-A +A

De rolrechten voor de familierechtbank.

Publicatie
Auteur: 
Senaeve P
Tijdschrift: 
Tijdschrift voor Familierecht
Jaargang: 
2015
Pagina: 
145
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Situering van de hervorming (wet 28 april 2015) 146
II. Specifieke regeling voor de familierechtbanken en de familiekamers 147
A. Inleiding 147
B. Voor de familierechtbank 147
C. Voor de familiekamer van het hof van beroep 150
D. Voor het Hof van Cassatie 150
III. Inwerkingtreding en overgangsrecht 150
A. Inwerkingtreding 150
B. Overgangsrecht 150

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 29/06/2015 - 18:12
Laatst aangepast op: ma, 29/06/2015 - 18:12

Protocolakkoord tussen de bij Assuralia aangesloten rechtsbijstandsverzekeraars, de OVB en de OBFG

Alternatieve naam: 
Protocolakkoord rechtsbijstandsverzekeraars en advocaten
Afkondiging: 
don, 03/11/2011
Tekst van de wetgeving: 

 

Protocolakkoord tussen de bij Assuralia aangesloten rechtsbijstandsverzekeraars, de OVB en de OBFG

INLEIDING

1. De rechtsbijstandsverzekeraars, aangesloten bij Assuralia, zoeken, met inachtneming van de voorwaarden van hun polissen, een oplossing voor de geschillen van hun verzekerden, hetzij minnelijk, hetzij een gerechtelijk, met de hulp van de door de verzekerde vrij gekozen advocaten.

2. Dit alles gebeurt binnen de wettelijke bepalingen betreffende rechtsbijstandsverzekeringen, vervat in de artikelen 90 tot en met 93 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en het koninklijk besluit van 12 oktober 1990 betreffende de rechtsbijstandsverzekering.

3. Die regelgeving kent aan de verzekeraar het recht toe om diensten te verrichten teneinde de verzekerde in staat te stellen zijn rechten te doen gelden, als eiser of als verweerder tijdens de precontentieuze fase, dit is zolang niet moet worden overgegaan tot een gerechtelijke, administratieve of scheidsrechtelijke procedure.

4. De wet verplicht de verzekeraar om de verzekerde de vrije keuze van advocaat te waarborgen wanneer zulke procedure moet worden ingesteld, of wanneer er hetzij een belangenconflict ontstaat, hetzij een meningsverschil tussen de verzekeraar en de verzekerde in verband met de ten opzichte van de schaderegeling aan te nemen houding.

5. De verzekeraars en de balies bevestigen bovendien dat het voor de verzekerde noodzakelijk of minstens nuttig kan zijn om, in bepaalde omstandigheden, vóór of buiten iedere procedure, welke die ook moge zijn, op de bijstand van een advocaat te kunnen rekenen.

6. Het is dan ook in het belang van de verzekerde dat, binnen de wettelijke context, een samenwerking tussen de rechtsbijstandsverzekeraars en de advocaten op gang komt.

7. Met dit gemeenschappelijke doel voor ogen nemen de partijen dit protocol aan, waarin volgende doelstellingen worden nagestreefd:

- het vastleggen van gemeenschappelijke gedragslijnen om geschillen te voorkomen en op te lossen die kunnen rijzen tussen de rechtsbijstandsverzekeraar en de advocaat naar aanleiding van een concreet dossier;

- het in der minne regelen van conflicten tussen advocaten en rechtsbijstandsverzekeraars door toedoen van daartoe gemachtigde contactpersonen binnen de balies en de rechtsbijstandverzekeringsmaatschappijen, waarvan de lijst gepubliceerd is op het intranet van Assuralia, de 0.B.F.G. en de 0.V.B.;

- het oprichten van een gemengde commissie rechtsbijstandverzekering (GCR) en het vaststellen van haar werkingsregels.

BIJGEVOLG IS OVEREENGEKOMEN WAT VOLGT:

TITEL 1: GEMEENSCHAPPELIJKE BELEIDSLIJNEN

Partijen maken de hierna volgende gedragslijnen kenbaar, naargelang het geval, aan de advocaten of de ondernemingen en spannen zich in om hen ervan te overtuigen deze toe te passen bij de contacten tussen de advocaten, de rechtsbijstandsverzekeraars en hun verzekerden.

Artikel 1

Wanneer de verdediging van de rechten van een rechtzoekende gewaarborgd wordt door een polis rechtsbijstandsverzekering, vormt deze polis het gemeenschappelijke richtsnoer voor de verzekerde, de verzekeraar en de advocaat, in zoverre niet wordt afgeweken van de wettelijke bepalingen en onder voorbehoud van wat hierna is bepaald.

Artikel 2

2.1

Vanaf de eerste contacten:

- vraagt de advocaat de cliënt of hij gedekt is door een rechtsbijstandsverzekering en onder welke voorwaarden en, in bevestigend geval, vestigt hij de aandacht van de cliënt op het belang dat hij er bij heeft om aangifte te doen bij de verzekeraar; informeert de advocaat de cliënt over de respectieve rol van de verzekeraar en van de advocaat tijdens de precontentieuze fase, telkens wanneer hij geraadpleegd wordt tijdens die fase;

- informeert de advocaat, behoudens andersluidende instructie van zijn cliënt, de rechtsbijstandsverzekeraar over zijn tussenkomst en vraagt hij hem bevestiging dat die tussenkomst ten laste zal worden genomen;

- pleegt de advocaat indien nodig overleg met de verzekeraar;

- neemt de advocaat alle dringende maatregelen die noodzakelijk zijn voor de verdediging van de cliënt.

2.2

Nadat de verzekeraar heeft bevestigd dat hij de tussenkomst van de advocaat ten laste neemt:

- licht de advocaat de verzekeraar, zo deze hierom verzoekt, in over de berekeningswijze van zijn kosten en ereloon en verschaft hij hem meer gedetailleerde uitleg, wanneer de verzekeraar bijkomende vragen heeft;

- houdt de advocaat de verzekeraar op de hoogte van het verdere verloop van het geschil en van de stappen die hij meent te moeten nemen, met respect voor het beroepsgeheim;

- heeft de advocaat de mogelijkheid om verantwoorde provisies te vragen en om tussentijdse staten van kosten en ereloon op te stellen;

- overhandigt de advocaat aan de verzekeraar op zijn verzoek de nodige stukken die de voorgeschoten kosten, opgenomen in de staten van kosten en ereloon, staven;

- betaalt de advocaat de door de tegenpartij terugbetaalde gerechtskosten, die door de verzekeraar waren voorgeschoten, terug aan de verzekeraar of brengt hij deze in mindering van zijn staat van kosten en ereloon;

Artikel 3

De rechtsbijstandsverzekeraar van zijn kant :

- licht de verzekerden tijdig in over hun rechten en plichten in het kader van hun polis rechtsbijstandsverzekering en over de wijze waarop ze hun rechten kunnen laten gelden;

- licht de verzekerde en zijn raadsman in over de door hem ondernomen stappen; respecteert het beginsel van de vrije keuze van advocaat door de verzekerde: de verzekeraar doet in dat verband slechts een suggestie wanneer de verzekerde het uitdrukkelijk vraagt; het beginsel van de vrije keuze van advocaat is onomkeerbaar, in die zin dat zodra de verzekeraar de tussenkomst van de advocaat heeft aanvaard, hij hem niet meer kan ontlasten. Het beginsel van de vrije keuze van advocaat heeft tot gevolg dat de verzekerde het recht heeft om in de loop van de procedure van advocaat te veranderen, zonder kosten voor hem en behoudens misbruik;

