-A +A

Personen- en samenlevingsrecht Kroniek 2013-2014

Publicatie
Auteur: 
Declerck C
Tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015
Pagina: 
2
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

Inleiding .1
I. Personenrecht
A. Wrongful-life-vordering 2
B. Staat van de personen 3
II. Familierecht
A. Afstammingsrecht 4-8
B. Onderhoudsuitkering na echtscheiding . 9-10
C. Onderhoudsrecht 11
III. Familiaal vermogensrecht
A. Huwelijksvermogensrecht
1. Handelingsbekwaamheid van de echtgenoten 12
2. Statuut van het groepsverzekeringskapitaal 13
3. Bedrieglijke afhaling van gemeenschapsgelden kort voor de inleiding van de echtscheidingsprocedure 14
4. Vergoedingsrecht voor de klussende echtgenoot?15
5. Berekening van vergoedingsrechten 16
6. Vergoedingsrechten en overgangsrecht 17
7. Preferentiële toewijzing 18
8. Facultatief finaal verrekenbeding 19
B. Samenwoningsvermogensrecht 20
C. Schenkingen 21
D. Erfrecht 22

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 17/02/2015 - 19:18
Laatst aangepast op: di, 17/02/2015 - 19:18

Personen- en samenlevingsrecht Kroniek 2013-2014

Publicatie
Auteur: 
Declerck C
Tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015
Pagina: 
2
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

Inleiding .1
I. Personenrecht
A. Wrongful-life-vordering 2
B. Staat van de personen 3
II. Familierecht
A. Afstammingsrecht 4-8
B. Onderhoudsuitkering na echtscheiding . 9-10
C. Onderhoudsrecht 11
III. Familiaal vermogensrecht
A. Huwelijksvermogensrecht
1. Handelingsbekwaamheid van de echtgenoten 12
2. Statuut van het groepsverzekeringskapitaal 13
3. Bedrieglijke afhaling van gemeenschapsgelden kort voor de
inleiding van de echtscheidingsprocedure 14
4. Vergoedingsrecht voor de klussende echtgenoot?15
5. Berekening van vergoedingsrechten 16
6. Vergoedingsrechten en overgangsrecht 17
7. Preferentiële toewijzing 18
8. Facultatief inaal verrekenbeding 19
B. Samenwoningsvermogensrecht 20
C. Schenkingen 21
D. Erfrecht 22

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 17/02/2015 - 19:12
Laatst aangepast op: di, 17/02/2015 - 19:12

Gerechtelijke reorganisatie Stand van zaken na ruim vijf jaar praktijk

Publicatie
Auteur: 
Remmery S
Auteur: 
Supply G
Tijdschrift: 
NjW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015
Pagina: 
42
Samenvatting

 

 

Inhoudstafel tekst: 

Inleiding 1-2
Toepassingsgebied 3
Gegevensverzameling en handelsonderzoek
Gegevensverzameling (art. 8-11 WCO) 4
Kamers voor handelsonderzoek (art. 12 WCO) 5-6
Bewarende maatregelen (art. 13-14 WCO) 7-9
III. Buitengerechtelijk minnelijk akkoord (art. 15 WCO) 10-11
IV. Procedure van gerechtelijke reorganisatie (art. 16-42 WCO)
Doel van de gerechtelijke reorganisatie (art. 16 WCO) 12-17
Verzoek tot gerechtelijke reorganisatie en de daarop volgende procedure (art.17-22 WCO) 18-19
Vonnis over het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie en gevolgen (art. 24-29 WCO) 20-22
Gevolgen van de beslissing tot reorganisatie (art. 30-37 WCO) ..23-26
Verlenging van de opschorting (art. 38 WCO) 27-28
Wijziging van het doel van de procedure (art. 39 WCO) 29
Voortijdige beëindiging en sluiting van de procedure (art. 40-43 WCO) 30
Gerechtelijke reorganisatie door minnelijk akkoord (art. 43 WCO) 31
VI. Gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord (art. 44-58 WCO)
Taak van de schuldenaar 32
Taak van de schuldeiser 33-34
Reorganisatieplan 35-37
Buitengewone schuldeisers 38-40
Overdracht van geheel of gedeelte van onderneming 41
F. Duur reorganisatieplan 42
G. Neerlegging en stemming over het plan 43
H. Homologatie 44-45
I. Bindend plan en uitvoering ervan .46
VII. De gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag (art. 59-70 WCO) 47-50
Besluit 51

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 16/02/2015 - 17:56
Laatst aangepast op: ma, 16/02/2015 - 17:56

Salduz en derdenwerking

Publicatie
Auteur: 
Huysmans J
Tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015
Pagina: 
316
Samenvatting

In deze bijdrage bespreekt de auteur in hoeverre het gebrek aan bijstand van een advocaat ook kan worden ingeroepen door een medeverdachte

Inhoudstafel tekst: 

I. Probleemstelling 1-2
II. Beperkte derdenwerking recht bijstand advocaat in de cassatierechtspraak
A. Analyse van de cassatierechtspraak 3-9
B. Ongeoorloofde verhoortechnieken die aanleiding geven tot
derdenwerking 10-12
C. Conclusie 13
III. Derdenwerking bijstand van een advocaat in de rechtspraak
van het EHRM
A. Schets van de rechtspraak van het EHRM 14-19
B. Analyse van de stand van de huidige rechtspraak 20-27
C. Overeenstemming rechtspraak Hof van Cassatie met
rechtspraak EHRM? .28-29
IV. Impact van de EU-Richtlijn bijstand van een advocaat 30
V. Evaluatie 31-32

Bespreking van dit boek door de uitgever:

Sinds 1 januari 2012 is in België de zogenaamde Salduzwet in werking getreden.
Het recht op consultatie en bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor van een verdachte, heeft een nieuw gegeven geïntroduceerd in de dagelijkse politiepraktijk. De aanwezigheid van een advocaat bij de verhoren brengt uiteraard voor zowel advocaten als magistraten en politieambtenaren een proces van zoeken en aftasten met zich mee.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: ma, 16/02/2015 - 13:07
Laatst aangepast op: ma, 16/02/2015 - 13:07

De aanvang van procestermijnen in geval van opeenvolgende kennisgevingen en betekeningen

Publicatie
Auteur: 
Toremans
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
979
Samenvatting

Noot onder Hof van Cassatie 21 februari 2014

I. Opeenvolgende kennisgevingen
II. Opeenvolgende betekeningen

weergave van het besproken arrest:

AR nr. D.13.0016.F

M.S. t/ Orde van Dierenartsen

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de gemengde raad van beroep met het Frans als voertaal van de Orde van Dierenartsen van 2 maart 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Betreffende het door de verweerster tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is te laat ingesteld

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 15/02/2015 - 13:20
Laatst aangepast op: zo, 15/02/2015 - 13:20

Het complexe systeem van verstek, ontvankelijk of niet-ontvankelijk verzet, ongedaan verzet en de opeenvolging van verzet en hoger beroep. Voorstellen tot vereenvoudiging

