-A +A

De onherroepelijkheid van de schenking

Publicatie
Auteur: 
De Clippel D
Uitgever: 
Ugent
Jaargang: 
2009-2010
Samenvatting

De onherroepelijheid van de schenking is een wezenskenmerk van de schenking. Samen met het vereiste van dadelijkheid vormen zij het koningspaar van de schenking.

Volgens artikel 894 van het Burgerlijk Wetboek is een schenking onder levenden een akte waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde die ze aanneemt.

"Donner et retenir ne vaut"
"Gegeven is gegeven"

De opstellers van het gerechtelijk wetboek wilden hiermee oude feodale structuren doorbreken, waarbij de begiftgde gebonden bleef aan de grillen en de machtsgreep van de schenker. De begitigde heeft recht op gemoedsrust dat het geschonkele tot zijn vermogen blijft behoren. De onherroepelijkheid van de schenking gaat zelfs zover dat de schenking zelfs niet in gemeen akkoord kan ontbonden worden. 

De schenking is niet alleen onherroepelijk, de schenker mag zich geen enkel middel voorbehouden om rechtstreeks of onrechtstreeks op de schenking terug te komen. De onherroepelijkheid van de schenking dient de rechtzekerheid. Bij gebreke aan de onherroepelijkheid van de schenking, zouden de geschonken goederen onvervreemdbaar zijn.

Inhoudstafel tekst: 

INLEIDING
HOOFDSTUK 1: DE KENMERKEN VAN EEN SCHENKING.
1. De schenking is een overeenkomst.
2. De schenking is een overeenkomst waarbij het geschonken goed dadelijk word overgedragen.
3. Het geschonken goed moet onherroepelijk worden overgedragen
HOOFSTUK 2: HISTORIEK VAN DE ONHERROEPELIJKHEID.
1. Oorsprong.
2. Ratio legis.
A. De bescherming van de schenker
B. De bescherming van de begiftigde.
C. De rechtszekerheid.
HOOFDSTUK 3: DE WETTELIJKE ONHERROEPELIJKHEID.
1. Het gemene verbintenissen –en overeenkomstenrecht.
A. Algemeen
B. Uitzonderingen.
2. Het schenkingenrecht.
A. Algemeen
B. Uitzonderingen
1. Artikel 1096 BW.
a) Het beginsel
b) Het toepassingsgebied
c) Vorm van de herroeping
d) De gevolgen van de herroeping
e) Het voordeel op het gebied van successieplanning
2. Artikel 953 BW.
3. Artikel 954 BW.
a) Het beginsel
b) Het toepassingsgebied
3
4. Artikel 955 BW.
a) Het beginsel
b) Het toepassingsgebied
3. Besluit.
HOOFDSTUK 4: DE CONTRACTUELE ONHERROEPELIJKHEID.
1. Inleiding
2. Het gemene verbintenissen – en overeenkomstenrecht
A. Artikel 1174 BW: de klassieke opvatting.
B. Artikel 1174 BW: de moderne opvatting.
C. De partijbeslissing
3. Het schenkingenrecht
A. De contractuele onherroepelijkheid in het Belgische recht
1. Het toepassingsgebied.
2. Draagwijdte van de versterkte onherroepelijkheid.
3. Het arrest van het Hof van Cassatie van 26 januari 1984.
4. Bijzondere toepassingen
a) Artikel 943 BW.
- Toekomstige goederen.
- Tegenwoordige goederen.
b) Artikel 945 BW.
- Tegenwoordige schulden of lasten.
- Toekomstige schulden of lasten.
c) Artikel 946 BW.
d) Artikel 947 BW.
5. Sanctie.
a) Omvang van de nietigheid.
b) Aard van de nietigheid.
B. De contractuele onherroepelijkheid in het Nederlandse recht.
4. Besluit.
5. De onherroepelijkheid van de schenking behouden?
BIBLIOGRAFIE

Deze tekst, "De onherroepelijkheid van de schenking", is integraal gratis online te lezen via deze link

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: wo, 09/11/2016 - 17:18
Laatst aangepast op: wo, 09/11/2016 - 17:18

Wat is ouderschap

Publicatie
Auteur: 
Swennen F.
Tijdschrift: 
TPR
Uitgever: 
E. Story-Scientia
Jaargang: 
Kluwer
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

Inleiding

I. Ouderschap

II. Afstamming

Inleiding

A. Afstamming en wetgeving

§1. De appreciatiemarge van de wetgever

§2. De appreciatie van de rechter

§3. Het belang van het kind

§4. Beoordeling

C. Vestiging van de afstamming

§1. Een belangenafweging met focus op het kind

§2. Termijn

§3. Incest

§4. Andere absolute ontvankelijkheid-of gegrondheidsvereisten

D. Betwisting van de afstamming

§1 vordering gerechtigden

§2 bezit van staat

§3. Belangenafweging met focus op het kind

§4 termijn

a. Algemeen
b. vermoeden van vaderschap
c. erkenning
§5. Wilsgebrek bij betwisting van de erkenning

§6. Andere absolute ontvankelijkheid-of gegrondheidsvereisten

E.. Hoe nu verder nieuwe één. Uitgangspunten §2. De ouderschapsverklaring als grondslag van ouderschap

§3 rol van de biologie

§4 rol van de automatische vestiging van de afstamming

III. Adoptie

Inleiding

A. De seksuele familie-adoptie en partnerrelatierecht

B. De seksuele familie, adoptie en meervoudige ouderschap jaar IV functionele benadering van het ouderschap

Inleiding

A. Kinderen voortbrengen

B. Kinderen een status verschaffen

C. Kinderen groot brengen en opvoeden

D. Kinderen toegang verschaffen tot geldmiddelen

E.. Overige functies van ouderschap

Besluit
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: ma, 07/11/2016 - 14:54
Laatst aangepast op: ma, 07/11/2016 - 14:54

Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, gedaan te Istanbul op 11 mei 2011

Alternatieve naam: 
Verdrag van Istanbul
Afkondiging: 
woe, 11/05/2011
Publicatie: 
don, 09/06/2016

Het verdrag van Istanbul van 11 mei 2011 kreeg in België volledige uitwerking op 11/05/2011, middels de wet van 1 maart 2016 houdende instemming met het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, gedaan te Istanbul op 11 mei 2011.

Tekst van de wetgeving: 

Hoofdstuk I. - Doelstellingen, begripsomschrijvingen, gelijkheid en non-discriminatie, algemene verplichtingen

Doelstellingen van het Verdrag

Artikel 1. 1. De doelstellingen van dit Verdrag zijn:
a) vrouwen te beschermen tegen alle vormen van geweld en geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, te vervolgen en uit te bannen;
b) bij te dragen aan de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en wezenlijke gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, mede door de eigen kracht van vrouwen te versterken;
c) een allesomvattend kader op te zetten met beleid en maatregelen ter bescherming en ondersteuning van alle slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld;
d) internationale samenwerking te bevorderen teneinde geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld uit te bannen;
e) ondersteuning en bijstand te bieden aan organisaties en rechtshandhavende instanties teneinde effectief samen te werken ten behoeve van het aannemen van een integrale aanpak om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld uit te bannen.
2. Teneinde de doeltreffende uitvoering van de bepalingen ervan door de partijen te waarborgen, wordt bij dit Verdrag een specifiek toezichtmechanisme ingesteld.

Reikwijdte van het Verdrag

Art. 2. 1. Dit Verdrag is van toepassing op alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld, dat vrouwen buitenproportioneel treft.
2. De partijen worden aangemoedigd dit Verdrag toe te passen op alle slachtoffers van huiselijk geweld. De partijen dienen bij de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag bijzondere aandacht te schenken aan vrouwen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld.
3. Dit Verdrag is zowel van toepassing in vredestijd als ten tijde van gewapende conflicten.

Begripsomschrijvingen

Art. 3. Voor de toepassing van dit Verdrag:
a) wordt "geweld tegen vrouwen" beschouwd als een schending van de mensenrechten en een vorm van discriminatie van vrouwen en wordt hieronder verstaan alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt;
b) wordt verstaan onder "huiselijk geweld" alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld dat plaatsvindt binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven;
c) wordt verstaan onder "gender" de maatschappelijk bepaalde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die in een maatschappij passend worden geacht voor vrouwen en mannen;
d) wordt verstaan onder "gendergerelateerd geweld tegen vrouwen" geweld gericht tegen een vrouw omdat ze een vrouw is of geweld dat vrouwen buitenproportioneel treft;
e) wordt verstaan onder "slachtoffer" elke natuurlijke persoon die wordt blootgesteld aan de gedragingen omschreven onder de letters a en b;
f) omvat het begrip "vrouwen" ook meisjes jonger dan 18 jaar.

Grondrechten, gelijkheid en non-discriminatie

Art. 4. 1. De partijen nemen de nodige wetgevende en andere maatregelen ter bevordering en bescherming van het recht van een ieder, en van vrouwen in het bijzonder, om in zowel de publieke als de privésfeer gevrijwaard te worden van geweld.
2. De partijen veroordelen alle vormen van discriminatie van vrouwen en nemen onverwijld de nodige wetgevende en andere maatregelen om discriminatie te voorkomen, in het bijzonder door:
- het verankeren van het beginsel van gelijkheid van vrouw en man in hun nationale grondwet of in andere passende wetgeving en erop toe te zien dat het in de praktijk wordt gebracht;
- het verbieden van discriminatie van vrouwen, waar nodig met behulp van sancties;
- het afschaffen van wetten en praktijken die discriminerend zijn voor vrouwen.
3. De uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag door de partijen, met name maatregelen ter bescherming van de rechten van slachtoffers, wordt gewaarborgd zonder discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, gender, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere opvatting, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, seksuele geaardheid, genderidentiteit, leeftijd, gezondheid, handicap, burgerlijke staat, migranten- of vluchtelingenstatus of andere status.
4. Bijzondere maatregelen die nodig zijn ter voorkoming en bescherming van vrouwen tegen gendergerelateerd geweld worden niet discriminatoir geacht op grond van de bepalingen van dit Verdrag.

Verplichtingen van de staat en zorgvuldigheid

Art. 5. 1. De partijen onthouden zich van elke betrokkenheid bij daden van geweld tegen vrouwen en zien erop toe dat de autoriteiten van de staat, ambtenaren, agenten, instellingen en andere actoren die optreden namens de staat in overeenstemming met deze verplichting handelen.
2. De partijen nemen de nodige wetgevende en andere maatregelen teneinde de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen bij het voorkomen, onderzoeken, bestraffen en bewerkstelligen van herstel na daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag en worden gepleegd door actoren die niet behoren tot het staatsapparaat.

Genderbewust beleid

Art. 6. De partijen verplichten zich een genderperspectief te hanteren bij de uitvoering en toetsing van de gevolgen van de bepalingen van dit Verdrag en effectief beleid ten behoeve van de gelijkheid van vrouwen en mannen te implementeren evenals de bevordering van de eigen kracht van vrouwen.