- maakt aan de advocaat, daartoe aangezocht door de verzekerde, onmiddellijk en onvoorwaardelijk alle elementen van het dossier ter informatie over en deelt indien nodig gelijktijdig aan de verzekerde en aan de advocaat het bedrag van het plafond, zoals bepaald in de polis, mee;

- maakt aan de advocaat op het eerste verzoek de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringspolis over;

- aanvaardt om, na gemotiveerd advies van de advocaat over de noodzaak van zijn tussenkomst, deze tussenkomst ten laste te nemen, behoudens gemotiveerde weigering overeenkomstig artikel 4;

- voert zonder verwijl de betaling uit van de verantwoorde provisies en de staten van kosten en ereloon van de advocaat, behoudens in geval van betwisting;

- betaalt in geval van betwisting minstens het niet voor betwisting vatbare gedeelte daarvan.

Artikel 4

In geval van onenigheid betreffende de saisine van de advocaat of over de kosten en het ereloon, verbinden de partijen zich ertoe om de volgende procedure te volgen:

- binnen 14 werkdagen na ontvangst van de aanvraag, moet de rechtsbijstandsverzekeraar zijn weigering tot het ten laste nemen van de tussenkomst van de advocaat of zijn betwisting van de provisie- of ereloonstaat schriftelijk op een precieze wijze motiveren en meedelen aan de advocaat;

- (zelfs) bij weigering tot bevestiging van de tussenkomst van de advocaat moet de verzekeraar (eveneens) een gedetailleerd chronologisch overzicht geven van de al ondernomen stappen en van de initiatieven die hij denkt te nemen en de advocaat en zijn verzekerde daarover informeren zoals bepaald in artikel 3;

- na kennis te hebben genomen van deze gemotiveerde brief geeft de advocaat schriftelijk zijn mening over het standpunt van de verzekeraar en dit eveneens binnen 14 werkdagen na ontvangst van voormelde brief;

- partijen zullen alles in het werk stellen om tot een minnelijke oplossing te komen, desgevallend door een beroep te doen op de daartoe gemachtigde contactpersonen binnen de balies en de rechtsbijstandsverzekeraars;

- bij blijvende onenigheid legt de meest gerede partij het geschil voor aan de gemengde commissie rechts bijstandsverzekering;

- in geen geval kan het al dan niet het voortzetten van de verdediging van de belangen van de verzekerde door de advocaat, ondanks weigering van de verzekeraar, beschouwd worden als een oorzaak van verval of een verzaken aan de waarborg.

TITEL 2: DE GEMENGDE COMMISSIE RECHTSBIJSTANDSVERZEKERING

Artikel 5

De GCR is bevoegd om op verzoek van de advocaat en van de rechtsbijstandsverzekeraar uitspraak te doen over elk geschil dat tussen hen is gerezen over de toepassing van dit protocol naar aanleiding van de tussenkomst van een advocaat in het kader van een rechtsbijstandsverzekeringspolis.

Artikel 6

Er is een Nederlandstalige GCR gevestigd bij de OVB en een Franstalige GCR gevestigd bij de OBFG. De GCR bestaat uit één of meer kamers.

Elke kamer is samengesteld uit vier leden, twee advocaten en twee vertegenwoordigers van de rechtsbijstandsverzekeraars, onder het voorzitterschap van één van de advocaten, van wie de stem doorslaggevend is bij staking van stemmen.

De ondertekenende partijen wijzen hun eigen leden in de GCR aan.

Artikel 7

De advocaten die betrokken zijn in het geschil en de vertegenwoordigers van de verzekeraars waarvan de maatschappij betrokken partij is en die zetelen in de gemengde commissie rechtsbijstand, moeten de zaak uit handen geven ten voordele van, naargelang het geval, advocaten of vertegenwoordigers van de verzekeraars die buiten het geschil staan.

Artikel 8

De procedure voor de GCR is kosteloos.

Artikel 9

De leden van de commissie verbinden zich tot totale discretie met betrekking tot de informatie uit de dossiers waarvan zij kennis nemen.

TITEL 3: WERKING VAN DE GEMENGDE COMMISSIE RECHTSBIJSTANDSVERZEKERING

Artikel 10

De gemengde commissie wordt samengeroepen door de voorzitter.

Ze kan zetelen, naargelang het geval, in de gebouwen van de OBFG of van de OVB., maar de voorzitter kan ook beslissen dat ze gedecentraliseerd zetelt, waarbij onder meer rekening kan worden gehouden met de zetels of het kantoor van de betrokken partijen.

Artikel 11

De GCR wordt gevat door een schriftelijk en gemotiveerd verzoek, gericht aan, naargelang het geval, de OBFG of de OVB. Een modelformulier is beschikbaar op het extranet van respectievelijk de OBFG, de OVB en Assuralia.

De aanvrager deelt gelijktijdig een kopie van zijn verzoek en van het volledig geïnventariseerde dossier aan de verwerende partij mee.

Artikel 12

De commissie wijst ambtshalve volgende verzoeken af:

- de verzoeken die niet vallen onder haar bevoegdheid of geen betrekking hebben op een concreet dossier, behoudens uitdrukkelijk akkoord van de partijen en de commissie om er kennis van te nemen;

- de verzoeken waarvoor al een gerechtelijke of scheidsrechtelijke procedure loopt;

- de verzoeken die betrekking hebben op een geschil waarvan de commissie al kennis heeft genomen, behalve bij een nieuw relevant element.

Artikel 13

Aan het verzoek moet een geïnventariseerd dossier worden toegevoegd.

Binnen 8 werkdagen na ontvangst van het verzoek deelt de commissie aan de tegenpartij kopie van het verzoekschrift en van de inventaris mee en nodigt haar uit erop te antwoorden met een schriftelijke argumentatie die samen met de behoorlijk geïnventariseerde stavingstukken wordt overgemaakt binnen een termijn van maximum 14 werkdagen. De commissie deelt deze conclusie en de inventaris onmiddellijk mee aan de andere partij.

Na de mededeling van de schriftelijke argumentatie en de stukken, beschikt de verzoekende partij op haar beurt over een termijn van 14 werkdagen om haar schriftelijke argumentatie en haar eventuele nieuwe stukken behoorlijk geïnventariseerd over te maken.

De andere partij beschikt over dezelfde termijn om op haar beurt te antwoorden.

De commissie deelt na ontvangst de schriftelijke argumentatie mee van de ene partij aan de andere partij.

De in deze titel vermelde mededelingen mogen per post, per fax of met e-mail worden gedaan.

Wanneer de termijnen beginnen te lopen of verstrijken tijdens de gerechtelijke vakantie worden ze verlengd met 30 werkdagen.

De vastgestelde termijnen voor het neerleggen en meedelen van de schriftelijke argumentatie en geïnventariseerde stukken zijn vervaltermijnen.