Publicatie
Auteur: 
Vandenbruwaene P
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
963
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Recht op verstek en nadien verzet
II. Ongedaan verzet
III. Verzet en hoger beroep
IV. Positie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
V. Voorstellen tot vereenvoudiging
A. Probleemstelling
B. Inperking van het verzet (Frans model)
C. Afschaffing van het verzet naar Nederlands model
D. Afschaffing van het verzet naar Duits model
VI. Besluit
Bronverwijzingen (ondermeer)
• Art. 404 N.Sv. Zie: www.wetboek-online.nl.
• J. D’Haenens, Belgisch strafprocesrecht, Gent, Story-Scientia, 1985, nrs. 593-681;
A. Vandeplas, «Het verzet in strafzaken» in Strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco, 1986, 36-56;
• Ph. Traest en J. Meese, «Hoger beroep en verzet in strafzaken: een stand van zaken en toekomstperspectieven» in Strafrecht en strafprocesrecht 2005-06, Mechelen, Kluwer, 2006, 467-506;
• K. Van hoogenbemt, «Art. 187 Sv.» in Wet en Duiding;
• Strafprocesrecht, Brussel, Larcier, 2010, 1189-1210;
• M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 993-1012;
• R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 1253-1273;
• D. De Wolf, Handboek correctioneel procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 157-178;
• M.A. Beernaert, H.D. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure, 2014, 1353-1379;
• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 1407-1448;
• F. Deruyck, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Brugge, die Keure, 2014, 236-241;
• C. Van den Wyngaert, B. De Smet en S. Vandromme, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 1327-1338;
• L. Arnou, «Het laten van verstek en het aantekenen van verzet in strafzaken. Een hoogmis van het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging» in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 1-18;
• B. De Smet, Verstek en verzet in strafzaken, Brussel, Larcier, 2014, 86 p.
• Cass. 9 mei 2001, Arr.Cass. 2001, nr. 265;
• Cass. 3 september 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 411;
• Cass. 8 november 2006, Arr.Cass. 2006, nr. 544;
• Cass. 16 maart 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 187;
• Cass. 5 december 2012, Pas. 2012, nr. 669;
• Antwerpen 4 november 1998, RW 1999-2000, 952, noot G. Stessens;
• Antwerpen 14 oktober 2009, RW 2010-11, 64, noot B. De Smet.
• Cass. 21 oktober 1997, Arr.Cass. 1997, 1013;
• Cass. 16 maart 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 187;
• Antwerpen 4 november 1998, RW 1999-2000, 952, noot G. Stessens.
• R. Declercq, «Enkele aspecten van de devolutieve werking van het verzet in strafzaken» in Liber amicorum Frédéric Dumon, Antwerpen, Kluwer, 1983, 383.
• Cass. 22 december 1989, Pas. 1990, I, 135;
• Cass. 8 juli 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 312. Zie: R. Verstraeten, o.c., 1261;
• Cass. 26 februari 2014, Arr.Cass. 2014, 548, Pas. 2014, nr. 156, conclusie advocaat-generaal D. Vandermeersch
• Cass. 22 februari 1994, Arr.Cass. 1994, nr. 88;
• Cass. 9 mei 1995, Arr.Cass. 1995, nr. 227, JT 1995, 766;
• Cass. 26 maart 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 201;
• GwH 6 november 2014, nr. 163/2014, www.const-court.be, rechtsoverweging B.2;
• GwH 6 november 2014, nr. 163/2014, www.const-court.be, rechtsoverweging B.5.4.
• Cass. 27 april 2011, Arr.Cass. 2011, nr. 280.
• Cass. 7 juni 1994, Arr.Cass. 1994, nr. 291;
• Cass. 29 april 2009, RW 2010-11, 1053, noot B. De Smet.
• T. Toremans, «De nietigheid van de betekening aan de procureur des Konings wegens kennis van de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde», RW 2013-14, 163-169;
• C. Van Deuren, «Schitteren door afwezigheid. Over de mogelijkheid van de afwezige beklaagde om zich te laten vertegenwoordigen door zijn raadsman» in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 445-460.
• EHRM 16 december 1992, Hennings t/Duitsland, A-251, www.echr.coe.int.
• EHRM 24 mei 2007, Da Luz Domingues Ferreira t/ België, JLMB 2009, 4, noot P. Thevissen;
• EHRM 29 juni 2010, Hakimi t/ België, NC 2010, 277;
• EHRM 1 maart 2011, Faniel t/ België, Vigiles 2013, 44, noot B. De Smet, T.Strafr. 2011, 193, noot C. Van Deuren, JLMB 2011, 798, noot P. Thevissen;
• Cass. 23 februari 2011, RW 2012-13, 216, noot B. De Smet.
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576, RW 2005-06, 142, noot A. Vandeplas.
• B. De Smet, «Ongedaan verzet» in Comm.Straf. 2008, 1-12;
• Cass. 6 juni 1995, RW 1995-96, 568, noot S. Van Overbeke;
• Cass. 18 oktober 1998, Arr.Cass. 1988-89, nr. 96;
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576.
• Cass. 25 maart 1987, Arr.Cass. 1986-87, nr. 455;
• Cass. 29 november 2000, Arr.Cass. 2000, nr. 653;
• Antwerpen 19 november 1996, Limb.Rechtsl. 1997, 86, noot L. Delbrouck.
• Cass. 11 april 1979, Arr.Cass. 1978-79, 974;
• Cass. 7 april 1987, Arr.Cass. 1986-87, nr. 475;
• Cass. 29 november 2000, Arr.Cass. 2000, nr. 653;
• Cass. 5 april 2006, Arr.Cass. 2006, nr. 202;
• Cass. 6 januari 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 10.
• N. Keijzer, Contempt of Court, Arnhem, Gouda Quint, 2000, 1-35.
•Bv. Cass. 4 mei 1994, Arr.Cass. 1994, 449.
• EHRM 21 januari 1999, Van Geyseghem t/ België, RDP 1999, 780, noot M.A. Beernaert;
• EHRM 20 maart 2001, Stroek t/ België,www.echr.coe.int.
• Cass. 4 juni 2013, Arr.Cass. 2013, nr. 337.
• C.J. Vanhoudt, Strafvordering, Gent, Story-Scientia, 1974, II, 277;
• E. Van Dooren, C. Verschueren en C. Van Deuren, «Overwegingen en suggesties nopens een modernisering van het hoger beroep in strafzaken», NC 2013, 428-430, F. Deruyck, o.c., 246.
• Cass. 19 juni 1991, Arr.Cass. 1990-91, nr. 540;
• Bergen 29 mei 1986, RDP 1987, 568.
• Cass. 6 juni 1995, RW 1995-96, 568, noot S. Van Overbeke;
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576.
• K. Van hoogenbemt, «Art. 188 Sv.» in Wet en Duiding. Strafprocesrecht, Brussel, Larcier, 2010, 300;
• Cass. 11 juni 2008, RW 2009-10, 406, noot B. De Smet;
• Gent 30 juni 1999, P&B 2001, 25.
• Cass. 27 september 1978, Pas. 1979, I, 131;
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576.
• Cass. 25 juni 1974, Pas. 1974, I, 1113.
• K. Van hoogenbemt, «Art. 188 Sv.» in Wet en Duiding. Strafprocesrecht, 300;
• Cass. 26 maart 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 205;
• Gent 30 juni 1999, P&B 2001, 25.
• A. Vandeplas, o.c.,Strafrecht voor rechtspratici, 51;

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 14/02/2015 - 15:58
Laatst aangepast op: za, 14/02/2015 - 15:58

Prima facie-geldigheid van octrooien

Publicatie
Auteur: 
Van Besien B
Tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/18
Pagina: 
1275
Samenvatting

Het belang van een werkelijke beoordeling van de ogenschijnlijke geldigheid van ocrooien in de nieuwe benadering van het Hof van Cassatie.

Bespreking en toelichting van de arresten van 26/06 en 12/09/2014

Inhoudstafel tekst: 

• Cassatie 26/06/2014 (juridat)

Samenvatting 

Uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 584, eerste lid, en 1039, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en 51 Octrooiwet volgt dat, niettegenstaande het bepaalde in dit laatste artikel, de kortgedingrechter niet kan beslissen dat de door hem genomen maatregelen nopens betwiste octrooirechten uitwerking zullen hebben totdat de beslissing van de bodemrechter tot vernietiging van het octrooi in kracht van gewijsde is getreden; dit sluit niet uit dat de kortgedingrechter bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, niettegenstaande de vernietigingsbeslissing, bewarende maatregelen treft indien de octrooihouder voldoende aannemelijk maakt dat zijn rechtsmiddel tegen deze beslissing succesvol zal zijn en dergelijke maatregelen geboden zijn gelet op de omstandigheden van de zaak zoals de duur van de procedure en de omvang van de mogelijke schade (1). (1) Zie concl. OM.

Tekst arrest

Nr. C.13.0336.N
1. SANDOZ nv, met zetel te 2870 Puurs, Lichterveld 7,
2. ACCORD HEALTHCARE bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 4891 TL Rijsbergen (Nederland), De Waterman 15, bus A,
eiseressen,

tegen
1. ASTRAZENECA nv, met zetel te 1180 Ukkel, Egide Van Ophemstraat 110,
2. ASTRAZENECA AB, vennootschap naar Zweeds recht, met zetel te 151 85 Södertälje (Zweden), Västra Mälerhemnen 9,
verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een mid-del aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweersters werpen een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel vertoont geen belang daar het opkomt tegen een overtollige reden.

2. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is niet te scheiden van het onderzoek van het middel.
De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Middel

3. Krachtens artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.
Artikel 1039, eerste lid, van hetzelfde wetboek, bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf.

4. Uit deze bepalingen volgt dat de beslissing van de kortgedingrechter op-houdt uitwerking te hebben vanaf een andersluidende beslissing van de bodem-rechter, ook al is deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad en werd tegen deze beslissing een rechtsmiddel aangewend.

5. Krachtens artikel 51, Octrooiwet wordt een beslissing waarbij een octrooi geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, slechts ingeschreven in het Register wanneer zij in kracht van gewijsde is gegaan en heeft de voorziening in cassatie tegen de beslissing tot nietigverklaring schorsende werking.

6. Uit het geheel van de voormelde bepalingen volgt dat, niettegenstaande het bepaalde in artikel 51 Octrooiwet, de kortgedingrechter niet kan beslissen dat de door hem genomen maatregelen nopens betwiste octrooirechten uitwerking zullen hebben totdat de beslissing van de bodemrechter tot vernietiging van het octrooi in kracht van gewijsde is getreden. Dit sluit niet uit dat de kortgedingrechter bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, niettegen-staande de vernietigingsbeslissing, bewarende maatregelen treft indien de octrooi-houder voldoende aannemelijk maakt dat zijn rechtsmiddel tegen deze beslissing succesvol zal zijn en dergelijke maatregelen geboden zijn gelet op de omstandig-heid van de zaak zoals de duur van de procedure en de omvang van de mogelijke schade.

7. De eiseressen vorderden dat de duur van een eventueel tegen hen uitgespro-ken inbreukverbod op het octrooi van de verweersters slechts van kracht zou blij-ven tot een uitspraak ten gronde van een Belgische rechtbank.

De appelrechters verwerpen dit verweer met de reden dat "bij het verzoek van [de eiseressen] (...) immers geen rekening (wordt) gehouden met het niet bij voorraad uitvoerbare karakter van een eventuele beslissing tot vernietiging van het octrooi in eerste aanleg, en de schorsende werking van een eventuele voorziening in cassatie tegen een dergelijke beslissing in hoger beroep".

8. De appelrechters die aldus aan de voorlopige maatregelen uitwerking geven tot na het tijdstip waarop het octrooi bij een beslissing van de bodemrechter wordt vernietigd, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseressen die ertoe strekte te horen zeggen dat het inbreukverbod hoogstens van kracht blijft tot een uitspraak ten gronde van een Belgische rechtbank tussenkomt, als ongegrond afwijst.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de verweersters tot de kosten.

 

C.13.0336.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De betwisting kadert in de beslissing van de appelrechters om de uitwerking van de voorlopige maatregelen i.v.m. een Europees octrooi (om redenen verbonden met de specificiteit van de nietigverklaring ervan(1)) niet te beperken tot op het moment dat een bodemrechter een beslissing ten gronde neemt.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. De maatregelen die de kortgedingrechter neemt zijn gebaseerd op een prima facie-beoordeling: de beschikkingen in kort geding mogen dan ook geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf (cf. art. 1039 Ger.W.), wat echter niet belet dat die rechter de rechten van de partijen mag onderzoeken, in zoverre de maatregelen die hij beveelt die partijen niet op een definitieve en onherroepelijke wijze schaden(2).

2. Uit de artikelen 584 en 1039 Ger.W. volgt volgens uw Hof(3) dat zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, de beslissing in kort geding van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben, dit ongeacht wat de kortgedingrechter heeft beslist omtrent de looptijd van de door hem bevolen maatregel. Het arrest van uw Hof d.d. 8 maart 2012(4) voegde daaraan toe dat de beslissing van de kortgedingrechter aldus uitwerking heeft tot op het ogenblik van de andersluidende beslissing van de bodemrechter en zonder dat aan deze laatste beslissing in kort geding terugwerkende kracht wordt verleend.

3. Het uitgangspunt is dat de beschikking in kort geding gewezen in toepassing van art. 584 Ger.W., krachtens art. 24 van dit wetboek (zoals elke eindbeslissing) gezag van gewijsde heeft vanaf de uitspraak(5), gezag dat, krachtens art. 26 Ger.W., blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt. Deze beschikking brengt, krachtens het art. 1039, eerste lid, Ger.W., geen nadeel toe aan de zaak zelf(6).