Hoofdstuk II. - Integraal beleid en gegevens verzamelen
Alomvattend en gecoördineerd beleid

Art. 7. 1. De partijen nemen de nodige wetgevende en andere maatregelen voor het aannemen en uitvoering van effectief, alomvattend en gecoördineerd nationaal beleid dat alle relevante maatregelen omvat ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van geweld die onder de reikwijdte van dit Verdrag vallen en een holistisch antwoord vormen op geweld tegen vrouwen.
2. De partijen zien erop toe dat de rechten van het slachtoffer centraal staan bij alle maatregelen uit hoofde van het beleid bedoeld in het eerste lid, dat door middel van effectieve samenwerking tussen alle betrokken instanties, instellingen en organisaties wordt uitgevoerd.
3. Maatregelen die uit hoofde van dit artikel worden genomen hebben waar van toepassing betrekking op alle betrokken actoren, zoals overheidsinstanties, nationale, regionale en lokale parlementen en autoriteiten, nationale mensenrechteninstanties en maatschappelijke organisaties.

Financiële middelen

Art. 8. De partijen wijzen passende financiële middelen en personeel toe voor de adequate implementatie van integraal beleid, maatregelen en programma's ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag, met inbegrip van hetgeen wordt uitgevoerd door non-gouvernementele organisaties en het maatschappelijk middenveld.

Non-gouvernementele organisaties en het maatschappelijk middenveld

Art. 9. De partijen erkennen, stimuleren en ondersteunen de werkzaamheden van de betrokken non gouvernementele organisaties en het maatschappelijk middenveld ter bestrijding van geweld tegen vrouwen op alle niveaus en zetten een effectieve samenwerking op met deze organisaties.

Coördinerend orgaan

Art. 10. 1. De partijen wijzen een of meer officiële organen aan of stellen die in die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie, implementatie, toezicht op en toetsing van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van geweld waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze organen coördineren het verzamelen van gegevens zoals bedoeld in artikel 11 en analyseren en verspreiden de resultaten.
2. De partijen zien erop toe dat de uit hoofde van dit artikel aangewezen of ingestelde organen algemene informatie ontvangen over ingevolge Hoofdstuk VIII genomen maatregelen.
3. De partijen zien erop toe dat de uit hoofde van dit artikel aangewezen of ingestelde organen beschikken over de capaciteit om rechtstreeks te communiceren en betrekkingen te onderhouden met hun tegenhangers van de andere partijen.

Het verzamelen van gegevens en onderzoek

Art. 11. 1. Ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag verplichten de partijen zich :
a) met regelmatige tussenpozen uitgesplitste relevante statistische gegevens te verzamelen over gevallen van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag;
b) onderzoek te ondersteunen op het gebied van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag, zodat de oorzaken en gevolgen, frequentie en de veroordelingspercentages worden bestudeerd, alsmede de doeltreffendheid van de maatregelen ter uitvoering van dit Verdrag.
2. De partijen streven ernaar met regelmatige tussenpozen onderzoeken onder hun bevolking uit te voeren teneinde de omvang van en ontwikkelingen binnen alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag vast te stellen.
3. De partijen voorzien de groep deskundigen bedoeld in artikel 66 van dit Verdrag van de informatie die uit hoofde van dit artikel is verzameld teneinde internationale samenwerking te stimuleren en internationale benchmarking mogelijk te maken.
4. De partijen zien erop toe dat de uit hoofde van dit artikel verzamelde informatie beschikbaar is voor het publiek.

Hoofdstuk III. - Preventie

Algemene verplichtingen

Art. 12. 1. De partijen nemen de nodige maatregelen om veranderingen in de sociale en culturele gedragspatronen van vrouwen en mannen te stimuleren teneinde vooroordelen, gewoonten, tradities en alle andere praktijken gebaseerd op het idee dat vrouwen inferieur zouden zijn of op stereotype rollen van vrouwen en mannen uit te bannen.
2. De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn ter voorkoming van alle vormen van geweld door natuurlijke personen of rechtspersonen die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
3. Maatregelen genomen uit hoofde van dit hoofdstuk houden rekening met en behandelen de specifieke behoeften van personen die kwetsbaar zijn vanwege specifieke omstandigheden en plaatsen de mensenrechten van alle slachtoffers centraal.
4. De partijen nemen de nodige maatregelen om alle leden van de maatschappij, in het bijzonder mannen en jongens, te stimuleren actief bij te dragen aan het voorkomen van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
5. De partijen zien erop toe dat cultuur, gewoonte, religie, traditie of de zogenaamde,,eer" niet worden gebruikt ter rechtvaardiging van daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
6. De partijen nemen de nodige maatregelen ter bevordering van programma's en activiteiten met betrekking tot het versterken van de eigen kracht van vrouwen.

Bewustwording

Art. 13. 1. De partijen voeren regelmatig en op alle niveaus bewustwordingscampagnes of - programma's uit of bevorderen die, waarbij wordt samengewerkt met nationale mensenrechteninstellingen, organisaties die zich inzetten voor de gelijkheid van man en vrouw, het maatschappelijk middenveld en non-gouvernementele organisaties, in het bijzonder vrouwenorganisaties, teneinde waar mogelijk de bewustwording en kennis onder het publiek te bevorderen van de verschillende verschijningsvormen van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag, de gevolgen ervan voor kinderen en de noodzaak dat soort geweld te voorkomen.
2. De partijen zien erop toe dat informatie over maatregelen die beschikbaar zijn om daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag te voorkomen breed onder het publiek wordt verspreid.

Onderwijs

Art. 14. 1. De partijen nemen waar passend de maatregelen die nodig zijn om onderwijsmateriaal in te voeren over kwesties als de gelijkheid van vrouwen en mannen, niet-stereotype genderrollen, wederzijds respect, het geweldloos oplossen van conflicten in interpersoonlijke betrekkingen, gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en het recht op persoonlijke integriteit, aangepast aan het ontwikkelingsniveau van de leerlingen in formele curricula en op alle onderwijsniveaus.
2. De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om de in het eerste lid bedoelde grondbeginselen te bevorderen bij informele onderwijsvoorzieningen alsmede bij faciliteiten voor sport, cultuur en recreatie en de media.

Trainen van beroepskrachten

Art. 15. 1. De partijen bieden of intensiveren passende trainingen voor de beroepskrachten die te maken hebben met slachtoffers of plegers van alle daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag, over het voorkomen en opsporen van dit soort geweld, over de gelijkheid van vrouwen en mannen, de behoeften en rechten van slachtoffers alsmede over hoe te voorkomen dat de slachtoffers opnieuw slachtoffer worden.
2. De partijen bevorderen dat de training bedoeld in het eerste lid ook training omvat over gecoördineerde samenwerking tussen de verschillende instanties zodat de doorverwijzing bij gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag alomvattend is en adequaat verloopt.

Preventieve interventie en behandelprogramma's

Art. 16. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het opzetten of ondersteunen van programma's om plegers van huiselijk geweld niet-gewelddadig gedrag in hun interpersoonlijke relaties aan te leren teneinde verder geweld te voorkomen en gewelddadige gedragspatronen te veranderen.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het opzetten of ondersteunen van behandelprogramma's gericht op het voorkomen dat plegers, in het bijzonder plegers van zedenmisdrijven, opnieuw een strafbaar feit plegen.
3. Bij het treffen van de maatregelen bedoeld in het eerste en tweede lid, zien de partijen erop toe dat de veiligheid, ondersteuning en mensenrechten van de slachtoffers de eerste prioriteit zijn en dat deze programma's, waar passend, in nauwe samenwerking met in slachtofferhulp gespecialiseerde instanties worden opgezet en uitgevoerd.

Participatie van de private sector en de media

Art. 17. 1. De partijen moedigen de private sector, de sector voor informatie- en communicatietechnologie en de media aan, waarbij de vrijheid van meningsuiting en hun onafhankelijkheid naar behoren worden geëerbiedigd, deel te nemen aan het ontwikkelen en uitvoeren van beleid en het vaststellen van richtlijnen en normen voor zelfregulering om geweld tegen vrouwen te voorkomen en de eerbiediging van hun waardigheid te bevorderen.
2. De partijen ontwikkelen en bevorderen in samenwerking met actoren uit de private sector de vaardigheden onder kinderen, ouders en opvoeders in de omgang met informatie en communicatie met een vernederende seksuele of gewelddadige inhoud die schadelijk kan zijn.

Hoofdstuk IV. - Bescherming en ondersteuning

Algemene verplichtingen

Art. 18. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn ter bescherming van alle slachtoffers tegen verdere daden van geweld.
2. De partijen nemen in overeenstemming met het nationale recht de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om passende mechanismen te waarborgen voor effectieve samenwerking tussen alle relevante staatsorganen, met inbegrip van de rechterlijke macht, het openbaar ministerie, rechtshandhavende instanties, lokale en regionale autoriteiten alsmede non-gouvernementele organisaties en andere relevante organisaties en entiteiten ter bescherming en ondersteuning van slachtoffers en getuigen van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag, met inbegrip van doorverwijzing naar diensten voor algemene en gespecialiseerde ondersteuning zoals omschreven in de artikelen 20 en 22 van dit Verdrag.
3. De partijen waarborgen dat de maatregelen genomen uit hoofde van dit hoofdstuk:
- gebaseerd zijn op een gendergerelateerd begrip van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en dat de mensenrechten en veiligheid van het slachtoffer daarbij centraal staan;
- gebaseerd zijn op een integrale aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de relatie tussen slachtoffers, daders, kinderen en hun ruime sociale omgeving;
- gericht zijn op het voorkomen dat slachtoffers opnieuw slachtoffer worden;
- gericht zijn op het versterken van de eigen kracht en economische zelfstandigheid van vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld;
- waar mogelijk ruimte laten voor een reeks van beschermings- en ondersteuningsdiensten op dezelfde plaats;
- toegesneden zijn op de specifieke behoeften van kwetsbare personen, met inbegrip van kinderen die slachtoffer zijn, en aan hen ter beschikking worden gesteld.
4. De dienstverlening mag niet afhankelijk zijn van de bereidheid van het slachtoffer aangifte te doen of te getuigen tegen een dader.
5. De partijen nemen passende maatregelen voor het verschaffen van consulaire diensten en andere diensten ter bescherming en ondersteuning van hun onderdanen en andere slachtoffers die in overeenstemming met hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht recht hebben op deze bescherming.

Informatie

Art. 19. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers tijdig adequate informatie ontvangen in een taal die zij begrijpen over de beschikbare vormen van ondersteuning en wettelijke maatregelen.

Algemene ondersteuningsdiensten

Art. 20. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de slachtoffers toegang hebben tot diensten die hun herstel na geweld vergemakkelijken.
Deze maatregelen omvatten zo nodig diensten op het gebied van juridische en psychologische advisering, financiële ondersteuning, huisvesting, onderwijs, training en ondersteuning bij het vinden van werk.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de slachtoffers toegang hebben tot gezondheidszorg en maatschappelijke hulpverlening, dat de diensten over voldoende middelen beschikken en dat de beroepskrachten opgeleid zijn voor het opvangen van slachtoffers en voor het hen doorverwijzen naar de passende diensten.