De voorzitter kan echter andere of nieuwe termijnen bepalen, naargelang de aard van het geschil of op basis van nieuwe elementen of bijzondere omstandigheden, na gemotiveerd verzoek van een van de partijen, dat wordt meegedeeld aan de andere partij, die 8 dagen heeft om haar eventuele opmerkingen te laten gelden.

Zodra de zaak in staat is of na het verstrijken van de hierboven vermelde termijnen, stelt de voorzitter de vergadering vast en brengt de partijen hiervan op de hoogte.

De commissie kan de partijen horen, hetzij op haar verzoek, hetzij op verzoek van één van hen.

Artikel 14

De commissie doet uitspraak binnen een maand na het sluiten van de debatten.

Haar advies wordt binnen de kortst mogelijke termijn schriftelijk meegedeeld aan de partijen en hun raadslieden.

Het advies is gemotiveerd, gedateerd en ondertekend door de voorzitter en het vermeldt de namen van de commissieleden die de beslissing hebben genomen.

Materiële fouten worden rechtgezet door de GCR op schriftelijk verzoek van één of beide partijen.

Artikel 15

De beslissing heeft de waarde van een advies en er is geen verhaal tegen mogelijk.

Het advies is vertrouwelijk ten opzichte van derden.

Het kan niet worden voorgelegd in rechte, behalve door de partijen in een procedure tussen de advocaat en de rechtsbijstandsverzekeraar uitsluitend in het kader van het dossier waarin het advies werd verstrekt.

De adviezen kunnen het voorwerp uitmaken van de publicatie van een overzicht van rechtspraak met een wetenschappelijk doel, op voorwaarde dat de anonimiteit van de partijen wordt gevrijwaard.

Artikel 16

De werkingskosten van de commissie worden gelijk verdeeld tussen, naargelang het geval, de OBFG en de OVB enerzijds, en de commissie rechtsbijstand van Assuralia anderzijds.

TITEL 4: VARIA

Dit protocol wordt van kracht op 1ste januari 2012 en wordt gesloten voor onbepaalde duur.

De partijen kunnen hieraan een einde stellen zonder opzeggingstermijn, door middel van een aanzegging per aangetekende brief aan de andere partij.

Alle zaken die ondertussen werden aanhangig gemaakt, worden echter voortgezet tot ze zijn afgehandeld.

In dat geval blijft het protocol van toepassing.

Opgemaakt te Brussel, in drie exemplaren, op 3 november 2011.

Voor Assuralia, Ph. Colle

Gedelegeerd bestuurder

Voor de OBFG,

R. De Baerdemaeker Voorzitter

Voor de OVB, E. Boydens Voorzitter

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 29/06/2015 - 12:14
Laatst aangepast op: ma, 29/06/2015 - 12:14

Lijfrente onder de vorm van een beding ten behoeve van een derde en lijfrente tot vergelding van bewezen diensten

Publicatie
Auteur: 
Renotte D
Auteur: 
Quirynen Walter
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. LIJFRENTE IN HET ALGEMEEN
A. DEFINITIE VAN DE LIJFRENTE
1. Algemeen
a. Voorbeelden van definities
b. Kenmerken van de lijfrente
2. De plaats van de lijfrente in bet B. W.
3. De methodologische fout in bet B.W.
4. Het voorstel van LAURENT
5. De terminologische font in bet B.W.
B. LIJFRENTE ONDER BEZWARENDE TITEL
1. Overeenkomst onder bezwarende titel: artikel 1106 B.W.
2. Lijfrente onder bezwarende titel : artikel 1968 B. W.
C. LIJFRENTE OM NIET
1. Overeenkomsten om niet: artikel 1105 B.W.
2. Lijfrente om niet : artikel 1969 B. W.
a. De definitie van artikel 1969 B.W.
b. Is dit een kanscontract ?
c. De gevolgen van artikel 1969 B.W.
II. LIJFRENTE ONDER DE VORM VAN EEN BEDING TEN BEHOEVE VAN EEN DERDE
A. HET KADER VAN ARTIKEL 1973 IN HET B. W.
1. Algemeen verbintenissenrecht
a. Het basisprincipe van artikel 1165 B.W.
b. Partijen en derden
c. De werking van de overeenkomst
d. De uitzondering van artikel 1121 B.W.
e. Geldigheidsvoorwaarden van bet derdenbeding
f. Gevolgen
2. Artikel 1973 B.W.
a. De definitie van het B. W
b. De verhouding tussen artikel 1973 B.W. en artikel 1121 B.W. .
B. RECHTSVERHOUDINGEN
1. De hoofdovereenkomst : de verhouding tussen stipulant en promettant
2. De valutaverhouding : de verhouding tussen stipulant en derde
3. De verhouding tussen renteplichtige en de derde
III. LIJFRENTE TOT VERGELDING VAN BEWEZEN DIENSTEN
A. LIJFRENTE TOT VERGELDING VAN BEWEZEN DIENSTEN:
ALGEMEEN
B. HET VERBAND MET HET DERDENBEDING
1. Het juridisch verband
2. Het praktisch verband
IV. SLOT

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 28/06/2015 - 13:45
Laatst aangepast op: zo, 28/06/2015 - 13:46

Advocatuur. Regels & Deontologie

Publicatie
Auteur: 
Jo Stevens
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015
ISBN nummer: 
9789046582961
Samenvatting

Wellicht het meest volledige werk over deontiologie van de advocaat.

25 jaar na de vorige uitgave van dit boek, was bijna niets onveranderd gebleven in het beroepsrecht van de advocaten.

Er ontstond een gans nieuw juridisch balielandschap. Dit wordt exhaustief beschreven in ‘Advocatuur. Regels & Deontologie’. Het boek bevat de nieuwe regels, de nieuwe tuchtrechtspraak, nationaal en internationaal van het juridische landschap, alsook alle bepalingen van de OVB (en OBFG) Codex, alle Adviezen van het Departement Deontologie, en alle op advocaten toepasselijke bepalingen van het WER.

‘Advocatuur. Regels & Deontologie’ is het enige volledige boek over de advocatuur in België anno 2015.

Inhoudstafel tekst: 

Het boek telt opnieuw zes delen en een uitgebreid voetnotenapparaat met verwijzingen naar de relevante wet- en regelgeving, rechtsleer en rechtspraak.

In het eerste deel gaat gewezen voorzitter Jo Stevens dieper in op het wezen van de advocaat, schetst hij de contouren van de beeldvorming van het beroep en integreert hij een historische schets van de belangrijkste evoluties van de laatste 25 jaar.
In het tweede deel behandelt hij de (wettelijke en uit de praktijk gegroeide) instellingen van de advocaat.
In het derde deel bespreekt de auteur de voorwaarden om advocaat te zijn, o.a. toelating tot het beroep, onverenigbaarheden en verbodsverplichtingen.
Het vierde deel beschrijft de stage.
Het voorlaatste deel over de beroepsuitoefening focust op de taak van de advocaat en zijn rechten (o.a. pleitmonopolie en beroepsgeheim) en plichten (o.a. waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid).
Het laatste deel behandelt de nieuwe tuchtprocedure.
 


 Advocatuur. Regels & Deontologie

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 26/06/2015 - 11:20
Laatst aangepast op: vr, 26/06/2015 - 11:21

Zeventig jaar Verenigde Naties: welke bijdrage aan de internationale rechtsorde?