4. Reeds in zijn arrest van 7 mei 1941(7) stelde uw Hof dat de beslissing van de bodemrechters het vonnis dat de voorlopige maatregel bevat, laat bestaan, en dus niet met terugwerkende kracht ongedaan maakt, zodat de beslissing van de bodemrechter dus enkel werkt "ex nune"(8): er is geen retroactieve werking van de beslissing van de bodemrechter(9).

5. Binnen de context van de beoordeling van de taken van de rechter in kort geding na een vernietiging van een octrooi door de bodemrechter, werd in dat kader onlangs nog door uw Hof geoordeeld(10) dat de rechter in kort geding die geadieerd wordt om zich over een voorlopige maatregel houdende verbod van octrooi - inbreuk uit te spreken, redelijkerwijze rekening mag houden met de bescherming geboden door een octrooi bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten die de maatregel verantwoorden, zelfs als werd dat octrooi door de bodemrechter vernietigd bij beslissing in eerste aanleg, zolang er niet op definitieve wijze beslist werd over het hoger beroep tegen het vonnis dat de vernietiging van het octrooi uitspreekt.

6. Eén en ander bevestigt m.i. de zienswijze ter zake dat de rechter in kort geding wel nog rekening mag houden met de bescherming geboden op basis van een octrooi, ook al werd het vernietigd, en dit zolang de vernietiging niet definitief en onherroepelijk is (gelet op de zwaarwichtige gevolgen van de vernietiging van een octrooi, het precaire karakter ervan gelet op het hoger beroep, en ook gelet op het feit dat een voorziening in cassatie i.g.v. vernietiging van een octrooi, per uitzondering, wel schorsende werking heeft(11).

7. Voormeld arrest ligt m.i. eveneens in de lijn van uw arrest van 5 januari 2012(12) m.b.t. art. 106 van het Europees Octrooiverdrag en de gevolgen daarvan op de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, zolang geen eindbeslissing in de oppositieprocedure is tussengekomen.
Een kortgedingrechter kan zich dus op de prima facie-geldigheid van een dergelijk octrooi beroepen om, niettegenstaande de vernietigingsbeslissing, toch verbodsmaatregelen op te leggen. Gelet op de schorsende werking van het hoger beroep tegen een beslissing, houdende nietigverklaring van een octrooi, en door de niet-uitvoerbaarheid bij voorraad van een dergelijke beslissing, is het gezag van gewijsde van de vernietigingsbeslissing slechts voorwaardelijk.

8. Door het handhaven van de regel dat de voorlopige maatregelen hun uitwerking verliezen van zodra een beslissing ten gronde tussenkomst, wordt m.i. dus niet geraakt aan de rechten die de octrooihouder ontleent aan het vermoeden van geldigheid van het octrooi totdat het uit het register wordt geschrapt. Dit vermoeden is de ratio legis van het verbod van voorlopige tenuitvoerlegging van de beslissingen tot vernietiging van het octrooi en het schorsend karakter van de cassatievoorziening. Er is dus ook geen schending van deze regels.

9. Op basis van voormelde benadering komt het mij dan ook voor dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat het enig middel derhalve gegrond is.
(...)
III. CONCLUSIE: VERNIETIGING.
______________________
(1) Zie F. Lejeune, L'annulation d'un brevet et l'exécution provisoire, simple question d'opportunité ou véritable interdiction?, JT 2013, 409 e.v.
(2) Cass. 9 september 1982, AR nr. 6644, AC 1982-83, nr. 28.
(3) Cass. 28 januari 2011, AR C.09.0360.N, AC 2011, nr. 84.
(4) Cass. 8 maart 2012, AR C.11.0124.N, AC 2012, nr. 158.
(5) J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers, P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, nr. 278.
(6) Zie de concl. van adv.-gen. Dubrulle m.b.t. Cass. 8 maart 2012, AC 2012, nr. 158, (583), 584.
(7) Cass. 7 mei 1941, Pas. 1941, I, 278.
(8) J. Brijs, L'intervention du juge des référés dans l'exécution - L'exécution du juge des référés, in Le référé judiciaire, 2003, 356, nr. 40.
(9) S. Beernaert, Status questionis van het civiele kort geding, in P. Van Orshoven, (éd.), Themis Gerechtelijk Privaatrecht, Brugge, Die Keure, 2001, nr. 35.
(10) Cass. 24 juni 2013, AR C.12.0450.F, met concl. van adv.-gen. Genicot.
(11) K. Wagner, RABG 2013/20, noot onder Cass. 24 juni 2013, 1430 c.v.
(12) Cass. 5 januari 2012, AR C.11.0101.N, AC 2012, nr. 10.
(13) Zie Cass. 28 januari 2011, AR C.09.0360.N, AC 2011, nr. 84.
 


• Cassatie 12/09/2014 (juridat)

samenvatting

Artikel 1369bis/1, §3, eerste lid, 1), Gerechtelijk Wetboek verplicht de voorzitter om de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi, dat ten grondslag ligt van het beschrijvend beslag, te beoordelen, rekening houdend met alle door de partijen ingeroepen feiten en omstandigheden die verband houden met de geldigheid van dit octrooi

tekst arrest

Nr. C.13.0232.N

SYRAL BELGIUM nv, met zetel te 9300 Aalst, Burchtstraat 10,
eiseres,

tegen

ROQUETTE FRERES sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 62136 Lestrem (Frankrijk), rue de la Haute Loge 1,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 februari 2013, gewezen op verwijzing na cassatie bij arrest van het Hof van 29 september 2011.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 1369bis/1, § 3, eerste lid, 1), Gerechtelijk Wetboek verplicht de voorzitter om de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi, dat ten grondslag ligt van het beschrijvend beslag, te beoordelen rekening houdend met alle door de par-tijen ingeroepen feiten en omstandigheden die verband houden met de geldigheid van dit octrooi.
Zo kan hij om de ogenschijnlijke rechten van de houder van een buitenlands oc-trooi te beoordelen, dit octrooi, samen met de overige daartoe dienstige elemen-ten, nog steeds in aanmerking nemen, ook al werd dit octrooi vernietigd bij een beslissing van een buitenlandse rechter, waartegen een rechtsmiddel met schorsende werking werd ingesteld, waaromtrent nog geen definitieve uitspraak werd gedaan.

In geval van ernstige betwisting van het kwestieuze octrooi kan hij de ogenschijnlijke geldigheid van de titel evenwel niet aannemen door louter te verwijzen naar de schorsende werking van het rechtsmiddel dat tegen de beslissing tot vernieti-ging van het octrooi werd aangewend.

2. De appelrechter stelt vast dat:
- de eiseres aanvoert dat de rechtbank van eerste aanleg te Rijsel op 24 mei 2012 het gehele Franse octrooi, met inbegrip van conclusie 19, nietig heeft verklaard wegens gebrek aan nieuwheid en dat dit een uitgebreid gemotiveerd vonnis was;
- de verweerster erop wijst dat tegen dit vonnis een rechtsmiddel werd aange-wend dat krachtens de Franse procedureregels schorsende werking heeft.

3. Door te oordelen dat "in casu onder de voorvermelde omstandigheden de nietigverklaring (voorlopig) geen juridische uitwerking heeft en dat [de verweer-ster] zich als octrooihouder kan blijven beroepen op de exclusieve rechten die voortvloeien uit haar Franse octrooi", verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel
Gronden van niet-ontvankelijkheid

4. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk daar de beslissing wordt geschraagd door de in het eerste onderdeel vergeefs aangevochten reden.

5. Ingevolge het antwoord op het eerste onderdeel, vertoont de kritiek uitgeoe-fend op de redenen geviseerd door het derde onderdeel, waarop de beslissing eveneens rust, wel belang.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

6. De verweerster werpt een tweede grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel vermengt recht en feiten.

7. Anders dan de verweerster aanvoert, dient het Hof geen inhoudelijk onder-zoek door te voeren van de Engelse beslissingen, om te oordelen of de appelrech-ter de in het onderdeel genoemde schendingen heeft begaan.

De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Gegrondheid

8. Artikel 2, § 2, van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend te München op 5 oktober 1973 en goedgekeurd bij wet van 8 juli 1977, zoals gewijzigd bij de Akte van herziening van 29 november 2000, vastgesteld bij Beslissing van de Raad van Bestuur van 28 juni 2001 en goedgekeurd bij wet van 21 april 2007, bepaalt dat het Europees octrooi dezelfde rechtsgevolgen heeft in elk van de Verdragsluitende Staten waarvoor het wordt verleend en aan dezelfde regeling is onderworpen als een in die Staat verleend nationaal octrooi, tenzij het Verdrag anders bepaalt.

Krachtens artikel 138, § 1, van het voormeld Verdrag kan een Europees octrooi met rechtsgevolgen in een Verdragsluitende Staat slechts nietig worden verklaard in de aldaar bepaalde gevallen zodat de geldigheid van een Europees octrooi in elke Verdragsluitende Staat waarvoor het octrooi werd verleend op grond van de-zelfde criteria moet worden getoetst.

Hieruit volgt dat, hoewel de nietigverklaring van een Europees octrooi, verleend voor een bepaalde Staat, enkel uitwerking heeft op het territorium van die Staat en dienvolgens geen rechtsgevolgen sorteert in een andere Staat, deze nietigverkla-ring en de daaraan ten grondslag liggende motieven pertinent kunnen zijn bij de beoordeling van de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi in een andere staat waarvoor het werd verleend.

9. Artikel 1369bis/1, § 3, eerste lid, 1), Gerechtelijk Wetboek verplicht de voorzitter om de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi, dat ten grondslag ligt van het beschrijvend beslag, te beoordelen, rekening houdend met alle door de partijen ingeroepen feiten en omstandigheden die verband houden met de geldig-heid van dit octrooi.

10. Door te oordelen dat de vernietiging van een bepaald luik van een Europees octrooi enkel territoriale werking heeft en op die grond de definitieve uitspraken van de Engelse rechtbanken waarbij het Engelse luik van het Europees octrooi nietig werd verklaard, terzijde te laten bij de beoordeling van de ogenschijnlijke geldigheid van het Belgische luik van het Europees octrooi, verantwoordt de ap-pelrechter zijn beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

C.13.0232.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Het huidig geschil kadert in een beschrijvend beslag inzake namaak dat verweerster lastens eiseres legde wegens beweerde inbreuk op haar octrooien.