Bijstand bij individuele/collectieve klachten

Art. 21. De partijen waarborgen dat de slachtoffers beschikken over informatie en toegang hebben tot toepasselijke regionale en internationale individuele/collectieve klachtenmechanismen.
De partijen bevorderen dat de bijstand aan slachtoffers die dergelijke klachten indienen op empathische en deskundige wijze wordt verstrekt.

Gespecialiseerde ondersteuning

Art. 22. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te voorzien in of regelingen te treffen voor een geografisch adequaat gespreide, rechtstreekse, korte en lange termijn gespecialiseerde dienstverlening voor slachtoffers die zijn blootgesteld aan de daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
2. De partijen voorzien in of treffen regelingen voor in vrouwen gespecialiseerde hulpverlening aan alle vrouwelijke slachtoffers van geweld en hun kinderen.

Opvangplaatsen

Art. 23. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het opzetten van passende, gemakkelijk bereikbare opvangplaatsen in voldoende aantallen teneinde veilig onderdak te bieden aan slachtoffers, in het bijzonder vrouwen en hun kinderen, en hen proactief te bereiken.

Telefonische hulplijnen

Art. 24. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het opzetten in het gehele land van telefonische hulplijnen die 24 uur per dag gratis bereikbaar zijn voor advies aan bellers, op basis van vertrouwelijkheid of met voldoende waarborgen voor hun anonimiteit ter zake van alle vormen van geweld die onder de reikwijdte van dit Verdrag vallen.

Ondersteuning van slachtoffers van seksueel geweld

Art. 25. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het in voldoende aantallen opzetten van passende, gemakkelijk bereikbare centra voor medisch en forensisch onderzoek, traumaverwerking en advisering van slachtoffers van verkrachting of seksueel geweld waar slachtoffers naar verwezen kunnen worden.

Bescherming en ondersteuning van kinderen die getuige zijn

Art. 26. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij het bieden van bescherming en ondersteuning aan slachtoffers naar behoren rekening wordt gehouden met de rechten en behoeften van kinderen die getuige zijn van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
2. Uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen omvatten op de leeftijd toegesneden psychosociale hulp voor kinderen die getuige zijn geweest van een van de vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van het kind.

Melding

Art. 27. De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om eenieder die getuige is van het plegen van daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag of die gegronde redenen heeft om aan te nemen dat dergelijke daden kunnen zijn gepleegd of dat verdere daden van geweld kunnen worden verwacht, te stimuleren daarvan melding te maken bij de bevoegde organisaties of autoriteiten.

Melding door beroepsbeoefenaars

Art. 28. De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de regels inzake vertrouwelijkheid die het nationale recht bepaalde beroepsbeoefenaars oplegt geen belemmering vormen voor de mogelijkheid onder passende voorwaarden melding te maken bij de bevoegde organisaties of autoriteiten, indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat er een ernstige daad van geweld die valt onder de reikwijdte van dit Verdrag is gepleegd en dat er meer ernstige daden van geweld te verwachten zijn.

Hoofdstuk V. - Materieel recht

Civiele rechtszaken en rechtsmiddelen

Art. 29. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om slachtoffers te voorzien van passende civiele rechtsmiddelen tegen de dader.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om slachtoffers in overeenstemming met de algemene beginselen van het internationale recht te voorzien van passende civiele rechtsmiddelen tegen de autoriteiten van de staat die hebben verzuimd binnen de reikwijdte van hun bevoegdheden de nodige preventieve of beschermende maatregelen te treffen.

Schadevergoeding

Art. 30. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers het recht hebben schadevergoeding te vorderen van de daders met betrekking tot de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.
2. Aan personen die zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen of wier gezondheidstoestand ernstig is verslechterd, wordt van overheidswege een adequate schadevergoeding toegekend, voor zover de schade niet wordt gedekt door andere bronnen, zoals de dader, verzekeringen of door de staat gefinancierde gezondheids- en sociale voorzieningen. Dit belet de partijen niet de toegekende schadevergoeding te verhalen op de dader, mits naar behoren rekening wordt gehouden met de veiligheid van het slachtoffer.
3. De maatregelen genomen uit hoofde van het tweede lid dienen te waarborgen dat de schadevergoeding binnen een redelijke termijn wordt toegekend.

Voogdij, omgangsregeling en veiligheid

Art. 31. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

Civiele rechtsgevolgen van gedwongen huwelijken

Art. 32. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat huwelijken gesloten onder bedreiging met geweld nietig of vernietigbaar zijn of ontbonden kunnen worden zonder onnodige financiële of administratieve lasten voor het slachtoffer.

Psychologisch geweld

Art. 33. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat opzettelijke gedragingen tot het door middel van dwang of bedreiging ernstig beschadigen van de geestelijke integriteit van een ander, strafbaar worden gesteld.

Stalking

Art. 34. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat opzettelijke gedragingen tot herhaaldelijke bedreiging van een ander, hetgeen haar of hem doet vrezen voor haar of zijn veiligheid, strafbaar worden gesteld.

Fysiek geweld

Art. 35. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat opzettelijke gedragingen tot het plegen van daden van fysiek geweld tegen een derde strafbaar worden gesteld.

Seksueel geweld, met inbegrip van verkrachting

Art. 36. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld:
a) het zonder wederzijds goedvinden op seksuele wijze vaginaal, anaal of oraal met een lichaamsdeel of object binnendringen van het lichaam van een ander;
b) het zonder wederzijds goedvinden plegen van andere seksuele handelingen met een persoon;
c) het zonder wederzijds goedvinden een ander er toe bewegen seksuele handelingen te plegen met een derde.
2. De toestemming dient vrijwillig te zijn gegeven en voort te vloeien uit de vrije wil van de betrokken persoon hetgeen wordt vastgesteld in het licht van de omstandigheden.
3. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de bepalingen van het eerste lid tevens van toepassing zijn op gedragingen gericht tegen voormalige of huidige echtgenoten of partners erkend volgens het nationale recht.

Gedwongen huwelijk

Art. 37. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat opzettelijke gedragingen om een volwassene of een kind tot het aangaan van een huwelijk te dwingen, strafbaar worden gesteld.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat opzettelijke gedragingen om een volwassene of een kind te lokken naar het grondgebied van een partij of staat niet zijnde de partij of staat waar hij of zij woont met het oogmerk deze volwassene of dat kind te dwingen tot het aangaan van een huwelijk, strafbaar worden gesteld.

Vrouwelijke genitale verminking

Art. 38. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld:
a) excisie, infibulatie of het toebrengen van andere verminkingen aan de grote of kleine schaamlippen of de clitoris van een vrouw of een deel daarvan;
b) een vrouw dwingen of ertoe bewegen de onder a genoemde handelingen te ondergaan;
c) een meisje aanzetten, dwingen of ertoe bewegen de onder a genoemde handelingen te ondergaan.

Gedwongen abortus en gedwongen sterilisatie

Art. 39. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld:
a) het zonder haar voorafgaande geïnformeerde toestemming verrichten van een abortus bij een vrouw;
b) het zonder haar voorafgaande geïnformeerde toestemming of inzicht in de procedure verrichten van ingrepen met als doel of gevolg dat een vrouw zich niet langer op natuurlijke wijze kan voortplanten.

Seksuele intimidatie

Art. 40. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek seksueel getint gedrag met het doel of gevolg de waardigheid van een persoon te schenden, in het bijzonder door het creëren van een intimiderende, vijandige, onterende, vernederende of beledigende omgeving, onderworpen is aan strafrechtelijke of andere juridische sancties.

Medeplichtigheid of uitlokking en poging

Art. 41. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om opzettelijke medeplichtigheid aan of opzettelijke uitlokking tot het plegen van de overeenkomstig de artikelen 33, 34, 35, 36, 37, 38, letter a, en 39 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten strafbaar te stellen.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om opzettelijke pogingen tot het plegen van de overeenkomstig de artikelen 35, 36, 37, 38, letter a, en 39 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten strafbaar te stellen.

Onaanvaardbare rechtvaardiging voor misdrijven, met inbegrip van misdrijven gepleegd in het kader van de zogenaamde "eer"

Art. 42. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij strafprocedures ingesteld na het plegen van een van de daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag, cultuur, gewoonte, religie, traditie of de zogenaamde "eer" niet worden aangemerkt als rechtvaardiging voor deze daden. Dit heeft met name betrekking op beweringen dat het slachtoffer culturele, religieuze, sociale of traditionele normen zou hebben overtreden of gewoonten met betrekking tot gepast gedrag zou hebben geschonden.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het feit dat een persoon een kind aanzet tot het plegen van de handelingen bedoeld in het eerste lid niets afdoet aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van die persoon voor de gepleegde handelingen.

Toepasselijkheid van strafbare feiten

Art. 43. De overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten zijn van toepassing ongeacht de aard van de relatie tussen het slachtoffer en de dader.

Rechtsmacht

Art. 44. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit, indien dit strafbare feit wordt gepleegd: a op hun grondgebied; of b aan boord van een schip dat onder hun vlag vaart; of c aan boord van een overeenkomstig hun wetgeving ingeschreven luchtvaartuig; of d door een van hun onderdanen; of e door een persoon die op hun grondgebied haar of zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft.
2. De partijen streven ernaar de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn te nemen om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten wanneer ze zijn gepleegd tegen een van hun onderdanen of een persoon die op hun grondgebied haar of zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. Voor de vervolging van de overeenkomstig de artikelen 36, 37, 38 en 39 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat hun rechtsmacht niet afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de feiten strafbaar zijn op het grondgebied waar zij zijn gepleegd.
4. Voor de vervolging van de overeenkomstig de artikelen 36, 37, 38 en 39 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat hun rechtsmacht uit hoofde van het eerste lid, letters d en e, niet afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat vervolging slechts kan worden ingesteld na aangifte door het slachtoffer ter zake van het strafbare feit of overlegging van informatie door de staat van de plaats waar het feit is gepleegd.
5. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, in gevallen waarin een vermoedelijke dader zich op hun grondgebied bevindt en zij die persoon niet uitleveren aan een andere partij, uitsluitend op grond van diens nationaliteit.
6. Wanneer meer dan een partij rechtsmacht opeist met betrekking tot een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld vermoedelijk gepleegd feit, raadplegen de betrokken partijen, wanneer dat passend is, elkaar teneinde te bepalen wiens rechtsmacht het meest geëigend is ten behoeve van strafvervolging.
7. Onverminderd de algemene normen van het internationale recht sluit dit Verdrag geen enkele rechtsmacht uit in strafzaken die een partij in overeenstemming met haar nationale recht uitoefent.

Sancties en maatregelen

Art. 45. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat op de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen worden gesteld, rekening houdend met de ernst van de feiten. Deze sancties omvatten, wanneer dat passend is, vrijheidsberovende straffen die tot uitlevering kunnen leiden.
2. De partijen kunnen ter zake van daders andere maatregelen aannemen, zoals: - controle van of toezicht op veroordeelden;
- ontzetting uit de ouderlijke macht, indien de belangen van het kind, die tevens de veiligheid van het slachtoffer kunnen omvatten, niet op andere wijze gewaarborgd kunnen worden.