Publicatie
Auteur: 
Wouters J
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1643
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding

1. Op 26 juni 1945 werd het Handvest van de Verenigde Naties ondertekend te San Francisco. De VN werd in 1945 in de eerste plaats opgericht om de internationale vrede en veiligheid te handhaven, teneinde «komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog»

De VN heeft daarnaast een fundamentele bijdrage geleverd tot een verdere uitbouw van het volkenrecht en de internationale rechtsorde. Voorafgaande bemerkingen lijken aangewezen.

Primo, de VN heeft altijd te maken gehad met politieke spanningsvelden eigen aan een verdeelde wereld, binnen haar «politieke» hoofdorganen, de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering en de Economische en Sociale Raad («ECOSOC»).

Secundo, de VN heeft vele organen, hulporganen, programma’s en fondsen (naast de gespecialiseerde organisaties van het VN-systeem, talrijke conferenties onder VN-auspiciën en tientallen multilaterale VN-verdragen met hun eigen dynamiek

Tertio, de VN en het VN-systeem hebben geen monopolie op de internationale rechtsvorming.

II. Algemene Vergadering

A. Algemeen internationaal recht

B. Recht van de zee

C. Mensenrechten

III. Veiligheidsraad

IV. Internationaal Gerechtshof en andere VN-rechtscolleges

V. Commissie voor Internationaal Recht (ILC)

VI. Internationaal handelsrecht: UNCITRAL

VII. Internationaal ruimterecht: UNCOPUOS

VIII. Slotbeschouwingen

 

Bronvermeldingen

 

• D. Hammarskjöld, voordracht voor de Universiteit van Californië, 25 juni 1955, opgenomen in K. Falkman (ed.), To Speak for the World. Speeches and Statements by Dag Hammarskjöld, Stockholm, Atlantis, 2005, 160.

• M. Cogen en E. De Brabandere, «De VN en het Internationaal Recht» in J. Wouters en C. Ryngaert (eds.), De Verenigde Naties. Een Wereld van Verschil?, Leuven, Acco, 2005, 291-298

• C. Joyner (ed.), The United Nations and International Law, Cambridge, Cambridge University Press, 1997, 474 p.

• Making Better International Law: the International Law Commission at 50, New York, United Nations, 1998.

• M. Forteau, «Le droit international dans la Charte des Nations Unies» in J.-P. Cot, A. Pellet en M. Forteau (eds.), La Charte des Nations Unies. Commentaire article par article, Parijs, Economica, derde editie, 2005, 111-140.

• A. Roberts en B. Kingsbury (eds.), United Nations, Divided World: the UN’s Role in International Relations, 2e ed., Oxford, Clarendon Press, 1993.

• J. Soubeyrol, «L’action de l’O.N.U. en faveur de la décolonisation et contre la discrimination raciale» in The Evolution of International Law Since the Foundation of the U.N.: With Special Emphasis on the Human Rights, Thessalonika, Thesaurus acroasium, 1990, 559-589

• M. Vismara, «Décolonisation: les Nations Unies et la décolonisation» in R.J. Dupuy (ed.), Manuel sur les organisations internationales, Dordrecht, Nijhoff, 1988, 424-453).

• M. Donette en D. Brown, Multipolarity in the 21st Century: A New World Order, Londen, Routledge, 2012

• M. Happold (ed.), International Law in a Multipolar World, Londen, Routledge, 2012.

• J. Pauwelyn, R.A. Wessel en J. Wouters, «When Structures Become Shackles: Stagnation And Dynamics In International Lawmaking», 25 European Journal of International Law 2014, 733-763).

• F. de Pauw, «De gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties», RW 1961-62, 2002-2010.

• E. Hambro, «Codification of International Law under the League and under the United Nations» in Mélanges Fernand Dehousse, I, Brussel, Labor, 1979, 57-60

• S. Rosenne (ed.), Conference for the Codification of International Law (1930), Dobbs Ferry, Oceana, 1975, vier delen.

• Zie: M. Bossuyt en J. Wouters, Grondlijnen van internationaal recht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 113-118.

• J. Pauwelyn, R.A. Wessel en J. Wouters (eds.), Informal International Lawmaking, Oxford, Oxford University Press, 2012, xxviii + 549 p.

• J. Pauwelyn, R.A. Wessel, J. Wouters, A. Berman en S. Duquet (eds.), Informal International Lawmaking: Case Studies, Oslo, Torkel Opsahl Academic EPublisher (TOAUP), 2013, xxii + 537 p.

• M.H. Nordquist, J.N. Moore en S. Mahmoudi (eds.), The Stockholm Declaration and Law of the Marine Environment, Den Haag, Nijhoff, 2003.

• A. Del Vecchio (ed.), International Law of the Sea: Current Trends and Controversial Issues, Den Haag, Eleven, 2014

• L.-A. Duvic-Paoli, La Convention des Nations Unies sur le droit de la mer: instruments de régulation des relations internationales par le droit, Parijs, Harmattan, 2011

• J. M. Sobrino Heredia (ed.), La contribution de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer à la bonne gouvernance des mers et des océans. Actes du IVème colloque ordinaire de l’Association internationale du droit de la mer, Napels, Editoriale Scientifica, 2014.

• M.L. Lee, «The Interrelation between the Law of the Sea Convention and Customary International Law», 7 San Diego International Law Journal 2006, 405-420.

• M. Bossuyt, «België partij bij de UNO-Pacten inzake mensenrechten (21 juli 1983)», RW 1983-84, 781-790. Over de genese, zie o.a.: J. Bacalu, «Het verdragsrecht betreffende de rechten van de mens», RW 1957-58, 1321-1342.

• J. Wouters, «Some Reflections on Democracy and International Law» in Droit du pouvoir, pouvoir du droit: mélanges offerts à Jean Salmon, Brussel, Bruylant, 2007, 783-803.

• G. De Baere en J. Wouters (eds.), The Contribution of International and Supranational Courts to the Rule of Law, Cheltenham, Edward Elgar Publishing, 2015.

• M. Byers, «International Law and the Responsibility to Protect» in C. Chinkin en F. Baetens (eds.), Sovereignty, Statehood and State Responsibility: Essays in Honour of James Crawford, Cambridge, Cambridge University Press, 2015, 23-50.

