen maken(2). De rechtsleer vertoont evenwel meer eensgezindheid over de omvang van de bevoegdheid van de rechter om de overdreven of onverantwoorde aard van de straffen of schadevergoedingen te beoordelen.
9. Conform de overheersende rechtspraak, die overigens verwijst naar de uitgebreide rechtspraak over de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling, mag de rechter de overdreven aard van de overeengekomen of opgelegde schadevergoedingen niet alleen onderzoeken m.b.t. de schade die bij het sluiten van de overeenkomst te voorzien is, maar ook m.b.t. tot de daadwerkelijk door de kredietgever geleden schade (3).
De overheersende rechtsleer is van oordeel dat de bevoegdheid tot herziening die de rechter put uit artikel 90, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 ook uitgebreid kan worden tot de externe omstandigheden van de overeenkomst en meer bepaald tot de onfortuinlijke toestand van de te goeder trouw zijnde schuldenaar(4).
10. Volgens die overheersende rechtsleer waarbij ik me aansluit, moet de rechter geval per geval beoordelen.
We kunnen ons trouwens afvragen of het onderscheid dat artikel 90, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 maakt tussen de overdreven aard en de onverantwoorde aard echt wel noodzakelijk is. Het enige onderscheid zou hierin kunnen bestaan dat de "overdreven" aard van de overeengekomen of opgelegde straffen en schadevergoedingen, blijkbaar meer te maken heeft met het niet-bestaande verband met de tekortkoming of met de werkelijk door de kredietgever geleden schade, terwijl de "onverantwoorde" aard blijkbaar meer te maken heeft met de externe omstandigheden die niet aan de te goeder trouw zijnde consument kunnen worden toegeschreven.
11. Conclusie: vernietiging, behalve in zoverre eisers hoger beroep om de artikelen 58 en 86 van de wet van 12 juni 1991 te doen toepassen, werd afgewezen.
___________________________
(1) Gedr. St., Kamer, 1491/5, 1990-1991, p. 68.
(2) C. BIQUET-MATHIEU, "Le crédit à la consommation - actualités et perspectives de la loi du 12 juin 1991", Ed. J.B., Luik, 2002, inzonderheid p. 101, 122 en 123. Bij ontbinding van de overeenkomst of verval van de termijn, eiste de kredietgever soms van de consument, naast de achterstallige maandelijkse afbetalingen en het kapitaal, de in de nog niet vervallen maandelijkse afbetalingen vervatte toekomstige interest en kosten, een strafbeding waarbij een forfaitaire verhoging werd toegepast op het verschuldigd blijvende saldo, eventueel ook een vergoeding voor de herinnneringskosten en een op het gehele bedrag berekende nalatigheidsinterest.
Doordat de wetgever geconfronteerd werd met de onenigheid in rechtsleer en rechtspraak over de samenvoeging van die interesten (zie in dat verband Cass., 20 maart 1998, besproken in J.J.P., 1998, p. 576) heeft hij bij de wet van 21 januari 2001 uitdrukkelijk de straffen en vergoedingen willen beperken die van de in gebreke blijvende consument kunnen worden geëist.
Zo blijkt uit het nieuwe art. 27bis dat de wetgever op beperkende wijze de bedragen heeft vermeld die van de consument kunnen worden geëist bij eenvoudige betalingsachterstand of opzegging van het krediet, waarbij elk andersluidend beding volgens het nieuwe art. 28 nietig is.
Uit die wetswijziging volgt dat de herzieningsbevoegdheid die "bovendien" door (het ongewijzigde) art.
90, tweede lid aan de rechter wordt toegekend, slechts uitgeoefend kan worden m.b.t. de overeengekomen en geëiste vergoedingen, met inachtneming van de bij de wet van 21 jan. 2001 vastgestelde maxima.
(3) P-A FORIERS en A-F DELWAIDE, "la sanction des manquements de l'emprunteur: les montants dus en cas d'inexécution du contrat" in, "Le crédit à al consommation", o.l.v. G-A DAL, Ed JB, Brussel, 1997, p.
174; H. van LIER, "Chronique de jurisprudence: les opérations à tempérament visées par la loi du 9 juillet 1957 ( 1957 à 1982) ", J.T., 1983, p. 61.
(4) C. BIQUET-MATHIEU, op. cit., p. 124; P-A FORIERS en A-F DELWAIDE, op. cit., p. 175 en 181; M. DAMBRE, "Consumentenkrediet een commentaar op de nieuwe reglementering", Mys & Breesch, 1993, p. 57; I. DEMUYNCK, "Conventionele (schade)vergoedingsregelingen en de Wet op het consumentenkrediet", J.J.P., 1994, p. 30;
E. BALATE, P. DEJEMEPPE, F. de PATOUL, "le droit du crédit à la consommation" Brussel, De Boeck, 1995, p. 420; E. BALATE, "Le droit du crédit. Contrôle judiciaire et droit applicable en matière de crédit hypothécaire", Kluwer, 1995, p. 27.
Contra: P. LETTANY, "Het consumentenkrediet", Kluwer, 1993, p. 413.