Strafverzwarende omstandigheden

Art. 46. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de volgende omstandigheden, voor zover deze niet reeds tot de bestanddelen van het strafbare feit behoren, in aanmerking kunnen worden genomen, overeenkomstig de relevante bepalingen van het nationale recht, als strafverzwarende omstandigheden bij het bepalen van de straf met betrekking tot de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten:
a) het strafbare feit is gepleegd tegen een voormalige of huidige echtgenoot of partner die wordt erkend volgens het nationale recht, door een lid van het gezin, een persoon die samenwoont met het slachtoffer of een persoon die misbruik heeft gemaakt van haar of zijn macht;
b) het strafbare feit of de daaraan gerelateerde strafbare feiten zijn bij herhaling gepleegd;
c) het strafbare feit is gepleegd tegen een persoon die door bepaalde omstandigheden kwetsbaar is gemaakt;
d) het strafbare feit is gepleegd tegen of in de aanwezigheid van een kind;
e) het strafbare feit is gepleegd door twee of meer personen die gezamenlijk optraden;
f) het strafbare feit is voorafgegaan door of ging vergezeld van extreem geweld;
g) het strafbare feit is gepleegd met behulp van of onder bedreiging met een wapen;
h) het strafbare feit heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel van of ernstige mentale schade bij het slachtoffer;
i) de dader is eerder veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten.

Vonnissen gewezen door een andere partij

Art. 47. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te voorzien in de mogelijkheid bij het bepalen van de straf rekening te houden met onherroepelijke vonnissen die door een andere partij zijn gewezen met betrekking tot de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.

Verbod op verplichte alternatieve procedures voor geschillenregeling of veroordeling

Art. 48. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn ten behoeve van een verbod op verplichte alternatieve procedures voor geschillenregeling, met inbegrip van bemiddeling en verzoening, ter zake van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat indien betaling van een boete wordt gelast, naar behoren rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van de dader zijn of haar financiële verplichtingen jegens het slachtoffer na te komen.

Hoofdstuk VI. - Onderzoek, vervolging, procesrecht en beschermende maatregelen

Algemene verplichtingen

Art. 49. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat onderzoeks- en gerechtelijke procedures met betrekking tot alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag zonder onnodige vertraging worden uitgevoerd en dat in alle fasen van de strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met de rechten van het slachtoffer.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om, in overeenstemming met de grondbeginselen van de mensenrechten en met inachtneming van het genderperspectief op geweld, het daadwerkelijke onderzoek en de daadwerkelijke vervolging van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten te waarborgen.

Onmiddellijke respons, preventie en bescherming

Art. 50. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de verantwoordelijke rechtshandhavende autoriteiten onverwijld en adequaat reageren op alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag door de slachtoffers adequate en onmiddellijke bescherming te bieden.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de verantwoordelijke rechtshandhavende autoriteiten onverwijld en passend overgaan tot preventie van en bescherming tegen alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag, met inbegrip van het inzetten van preventieve operationele maatregelen en het vergaren van bewijsmateriaal.

Risico-inventarisatie en risicobeheer

Art. 51. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat alle relevante autoriteiten het risico op de dood, de ernst van de situatie en de kans op herhaling van het geweld beoordelen teneinde de risico's te beheersen en zo nodig gecoördineerd te zorgen voor veiligheid en ondersteuning.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat er bij de in het eerste lid bedoelde beoordeling, in alle fasen van het onderzoek en bij de uitvoering van beschermende maatregelen, rekening wordt gehouden met het feit dat de plegers van daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag in het bezit zijn van of toegang hebben tot vuurwapens.

Spoedeisende locatieverboden

Art. 52. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de bevoegde autoriteiten gerechtigd worden een pleger van huiselijk geweld bij onmiddellijk gevaar te bevelen onverwijld de woning van het slachtoffer of van de persoon die gevaar loopt gedurende een toereikende periode te verlaten en de pleger te verbieden deze woning te betreden of contact op te nemen met het slachtoffer of de persoon die gevaar loopt. Bij uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen wordt prioriteit verleend aan de veiligheid van slachtoffers of personen die gevaar lopen.

Gebieds- of contactverboden of beschermingsbevelen

Art. 53. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat adequate gebieds- of contactverboden of beschermingsbevelen kunnen worden getroffen voor slachtoffers van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de in het eerste lid bedoelde gebieds- of contactverboden of beschermingsbevelen:
- onmiddellijk en zonder onnodige financiële of administratieve lasten voor het slachtoffer getroffen kunnen worden;
- kunnen worden getroffen voor een vastgestelde termijn of totdat ze worden aangepast of opgeheven;
- indien nodig, op verzoek kunnen worden getroffen met onmiddellijke werking;
- zelfstandig of in aanvulling op andere juridische procedures kunnen worden getroffen;
- kunnen worden getroffen in vervolgprocedures.
3. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat overtredingen van gebieds- of contactverboden of beschermingsbevelen getroffen uit hoofde van het eerste lid bestraft worden met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke of andere juridische sancties.

Onderzoek en bewijs

Art. 54. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bewijsmateriaal met betrekking tot de seksuele achtergrond en gedragingen van het slachtoffer in civiele of strafrechtelijke procedures uitsluitend wordt toegelaten indien dat relevant en noodzakelijk is.

Procedures op verzoek van partijen en ambtshalve procedures

Art. 55. 1. De partijen waarborgen dat onderzoek naar of vervolging van de overeenkomstig de artikelen 35, 36, 37, 38 en 39 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten niet volledig afhankelijk zijn van een melding of aangifte door een slachtoffer indien het feit geheel of gedeeltelijk op hun grondgebied heeft plaatsgevonden en dat de procedure kan worden voortgezet wanneer het slachtoffer haar of zijn verklaring of aangifte intrekt.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat overheidsinstanties, non-gouvernementele organisaties en hulpverleners op het gebied van huiselijk geweld in overeenstemming met de voorwaarden voorzien in hun nationale recht slachtoffers op hun verzoek kunnen bijstaan en/of ondersteunen tijdens het onderzoek en de gerechtelijke procedures ter zake van de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.

Beschermingsmaatregelen

Art. 56. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om de rechten en belangen van slachtoffers te beschermen, met inbegrip van hun bijzondere behoeften als getuigen, tijdens alle fasen van het onderzoek en de gerechtelijke procedure, en met name door:
a) hen, alsmede hun familie en getuigen, te beschermen tegen intimidatie, vergelding en de mogelijkheid dat zij opnieuw slachtoffer worden;
b) te waarborgen dat de slachtoffers in elk geval worden geïnformeerd wanneer zij en hun familie gevaar zouden kunnen lopen wanneer de pleger ontsnapt of tijdelijk of definitief wordt vrijgelaten;
c) hen onder de voorwaarden voorzien in hun nationale recht te informeren over hun rechten, de voorzieningen waarover zij kunnen beschikken en het gevolg dat is gegeven aan hun aangifte, de telastelegging, het algemene verloop van het onderzoek of de procedure en hun rol daarin alsmede de uitkomst van hun zaak;
d) slachtoffers in de gelegenheid te stellen, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht, te worden gehoord, bewijzen aan te dragen en hun opvattingen, behoeften en punten van zorg te laten presenteren, rechtstreeks of via een tussenpersoon, en in overweging te worden genomen;
e) slachtoffers te voorzien van passende ondersteuning zodat hun rechten en belangen naar behoren kenbaar worden gemaakt en in aanmerking worden genomen;
f) te waarborgen dat er maatregelen kunnen worden getroffen om de privacy en reputatie van het slachtoffer te beschermen;
g) te waarborgen dat contact tussen slachtoffers en daders binnen de gerechtsgebouwen en die van de handhavende instanties zo veel mogelijk wordt vermeden;
h) de slachtoffers bij te laten staan door onafhankelijke en competente tolken wanneer ze partij zijn in een procedure of bewijs aanvoeren;
i) de slachtoffers in de gelegenheid te stellen in de rechtszaal een getuigenverklaring af te leggen in overeenstemming met de regels van het nationale recht zonder fysiek aanwezig te zijn of ten minste zonder dat de vermoedelijke dader aanwezig is, met name met behulp van geschikte communicatietechnologie indien beschikbaar.
2. Voor kinderen die het slachtoffer of getuige zijn van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld worden waar nodig bijzondere beschermende maatregelen getroffen, rekening houdend met de belangen van het kind.

Rechtsbijstand

Art. 57. De partijen voorzien in het recht op juridische bijstand en gratis rechtsbijstand voor slachtoffers onder de voorwaarden voorzien in hun nationale recht.

Verjaringstermijn

Art. 58. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de verjaringstermijnen voor het instellen van gerechtelijke procedures ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 36, 37, 38 en 39 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten toereikend zijn en in verhouding staan tot de ernst van het desbetreffende strafbare feit, zodat het slachtoffer na het bereiken van de meerderjarigheid in de gelegenheid is een procedure in te stellen.

Hoofdstuk VII. - Migratie en asiel

Verblijfstitel

Art. 59. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van wie de verblijfstitel afhangt van die van hun echtgenoot of van een volgens het nationale recht als zodanig erkende partner bij beëindiging van het huwelijk of de relatie, wanneer zich zeer moeilijke omstandigheden voordoen, op verzoek een eigen verblijfsvergunning krijgen ongeacht de duur van het huwelijk of de relatie. De voorwaarden voor de toekenning en duur van de zelfstandige verblijfsvergunning worden vastgesteld in het nationale recht.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers kunnen bewerkstelligen dat de uitzettingsprocedure wordt opgeschort in het geval van een verblijfstitel die afhankelijk is van die van hun echtgenoot of van hun volgens het nationale recht als zodanig erkende partner zodat ze een eigen verblijfsvergunning kunnen aanvragen.
3. De partijen verlenen een verlengbare verblijfsvergunning aan slachtoffers, in een of in beide van de volgende situaties:
a) de bevoegde autoriteit is van oordeel dat hun verblijf vanwege hun persoonlijke situatie noodzakelijk is;
b) de bevoegde autoriteit is van oordeel dat hun verblijf noodzakelijk is met het oog op hun samenwerking met de bevoegde autoriteiten bij het onderzoek of de strafrechtelijke procedure.
4. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van gedwongen huwelijken die voor dat huwelijk naar een ander land zijn overgebracht en als gevolg daarvan hun verblijfstitel hebben verloren in het land waar zij hun vaste woon- of verblijfplaats hebben, deze kunnen herkrijgen.