2. Eiseres tekende daartegen derdenverzet aan dat bij arrest van het hof van beroep te Gent van 22 december 2009 gegrond werd verklaard, maar welke beslissing door uw Hof bij arrest van 29 september 2011 (op grond van de Taalwet Gerechtszaken) werd vernietigd.

3. Op verwijzing verklaarde het hof van beroep te Antwerpen, bij arrest van 1 februari 2013, het derdenverzet tegen de toelating tot beschrijvend beslag ongegrond, na verwerping van de door eiseres aangevoerde grief dat verweerster niet over ogenschijnlijk geldige octrooirechten beschikte gelet op de vaststellingen gedaan door de Franse rechtbank, i.v.m. het ingeroepen Franse octrooi, en door de Engelse gerechten, i.v.m. het Engels luik van het ingeroepen Europees octrooi.

4. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat, op basis van vier onderdelen, het bestreden arrest verwijt, door het Franse vonnis van nietigverklaring van het Franse octrooi van verweerster evenals de uitspraken van de Engelse gerechten over het Engels luik van haar Europees octrooi buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de prima facie-geldigheid van dat octrooi alhier, de artikelen 33, §1, 36 en 37 van de Verordening 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke - en handelszaken, evenals de artikelen 2, § 2, en 138, §1, van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien en art. 1369bis/1, §3, lid 1, 1, van het Gerechtelijk Wetboek te schenden.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. Overeenkomstig artikel 1369bis/1, §3, lid 1, 1, Ger.W. onderzoekt de voorzitter, die uitspraak doet over een verzoek tot verkrijging van maatregelen tot beschrijving, of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is.

2. Binnen de context van de beoordeling van de taken van de rechter in kort geding na een vernietiging van een octrooi door de bodemrechter, werd in dat kader onlangs nog door uw Hof geoordeeld(1) dat de rechter in kort geding die geadieerd wordt om zich over een voorlopige maatregel houdende verbod van octrooi - inbreuk uit te spreken, redelijkerwijze rekening mag houden met de bescherming geboden door een octrooi bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten die de maatregel verantwoorden, zelfs als werd dat octrooi door de bodemrechter vernietigd bij beslissing in eerste aanleg, zolang er niet op definitieve wijze beslist werd over het hoger beroep tegen het vonnis dat de vernietiging van het octrooi uitspreekt.

3. Eén en ander bevestigt m.i. de zienswijze ter zake dat de rechter in kort geding wel nog rekening mag houden met de bescherming geboden op basis van een octrooi, ook al werd het vernietigd, en dit zolang de vernietiging niet definitief en onherroepelijk is (gelet op de zwaarwichtige gevolgen van de vernietiging van een octrooi, het precaire karakter ervan gelet op het hoger beroep, en ook gelet op het feit dat een voorziening in cassatie i.g.v. vernietiging van een octrooi, per uitzondering, wel schorsende werking heeft(2).

4. Voormeld arrest ligt m.i. eveneens in de lijn van uw arrest van 5 januari 2012(3) m.b.t. art. 106 van het Europees Octrooiverdrag en de gevolgen daarvan op de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, zolang geen eindbeslissing in de oppositieprocedure is tussengekomen.

Een kortgedingrechter kan zich dus op de prima facie-geldigheid van een dergelijk octrooi beroepen om, niettegenstaande de vernietigingsbeslissing, toch verbodsmaatregelen op te leggen. Gelet op de schorsende werking van het hoger beroep tegen een beslissing houdende nietigverklaring van een octrooi, en door de niet-uitvoerbaarheid bij voorraad van een dergelijke beslissing, is (het gezag van gewijsde) van de vernietigingsbeslissing slechts voorwaardelijk.

5. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt bovendien dat de erkenning van een buitenlandse beslissing "ten gevolge dient te hebben dat de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in het land waar zij zijn gewezen". Derhalve moet een krachtens artikel 33 van verordening nr. 44/2001 erkende buitenlandse beslissing in de aangezochte staat in beginsel dezelfde werking hebben als zij in de staat van herkomst heeft(4).

6. Dit houdt in dat men het gezag van gewijsde van een buitenlandse beslissing erkent(5), te meer daar uit artikel 36 van verordening nr. 44/2001 blijkt dat overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen "in geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid" van de door het gerecht van de lidstaat van herkomst gegeven beslissing(6). Uit het arrest van het Hof van Justitie van 28 april 2009 in de zaak Apostolides(7) volgt tevens dat er geen reden is om bij de tenuitvoerlegging van een beslissing aan deze beslissing rechten toe te kennen die deze in het nationale recht van de betrokken lidstaten niet heeft.

7. Waar de prima facie-geldigheid van het octrooi als dusdanig traditioneel meestal wordt aanvaard niettegenstaande een nietigverklaring in eerste aanleg door een rechtbank of een administratie(8), rijst m.i. echter de vraag of dit een niet te formalistische redenering is (die voorbijgaat aan de realiteit van een Europese titel - weliswaar uiteenvallend in een bundel van nationale octrooien - waarbij (vreemde) uitspraken over, in wezen, hetzelfde octrooi, eenvoudigweg worden genegeerd) en of de rechter wel voldoet aan zijn plicht om de ogenschijnlijke geldigheid te beoordelen door louter vast te stellen dat er nog geen definitieve uitspraak hierover is gedaan.

8. In die context mag (kan) niet worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat een en ander meer en meer bekritiseerd wordt in de rechtsleer(9), en dat ook in de rechtspraak tot nu er al enkele beslissingen waren die de prima facie-geldigheid van een in eerste aanleg (in het buitenland) vernietigde titel niet voldoende achten voor het toestaan van voorlopige maatregelen(10) of om meer uitgebreid in te gaan op prima facie-geldigheid, zonder die echter af te wijzen(11).

9. De geldigheid van een octrooi dat voorlopig nietig is verklaard, is een vermoeden iuris tantum. De rechter die de prima facie-geldigheid moet beoordelen mag aldus, op grond van de feiten en argumenten aangebracht door de partijen, dit vermoeden als weerlegd beschouwen. Ingevolge artikel 1369bis/1, §3, lid 1, Ger.W. moet hij daarbij rekening houden met alle elementen die hem door partijen worden aangereikt om tot een oordeel over de ogenschijnlijke geldigheid te komen. Hieraan wordt m.i. geen afbreuk gedaan door de beslissing van uw Hof d.d. 12 april 2012(12) dat uit de tekst van artikel 1369bis/1, §3 en §5, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de vervulling van de voorwaarden vereist voor het verkrijgen, naast de beschrijving, van beslagmaatregelen, moet worden vastgesteld op het ogenblik dat de bedoelde maatregelen worden gelast en dat de rechter op derdenverzet de vervulling van die voorwaarde niet vermag af te leiden uit de elementen verkregen ingevolge de gelaste maatregelen van beschrijving en beslag.

10. Als dusdanig kon in casu de nietigheid van het Engelse luik van het Europees octrooi eveneens wel degelijk, op grond van de artikelen 2, §2, en 138, §1, van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien(13), die betrekking hebben op de rechtsgevolgen ervan in elk van de Verdragsluitende staten, een ernstig vermoeden van niet-geldigheid van het Belgisch deel van dit octrooi inhouden, zodat een rechter dit als voldoende pertinent kon beschouwen om te besluiten tot de niet prima facie-geldigheid van dit Belgische deel van het octrooi. Dat dit niet gebeurde omdat de appelrechter vasthield aan het territorialiteitsprincipe dat eigen is aan het octrooirecht (elk octrooi geldt maar in zijn staat) en ook Europese octrooien, na centrale verlening, eigenlijk te beschouwen zijn als nationale octrooien die uiteenvallen in een bundel van nationale octrooirechten, is m.i. weliswaar niet foutief, maar gaat blijkbaar wel in tegen een waar te nemen tendens in de recente rechtspraak van gespecialiseerde hoogste hoven in Europa en rechtsleer om deze grenzen, wat het Europees octrooi betreft, te doorbreken en werkelijk rekening te houden met de beslissingen over hetzelfde octrooi verleend voor een andere EOB-lidstaat(14).

11. Op basis van de hierboven toegelichte elementen ben ik dan ook van oordeel dat de appelrechter, in geval van ernstige betwisting van het octrooi en bij het terzijde laten van sterke aanwijzingen daartoe, zijn beslissing in deze niet naar recht verantwoordt, en dat het eerste en het derde onderdeel van het enig middel m.i. derhalve gegrond zijn.

12. De door verweerster m.b.t. het derde onderdeel van het middel opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid (bij gebrek aan belang en ingevolge vermenging van recht en feiten) dienen naar mijn oordeel te worden verworpen, daar, enerzijds, ingevolge het antwoord op het eerste onderdeel de m.b.t. het derde onderdeel uitgeoefende kritiek wel degelijk belang vertoont, en, anderzijds, geen onderzoek van feiten zich opdringt wat de mogelijke impact van de Engelse uitspraken betreft.