---------------------------------------------------------------------------
Tekst van het arrest

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
ARGENTA SPAARBANK, naamloze vennootschap.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 6 september 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.

III. Middelen

Eiser voert een middel aan.
Het is als volgt gesteld :
Geschonden wetsbepaling
- artikel 90, eerste lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.
Bestreden beslissing
De rechtbank beschikt afwijzend op eisers bijkomende vordering die ertoe strekt, wegens zijn moeilijke financiële toestand, artikel 90, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 te doen toepassen, en de tegen de overeengekomen rentevoet berekende nalatigheidsinterest te verlagen tot de wettelijke rentevoet, op grond dat
"(eiser) niet vermeldt in welk opzicht de toegepaste interest overdreven of onverantwoord zou zijn ; dat de beoordeling van die eventuele aard los staat van de financiële toestand van de lener".
Grieven
Artikel 90, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 bepaalt dat de rechter, indien hij oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen bij niet-uitvoering van de overeenkomst overdreven of onverantwoord zijn, die bedragen kan verminderen of afschaffen.
De overdreven of onverantwoorde aard van de gevraagde vergoedingen wordt niet alleen beoordeeld in verhouding tot de door de kredietgever daadwerkelijk geleden schade, maar ook met inachtneming van de omstandigheden buiten de overeenkomst, onder meer de financiële toestand van de te goeder trouw zijnde schuldenaar.
Het bestreden vonnis schendt die bepaling, door bij de beoordeling of artikel 90, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991, eventueel kan worden toegepast, te stellen dat er geen rekening diende te worden gehouden met eisers financiële toestand.

IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat artikel 90, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet bepaalt dat de rechter, indien hij oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen, onder meer in de vorm van strafbedingen, bij niet-uitvoering van de overeenkomst, overdreven of onverantwoord zijn, hij deze ambtshalve kan verminderen of de consument er geheel kan van ontslaan ;
Dat die wetsbepaling de rechter met name toestaat de overeengekomen nalatigheidsinterest die hij overdreven of onverantwoord zou achten, te verminderen tot onder hun wettelijke grens ; dat de rechter in dat verband rekening mag houden met omstandigheden die geen verband houden met de overeenkomst, zoals de onfortuinlijke toestand van de schuldenaar ;
Dat het bestreden vonnis, dat beslist dat de beoordeling van de overdreven of onverantwoorde aard van de interest "los staat van de financiële toestand van de lener", voornoemde wetsbepaling schendt ;
Dat het middel gegrond is ;

OM DIE REDENEN
HET HOF,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het uitspraak doet over eisers hoger beroep dat ertoe strekt de artikelen 58 en 86 van de wet van 12 juni 1991 te doen toepassen ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel
 


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:17
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.