• A. Follesdal, R. Wessel en J. Wouters (eds.), Multilevel Regulation and the EU. The Interplay between Global, European and National Normative Processes, Leiden – Boston, Nijhoff, 2008. De meest spraakmakende zaak die dit spanningsveld symboliseert, is de Kadi-zaak (zie daarover o.a.: J. Wouters, «The Tormented Relationship between International Law and EU Law» in P.H.F. Dekker, R. Dolzer en M. Waibel (eds.), Making Transnational Law Work in the Global Economy. Essays in Honour of Detlev Vagts, Cambridge, Cambridge University Press, 2010, 198-221).
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 13/06/2015 - 11:36
Laatst aangepast op: za, 13/06/2015 - 11:36

Rookwet

Alternatieve naam: 
Wet betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook
Afkondiging: 
din, 22/12/2009
Publicatie: 
din, 29/12/2009
Tekst van de wetgeving: 

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2. - Definities

Art. 2.Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder :
1° roken : het roken van tabak, producten op basis van tabak of van soortgelijke producten;
2° gesloten plaats : plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een plafond of zoldering;
3° plaats toegankelijk voor het publiek :
a) plaats waarvan de toegang niet beperkt is tot de gezinssfeer;
b) onder meer inrichtingen of gebouwen van volgende aard :
i. overheidsplaatsen;
ii. stations;
iii. luchthavens;
iv. handelszaken;
v. plaatsen waar al dan niet tegen betaling aan het publiek diensten worden verstrekt, met inbegrip van plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie worden aangeboden;
vi. plaatsen waar zieken of bejaarden worden opgevangen of verzorgd;
vii. plaatsen waar preventieve of curatieve gezondheidszorgen worden verstrekt;
viii. plaatsen waar kinderen of jongeren op schoolgaande leeftijd worden opgevangen, gehuisvest of verzorgd;
ix. plaatsen waar onderwijs en/of beroepsopleidingen worden verstrekt;
x. plaatsen waar vertoningen plaatsvinden;
xi. plaatsen waar tentoonstellingen worden georganiseerd;
xii. plaatsen waar sport wordt beoefend;
4° openbaar vervoer : personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waar iedereen die dat wil - tegen het geldende tarief - gebruik van kan maken;
5° werkruimte :
a) elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of een open ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht;
b) elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of de inrichting waar de werknemer toegang tot heeft;
6° sociale voorzieningen : de sanitaire voorzieningen, de refter en lokalen bestemd voor rust of eerste hulp;
7° rookkamer : ruimte afgesloten door wanden en een zoldering waar gerookt mag worden;
8° het Comité : het Comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis hiervan, de syndicale afvaardiging, of bij ontstentenis hiervan, de werknemers zelf overeenkomstig de bepalingen van artikel 48 en volgende van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
9° drankgelegenheid : een inrichting waar de belangrijkste en permanente activiteit er enkel uit bestaat dranken, waaronder dranken met ethylalcohol, aan te bieden voor consumptie ter plaatse en waar geen andere levensmiddelen worden aangeboden voor consumptie ter plaatse dan voorverpakte levensmiddelen die zonder enige bijkomende maatregel gedurende minstens drie maanden houdbaar blijven;
10° rookverbodsteken : verbodsteken met een diameter van minstens negen centimeter en uitgevoerd in de volgende kleuren :
a) grond : wit;
b) afbeelding sigaret : zwart;
c) rand en dwarsbalk : rood.
11° [1 ...]1
12° [1 ...]1
13° Sport : alle sporten en sportieve vrijetijdsbestedingen erkend en/of gesubsidieerd door één van de Gemeenschappen en alle sporten van sportfederaties die erkend en/of gesubsidieerd zijn door één van de Gemeenschappen.

(NOTA : bij arrest (uittreksel) nr. 37/2011 van 15-03-2011 (B.St. 06-05-2011, p. 26566-26570), heeft het Grondwettelijk Hof art. 2, 9° vernietigd ; Inwerkingtreding : 01-07-2011)
----------
(1)<W 2014-04-10/23, art. 196, 004; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

HOOFDSTUK 3. - Rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek

Art. 3. § 1. Het is verboden te roken in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Deze plaatsen dienen rookvrij te zijn.
Aan de ingang van en binnen elke plaats bedoeld in het eerste lid worden rookverbodstekens zoals bepaald bij artikel 2, 10°, zo aangebracht dat alle aanwezige personen er kennis van kunnen nemen. De Koning kan de bijkomende voorwaarden bepalen waaraan de signalisatie van het rookverbod dient te beantwoorden.
§ 2. Het verbod bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, geldt eveneens permanent in alle voertuigen die gebruikt worden voor het openbaar vervoer dus ook wanneer zij buiten dienst zijn.
§ 3. Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat uitschijnen dat roken toegestaan is, is verboden in de plaatsen bedoeld in paragrafen 1 en 2.

Art. 4.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, § 1, wordt een uitzondering gemaakt op het rookverbod voor afgesloten drankgelegenheden en die geen deel uitmaken van een sportruimte.
De uitbater van een drankgelegenheid bedoeld in het eerste lid, of het gaat om een fysiek persoon of een rechtspersoon, kan een zone die duidelijk afgebakend is, installeren, waar het toegestaan is te roken volgens vormen en voorwaarden voorzien in volgende paragrafen.
[1 De uitzondering bedoeld in het eerste lid geldt tot 1 juli 2014. Niettemin kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de sector een einde maken aan deze uitzondering vanaf 1 januari 2012.]1
§ 2. De zone gereserveerd voor rokers moet aangeduid worden door allerhande middelen die het mogelijk maken ze te situeren.
Ze moet zodanig ingericht zijn dat de ongemakken van de rook ten opzichte van niet-rokers maximaal verminderd worden.
De oppervlakte ervan moet minder dan de helft van de totale oppervlakte van de plaats waar dranken ter consumptie worden opgediend zijn, behalve indien deze totale oppervlakte minder dan 50 vierkante meter bedraagt.
§ 3. In de plaatsen gereserveerd voor niet-rokers dienen rookverbodstekens overeenkomstig punt 10° van artikel 2 zo te worden aangebracht dat alle aanwezige personen er kennis van kunnen nemen.
§ 4. Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, is verboden in de zone gereserveerd voor niet-rokers.
§ 5. De Koning kan bijkomende voorwaarden vaststellen waaraan de drankgelegenheden moeten voldoen waar roken toegelaten is. Deze voorwaarden hebben betrekking op de installatie van een ventilatiesysteem dat een minimaal volume van luchtverversing verzekert.

(NOTA : bij arrest (uittreksel) nr. 37/2011 van 15-03-2011 (B.St. 06-05-2011, p. 26566-26570), heeft het Grondwettelijk Hof art. 4 vernietigd ; Inwerkingtreding : 01-07-2011)
----------
(1)<W 2009-12-22/06, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 08-01-2010>

Art. 5.Het in artikel 3 bedoelde verbod is niet van toepassing op de kansspelinrichtingen van klasse I, zoals omschreven in artikel 28 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers in de lokalen die uitsluitend bestemd zijn om te spelen en waar dranken mogen worden geserveerd.
[1 De uitzondering bedoeld in het eerste lid geldt tot 1 juli 2014. Niettemin kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de sector een einde maken aan deze uitzondering vanaf 1 januari 2012.]1

(NOTA : bij arrest (uittreksel) nr. 37/2011 van 15-03-2011 (B.St. 06-05-2011, p. 26566-26570), heeft het Grondwettelijk Hof art. 5 vernietigd ; Inwerkingtreding : 01-07-2011)
----------
(1)<W 2009-12-22/06, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 08-01-2010>

Art. 6. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, kan de uitbater van een gesloten plaats, die toegankelijk is voor het publiek een rookkamer installeren.
Deze rookkamer is geen doorgangszone en is zodanig geconstrueerd en ingericht dat de ongemakken van de rook ten opzichte van de niet-rokers maximaal verminderd worden.
De rookkamer wordt duidelijk als lokaal voor rokers geïdentificeerd en wordt aangeduid door allerhande middelen die toelaten ze te situeren. In de rookkamer kunnen enkel dranken worden meegenomen.
De oppervlakte van de rookkamer mag niet meer bedragen dan een vierde van de totale oppervlakte van de gesloten plaats.
De rookkamer is voorzien van een rookafzuigsysteem of een verluchtingssysteem dat de rook afdoende verwijdert.
De Koning bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan de rookkamer dient te beantwoorden.