Gendergerelateerde asielverzoeken

Art. 60. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen kan worden erkend als een vorm van vervolging in de zin van artikel 1, A, tweede lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en als een vorm van ernstig gevaar die aanleiding geeft voor aanvullende/extra bescherming.
2. De partijen waarborgen dat elk van de gronden uit dat Verdrag op gendersensitieve wijze wordt uitgelegd en dat, indien wordt vastgesteld dat er op basis van een of meer van deze gronden reden is voor vrees voor vervolging, de aanvragers de vluchtelingenstatus wordt toegekend in overeenstemming met de van toepassing zijnde instrumenten.
3. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om gendersensitieve opvangprocedures en ondersteuningsdiensten voor asielzoekers op te zetten alsmede genderrichtlijnen en gendersensitieve asielprocedures, met inbegrip van de vaststelling van de vluchtelingenstatus en verzoeken om internationale bescherming.

Non-refoulement

Art. 61. 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd in overeenstemming met bestaande verplichtingen uit hoofde van het internationale recht.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van geweld tegen vrouwen die bescherming nodig hebben ongeacht hun verblijfstitel of woonplaats onder geen enkele omstandigheid worden teruggezonden naar een land waar hun leven gevaar zou lopen of waar zij onderworpen zouden kunnen worden aan marteling of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Hoofdstuk VIII. - Internationale samenwerking

Algemene beginselen

Art. 62. 1. De partijen werken, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en door toepassing van relevante toepasselijke internationale en regionale instrumenten voor samenwerking in civielrechtelijke en strafrechtelijke zaken, regelingen die zijn overeengekomen op basis van uniforme of wederkerige wetgeving en hun nationale recht, in zo ruim mogelijke mate met elkaar samen ten behoeve van:
a) de voorkoming, bestrijding en vervolging van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag;
b) de bescherming van en hulpverlening aan slachtoffers;
c) onderzoek of procedures met betrekking tot de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten;
d) de tenuitvoerlegging van relevante civielrechtelijke en strafrechtelijke vonnissen van de gerechtelijke autoriteiten van de partijen, met inbegrip van beschermingsbevelen.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten gepleegd op het grondgebied van een partij anders dan de partij op het grondgebied waarvan zij wonen, aangifte kunnen doen bij de bevoegde autoriteiten van de staat waarin zij wonen.
3. Indien een partij die wederzijdse rechtshulp in strafzaken, uitlevering of de tenuitvoerlegging van door een andere partij uitgesproken civielrechtelijke of strafrechtelijke vonnissen afhankelijk maakt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om deze samenwerking in rechtszaken ontvangt van een partij waarmee zij een dergelijk verdrag niet heeft gesloten, kan zij dit Verdrag beschouwen als de juridische grondslag voor wederzijdse rechtshulp in strafzaken, uitlevering of de tenuitvoerlegging van door een andere partij uitgesproken civielrechtelijke of strafrechtelijke vonnissen met betrekking tot de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.
4. De partijen trachten waar passend de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te integreren in programma's voor ontwikkelingssamenwerking ten behoeve van derde staten, onder meer door het sluiten van bilaterale en multilaterale verdragen met derde staten teneinde de bescherming van slachtoffers in overeenstemming met artikel 18, vijfde lid, te vergemakkelijken.

Maatregelen ten behoeve van personen die gevaar lopen

Art. 63. Indien een partij op grond van de haar beschikbare informatie gegronde redenen heeft om aan Te nemen dat een persoon op het grondgebied van een andere partij direct gevaar loopt het slachtoffer te worden van een van de daden van geweld bedoeld in de artikelen 36, 37, 38 en 39 van dit Verdrag, wordt de partij die over deze informatie beschikt aangemoedigd deze onverwijld door te zenden naar de laatstgenoemde teneinde te waarborgen dat alle relevante beschermende maatregelen worden genomen.
Indien van toepassing omvat deze informatie gegevens over bestaande beschermingsvoorzieningen ten behoeve van de persoon die gevaar loopt.

Informatie

Art. 64. 1. De aangezochte partij licht de verzoekende partij onverwijld in over het eindresultaat van de krachtens dit hoofdstuk ondernomen actie. De aangezochte partij licht de verzoekende partij eveneens onverwijld in over omstandigheden die de uitvoering van de beoogde maatregelen onmogelijk maken of deze aanzienlijk dreigen te vertragen.
2. Een partij kan, binnen de grenzen van haar nationale recht en zonder voorafgaand verzoek, informatie die in het kader van haar eigen onderzoek is verkregen aan een andere partij verstrekken wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van dergelijke informatie de ontvangende partij kan helpen bij het voorkomen van de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten of bij het instellen of uitvoeren van onderzoeken of strafvervolgingen ter zake van dergelijke strafbare feiten, of kan leiden tot een verzoek om samenwerking van deze partij in de zin van dit hoofdstuk.
3. Een partij die in overeenstemming met het tweede lid informatie ontvangt, verstrekt deze aan haar bevoegde autoriteiten zodat indien dit passend wordt geacht een procedure kan worden ingesteld of de informatie in aanmerking kan worden genomen in civielrechtelijke of strafrechtelijke procedures.

Bescherming van persoonsgegevens

Art. 65. Persoonsgegevens worden opgeslagen en gebruikt in overeenstemming met de verplichtingen van de partijen uit hoofde van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108).

Hoofdstuk IX. - Toezichtsmechanisme

Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld

Art. 66. 1. De Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna te noemen,,GREVIO") houdt toezicht op de uitvoering van dit Verdrag door de partijen.
2. GREVIO bestaat uit ten minste 10 en ten hoogste 15 leden, rekening houdend met het evenwicht tussen mannen en vrouwen en de geografische spreiding, alsmede met multidisciplinaire deskundigheid. Haar leden worden, voor een termijn van vier jaar die eenmaal kan worden verlengd, gekozen door het Comité van de Partijen uit door de partijen voorgestelde kandidaten die zijn gekozen uit onderdanen van de partijen.
3. De eerste verkiezing van 10 leden geschiedt binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. De verkiezing van vijf aanvullende leden geschiedt na de 25e bekrachtiging of toetreding.
4. De verkiezing van de leden van GREVIO is op de volgende beginselen gebaseerd:
a) zij worden volgens een transparante procedure gekozen uit personen van onbesproken gedrag, die bekend staan om hun bewezen competentie op het gebied van de mensenrechten, gendergelijkheid, geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld of de hulp aan en bescherming van slachtoffers, of die aantoonbare beroepservaring hebben op de door dit Verdrag bestreken gebieden;
b) in GREVIO mogen geen twee onderdanen van dezelfde staat zitting nemen;
c) zij dienen de voornaamste rechtsstelsels te vertegenwoordigen;
d) zij dienen de relevante actoren en instanties op het gebied van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te vertegenwoordigen;
e) zij nemen op persoonlijke titel zitting, zijn onafhankelijk en onpartijdig bij de uitvoering van hun taken en zijn beschikbaar om hun taken op doeltreffende wijze uit te voeren.
5. De procedure voor de verkiezing van de leden van GREVIO wordt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag vastgesteld door het Comité van Ministers van de Raad van Europa na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de partijen.
6. GREVIO stelt haar eigen reglement van orde vast.
7. De leden van GREVIO en andere leden van delegaties die de bezoeken aan landen omschreven in artikel 68, negende en veertiende lid, afleggen, genieten de voorrechten en immuniteiten vastgelegd in de bijlage bij dit Verdrag.

Comité van de Partijen

Art. 67. 1. Het Comité van de Partijen is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen bij het Verdrag.
2. Het Comité van de Partijen wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Zijn eerste vergadering vindt plaats binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag teneinde de leden van GREVIO te kiezen. Daarna komt het bijeen telkens wanneer een derde van de partijen, de Voorzitter van het Comité van de Partijen of de Secretaris-Generaal daarom verzoeken.
3. Het Comité van de Partijen stelt zijn eigen reglement van orde vast.

Procedure

Art. 68. 1. De partijen dienen bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een rapport gebaseerd op een door GREVIO opgestelde vragenlijst in over de wetgevende en andere maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag dat zal worden bestudeerd door GREVIO.
2. GREVIO bestudeert het in overeenstemming met het eerste lid ingediende rapport tezamen met vertegenwoordigers van de betrokken partij.
3. De daaropvolgende evaluatieprocedures worden opgedeeld in rondes waarvan de duur wordt vastgesteld door GREVIO. Aan het begin van iedere ronde selecteert GREVIO de specifieke bepalingen waarop de evaluatieprocedure wordt gebaseerd en doet zij een vragenlijst uitgaan.
4. GREVIO bepaalt de passende maatregelen voor de uitvoering van deze toezichtsprocedure. GREVIO kan voor elke evaluatieronde een vragenlijst aannemen, die als basis kan dienen voor de evaluatie van de uitvoering door de partijen. Deze vragenlijst wordt aan alle partijen verzonden. De partijen beantwoorden deze vragenlijst alsmede elk ander verzoek om informatie van GREVIO.
5. GREVIO kan informatie over de uitvoering van het Verdrag ontvangen van nongouvernementele organisaties en uit het maatschappelijk middenveld alsmede van nationale instellingen voor de bescherming van de mensenrechten.
6. GREVIO houdt naar behoren rekening met de bestaande informatie die beschikbaar is via andere regionale en internationale instrumenten en organen op terreinen die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
7. Bij het aannemen van vragenlijsten voor de afzonderlijke evaluatierondes, houdt GREVIO naar behoren rekening met de bij de partijen reeds verzamelde gegevens en het reeds verrichte onderzoek bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag.
8. GREVIO kan over de uitvoering van het Verdrag informatie ontvangen van de Commissaris voor de Rechten van de Mens van de Raad van Europa, van de Parlementaire Vergadering en de relevante gespecialiseerde organen van de Raad van Europa alsmede van andere uit hoofde van internationale instrumenten opgerichte organen. Bij deze organen ingediende klachten en de uitkomst daarvan worden aan GREVIO ter beschikking gesteld.
9. GREVIO kan aanvullend landenbezoeken organiseren, in samenwerking met de nationale autoriteiten en met hulp van onafhankelijke nationale deskundigen, indien de ontvangen informatie ontoereikend is of in de gevallen voorzien in het veertiende lid. Tijdens deze bezoeken kan GREVIO worden bijgestaan door specialisten op specifieke gebieden.
10. GREVIO stelt een conceptrapport op met haar analyse van de uitvoering van de bepalingen waarop de evaluatie is gebaseerd, alsmede haar suggesties en voorstellen voor de wijze waarop de desbetreffende partij de gesignaleerde problemen kan aanpakken. Het conceptrapport wordt voor commentaar verzonden naar de partij die het voorwerp is van de evaluatie. GREVIO neemt haar commentaar in aanmerking bij de vaststelling van haar rapport.
11. Op grond van alle ontvangen informatie en het commentaar van de partijen neemt GREVIO haar rapport en conclusies aan betreffende de maatregelen die door de desbetreffende partij zijn genomen tot uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag. Dit rapport en de conclusies worden naar de desbetreffende partij en het Comité van de Partijen gezonden. Het rapport en de conclusies van GREVIO worden vanaf het aannemen ervan openbaar gemaakt, tezamen met het eventuele commentaar van de desbetreffende partij.
12. Onverminderd de procedure omschreven in het eerste tot en met het achtste lid, kan het Comité van de Partijen, op basis van het rapport en de conclusies van GREVIO, aan deze partij gerichte aanbevelingen aannemen a) betreffende de maatregelen die genomen moeten worden om de conclusies van GREVIO uit te voeren, en indien nodig met vaststelling van een datum waarop informatie over de uitvoering daarvan moet worden ingediend, en b) gericht op het bevorderen van samenwerking met die partij ten behoeve van de goede uitvoering van dit Verdrag.
13. Indien GREVIO betrouwbare informatie ontvangt die duidt op problemen die de onmiddellijke aandacht vergen teneinde ernstige schendingen van het Verdrag te voorkomen of de schaal of de frequentie ervan te beperken, kan zij met spoed verzoeken om een speciaal rapport over de maatregelen die zijn getroffen om ernstige, massale of hardnekkige patronen van geweld tegen vrouwen te voorkomen.
14. Rekening houdend met de informatie die door de desbetreffende partij is verstrekt alsmede met andere betrouwbare informatie waarover zij beschikt, kan GREVIO een of meer van haar leden aanwijzen om een onderzoek uit te voeren en spoedig verslag uit te brengen aan GREVIO. Indien daartoe gerechtigden met instemming van de partij, kan het onderzoek een bezoek aan haar grondgebied omvatten.
15. Na bestudering van de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in het veertiende lid doet GREVIO deze, tezamen met eventuele commentaren en aanbevelingen, toekomen aan de desbetreffende partij en, indien passend, aan het Comité van de Partijen en het Comité van Ministers van de Raad van Europa.