III. CONCLUSIE: nu de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, concludeer ik tot VERNIETIGING.
_________________
(1) Cass. 24 juni 2013, AR C.12.0450.F, AC 2013, nr. 392 met concl. van adv.-gen. Genicot.
(2) K. Wagner, RAGB 2013/20, noot onder Cass. 24 juni 2013, 1430 e.v.
(3) Cass. 5 januari 2012, AR C.11.0101.N, AC 2012, nr. 10.
(4) Hof van Justitie, 15 nov. 2012, zaak C - 456/11, punt 34; zie ook datzelfde Hof, 4 feb. 1988, arrest Hoffman, 145/86, Jur. 645, punt 10 en 11.
(5) R. Jafferali, le règlement Bruxelles I dans la jurisprudence des cours suprêmes (2010-2012) Allemagne, Belgique, France, Pays-Bas et Royaume-Uni, TBH 2013, (357), 391, nr. 59.
(6) Hof van Justitie, 15 nov. 2012, zaak C - 456/11, punt 37.
(7) Ibidem, punt 42; zie ook Hof van Justitie, 28 april 2009, Apostolides, C-420/07, Jurispr. I-3571, punt 66.
(8) P. de Jong, O. Vrins, C. Ronse, Evoluties in het octrooirecht. Overzicht van rechtspraak 2007-2010, TBH 2011, (393), 429-430; B. Remiche, V. Cassiers, Droit des brevets d'invention et du sauvoir-faire, Brussel, Larcier, 2010, 565-566, en rechtspraak aldaar.
(9) Zie o.m.: S. Mombaerts, Nietigheid van octrooien, Jura Fabronis, 2011-12, 644; S. Van Den Brande, De prima facie-geldigheid van octrooien als voorwaarde in kortgeding, noot onder Brussel 26 okt. 2010, RABG 2011, 39; S. Wuyts, De prima facie-geldigheid van Europese octrooien bevestigd door het Hof van Cassatie, wat nu?, noot bij Cass. 5 januari 2012, RABG 2012, 1404; J.D. Lindemans, Biosimilars en Belgische octrooiverschillen (zoals) in kortgeding: een geïnformatiseerd magistraat is meer waard, IRDI 2013, (150), 152-157.
(10) Antwerpen, 23 mei 2007, IRDI 2007, 261, met noot B. Vandermeulen, Het oppervlakkig onderzoek naar de prima facie-geldigheid van (Europese) octrooien, IRDI 2007, 277.
(11) Vz. Kh. Antwerpen, 16 november 2010, IRDI 2010, 483; K. Roose, noot onder die beslissing, kluwerpatentblog.
(12) Cass. 26 april 2012, AR C.11.0393.N, AC 2012, nr. 261; zie ook Cass. 25 november 2011, AR C.10.0559.F, AC 2011, nr. 646.
(13) Goedgekeurd bij wet van 8 juli 1977, zoals gewijzigd bij de akte van herziening van 29 november 2000, vastgesteld bij Beslissing van de Raad van Bestuur van 28 juni 2001 en goedgekeurd bij wet van 21 april 2007.
(14) Zie C. Deconinck, Over cijfers en letterlijke inbreuken, noot onder Cass. 3 februari 2012, TBH 2013, (278), 280, nr. 5 en rechtspraak alsdaar.
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 03/02/2015 - 18:28
Laatst aangepast op: di, 03/02/2015 - 18:38

Grooming en cyberlokking strafbaar

Publicatie
Auteur: 
Stevens Liesbet
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
844
Samenvatting

Deze bijdrage bespreekt de wet van 14 april 2014 tot wijziging van het Strafwetboek teneinde kinderen te beschermen tegen cyberlokkers:

"Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In boek II, titel VIII, hoofdstuk III, van het Strafwetboek, wordt een afdeling VIII ingevoegd, luidende "Lokken van minderjarigen op internet met het oog op het plegen van een misdaad of een wanbedrijf".

Art. 3. In afdeling VIII, ingevoegd bij artikel 2, wordt een artikel 433bis/1 ingevoegd, luidende :
"Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar wordt gestraft de meerderjarige die door middel van informatie- en communicatietechnologieën communiceert met een kennelijk of vermoedelijk minderjarige om het plegen van een misdaad of een wanbedrijf jegens hem te vergemakkelijken :
1° indien hij zijn identiteit, leeftijd en hoedanigheid heeft verzwegen of hierover heeft gelogen;
2° indien hij de nadruk heeft gelegd op de in acht te nemen discretie over hun gesprekken;
3° indien hij enig geschenk of voordeel heeft aangeboden of voorgespiegeld;
4° indien hij enige andere list heeft aangewend.".

Deze bijdrage bespreekt tevens een tweede wet van 14 april 2014, betreffende de bescherming van minderjarigen tegen benadering met als oogmerk het plegen van strafbare feiten van seksuele aard

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In boek II, titel VII, hoofdstuk V, van het Strafwetboek, wordt een artikel 377ter ingevoegd, luidende :
"Art. 377ter. In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk of in de hoofdstukken VI en VII van deze Titel, wordt de minimumstraf van de bij die artikelen bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd ten aanzien van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar en deze misdaad of dit wanbedrijf is voorafgegaan door een benadering van deze minderjarige vanwege de dader met het oogmerk op een later tijdstip de in dit hoofdstuk of in de hoofdstukken VI en VII van deze Titel bepaalde feiten te plegen.
In de gevallen bedoeld in artikel 377, vierde tot zesde lid, wordt de verhoging van de minimumstraf bepaald in het eerste lid beperkt in die mate dat deze, toegepast samen met de verhoging van de straffen bepaald in artikel 377bis, niet hoger komt te liggen dan de bepaalde maximumstraf.".

Art. 3. In boek II, titel VII, hoofdstuk V, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 377quater ingevoegd, luidende :
"Art. 377quater. De meerderjarige die door middel van de informatie- en communicatietechnologie aan een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar een voorstel doet tot ontmoeting met het oogmerk een misdrijf te plegen bepaald in dit hoofdstuk of in de hoofdstukken VI en VII van deze Titel, wordt, voor zover dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden, gestraft met een gevangenisstraf van één jaar tot vijf jaar.".

Art. 4. In artikel 382bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, vervangen bij de wet van 28 november 2000 en laatst gewijzigd bij de wet van 14 december 2012, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "379 tot 380ter".

Art. 5. In artikel 382quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 december 2012, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "379 tot 380ter".

Art. 6. In artikel 458bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, gewijzigd bij de wet van 30 november 2011 en bij de wet van 23 februari 2012, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "392 tot 394".

Art. 7. In artikel 10ter, eerste lid, 2°, van de wet van 18 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, vervangen bij de wet van 28 november 2000 en laatst gewijzigd bij de wet van 6 februari 2012, wordt het woord ", 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "en 409".

Art. 8. In artikel 21, derde lid, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 november 2011, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,".

Art. 9. In artikel 21bis, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995 en gewijzigd bij de wetten van 28 november 2000 en 30 november 2011, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,".

Art. 10. In artikel 91bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995 en gewijzigd bij de wetten van 28 november 2000 en 10 augustus 2005, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,"

Art. 11. In artikel 92, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 30 november 2011, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,".

Art. 12. In artikel 20, tweede lid, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de woorden "en 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "van het Strafwetboek".

Art. 13. In artikel 20bis, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, worden de woorden "en 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "van het Strafwetboek".

Art. 14. In artikel 9bis, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de woorden "en 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "van het Strafwetboek".

Art. 15. In artikel 25, § 2, d), eerste streepje, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, laatst gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, worden de woorden "377ter, 377quater," ingevoegd tussen het woord "377bis," en het woord "379,".

Art. 16. In artikel 26, § 2, d), eerste streepje, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, worden de woorden "377ter, 377quater," ingevoegd tussen het woord "377bis," en het woord "379,".

Art. 17. In artikel 5, § 4, 2°, b), van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, laatst gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "392 tot 410,".

Art. 18. In artikel 15, § 1, van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "de artikelen 372 tot 377," en de woorden "379 tot 380ter,".
 

Inhoudstafel tekst: 

Grooming en cyberlokking strafbaar. Uitbreiding van de strafrechtelijke bescherming van de seksuele integriteit van minderjarigen in cyberspace

Inleiding

I. Grooming

A. Begrip

"Grooming is het benaderen van kinderen en jongeren en het opbouwen van een vertrouwensrelatie met hen met als uiteindelijk doel het mogelijk maken van seksueel misbruik door de seksuele of andere drempels en remmingen van het kind of de jongere weg te werken of te verlagen. 26 Seksueel misbruik, en zeker langdurig seksueel misbruik, is doorgaans niet het onverwachte gevolg van een reeks toevallige factoren, maar wel het resultaat van een dergelijk weloverwogen proces van grooming door de dader"

B. Online grooming

1° Constitutieve bestanddelen

a) Materieel element
i) door een meerderjarige aan een min-zestienjarige;
ii) door middel van informatie- en communicatietechnologie;
iii) doen van een voorstel tot ontmoeting;
iv) gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting zouden kunnen leiden.

b) Moreel element

voorstellen van een ontmoeting aan een min-zestienjarige met het bijzonder motief (bijzonder opzet) om aldus een aanranding van de eerbaarheid, een verkrachting of een vorm van aanzetten tot ontucht of prostitutie of van openbare zedenschennis op of met de min-zestienjarige te kunnen plegen

2° Bijzondere straf(proces)rechtelijke aspecten

a) Strafwetboek
b) Voorafgaande Titel Sv.
c) Wetboek van Strafvordering
d) Wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten en wet betreffende de internering van personen met een geestesstoornis

C. Grooming als verzwarende omstandigheid

1° Materieel element

a) wanneer de dader een seksueel misdrijf op of met een min-zestienjarige pleegde en dit misdrijf
b) voorafgegaan werd door een benadering van deze minderjarige door de dader
c) met het oogmerk op een later tijdstip het seksuele misdrijf op of met de min-zestienjarige te plegen.

2° Moreel element: het oogmerk op een later tijdstip een seksueel misdrijf te plegen

3° Effect op de strafmaat
verdubbeling van de minimumstraf in geval van een gevangenisstraf en verhoging met twee jaar in geval van opsluiting

II. Cyberlokking

A. Begrip

B. Constitutieve bestanddelen

1° Materieel element

a) Leeftijd van het slachtoffer en de dader en de problematiek van de zogenaamde «lokpuber

b) Door middel van informatie- en communicatietechnologie communiceren

c) Modus operandi

III. Besluit

2° Moreel elemen

C. Bijzondere straf(proces)rechtelijke aspectent

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/01/2015 - 18:44
Laatst aangepast op: zo, 25/01/2015 - 18:44

Derdenverzet na machtiging tot beslag inzake namaak toegestaan op eenzijdig verzoekschrift: wat met de intussen aangetroffen sporen van namaak?

Publicatie
Auteur: 
Van Den Bergh B
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
826
Samenvatting

Noot onder Hof van Cassatie,1e Kamer – 2 mei 2013, RW 2014-2015, 826

Inhoudstafel tekst: 

Arrest van het Hof van Cassatie,1e Kamer – 2 mei 2013, RW 2014-2015, 826:

 

AR nr. C.12.0150.F

Vennootschap naar het recht van de Staat Delaware e.a. t/ P.J. en BVBA A.-U.E.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Brussel van 31 maart en 15 september 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens art. 1122, eerste lid Ger.W. en onder voorbehoud van de in dat artikel bepaalde uitzonderingen, die te dezen niet van toepassing zijn, kan eenieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet doen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt.

Inzake de positie van de derde oefent de rechter die van het derdenverzet kennisneemt, zijn volledige rechtsmacht uit over wat in de litigieuze beslissing is beslist. Binnen die grenzen mag de derde alle middelen in feite en in rechte aanvoeren en wordt hij hierbij in beginsel niet beperkt door de proceshouding die de verzoeker in het oorspronkelijke geding had aangenomen.