Art. 7. De uitbater en de klant zijn, elkeen voor wat hem aangaat, verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten.

Art. 8. Wijzigingen aan de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen enkel worden doorgevoerd na eerst het advies van de Hoge Gezondheidsraad te hebben ingewonnen.

Art. 9. Met de straffen bedoeld in artikel 13 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van voedingsmiddelen en andere producten, wordt gestraft hij die het bepaalde in deze wet of zijn uitvoeringsbesluiten overtreedt.

Art. 9/1. [1 Naast de in artikel 9 voorziene straffen kan de rechtbank de sluiting bevelen van de gesloten plaats die toegankelijk is voor het publiek waarin de misdrijven werden gepleegd voor een termijn van een maand tot zes maanden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/23, art. 197, 004; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

Art. 10. Zijn van overeenkomstige toepassing op de artikelen 1 tot 9, de artikelen 11, 11bis, 16, 17, 19, 20 en 27 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voedingsmiddelen en andere producten.

Art. 10/1. [1 Zijn overeenkomstig van toepassing op de artikelen 1 tot 9, de artikelen 3, 5 en 7 van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2009-12-22/06, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 08-01-2010>

HOOFDSTUK 4. - Rookvrije werkplaats

Art. 11.§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a) tot e), en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op :
1° de als private vertrekken te beschouwen gesloten plaatsen van alle instellingen van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waar de bewoners en niet-bewoners kunnen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn vastgelegd;
2° privéwoningen, behalve de ruimten die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar werknemers tewerk worden gesteld.
3° de drankgelegenheden en de kansspelinrichtingen respectievelijk bedoeld in de artikelen 4, § 1 en 5.
----------
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a) tot e), en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op :
1° de als private vertrekken te beschouwen gesloten plaatsen van alle instellingen van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waar de bewoners en niet-bewoners kunnen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn vastgelegd;
2° privéwoningen, behalve de ruimten die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar werknemers tewerk worden gesteld.
3° [1 ...]1

(NOTA : bij arrest (uittreksel) nr. 37/2011 van 15-03-2011 (B.St. 06-05-2011, p. 26566-26570), heeft het Grondwettelijk Hof art. 11, § 2, 3° vernietigd ; Inwerkingtreding : 01-07-2011)
----------
(1)<W 2009-12-22/06, art. 4, 002; Inwerkingtreding : onbepaald; artikel 11, §2, 3° wordt opgeheven uiterlijk op 1 juli 2014. Niettemin kan de Koning deze opheffing vervroegen vanaf 1 januari 2012 bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de sector.>

Art. 12. Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook.

Art. 13. De werkgever verbiedt het roken in de werkruimten en de sociale voorzieningen, evenals in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk door hem ter beschikking wordt gesteld van het personeel.
De werkgever neemt de nodige maatregelen teneinde erover te waken dat derden die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden omtrent de maatregelen die hij toepast overeenkomstig deze wet.
Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, is verboden in de lokalen als bedoeld in het eerste lid.

Art. 14. In afwijking van het verbod bedoeld in artikel 13, bestaat de mogelijkheid te voorzien in een rookkamer binnen de onderneming, na voorgaand advies van het Comité.
De rookkamer, die uitsluitend tot het roken bestemd is, wordt afdoende verlucht of wordt voorzien van een rookafzuigsysteem dat de rook afdoende verwijdert. De Koning bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan de rookkamer dient te beantwoorden.
De regeling van de toegang tot deze kamer tijdens de werkuren wordt vastgesteld, na voorafgaand advies van het Comité.
Deze regeling veroorzaakt geen ongelijke behandeling van de werknemers.

Art. 15.[1 De werkgever is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Met de straffen bedoeld in artikel 81 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wordt gestraft de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die het bepaalde in deze wet of zijn uitvoeringsbesluiten overtreedt.]1
----------
(1)<W 2010-04-28/01, art. 129, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

Art. 15/1. [1 De ambtenaren aangewezen krachtens artikel 80 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en dit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2010-04-28/01, art. 130, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

Art. 16. Wijzigingen aan de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen enkel worden doorgevoerd na eerst het advies van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk te hebben ingewonnen.

HOOFDSTUK 5. - Opheffingsbepalingen

Art. 17. Opgeheven worden :
1° artikel 35, 10°, van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, pre-metro, metro, autobus en autocar;
2° de artikelen 7, § 3, en artikel 13, 3°, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voedingsmiddelen en andere producten;
3° het koninklijk besluit van 19 januari 2005 betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook en zijn uitvoeringsbesluiten;
4° het koninklijk besluit van 13 december 2005 tot het verbieden van het roken in openbare plaatsen en zijn uitvoeringsbesluiten.

Art. 18. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2010.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 10/06/2015 - 11:25
Laatst aangepast op: wo, 10/06/2015 - 11:25

Omzendbrief 2015/1 betreffende art. 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit - Antimisbruikbepaling. - Fiscaal misbruik. - Registratiebelasting en erfbelasting

Afkondiging: 
maa, 16/02/2015
Tekst van de wetgeving: 

Aan de personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst

Deze omzendbrief vervangt vanaf 1 januari 2015 de omzendbrief 2014/2.

Inhoudstabel
1. Bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit
2. Inleiding
3. Rechtshandelingen die voor zover ze geen deel uitmaken van een gecombineerde constructie op zich niet als fiscaal misbruik worden beschouwd.
4. Rechtshandelingen die als fiscaal misbruik beschouwd worden, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven
5. Subsidiariteit van de antimisbruikbepaling

1. Bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Artikel 3.17.0.0.2 en 3.17.0.0.9 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit luiden als volgt:

Art. 3.17.0.0.2. Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van
de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

Art. 3.17.0.0.9. Tegenbrieven zijn niet tegenstelbaar aan het Vlaamse Gewest als ze een vermindering van het actief of een vermeerdering van het passief van de nalatenschap tot gevolg hebben.

2. Inleiding.

Deze omzendbrief heeft betrekking op de toepassing van de antimisbruikbepaling in het kader van de registratie- en erfbelasting in het Vlaamse Gewest, met ingang van 1 januari 2015.

Het artikel 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna VCF), zoals gewijzigd door het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (Belgisch Staatsblad van 29 januari 2015) voorziet in een antimisbruikbepaling voor alle Vlaamse belastingen opgenomen in de VCF, met ingang van 1 januari 2015.

Of een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen gesteld door een belastingplichtige een fiscaal misbruik vormt inzake de erf- en/of registratiebelasting zal - in principe - van geval tot geval dienen te worden beoordeeld rekening houdend met de concrete context en de modaliteiten. Er wordt dus geen exhaustieve lijst van "veilige" of "verdachte" rechtshandelingen opgesteld.

Teneinde toch enige duidelijkheid en houvast te verschaffen en een eenvormige toepassing van art. 3.17.0.0.2 van de VCF te bekomen, worden hierna, zonder exhaustief te zijn, een aantal rechtshandelingen opgesomd die hetzij duidelijk niet, hetzij duidelijk wel (behoudens tegenbewijs), als fiscaal misbruik inzake de erf- of registratiebelasting kunnen worden beschouwd.