Algemene aanbevelingen

Art. 69. GREVIO kan indien passend algemene aanbevelingen aannemen voor de uitvoering van dit Verdrag.

Betrokkenheid van parlementen bij toezicht

Art. 70. 1. De nationale parlementen worden uitgenodigd deel te nemen aan het toezicht op de maatregelen ter uitvoering van dit Verdrag.
2. De partijen overleggen de rapporten van GREVIO aan hun nationale parlementen.
3. De Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa wordt uitgenodigd zich regelmatig op de hoogte te stellen van de uitvoering van dit Verdrag.

Hoofdstuk X. - Verhouding tot andere internationale instrumenten

Verhouding tot andere internationale instrumenten

Art. 71. 1. Dit Verdrag laat de verplichtingen onverlet die voortvloeien uit andere internationale instrumenten waarbij de partijen bij dit Verdrag partij zijn of zullen worden en die bepalingen bevatten over aangelegenheden waarop dit Verdrag van toepassing is.
2. De partijen bij dit Verdrag kunnen met elkaar bilaterale of multilaterale verdragen sluiten inzake de aangelegenheden die in dit Verdrag worden behandeld teneinde de bepalingen van dit Verdrag aan te vullen of aan te scherpen of de toepassing van de erin vervatte beginselen te faciliteren.

Hoofdstuk XI. - Wijzigingen van het verdrag

Wijzigingen

Art. 72. 1. Elk voorstel tot wijziging van dit Verdrag dat door een partij wordt ingediend, wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en door haar of hem toegezonden aan de lidstaten van de Raad van Europa, elke ondertekenaar, elke partij, de Europese Unie, elke staat die overeenkomstig de bepalingen van artikel 75 is uitgenodigd dit Verdrag te ondertekenen en aan elke staat die overeenkomstig de bepalingen van artikel 76 is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.
2. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa bestudeert voorgestelde wijzigingen en kan deze na overleg met de partijen bij dit Verdrag die geen lid zijn van de Raad van Europa, aannemen met de meerderheid voorzien in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa.
3. De tekst van elke door het Comité van Ministers overeenkomstig het tweede lid aangenomen wijziging, wordt aan de partijen ter aanvaarding toegezonden.
4. Elke overeenkomstig het tweede lid aangenomen wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum waarop alle partijen de Secretaris-Generaal hebben medegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.

Hoofdstuk XII. - Slotbepalingen
Gevolgen van dit Verdrag

Art. 73. De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan de bepalingen van nationale wetten en bindende internationale instrumenten die reeds van kracht zijn of van kracht zullen worden en krachtens welke gunstiger rechten op het gebied van voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld aan personen zijn of zouden worden toegekend.

Geschillenregeling

Art. 74. 1. De partijen bij een geschil dat kan ontstaan inzake de toepassing of uitlegging van de bepalingen van dit Verdrag trachten het in de eerste plaats te beslechten door middel van onderhandelingen, bemiddeling, arbitrage of op een andere onderling overeen te komen vreedzame wijze.
2. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa kan procedures voor geschillenregeling vaststellen die beschikbaar zijn voor partijen bij een geschil indien zij daarmee instemmen.

Ondertekening en inwerkingtreding

Art. 75. 1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, door niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling hiervan en door de Europese Unie.
2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
3. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop 10 ondertekenaars, waaronder ten minste acht lidstaten van de Raad van Europa, overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.
4. Ten aanzien van iedere in het eerste lid bedoelde staat of de Europese Unie, die daarna zijn of haar instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Toetreding tot het Verdrag

Art. 76. 1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de partijen bij dit Verdrag, elke staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet heeft deelgenomen aan de opstelling van het Verdrag, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, door een door de meerderheid als voorzien in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa genomen besluit en door de unanieme stemming door de vertegenwoordigers van de partijen die recht hebben op een zetel in het Comité van Ministers.
2. Ten aanzien van elke toetredende staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Territoriale toepassing

Art. 77. 1. Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.
2. Elke partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris- Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd en voor de internationale betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk is of namens welk grondgebied zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.
3. Elke krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Voorbehouden

Art. 78. 1. Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag kunnen geen voorbehouden worden gemaakt, met uitzondering van de voorbehouden voorzien in het tweede en derde lid.
2. Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat hij of zij zich het recht voorbehoudt de volgende bepalingen niet toe te passen of slechts in specifieke gevallen of omstandigheden toe te passen:
- artikel 30, tweede lid;
- artikel 44, eerste lid, onderdeel e, derde en vierde lid;
- artikel 55, eerste lid, wat betreft artikel 35 ter zake van lichte strafbare feiten;
- artikel 58 wat betreft de artikelen 37, 38 en 39;
- artikel 59.
3. Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat hij of zij zich het recht voorbehoudt voor de gedragingen bedoeld in de artikelen 33 en 34 te voorzien in niet-strafrechtelijke sancties in plaats van strafrechtelijke sancties.
4. Elke partij kan een voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Een dergelijke verklaring wordt van kracht met ingang van de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal.

Geldigheid en herziening van voorbehouden

Art. 79. 1. De in artikel 78, tweede en derde lid, bedoelde voorbehouden zijn vijf jaar geldig, gerekend vanaf de dag van de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de betrokken partij. Dergelijke voorbehouden kunnen evenwel worden verlengd met tijdvakken van dezelfde duur.
2. Achttien maanden voor de datum van het verstrijken van het voorbehoud stelt de Secretaris- Generaal van de Raad van Europa de betrokken partij in kennis van dat verstrijken. Uiterlijk drie maanden voor het verstrijken stelt de partij de Secretaris-Generaal in kennis van het handhaven, het wijzigen of het intrekken van haar voorbehoud. Bij gebreke van een kennisgeving van de betrokken partij deelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa die partij mede dat haar voorbehoud geacht wordt automatisch te zijn verlengd voor een tijdvak van zes maanden. Indien de betrokken partij voor het verstrijken van dat tijdvak geen kennisgeving doet van haar voornemen het voorbehoud te handhaven of te wijzigen, vervalt het voorbehoud.
3. Indien een partij in overeenstemming met artikel 78, tweede en derde lid, een voorbehoud maakt, stelt zij GREVIO alvorens het te verlengen of op verzoek in kennis van de redenen die de voortzetting rechtvaardigen.

Opzegging

Art. 80. 1. Elke partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
2. Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Kennisgeving

Art. 81. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag alsmede elke ondertekenaar, elke partij, de Europese Unie en elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden, in kennis van:
a) elke ondertekening;
b) de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
c) elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de artikelen 75 en 76;
d) elke wijziging die overeenkomstig artikel 72 is aangenomen en de datum waarop een dergelijke wijziging in werking treedt;
e) elk voorbehoud en elke intrekking van voorbehouden gemaakt ingevolge artikel 78;
f) elke opzegging uit hoofde van de bepalingen van artikel 80;
g) elke andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.

BIJLAGEN.

Art. N1. Bijlage 1. - Voorrechten en immuniteiten (artikel 66)
1. Deze bijlage is van toepassing op de leden van GREVIO genoemd in artikel 66 van het Verdrag alsmede op andere leden van de delegaties die landenbezoeken afleggen. Voor de toepassing van deze bijlage omvat de uitdrukking,,andere leden van de delegaties die landenbezoeken afleggen" mede de onafhankelijke nationale deskundigen en de specialisten genoemd in artikel 68, negende lid, van het Verdrag, medewerkers van de Raad van Europa en tolken in dienst van de Raad van Europa die GREVIO vergezellen tijdens de landenbezoeken.
2. De leden van GREVIO en de andere leden van de delegaties die landenbezoeken afleggen genieten bij de uitoefening van hun functie ter zake van de voorbereiding en het afleggen van landenbezoeken, alsmede bij de follow-up daarvan en de reizen in verband met deze functie, de volgende voorrechten en immuniteiten:
a) immuniteit van arrestatie of detentie en van inbeslagname van hun persoonlijke bagage en immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen;
b) immuniteit van enige vrijheidsbeperking bij het verlaten van en de terugkeer naar het land waar zij wonen en bij het binnenkomen en verlaten van het land waar zij hun functie uitoefenen en van vreemdelingenregistratie in het land dat zij bezoeken of dat zij passeren bij de uitoefening van hun functie.
3. Tijdens reizen ondernomen bij de uitvoering van hun taken worden leden van GREVIO en de andere leden van de delegaties die landenbezoeken afleggen in het kader van douane- en deviezencontroles dezelfde faciliteiten toegekend die worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen met tijdelijke officiële taken.
4. De documenten ter zake van de evaluatie van de uitvoering van het Verdrag verricht door leden van GREVIO en andere leden van de delegaties die landenbezoeken afleggen zijn onschendbaar indien zij activiteiten van GREVIO betreffen. De officiële correspondentie van GREVIO of de officiële communicatie van leden van GREVIO en andere leden van de delegaties die landenbezoeken afleggen wordt niet geblokkeerd of onderworpen aan censuur.
5. Teneinde de volledige vrijheid van meningsuiting en de volledige onafhankelijkheid bij de uitoefening van hun taken te waarborgen voor de leden van GREVIO en andere leden van de delegaties die landenbezoeken afleggen, wordt hun blijvende immuniteit van rechtsvervolging toegekend met betrekking tot alle door hen in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen, ook wanneer de desbetreffende personen niet langer betrokken zijn bij de uitvoering van deze taken.
6. De voorrechten en immuniteiten worden de personen genoemd in het eerste lid van deze bijlage toegekend ter waarborging van de onafhankelijke uitoefening van hun functie ten behoeve van GREVIO en niet voor persoonlijke belangen. De immuniteiten van de personen genoemd in het eerste lid van deze bijlage kunnen worden opgeheven door de Secretaris- Generaal van de Raad van Europa in elk geval waarin deze immuniteit naar zijn of haar mening de rechtsgang zou belemmeren en indien dat kan geschieden zonder de belangen van GREVIO te schaden.