De rechter die van een derdenverzet kennisneemt, moet evenwel, in dezelfde omstandigheden als de eerste rechter, nagaan of de procedure op verzoekschrift regelmatig is en of de door de eerste rechter bevolen maatregelen gegrond zijn.

Uit de tekst van art. 1369bis/1, § 5 Ger.W. volgt dat het beslag inzake intellectuele rechten niet zonder voorafgaande beschrijving kan worden toegestaan.

Wanneer het beslag tezelfdertijd als de beschrijving wordt gevorderd, onderzoekt de rechter enerzijds, met toepassing van art. 1369bis/1, § 3 Ger.W., of er aanwijzingen bestaan volgens welke op het betrokken intellectueel eigendomsrecht inbreuk is gepleegd of dreigde te worden gepleegd en, anderzijds, met toepassing van art. 1369bis/1, § 5, 2) Ger.W., of de inbreuk op het betrokken intellectueel eigendomsrecht niet redelijkerwijs kan worden betwist.

De aanwijzingen van een inbreuk op het intellectueel eigendomsrecht, op grond waarvan de beschrijvende maatregel kan worden bevolen, moeten worden vastgesteld op de datum waarop de eerste rechter over het eenzijdig verzoekschrift uitspraak doet.

De aanwijzingen van een inbreuk op dat recht kunnen bijgevolg niet worden afgeleid uit de gegevens verkregen ingevolge de uitvoering zelf van de maatregel en, meer bepaald, uit het deskundigenverslag dat is opgemaakt ter uitvoering van de beschikking waartegen derdenverzet is gedaan.

Het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De aanwijzingen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, op grond waarvan de beschrijvende maatregel kan worden bevolen, kunnen niet worden beschouwd als een deskundigenonderzoek noch als vermoeden worden afgeleid uit de gegevens verkregen ingevolge de uitvoering zelf van die maatregel.

Het onderdeel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

...

Rechtspraak:

• Cass. 26 november 2009, Pas. 2009, I, 2781).

• Cass. 8 maart 2010, IRDI 2010, 139;

• Beslagr. Brussel 13 mei 2005, IRDI 2005, 432;

• Beslagr. Brussel 16 juni 2004, IRDI 2004, 188;

• GwH 9 augustus 2012, 105/2012, nr. 5247, JLMB 2013, 1611, Soc.Kron. 2013, 500)

• Gent 14 november 2011, Computerr. 2012, 300

• Brussel 8 februari 2011, IRDI 2012, 225

• Cass. 4 februari 2011, RW 2011-12, 866, noot J. Van Doninck

• Brussel 22 februari 2011), IRDI 2011, p. 132, nr. 3;

• Beslagr. Leuven 9 juli 2002, IRDI 2004, 153.

• Cass. 26 april 2012, Pas. 2012, I, 929;

• Cass. 25 november 2011, Pas. 2011, I, 2607, IRDI 2012, 217, P&B 2012, 216

Rechtsleer:

• H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, p. 786-787, nr. 1141

• J.-D. Lindemans, “Het verzoek om te worden gehoord van de partij die het voorwerp dreigt te worden van een beslag inzake namaak: voorkomen is steeds beter dan genezen”, Ing.Cons. 2010, (496) 512).

• F. De Visscher en P. Bruwier, La saisie-description et sa réforme, Brussel, Larcier, 2011, p. 131, nr. 182;

• A. Cruquenaire en J. Henrotte, “La preuve d’une atteinte aux droits de propriété intellectuelle doit-elle être rapportée dans le respect des droits fondamentaux et de la vie privée?” (noot onder GwH 9 augustus 2012), JLMB 2013, (1617), p. 1618, nr. 3).

• B. Van den Bergh, “Over beslag inzake namaak, derdenverzet buiten termijn en de gewijzigde procedureregels” (noot onder Beslagr. Gent 31 mei 2011), P&B 2012, 64).

Parlementair debat:

• Parl.St. Kamer 2006-07, nr. 51 2943/001 en 51 2944/001, 57).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 19/01/2015 - 20:03
Laatst aangepast op: ma, 19/01/2015 - 20:03

Het grondrecht op sociale zekerheid en sociale bijstand: dammen tegen de afbouw van de sociale welvaartsstaat?

Publicatie
Auteur: 
Goossens L
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
803
Samenvatting

Over de harde kern van deze grondrechten en de proportionaliteitstoets bij een vermindering van het sociale beschermingsniveau

In hoeverre kunnen besparingsmaatregelen indruisen tegen de Grondwet (art. 23) en mensenrechtenverdragen?
Is er inzake sociale grondrechten een minimum aan rechtsbescherming?

Hoe staat het met het grondrecht op sociale zekerheid en sociale bijstand.?
Deze bijdrage onderzoekt deze rechtsvragen aan de hand van een rechtspraakanalyse van recente (quasi-)jurisdictionele beslissingen.
 

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding
II. Het standstillbeginsel als waarborgmechanisme van sociale grondrechten
A. Algemeen
De door de Grondwet en de verdragen gewaarborgde sociale grondrechten zijn, in beginsel, niet individueel afdwingbaar voor de nationale rechter.
Volgens het Grondwettelijk Hof houdt het standstillbeginsel in dat geen aanzienlijke afbreuk mag worden gedaan aan een bestaand beschermingsniveau, tenzij daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.
Juridische grondslag van het standstillbeginsel onder meer: art. 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht
B. Sociale zekerheid en sociale bijstand in België
III. Waarborgmechanismen van sociale grondrechten: rechtspraakanalyse
A. Analyse van de rechtspraak van de hoogste Belgische rechtscolleges
B. Analyse van rechtspraak van internationale en supranationale rechtscolleges en beslissingen van quasi-jurisdictionele toezichtmechanismen bij verdragen
1° Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten (hierna: «CESCR») bij het ECOSOC-Verdrag
2° Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) bij het (H)ESH
3° Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij het EVRM
4° Hof van Justitie van de Europese Unie bij het HGEU

IV. Gevolgtrekkingen uit de rechtspraakanalyse
V. Besluit

Bronverwijzingen:

• J. Van Langendonck, J. Put, D. Simoens, G. Van Limberghen en A. Van Regenmortel, Handboek socialezekerheidsrecht, achtste editie, Antwerpen, Intersentia, 2011, 6-7.
• J. King, «Social Rights and Welfare Reform in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)002)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)002-e, 2.
• F. Vanneste, «Rechtswaarborgen in een herijkte welvaartsstaat» in W. Vellinga, F. Van Volsem, W. Konijnenbelt, F. Vanneste, J. Baeck en T. Hartlief (eds.), Vereniging voor de Vergelijkende Studie van het Recht van België en Nederland: Preadviezen 2012, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2012, (13) 13-15.
• W. Blocken, K. Deweerdt, I. Van Der Straete en V. Verdeyen, «Welzijnsrecht in het kielzog van de sociale zekerheid?» in D. Pieters, J. Put, P. Schoukens, D. Simoens en Y. Stevens (eds.), Sociale zekerheid in vraagvorm. Liber amicorum Jef Van Langendonck, Antwerpen, Intersentia, 2005, (41) 51-53.
• B. Saul, D. Kinley en J. Mawbray, The International Covenant on Economic Social and Cultural Rights. Commentary, Cases, and Materials, Oxford, Oxford University Press, 2014, 143-152.
• G. Maes, De afdwingbaarheid van sociale grondrechten, Antwerpen, Intersentia, 2003, 110; G. Maes, «Het standstillbeginsel in verdragsbepalingen en in art. 23 G.W.: progressieve (sociale) grondrechtenbescherming», RW 2005-06, (1081) 1081.
• GwH 17 januari 2013, nr. 2/2013, Arr.GwH 2013, 11, rechtsoverweging B.5;
• A. Vandeburie, L’article 23 de la Constitution: coquille vide ou boïte aux trésors?, Brussel, La Charte, 2008, 89;
• Bossuyt, «Artikel 23 van de Grondwet in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, Antwerpen, Intersentia & Anthemis, 2010, (59) 64 en 67.
• GwH 17 april 2008, nr. 64/2008, Arr.GwH 2008, 891.
• G. Maes, «Juridische afdwingbaarheid van grondrechten op minimumvoorzieningen», TSR 2005, (609) 617;
• I.E. Koch, Human Rights as Indivisible Rights: The Protection of Socio-economic Demands under the European Convention on Human Rights, Leiden, Martinus Nijhoff Publishers, 2009, 5-9.
• G. Maes, «Afdwingbaarheid van sociale grondrechten» in G. Cox en M. Rigaux (eds.), De grondrechtelijke onderbouw van het collectief arbeidsrecht, Mechelen, Kluwer, 2005, (35) 38-41;
• I. Hachez, Le principe de standstill dans le droit des droits fondamentaux: une irréversibilité relative, Brussel, Bruylant, 2008, 48.
• M. Stroobant, «Sociale en economische grondrechten in de Belgische Grondwet. Wordingsgeschiedenis van artikel 23: het Akkoord van Le Ry d’Ave Rochefort» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, (19) 44;
• Verschueren, «De wijziging van artikel 23 van de grondwet en de defederalisering van de gezinsbijslagen» in J. Velaers, J. Vanpraet, Y. Peeters en W. Vandenbruwaene (eds.), De zesde staatshervorming: instellingen, bevoegdheden en middelen, Antwerpen, Intersentia, 2014, (419) 421.
• G. Maes, «Twintig jaar sociale grondrechten in de Grondwet. Overzicht van de doctrine» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, (139) 147.
• H. Vanderlinden, «Effectiviteit van de sociale grondrechten in het Belgische recht, mythe of realiteit?», RW 2008-09, (1202) 1209-1213;
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• GwH 20 juni 2007, nr. 87/2007, NjW 2007, 894, noot S. Lust;
• GwH 31 juli 2008, nr. 114/2008, JLMB 2008, 1306;
• GwH 1 september 2008, nr. 121/2008, Arr.GwH 2008, 1975;
• GwH 3 februari 2011, nr. 19/2011, Arr.GwH 2011, 393;
• GwH 27 juli 2011, nr. 135/2011, Arr.GwH 2011, 2259;
• GwH 19 december 2013, nr. 177/2013, www.const-court.be;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie;
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be;
• GwH 20 juni 2007, nr. 87/2007, NjW 2007, 894, noot S. Lust;
• RvS 9 januari 2007, nr. 166.439, T.Gem. 2007, 142, noot J. Uytdenhouwen;
• RvS 18 januari 2008, nr. 178.667, CDPK 2008, 230;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie;
• RvS 27 mei 2010, nr. 204.336, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 6 december 2011, nr. 216.702, www.raadvst-consetat.be.
• 20 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, BS 25 december 1993;
• Leckie en A. Gallagher, Economic, Social, and Cultural Rights: A Legal Resource Guide, Pennsylvania, University of Pennsylvania Press, 2006 (e-book 2011), xix;
• A. Nolan, «Budget Analysis and Economic and Social Rights» in E. Riedel, G. Giacca en C. Golay (eds.), Economic, Social and Cultural Rights in International Law. Contemporary Issues and Challenges, Oxford, Oxford University Press, 2014, 375-376.
• S. Bouckaert, Documentloze vreemdelingen. Grondrechtenbescherming doorheen de Belgische en internationale rechtspraak vanaf 1985, Antwerpen-Appeldoorn, Maklu, 2007, 367.
• RvS 6 september 1989, nr. 32.989, J.dr.jeun. 1989, 29, noot M. Lucas;
• Cass. 20 december 1990, AR nr. 8840, Arr.Cass. 1990-91, 445;
• Arbitragehof 7 mei 1992, nr. 33/92, AA 1992, 373;
• G. Maes, De afdwingbaarheid van sociale grondrechten, 115;
• GwH 16 september 2010, nr. 99/2010, www.const-court.be;
• GwH 3 februari 2011, nr. 19/2011, Arr.GwH 2011, 393.
• GwH 29 juli 2010, nr. 94/2010, Arr.GwH 2010, 1343;
• GwH 18 november 2010, nr. 131/2010, TVW 2011, 60;
• GwH 25 november 2010, nr. 133/2010, TMR 2011, 113;
• GwH 16 december 2010, nr. 139/2010, Arr.GwH 2010, 2165;
• GwH 19 december 2013, nr. 177/2013, www.constcourt.be.
• GwH 27 juli 2011, nr. 135/2011, Arr.GwH 2011, 2259;
• GwH 30 juni 2014, nr. 95/2014, www.const-court.be.
• GwH 6 mei 2010, nr. 52/2010, Arr.GwH 2010, 699.
• J. Theunis, «De toetsing aan grondrechten door het Grondwettelijk Hof – Overzicht van rechtspraak 2010», TBP 2012, (3) 34-35.
• B. Steen, «Artikel 23 van de Grondwet en de rechtspraak van de Raad van State» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, (113) 125-126).
• RvS 9 januari 2007, nr. 166.439, T.Gem. 2007, 142, noot J. Uytdenhouwen;
• RvS 18 januari 2008, nr. 178.667, CDPK 2008, 230;
• RvS 26 maart 2009, nr. 191.922, www.raadvst-consetat.be.
• G. Maes, De afdwingbaarheid van sociale grondrechten, 131 en 469;
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• RvS 29 april 1999, nr. 80.018, AJT 1999-00, 424;
• RvS 19 december 2003, nr. 126.669, www.raadvst-consetat.be;
• Wyckaert, «Het «standstill»-effect in de milieurechtspraak van de Raad van State», AJT 1999-2000, (413) 418;
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• Arbitragehof 14 juli 2004, nr. 130/2004, NjW 2004, 983, noot V. Staelens;
• Arbitragehof 15 september 2004, nr. 150/2004, AA 2004, 1691;
• GwH 20 juni 2007, nr. 87/2007, NjW 2007, 894, noot S. Lust;
• GwH 31 juli 2008, nr. 114/2008, JLMB 2008, 1306;
• GwH 1 september 2008, nr. 121/2008, Arr.GwH 2008, 1975.
• RvS 9 januari 2007, nr. 166.439, T.Gem. 2007, 142, noot J. Uytdenhouwen;
• RvS 18 januari 2008, nr. 178.667, CDPK 2008, 230;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie;
• RvS 27 mei 2010, nr. 204.336, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 6 december 2011, nr. 216.702, www.raadvst-consetat.be.
• G. Maes, «Sociale grondrechten in de Belgische Grondwet» in B. Peeters en J. Velaers (eds.), De Grondwet in groothoekperspectief. Liber amicorum discipulorumque Karel Rimanque, Antwerpen, Intersentia, 2007, (161) 201.
• Arbitragehof 7 mei 1992, nr. 33/92, AA 1992, 373.
• Arbitragehof 7 mei 1992, nr. 33/92, AA 1992, 373.
• Centrale Raad van Beroep (NL) 22 april 1997, J.B. 1997, 158.
• J. Velaers en J. Vanpraet, «De materiële en territoriale bevoegdheidsverdeling inzake sociale zekerheid en sociale bijstand (I)», TBP 2008, (323) 327.
• J. Velaers en J. Vanpraet, «De materiële en territoriale bevoegdheidsverdeling inzake sociale zekerheid en sociale bijstand (II)», TBP 2009, (195) 195-196.
• W. Pas, «De dubbele gelaagdheid van het Belgisch federalisme: quo vadis?» in P. Popelier, D. Sinardet, J. Velaers en B. Cantillon (eds.), België, quo vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?, Antwerpen, Intersentia, 2012, (111) 141;
• J. Velaers, «De gezinsbijslagen in het «Institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming»» in W. van Eeckhoutte, D. Dumont en R. Carton (eds.), De communautarisering van de gezinsbijslagregeling – La communautarisation des allocations familiales, Brugge/Brussel, die Keure/la Charte, 2013, (29) 34.
• B. Cantillon, «Quo vadis sociale zekerheid?» in P. Popelier, D. Sinardet, J. Velaers en B. Cantillon (eds.), België, quo vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?, (345) 355-356.
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• GwH 19 december 2013, nr. 177/2013, www.const-court.be.
• ECSR 19 maart 2013, nr. 82/2012, European Committee for Home-Based Priority Action for the Child and the Family (EUROCEF) t/ Frankrijk, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp? language=en;
• G. Van Der Schyff, «Cutting the Core of Conflicting Rights: The Question of Inalienable Cores in Comparative Perspective» in E. Brems (ed.), Conflicts Between Fundamental Rights, Antwerpen, Intersentia, 2008, (131) 132-135;
• A.J. Nieuwenhuis, «De kernrechtbenadering bij de grondrechten», Tijdschrift voor Constitutioneel Recht 2012, (138) 142-144;
• I. Leijten, «Meergelaagdheid en ondeelbare mensenrechten: de sociaaleconomische bescherming van het EHRM en de mogelijke waarde van kernrechten», TBP 2013, (95) 104.
• W. Vandenhole, «Conflicting Economic and Social Rights: The Proportionality Plus Test» in E. Brems (ed.), Conflicts Between Fundamental Rights, (559) 567;
• GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, www.const-court.be, rechtsoverweging B.68.3.
• GwH 30 juni 2014, nr. 95/2014, www.const-court.be, rechtsoverwegingen B.38-B.44.
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be.
• GwH 17 januari 2013, nr. 2/2013, Arr.GwH 2013, 11, rechtsoverweging B.5;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie.
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie.
• GwH 27 juli 2011, nr. 135/2011, Arr.GwH 2011, 2259.
• GwH 17 januari 2013, nr. 2/2013, Arr.GwH 2013, 11.
• M. Bossuyt, «Rechterlijk activisme in Straatsburg», RW 2013-14, (723) 723-733.
• K.G. Young, Constituting Economic and Social Rights, Oxford, Oxford University Press, 2012, 66-99.
• CESCR 1 januari 1991, VN doc. E/1991/23(SUPP), General Comment No. 3: The Nature of States Parties’ Obligations (art. 2, para. 1) (annex III), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 86.
• J. King, «Social Rights and Welfare Reform in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)002)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)002-e, 6-7.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 16.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 12.
• L. Scruggs, C. Zimmermann en C. Jeffords, «Implementation of the Human Right to Social Security around the World: A Preliminary Analysis of National Social Protections Laws» in L. Minkler (ed.), The State of Economic and Social Human Rights: A Global Overview, New York, Cambridge University Press, 2013, (117) 126.
• CESCR 10 mei 2007, VN doc. E/C.12/2007/1, An Evaluation of the Obligation to Take Steps to the «Maximum of Available Resources» under an Optional Protocol to the Covenant: Statement, www.un.org/en/documents/ods/, 2;
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 17.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 12.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 13. Zie ook: B. Saul, D. Kinley en J. Mawbray, o.c., 148-151.
• Facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 10 december 2008, https://treaties.un.org.
Https://treaties.un.org/Pages/ViewDetails.aspx?src= TREATY&mtdsg_no=IV-3-a&chapter=4&lang=en (consultatie 15 november 2014).
• Decr.Vl. 4 maart 2011 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt in New York op 10 december 2008, BS 11 april 2011;
• Decr.D. 23 mei 2011 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt in New York op 10 december 2008, BS 27 september 2011;
• Decr.Fr. 7 november 2013 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 28 januari 2014;
• Decr.W. 28 november 2013 houdende instemming, wat betreft de materies waarvan de uitoefening door de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest is overgedragen, met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 12 december 2013;
• Decr.W. 28 november 2013 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 11 december 2013;
• Decr.Fr.Gem.Comm. 28 november 2013 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 11 juni 2014;
• Ord.Br. 30 januari 2014 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt in New York op 10 december 2008, BS 6 maart 2014.
• «Constitutional Entrenchment of Social Rights in Europe: Their Definition (CDL-LA(2014)010)», Venice Commission. Report of 22 September 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)010-e, 7 en 10.
http://diplomatie.belgium.be/nl/Beleid/beleidsthemas/mensenrechten/speci....
• Charter of Social Rights of the Council of Europe, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2007, 23-26.
• Europees sociaal handvest van 18 oktober 1961, BS 28 december 1990;
• L.J. Quesada, «The European Social Charter: the Committee and the Protection of Social Rights in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)003)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)003-e, 3-8.