Artikel 3.17.0.0.2 van de VCF stelt dat fiscaal misbruik handelt om door de belastingplichtige zelf gestelde rechtshandelingen. In het kader van de erfbelasting en testamenten is de testator niet de belastingplichtige. Bijgevolg kunnen testamentaire bepalingen alvast niet onder de toepassing vallen van de in artikel 3.17.0.0.2 van de VCF voorziene antimisbruikbepaling.

De hierna opgenomen lijsten zijn geenszins limitatief, noch in de ene, noch in de andere zin. Rechtshandelingen of een geheel van rechtshandelingen die niet opgenomen zijn in deze beide lijsten zijn noch ipso facto veilig, noch ipso facto verdacht.

3. Rechtshandelingen die, voor zover ze geen deel uitmaken van een gecombineerde constructie, op zich niet als fiscaal misbruik worden beschouwd.
1) schenking door middel van een handgift of een bankgift;
2) schenking bij een akte verleden voor een notaris in het buitenland;
3) gefaseerde schenking van onroerende goederen met tussenperiode van meer dan drie jaar;
4) schenking onder last;
5) schenking onder ontbindende voorwaarde;
6) schenking door grootouders aan kind(eren) en/of kleinkind(eren);
7) schenking met voorbehoud van vruchtgebruik of ander levenslang recht;
8) schenking waarop het verlaagd tarief van de schenkbelasting van toepassing is;
9) schenking die een in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 voorziene vrijstelling van schenkbelasting geniet;
10) tontine- en aanwasclausules.

4. Rechtshandelingen die als fiscaal misbruik beschouwd worden, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven

1) éénzijdige verblijvingsbedingen of bedingen van ongelijke verdelingen van de huwelijksgemeenschap, losgekoppeld van een overlevingsvoorwaarde (beter bekend als de zgn. sterfhuisclausule (gaat in tegen art. 2.7.1.0.4 VCF)).

Het betreft bijvoorbeeld de notariële akte houdende wijziging van het huwelijkscontract waarbij de echtgenoten, gehuwd onder een stelsel van gemeenschap, bedingen dat de gehele gemeenschap toekomt aan één welbepaalde, bij naam genoemde echtgenoot ongeacht de oorzaak van de ontbinding van de gemeenschap.

De akte wordt gelet op het nakend en onoverkomelijk overlijden enkel verleden met het doel de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat elke toebedeling van het gemeenschappelijk vermogen op voorwaarde van overleving viseert, te vermijden.

Het behoort aan de belastingplichtige te bewijzen dat het sterfhuisbeding door andere motieven gerechtvaardigd wordt dan het ontwijken van de erfbelasting.

Als de belastingplichtige dit bewijs niet kan leveren zal de erfbelasting worden geheven op basis van artikel 2.7.1.0.4 VCF op het gedeelte dat de helft van het gemeenschappelijk vermogen overtreft en dat aan de overlevende echtgenoot toekomt.

2) erfpachtconstructies: een gesplitste aankoop van onroerend goed door een vennootschap samen met een gelieerde partij (vennootschap of natuurlijke persoon) (gaat in tegen art. 1.1.0.0.2, eerste lid, 24° en art. 2.9.4.1.1 VCF).

De verwerving van een recht van erfpacht op een onroerend goed door een vennootschap of door een met een vennootschap gelieerde natuurlijke persoon, quasi onmiddellijk gevolgd door de aankoop van het met erfpacht bezwaarde onroerend goed door een verbonden vennootschap, in de zin van de artikelen 11 en 12 W.Venn., of door een met de vennootschap gelieerde natuurlijke persoon waarbij de vergoeding voor het recht van erfpacht de waarde van de volle eigendom van het onroerend goed benadert, de zgn. erfpachtconstructie, beantwoordt aan de definitie van fiscaal misbruik.

Uit de context van de feiten kan worden afgeleid dat deze opeenvolgende verrichtingen tot doel hebben het verkooprecht op de waarde van de volle eigendom van het gehele goed te ontwijken; dat het ontwijken van het verkooprecht de enige/overwegende beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandelingen.

Dergelijke constructie gaat bijgevolg in tegen artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 24° en artikel 2.9.4.1.1 VCF.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat de keuze voor de vestiging van een recht van erfpacht en de verkoop van het met erfpacht bezwaarde onroerend goed verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van het verkooprecht.
Indien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient het verkooprecht te worden geheven op de waarde van de volle eigendom van het onroerend goed.

3) Inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten (gaat in tegen de heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1, § 1 en 2.8.4.1.1, § 1 en § 2 VCF).

Er kan worden vermoed dat de inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten aan bv. hun enig kind enkel gebeurt om de progressiviteit van de schenkbelasting te ontwijken; dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing de enige beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling. Degelijke constructie gaat in tegen de artikelen 2.8.3.0.1, § 1 en 2.8.4.1.1, § 1 en § 2 VCF. Er is bijgevolg sprake van fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking, verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van hogere schenkbelastingen.

Indien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient de schenkbelasting te worden geheven alsof de inbreng niet had plaatsgevonden, m.a.w. berekening van de schenkbelasting op de schenking door de inbrengende echtgenoot aan het kind voor de geheelheid van het goed.

4) Uitbreng uit de huwelijksgemeenschap van roerende goederen, voorafgegaan of gevolgd door een wederzijdse schenking tussen echtgenoten (gaat in tegen art. 2.7.1.0.4 VCF).

Echtgenoten gehuwd onder een stelsel van gemeenschap gaan in een eerste stap over tot de "uitbreng" van roerende goederen. Vervolgens gebruiken ze dezelfde roerende goederen die tot hun eigen vermogen behoren ingevolge de eerste stap, om wederzijdse schenkingen te doen, doorgaans gepaard met een beding van conventionele terugkeer opgenomen in iedere schenking.

De partijen "ledigen" op deze wijze de gemeenschap en vermijden de overgang van gemeenschapsgoederen bij het overlijden. Er wordt ingegaan tegen artikel 2.7.1.0.4 VCF. De overgang uit de gemeenschap heeft plaats in het vooruitzicht van het overlijden. De belastingplichtige brengt zichzelf in een toestand waar zijn nagestreefd fiscaal voordeel het ontwijken van artikel 2.7.1.0.4 VCF is, terwijl hij de facto zijn echtgenoot, die zal overleven, bevoordeelt op korte termijn.

De belastingplichtigen moeten dan het bewijs leveren dat de uitbreng een overgang is van het gemeenschapsvermogen naar het eigen vermogen die verantwoord wordt door andere motieven dan fiscale. Inzake de registratiebelasting wordt het gemeenschapsvermogen behandeld als een onverdeeldheid. De Vlaamse Belastingdienst is van oordeel dat de uitbreng niets wijzigt aan de persoonlijke rechten die iedere echtgenoot in de voormelde gemeenschap heeft.

Bij overlijden van de eerststervende echtgenoot wordt de erfbelasting geheven net alsof de uitbreng en de schenkingen niet hebben plaatsgevonden en de langstlevende de goederen, die hij door de werking van de conventionele terugkeer verkrijgt, als huwelijksvoordeel in de zin van artikel 2.7.1.0.4 VCF heeft verkregen.