Art. N2. Bijlage 2. - Lijst van de gebonden Staten

ALBANIE 19/12/2011 Bekrachtiging 04/02/2013 01/08/2014
DUITSLAND 11/05/2011 Bekrachtiging
ANDORRA 22/02/2013 Bekrachtiging 22/04/2014 01/08/2014
OOSTENRIJK 11/05/2011 Bekrachtiging 14/11/2013 01/08/2014
BELGIE 11/09/2012 Bekrachtiging 14/03/2016 01/07/2016
BOSNIE EN HERZEGOVINA 08/03/2011 Bekrachtiging 07/11/2013 01/08/2014
CYPRUS 16/06/2015 Onbepaald
KROATIE 22/01/2013
DENEMARKEN 11/10/2013 Bekrachtiging 23/04/2014 01/08/2014
SPANJE 11/05/2011 Bekrachtiging 10/04/2014 01/08/2014
ESTLAND 02/12/2014 Bekrachtiging
FINLAND 11/05/2011 Bekrachtiging 17/04/2015 01/08/2015
FRANKRIJK 11/05/2011 Bekrachtiging 04/07/2014 01/11/2014
GRIEKENLAND 11/05/2011 Bekrachtiging
GEORGIE 19/06/2014 Onbepaald
IERLAND 05/11/2015
HONGARIJE 14/03/2014 Onbepaald
IJSLAND 11/05/2011 Bekrachtiging
ITALIE 27/09/2012 Bekrachtiging 10/09/2013 01/08/2014
LUXEMBURG 11/05/2011 Bekrachtiging
MACEDONIE (VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REP.) 08/07/2011 Onbepaald
LITOUWEN 07/06/2013
MALTA 21/05/2012 Bekrachtiging 29/07/2014 01/11/2014
MONACO 20/09/2012 Bekrachtiging 07/10/2014 01/02/2015
MONTENEGRO 11/05/2011 Bekrachtiging 22/04/2013 01/08/2014
NOORWEGEN 07/07/2011 Onbepaald
NEDERLAND 14/11/2012 Bekrachtiging 18/11/2015 01/03/2016
POLEN 18/12/2012 Bekrachtiging 27/04/2015 01/08/2015
PORTUGAL 11/05/2011 Bekrachtiging 05/02/2013 01/08/2014
ROEMENIE 27/06/2014 Bekrachtiging 23/05/2016 01/09/2016
VERENIGD KONINKRIJK 08/06/2012 Onbepaald
SAN MARINO 30/04/2014 Bekrachtiging 28/01/2016 01/05/2016
SERVIE 04/04/2012 Bekrachtiging 21/11/2013 01/08/2014
SLOVAKIJE 11/05/2011 Bekrachtiging
SLOVENIE 08/09/2011 Bekrachtiging 05/02/2015 01/06/2015
ZWEDEN 11/05/2011 Bekrachtiging 01/07/2014 01/11/2014
ZWITSERLAND 11/09/2013
TURKIJE 11/05/2011 Bekrachtiging 14/03/2012 01/08/2014
OEKRAINE 07/11/2011 Onbepaald

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te Istanbul op 11 mei 2011, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat wordt nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan elke lidstaat van de Raad van Europa, aan de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag, aan de Europese Unie en aan elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.

Aanhef

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
In herinnering roepend het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5, 1950) en de Protocollen daarbij, het Europees Sociaal Handvest (ETS nr. 35, 1961, herzien in 1996, ETS nr. 163), het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel (CETS nr. 197, 2005) en het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (CETS nr. 201, 2007);
In herinnering roepend de volgende aanbevelingen van het Comité van Ministers aan de lidstaten van de Raad van Europa: Aanbeveling Rec(2002)5 inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld, Aanbeveling CM/REC(2007)17 inzake normen en mechanismen voor gendergelijkheid, Aanbeveling CM/Rec(2010)10 inzake de rol van vrouwen en mannen bij de voorkoming en oplossing van conflicten en bij vredesopbouw en andere relevante aanbevelingen;
Rekening houdend met de groeiende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin belangrijke normen worden vastgesteld op het gebied van geweld tegen vrouwen;
Gelet op het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (1966), het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (1966), het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen ("CEDAW", 1979) en het Facultatieve Protocol daarbij (1999), alsmede de algemene aanbeveling nr. 19 van het CEDAW-comité inzake geweld tegen vrouwen, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (1989) en de Facultatieve Protocollen daarbij (2000) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (2006);
Gelet op het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (2002);
In herinnering roepend de beginselen van het internationale humanitaire recht en in het bijzonder het Verdrag van Genève (IV) betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (1949) en de Aanvullende Protocollen I en II (1977) daarbij;
Alle vormen van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld veroordelend;
Erkennende dat het bereiken van de jure en de facto gelijkheid van vrouwen en mannen een van de sleutels is tot het voorkomen van geweld tegen vrouwen;
Erkennende dat geweld tegen vrouwen een blijk is van historisch ongelijke machtsverhoudingen tussen vrouwen en mannen die hebben geleid tot de overheersing en discriminatie van vrouwen door mannen en de volledige ontplooiing van vrouwen in de weg hebben gestaan;
Het structurele karakter van geweld tegen vrouwen erkennende als op gender gebaseerd geweld en voorts erkennende dat geweld tegen vrouwen tot een van de cruciale sociale mechanismen behoort waarmee vrouwen ten opzichte van mannen in een ondergeschikte positie worden gedwongen;
Erkennende, met grote bezorgdheid, dat vrouwen en meisjes vaak worden blootgesteld aan ernstige vormen van geweld, zoals huiselijk geweld, seksuele intimidatie, verkrachting, gedwongen huwelijk, misdrijven gepleegd in het kader van de zogenaamde,,eer" en genitale verminking, die een ernstige schending van de mensenrechten van vrouwen en meisjes vormen en een belangrijk obstakel voor de verwezenlijking van de gelijkheid van vrouwen en mannen;
De voortdurende mensenrechtenschendingen tijdens gewapende conflicten erkennende die de burgerbevolking, en vrouwen in het bijzonder, treffen in de vorm van wijdverbreide of systematische verkrachting en seksueel geweld en de mogelijkheid dat gendergerelateerd geweld tijdens en na conflicten toeneemt;
Erkennende dat vrouwen en meisjes blootstaan aan grotere risico's van gendergerelateerd geweld dan mannen;
Erkennende dat huiselijk geweld vrouwen buitenproportioneel treft maar dat ook mannen het slachtoffer van huiselijk geweld kunnen zijn;
Erkennende dat kinderen het slachtoffer van huiselijk geweld zijn, ook wanneer ze getuige zijn van geweld binnen het gezin;
Geleid door het streven een Europa te creëren dat vrij is van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld,
Zijn het volgende overeengekomen:

Gecoördineerde actuele versie van de wet: 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 06/11/2016 - 15:03
Laatst aangepast op: zo, 06/11/2016 - 16:35

Nieuw statuut gerechtsdeurwaarder

Publicatie
Auteur: 
Flamey Peter
Auteur: 
Verhelst Gregory
Tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016
Pagina: 
510
Samenvatting

Benoemingsprocedure, met een terugblik op de recente rechtspraak van de Raad van State.

• De wet van 7 januari 2014 tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarder.
Uitvoeringsbesluit KB van 2 april 2014 tot uitvoering van de wet van 7 januari 2014 tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders.
• Ministerieel besluit 10 oktober 2014 houdende de goedkeuring van het programma van het jaarlijks vergelijkend examen tot rangschikking van kandidaat-gerechtsdeurwaarders

Het nieuwe statuut gaat uit van vier krachtlijnen:
1. modernisering en objectivering van het benoemingsproces,
2. opwaardering van het statuut van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder,
3. het garanderen van de continuïteit van de kantoren in
het openbaar en sociaal belang
4. de invoering van een nieuw tuchtrecht..

Inhoudstafel tekst: 

Inleiding .1-3
I. Aanloop naar de nieuwe benoemingsprocedure: het tijdperk van de
omzendbrieven
A. Omzendbrief nr. 116 van 7 april 2008 .4-7
B. Omzendbrief nr. 196 van 8 mei 2012
1. Evolutie van de benoemingscriteria .8
2. Omzendbrief nr. 196 in de rechtspraak .9
a. Niet-bindende beleidslijn .10
b. Procedure bij de Raad van State .11-17
c. Samenstelling van het postulatiedossier .18
d. Motivering van het ‘globaal advies’ van de raad van de
arrondissementskamer .19-23
e. Naleving van het quorum door de raad van de
arrondissementskamer .24
f. Opmerkingen op het voorlopig advies .25-26
g. Onpartijdigheidsbeginsel voor (de leden van) de raad van de
arrondissementskamer .27
h. Gebruik van een getrapt beoordelingssysteem .28
i. ‘Aftopping’ van de anciënniteit .29
II. De nieuwe benoemingsprocedure
A. Oprichting benoemingscommissies
1. Drie benoemingscommissies en hun samenstelling .30-36
2. Functioneren van de benoemingscommissies .37-40
B. De stage
1. Opname als stagiair .41-42
2. Stageverplichtingen .43-46
C. Benoeming tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder .47-53
D. Benoeming tot gerechtsdeurwaarder
1. Geen vergelijkend examen .54
2. Het indienen van de kandidaturen .55-57
3. Adviezen ..58-61
4. Opmaak van de rangschikking door de benoemingscommissie .62-66
5. Benoeming door de Koning .67
6. Beroep bij de Raad van State .68-71
E. Overgangsregeling .72-73
Conclusie .74

 

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek na aanpassing van de wet

 

BOEK IV. - [1 Gerechtsdeurwaarders]1
----------
(1)<W 2014-01-07/06, art. 2, 178; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

HOOFDSTUK I. - [1 Titel, statuut, benoeming, eed en vestiging]1
----------
(1)<W 2014-01-07/06, art. 2, 178; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: zo, 06/11/2016 - 13:42
Laatst aangepast op: zo, 06/11/2016 - 13:42