• ECSR 3 december 2008, nr. 43/2007, Sindicato dos Magistrados do Ministério Publico (SMMP) t/ Portugal, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 77/2012, Panhellenic Federation of Public Service Pensioners (POPS) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 78/2012, Pensioners’ Union of the Athens-Piraeus Electric Railways (I.S.A.P.) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 79/2012, Panhellenic Federation of Pensioners of the Public Electricity Corporation (POS-DEI) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 80/2012, Pensioners’ Union of the Agricultural Bank of Greece (ATE) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 77/2012, Panhellenic Federation of Public Service Pensioners (POPS) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 78/2012, Pensioners’ Union of the Athens-Piraeus Electric Railways (I.S.A.P.) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 79/2012, Panhellenic Federation of pensioners of the Public Electricity Corporation (POS-DEI) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 80/2012, Pensioners’ Union of the Agricultural Bank of Greece (ATE) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
http://epp.eurostat.ec.europa.eu/statistics_explained/index.php/People_a... (consultatie 15 november 2014);
http://statbel.fgov.be/nl/binaries/CP_SILC2011_nl_tcm325-201870.pdf (consultatie 15 november 2014), 3;
over het begrip «mediaan beschikbaar inkomen op individueel niveau», zie http://www.armoedebestrijding.be/cijfers_aantal_armen.htm#4 (consultatie 15 november 2014).
• Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, BS 19 augustus 1955.
• EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73, Airey t/ Ierland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 26;
• F. Tulkens, «The European Convention on Human Rights and the Economic Crisis: the Issue of Poverty (EUI Working Paper AEL 2013/8)», EUI Working Papers AEL 2013, http://cadmus.eui.eu/bitstream/handle/1814/28099/AEL_2013_08.pdf?sequence=1, 4.
• Aanvullend protocol bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 20 maart 1952, BS 19 augustus 1955.
• EHRM 16 september 1996, nr. 17371/90, Gaygusuz t/ Oostenrijk, http://hudoc.echr.coe.int;
• EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00, Kjartan Asmundsson t/ IJsland, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 4 juni 2002, nr. 34462/97, Wessels-Bergervoet t/ Nederland, http://hudoc.echr.coe.int;
• EHRM 30 september 2003, nr. 40892/98, Koua Poirrez t/ Frankrijk, http://hudoc.echr.coe.int.
• Ovey, F. Jacobs en R. White, The European Convention on Human Rights, Oxford, Oxford University Press, 2010, 483.
• C. Ovey, F. Jacobs en R. White, The European Convention on Human rights, Oxford, Oxford University Press, 2010, 483-484;
• S. Bouckaert, «Het statuut van niet-EU-onderdanen in het Belgisch sociaal recht: enkele recente ontwikkelingen in regelgeving en rechtspraak» in M.-C. Foblets en D. Vanheule (eds.), Vreemdelingenrecht. Themis nr. 68, Brugge, die Keure, 2012, (1) 5-7.
• EHRM 6 juli 2005 (ontv.), nrs. 65731/01 en 65900/01, Stec et al. t/ Verenigd Koninkrijk, http://hudoc.echr.coe.int.
• V. Berger, «La perspective internationale: le rôle de la Cour européenne des droits de l’homme (CDL-LA(2014)005)», Commission de Venise. Rapport du 22 Juillet 2014 de la conférence des 5-6 Mai 2014 sur la protection des droits economiques et sociaux en temps de crise economique: quel rôle pour les juges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)005-f, 7-9.
• F. Kessler en S.G. Nagel, Social Security Law, Council of Europe, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2010, 40.
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nr. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• EHRM 4 januari 2005 (ontv.), nr. 14462/03, Pentiacova et al. t/ Moldavië, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 70.
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nr. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int.
• M.B. Lopes, «The Role of the Constitutional Court of Portugal in the Present Economic Crisis Situation (CDL-JU(2014)012)», Venice Commission. Report of 8 July 2014 made of the mini-conference of 26-27 June 2014 on the role of constitutional courts in economic crises, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/?pdf=CDL-JU(2014)012-e, 1-12.
• EHRM 8 januari 2013 (ontv.), nr. 1700/08, Bakradze et al. t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, 75.
• EHRM 20 mei 2009 (verzoek), nr. 6705/09, Gegia t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 8 oktober 2010 (verzoek), nr. 14862/07, Mauriello t/ Italië, http://hudoc.echr.coe.int.
• Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007, Pb.C. 30 maart 2010, afl. 83, 389.
• HvJ 24 april 2012, C-571/10, Servet Kamberaj t/ Istituto per l’Edilizia sociale della Provincia autonoma di Bolzano (IPES) et al., www.curia.europa.eu, rechtsoverweging 92;
• HvJ 27 februari 2014, C-79/13, Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers t/ Selver Saciri et al., www.curia.europa.eu, rechtsoverwegingen 35, 39, 40, 42 en 46;
• J. Tooze, «Social Security and Social Assistance» in T.K. Hervey en J. Kenner (eds.), Economic and Social Rights under the EU Charter of Fundamental Rights: A Legal Perspective, Oxford, Hart, 2006, (161) 161-192.
• HvJ 9 oktober 2001, C-377/98, Nederland t/ Parlement en Raad, Jur. 2001, I, 7079.
• Zie ook: HvJ 27 februari 2014, C-79/13, Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers/Selver Saciri et al., www.curia.europa.eu, rechtsoverwegingen 35, 39, 40, 42 en 46.
• Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992, Pb.C. 30 maart 2010, afl. 83, 13, err. Pb.C. 6 juli 2010, afl. 181, 2.
• HvJ 26 juni 2014, C-264/12, Sindicato Nacional dos Profissionais de Seguros e Afins t/ Fidelidade Mundial – Companhia de Seguros S.A., www.curia.europa.eu.
• HvJ 7 maart 2013, C-128/12, Sindicato dos Bancários do Norte et al. t/ BPN – Banco Português de Negócios SA, www.curia.europa.eu.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• L.J. Quesada, «The European Social Charter: the Committee and the Protection of Social Rights in Times of Economic Crisis (CDLLA(2014)003)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)003-e, 4.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nr. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 74;
• Verdrag 102 betreffende de minimumnormen der sociale zekerheid van 28 juni 1952, BS 12 december 1959.
• ECSR 2003, European Social Charter Conclusions XVI-2 (Slovak Republic), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Slo..., 85;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Finland), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Fin..., 15;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Czech Republic), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Cze..., 17;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Belgium), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Bel..., 18;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Malta), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Mal..., 16;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Netherlands), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Net..., 19;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Lithuania), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Lit..., 36;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Romania), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Rom..., 35;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Portugal), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Por..., 33;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Estonia), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Est..., 28-29;
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 46.
• EHRM 12 november 2008, nr. 34503/97, Demir & Baykara t/ Turkije, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 65-86.
• A. Müller, The Relationship between Economic, Social and Cultural Rights and International Humanitarian Law: An Analysis of Health Related Issues in Non-international Armed Conflicts (Nottingham Studies on Human Rights volume 2), Leiden, Brill Academic Publishers, 2013, 86.
• EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00, Kjartan Asmundsson t/ IJsland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 39 en 45;
• ECSR 23 mei 2012, nr. 66/2011, General Federation of Employees of the National Electric Power Corporation (GENOP-DEI) and Confederation of Greek Civil Servants’ Trade Unions (ADEDY) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 68;
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 71, 77 en 79;
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 74 en 82;
• ECSR 7 december 2012, nr. 77/2012, Panhellenic Federation of Public Service Pensioners (POPS) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• ECSR 7 december 2012, nr. 78/2012, Pensioners’ Union of the Athens-Piraeus Electric Railways (I.S.A.P.) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• ECSR 7 december 2012, nr. 79/2012, Panhellenic Federation of Pensioners of the Public Electricity Corporation (POS-DEI) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• ECSR 7 december 2012, nr. 80/2012, Pensioners’ Union of the Agricultural Bank of Greece (ATE) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• EHRM 8 januari 2013 (ontv.), nr. 1700/08, Bakradze et al. t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 20;
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 44 en 47;
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nrs. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 24.
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 77;
• EHRM 8 januari 2013 (ontv.), nr. 1700/08, Bakradze et al./Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 20.
• EHRM 23 april 2002 (ontv.), nr. 56869/00, Larioshina t/ Rusland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 3;
• EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00, Kjartan Asmundsson t/ IJsland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 45;
• ECSR 3 december 2008, nr. 43/2007, Sindicato dos Magistrados do Ministério Publico (SMMP) t/ Portugal, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 44;
• RvS 27 mei 2010, nr. 204.336, www.raadvstconsetat. be, rechtsoverweging 8;
• ECSR 23 mei 2012, nr. 66/2011, General Federation of Employees of the National Electric Power Corporation (GENOP-DEI) and Confederation of Greek Civil Servants’ Trade Unions (ADEDY) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 20;
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 79;
• ECSR 19 maart 2013, nr. 82/2012, European Committee for Home-Based Priority Action for the Child and the Family (EUROCEF) t/ Frankrijk, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 28;
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 31 en 39;
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nrs. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 22-24;
• W. Vandenhole, o.c., in E. Brems (ed.), Conflicts Between Fundamental Rights, 587.
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int;
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nrs. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int.
• M.M. Nicolatos, «Austerity Measures and Economic Crisis. The Case of Cyprus. A Judge’s Approach (CDL-LA(2014)011)», Venice Commission. Report of 23 September 2014 made at the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)011-e, 7-9;
• J. King, «Social Rights and Welfare Reform in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)002)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)002-e, 5;
• L.J. Quesada, «The European Social Charter: the Committee and the Protection of Social Rights in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)003)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)003-e, 4.
• L. Gannage, «Ã€ propos de l’«absolutisme» des droits fondamentaux» in H. Gaudemet-Tallon et al. (eds.), Vers de nouveaux équilibres entre ordres juridiques: liber amicorum Hélène Gaudemet-Tallon, Parijs, Dalloz, 2008, (265) 265-284;
• J.-F. Flauss, «Actualité de la Convention européenne des droits de l’homme (septembre 2008 – février 2009)», Actualité juridique droit administratif 2009, (872) 872-885.
• M. Bossuyt, «De uitbreiding van de rechtsmacht van het Europees Hof van de Rechten van de Mens tot socialezekerheidsregelgeving: een rechterlijke revolutie?», RW 2007-08, (842) 851 en 855;
• M. Bossuyt, «Should the Strasbourg Court Exercise More Self-Restraint? On the Extension of the Jurisdiction of the European Court of Human Rights to Social Security Regulations», Human Rights Law Journal 2007, (321) 330;
• F. Tulkens, «The European Convention on Human Rights and the Economic Crisis: the Issue of Poverty (EUI Working Paper AEL 2013/8)», EUI Working Papers AEL 2013, http://cadmus.eui.eu/bitstream/handle/1814/28099/AEL_2013_08.pdf?sequence=1, 4.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 18/01/2015 - 17:17
Laatst aangepast op: zo, 18/01/2015 - 17:17
Inhoud syndiceren

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.