5) Verzaking aan vruchtgebruik op een onroerend goed, gevolgd door een schenking (gaat in tegen de artikelen 2.8.3.0.1, § 1 en 2.8.4.1.1, § 1 en § 2 VCF).

Situaties waarbij een persoon op een onroerend goed een deel in vruchtgebruik en een deel in volle eigendom bezit en waarbij die persoon eerst verzaakt aan het vruchtgebruik om vervolgens een deel in volle eigendom te schenken aan dezelfde perso(o)n(en) aan wie de verzaking van het vruchtgebruik ten goede is gekomen, of in omgekeerde volgorde, worden beschouwd als fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

Wanneer de Vlaamse Belastingdienst in dergelijk geval inroept dat er sprake is van fiscaal misbruik dient de belastingplichtige te bewijzen dat de verzaking aan het vruchtgebruik verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van schenkbelastingen.

Indien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient op de verzaking aan het vruchtgebruik de schenkbelasting te worden geheven op de waarde van het vruchtgebruik.

5. Subsidiariteit van de antimisbruikbepaling

Er wordt opgemerkt dat de Vlaamse Belastingdienst een aantal rechtshandelingen of constructies belastbaar acht op basis van de reeds bestaande wettelijke bepalingen vervat in de VCF zonder zich te hoeven beroepen op de antimisbruikbepaling. In dergelijke gevallen dient in hoofdorde de toepasselijkheid van de reeds bestaande wettelijke bepaling te worden verdedigd. De antimisbruikbepaling zal in dergelijke gevallen in ondergeschikte orde worden ingeroepen, voor het geval de door de Vlaamse Belastingdienst in hoofdorde verdedigde thesis niet zou worden aanvaard.Omzendbrief 2015/1 betreffende art. 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zoals gewijzigd door het decreet van 19 december 2014. - Antimisbruikbepaling. - Fiscaal misbruik. - Registratiebelasting en erfbelasting

Rechtsleer: S. Van Bree, Antimisbruik in registratie- en erfbelasting Nieuwe omzendbrief, NJW 324, p. 426

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 10/06/2015 - 08:57
Laatst aangepast op: wo, 10/06/2015 - 08:57

Vlamingen in de Wereld: de expatgids voor wonen en werken in het buitenland

Publicatie
Auteur: 
Van Der Perre N
Auteur: 
Van Der Schaeghe K
Uitgever: 
Roularta Books
Jaargang: 
2014
ISBN nummer: 
9789086794942
Samenvatting

De expatgids voor wonen en werken in het buitenland

In de globale wereld is een al dan niet tijdelijke verhuis naar het buitenland steeds meer aan de orde voor professionals met ambitie. Elke verhuizing naar het buitenland is een unieke ervaring, maar brengt ook tal van praktische hindernissen mee. Roularta Books heeft samen met de Stichting “Vlamingen in de Wereld” (VIW) een expatgids samengesteld.

Dit boek biedt een houvast voor eenieder met buitenlandse plannen: expat, emigrant, ondernemer, student enzovoort.

Het boek tackelt alle facetten van het emigratie- en expatriatieproces, van administratieve formaliteiten en procedures, over sociale zekerheid, fiscaliteit, tot onderwijs voor de kinderen, sociale contacten en netwerken. De informatie wordt concreet gemaakt met twintig portretten van Vlamingen in het buitenland. Het is de eerste publicatie die dergelijk totaal overzicht bundelt, een must voor wie plannen in het buitenland heeft.

De stichting Vlamingen in de Wereld (VIW) is een belangenorganisatie voor landgenoten die in het buitenland (willen) wonen, werken en verblijven. VIW onderhoudt via haar wereldwijd netwerk contacten met duizenden uitgeweken Vlamingen, biedt hen persoonlijke service en is hun spreekbuis.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/06/2015 - 13:21
Laatst aangepast op: di, 09/06/2015 - 13:21

De interpretatieregel in het voordeel van de consument

Publicatie
Auteur: 
Waelkens J
Tijdschrift: 
TPR
Jaargang: 
2014/3
Pagina: 
989
Samenvatting

I. Inleiding: de contra proferentem-regel sensu lato en de regel in favorem consumentis
II. Algemeen
A. Ontstaan van de regel
B. Toepassingsgebied van de regel
C. Werking van de regel
III. Transparantieverplichting
A. Mondelinge en schriftelijke overeenkomsten
B. Invulling duidelijkheid en begrijpelijkheid
IV. Interpretatie van onduidelijke clausules
A. Regel en toepassing ervan
B. Vergelijking met andere interpretatieregels voor contracten gesloten met een zwakkere partij
V. Nietigheid van onbegrijpelijke clausules
VI. Controle door het Hof van Cassatie
VII. Besluit

zie ook:

WAELKENS, J., Interpretatie van een koopovereenkomst, DAOR 2014, afl. 109, 42-53

DHAENENS, D., Onduidelijk contract in het voordeel van de consument, Vastgoed info 2006, afl. 18, 4-5.

VAN RANSBEECK, R., Privaatrechtelijke en handelsrechtelijke beschouwingen inzake forumbedingen in factuurvoorwaarden naar Belgisch recht, TBBR 2013, afl. 7, 342-364

STEENNOT, R., Algemene bepalingen betreffende de verkopen van producten en diensten aan consumenten, TPR 2009, afl. 1, 263-320

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 09/06/2015 - 09:12
Laatst aangepast op: di, 09/06/2015 - 09:12

Pleidooi voor een collegiale rechtspraak

Publicatie
Auteur: 
Bruno Luyten
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1640
Samenvatting

Prof. Beatrix Vanlerberghe (UAntwerpen) : «Men moet ook beseffen dat rechterlijke beslissingen een zeer grote impact kunnen hebben op een mensenleven en dat beslissingen die in laatste aanleg gewezen zijn ook definitief zijn (behalve bij een uitzonderlijk slagen van een cassatieberoep). Een simpele pennentrek, die geen juridisch belang heeft, maar louter appreciatie betreft en wel beslissend is voor de zaak, kan verwoestende gevolgen hebben. Ik vraag me af of men wel beseft hoeveel appreciatie (die steeds een factor van subjectiviteit inhoudt en in de regel onaanvechtbaar is) er bij het beslechten van bepaalde zaken aan bod komt. Het lijkt me dan ook uitermate belangrijk dat er wel collegiaal gezeteld wordt».

Prof. Fleerackers: «Die interactie tussen drie rechters laat toe dat, hoezeer elkeen ook met eigen overtuigingen en persoonlijke intuïtie aan tafel komt, deze in onderling overleg worden afgewogen, waarbij met name de casus zelf als maatstaf geldt, steeds opnieuw. Pas in die juridische interactie kunnen de beweeglijkheid en veranderlijkheid van elk nieuw geschil benaderd worden, net omdat menselijke interactie die kenmerken belichaamt en realiseert. Meer zelfs, enkel in deze juridische interactie kan de casus zelf als motor van het rechterlijk oordeel fungeren en strookt dit oordeel optimaal met de werkelijkheid» (F. Fleerackers, «Rechtsdenken, pragmatisme en juridische intuïtie», AdVocare 21.1, p. 5-16).

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 07/06/2015 - 13:59
Laatst aangepast op: zo, 07/06/2015 - 13:59
Inhoud syndiceren

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.