Habitatrichtlijn

Alternatieve naam: 
richtlijn biologische diversiteit
Afkondiging: 
zon, 21/05/1995
Tekst van de wetgeving: 
Natuurlijke habitats (Natura 2000)
Een van de doelstellingen van de Europese Unie (EU) is de biologische diversiteit te waarborgen door de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora op het Europese grondgebied van de lidstaten in stand te houden. Daartoe wordt een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones “Natura 2000” opgericht. Andere activiteiten op het gebied van controle en toezicht, de herintroductie van inheemse soorten, de introductie van niet-inheemse soorten en onderzoek en opleiding, moeten zorgen voor de samenhang van dit netwerk.
BESLUIT
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna [Zie wijzigingsbesluit(en)].
SAMENVATTING
De continue achteruitgang van de natuurlijke habitats en de bedreiging voor het voortbestaan van bepaalde wilde soorten zijn een centrale zorg in het milieubeleid van de Europese Unie (EU). Deze richtlijn, de “Habitatrichtlijn” genoemd, heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit in de lidstaten, meer bepaald door een gemeenschappelijk kader te scheppen voor de instandhouding van de habitats, planten en dieren die van communautair belang zijn.
De Habitatrichtlijn strekt tot instelling van het “Natura 2000”-netwerk, het grootste ecologische netwerk ter wereld. Het bestaat uit speciale beschermingszones die uit hoofde van deze richtlijn door de lidstaten worden aangewezen. Het omvat tevens de speciale beschermingszones die uit hoofde van Richtlijn 2009/147/EG (de “vogelrichtlijn”) zijn ingesteld.
In bijlage I en bijlage II van de richtlijn wordt aangegeven voor welke types natuurlijke habitats en welke soorten er met het oog op hun instandhouding speciale beschermingszones moeten worden aangewezen. Bepaalde daarvan zijn gedefinieerd als types habitats of soorten die “prioritair” zijn (die het gevaar lopen te verdwijnen). In bijlage IV worden de dier- en plantensoorten genoemd die een bijzonder strikte bescherming behoeven.
De aanwijzing van de speciale beschermingszones verloopt in drie fasen. Elke lidstaat stelt een lijst samen van gebieden waar de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten in kwestie voorkomen. Op basis van die nationale lijsten en in overleg met de lidstaten stelt de Commissie een lijst op van de gebieden van communautair belang voor elk van de negen biogeografische regio’s van de EU (alpiene gebied, Atlantische zone, Zwarte Zeegebied, boreale regio, continentale regio, Macaronesië, Middellandse-Zeegebied, Pannonische regio en steppengebied). Binnen een termijn van maximum zes jaar na de aanwijzing van een gebied als gebied van communautair belang wijst de betrokken lidstaat bedoeld gebied aan als speciale beschermingszone.
Wanneer de Commissie van oordeel is dat een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort op een nationale lijst ontbreekt, wordt een procedure voor bilateraal overleg tussen de desbetreffende lidstaat en de Commissie geopend. Indien dit overleg niet tot een bevredigende oplossing leidt, kan de Commissie de Raad voorstellen bedoeld gebied als gebied van communautair belang aan te wijzen.
In de speciale beschermingszones nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om de instandhouding van de habitats te waarborgen en om hun achteruitgang en een aanzienlijke verstoring van de soorten te voorkomen. Overeenkomstig de richtlijn kan de Gemeenschap dergelijke beschermingsmaatregelen eventueel cofinancieren.
Voorts moeten de lidstaten:
  • een adequaat beheer bevorderen van de landschapselementen die essentieel zijn voor de migratie, de geografische verdeling en de genetische uitwisseling van wilde soorten;
  • een systeem instellen van strikte bescherming van bepaalde bedreigde dier- en plantensoorten (bijlage IV) en nagaan of herintroductie van bepaalde soorten op hun grondgebied wenselijk is;
  • het gebruik van niet-selectieve middelen voor het verzamelen, vangen of doden van bepaalde planten- en diersoorten verbieden (bijlage V).
Om de zes jaar stellen de lidstaten een verslag op over de in het kader van deze richtlijn genomen maatregelen. Op basis van deze verslagen stelt de Commissie een samenvattend verslag op.
De bijlagen van deze richtlijn zijn gewijzigd om rekening te houden met de biodiversiteit van de landen die in 2004 en 2007 tot de EU zijn toegetreden. De uitbreiding heeft nieuwe uitdagingen voor de biodiversiteit met zich meegebracht en heeft tot nieuwe elementen geleid, waaronder drie nieuwe biogeografische regio’s (het Zwarte Zeegebied, de Pannonische regio en het steppengebied).
Het Natura 2000-netwerk beslaat thans ongeveer 18 % van het grondgebied van de EU.
Referenties
Besluit
Datum van inwerkingtreding
Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten
Publicatieblad
Richtlijn 92/43/EEG
10.6.1992
10.6.1992
PB L 206 van 22.7.1992
Wijzigingsbesluit(en)
Datum van inwerkingtreding
Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten
Publicatieblad
Richtlijn 97/62/EG
29.11.1997
31.12.1997
PB L 305 van 8.11.1997
Verordening (EG) nr. 1882/2003
20.11.2003
-
PB L 284 van 31.10.2003
Richtlijn 2006/105/EG
1.1.2007
1.1.2007
PB L 363 van 20.12.2006
De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Richtlijn 92/43/EEG zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.
GERELATEERDE BESLUITEN
Toepassing van de wetgeving
Verslag van de Commissie van 13 juli 2009 over de staat van instandhouding van habitattypes en soorten, als vereist krachtens artikel 17 van de Habitatrichtlijn [COM(2009) 358 definitief – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad]. In dit verslag wordt de tenuitvoerlegging van de Habitatrichtlijn in de periode 2001-2006 in 25 lidstaten beoordeeld. Het verslag schetst de algemene toestand van de biodiversiteit in de EU. Het vormt tevens een referentie voor de beoordeling van de toekomstige ontwikkeling van de meest kwetsbare soorten en habitats.
Uit de resultaten blijkt dat voor heel wat habitats en soorten die binnen de werkingssfeer van de Habitatrichtlijn vallen, geen gunstige staat van instandhouding is bereikt. De algemene toestand van bepaalde habitats (met name graslanden, wetlands en kustgebieden) is middelmatig. Bij bepaalde soorten zijn er tekenen van herstel waarneembaar (bijvoorbeeld de wolf, de Euraziatische lynx, de bever en de otter). Toch moeten nog bijkomende inspanningen worden geleverd om tot gezonde en duurzaam levensvatbare populaties te komen.
Het Natura 2000-netwerk dient te worden vervolledigd en voor bepaalde locaties zijn herstelmaatregelen noodzakelijk. Zowel het netwerk als de beschermde gebieden dienen doeltreffend te worden beheerd en in voldoende mate te worden gefinancierd.
Tot slot trekken vele lidstaten onvoldoende middelen uit voor monitoring van de staat van instandhouding van de soorten en habitats op hun grondgebied. Zonder betrouwbare gegevens is het onmogelijk het effect van de instandhoudingsmaatregelen in te schatten.
Biogeografische regio’s
Krachtens de Habitatrichtlijn moet de Commissie, in overeenstemming met de betrokken lidstaten, een lijst opstellen van gebieden van Europees belang voor elk van de negen biogeografische regio’s.
Lijst van gebieden van de alpiene regio Besluit 2011/62/EU [Publicatieblad L 33 van 8.2.2011].
Lijst van gebieden van de Atlantische regio Besluit 2011/63/EU [Publicatieblad L 33 van 8.2.2011].
Lijst van gebieden van de regio van de Zwarte Zee Besluit 2009/92/EG [Publicatieblad L 43 van 13.2.2009].
Lijst van gebieden van de boreale regio Besluit 2011/84/EU [Publicatieblad L 40 van 12.2.2011].
Lijst van gebieden van de continentale regio Besluit 2011/64/EU [Publicatieblad L 33 van 8.2.2011].
Lijst van gebieden van de Macaronesische regio Besluit 2009/1001/EG [Publicatieblad L 344 van 23.12.2009].
Lijst van gebieden van de mediterrane regio Besluit 2011/85/EU [Publicatieblad L 40 van 12.2.2011].
Lijst van gebieden van de Pannonische regio Besluit 2011/86/EU [Publicatieblad L 40 van 12.2.2011].
Lijst van gebieden van de regio steppengebied Besluit 2008/966/EG [Publicatieblad L 344 van 20.12.2008].
Financiering van Natura 2000
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Financiering van Natura 2000 [COM(2004) 431 – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad]. Nu het Natura 2000-netwerk is opgericht, wordt het beheer van de aangewezen beschermde gebieden de prioritaire opdracht voor de bescherming van de biodiversiteit in de EU. Daartoe zijn voldoende financiële middelen vereist om te waarborgen dat het Natura 2000-netwerk de vastgestelde doelstellingen behaalt en waarbij de middelen worden aangepast aan de specifieke plaatselijke behoeften. De Commissie is van mening dat het netwerk grote voordelen kan meebrengen, zowel van economische aard (ontwikkeling van "diensten" die het ecosysteem biedt, de levering van voedsel en houtproducten, activiteiten die in het gebied worden verricht of er verband mee houden, zoals toerisme, enz.) als van sociale aard (diversificatie van de werkgelegenheid, versterking van de stabiliteit van het sociale weefsel, verbetering van de levensomstandigheden, behoud van het erfgoed, enz.). Tegen eind 2011 zal een nieuwe mededeling worden goedgekeurd over de financiering van het Natura 2000-netwerk.
 

Raad van State

7e Kamer – 25 februari 2016, RW 2016-2017, 418

samenvatting

De uitvoerende overheid waaraan de wet- of de decreetgever een termijn heeft opgelegd waarbinnen een maatregel moet worden genomen, dient zich principieel ook aan deze termijn te houden, bij gebreke waaraan elk wetgevend werk zin- en inhoudsloos zijn.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 05/11/2016 - 17:52
Laatst aangepast op: za, 05/11/2016 - 17:52

De theorie van het verlies van een kans: een rechtsvergelijkende analyse toegepast op de zuivere vermogensschade

Publicatie
Auteur: 
Baeyens S
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
363
Samenvatting

De kansleer biedt de benadeelde de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen wegens het verlies van een kans op het vermijden van een nadeel of het verwerven van een voordeel. Deze bijdrage bekijkt de theorie van het verlies van een kans vanuit een originele invalshoek.

Op een rechtsvergelijkende wijze wordt de toepassing van de kansleer in het domein van de zuivere vermogensschade onderzocht. Aan de hand van enkele capita selecta zal worden nagegaan of de kansleer in dit domein een belangrijke rol speelt en/of het Belgische aansprakelijkheidsrecht lessen kan trekken uit de toepassing van de kansleer in de ons omringende landen.

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding

II. De zuivere vermogensschade

III. De toepassingsvoorwaarden van de kansleer

A. Het beschikkingsbeginsel

B. Het bestaan van een zeker causaal verband

C. Het verlies van een reële kans

D. Een definitief verloren kans

E. De aard van de schade: de zuivere vermogensschade

F. Het verlies van een kans en de hypothetische handeling van een derde partij: een bijkomende voorwaarde gewenst (?)

IV. De kansleer en de zuivere vermogensschade: enkele capita selecta

A. Aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen

B. De privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht

C. Aansprakelijkheid voor foutieve informatie inzake beleggingen

V. Besluit

Bronvermeldingen

• H. Bocken, «Geen kans verloren. Causale onzekerheid en de rechtspraak van het Hof van Cassatie over het verlies van een kans» in Postuniversitaire cyclus Willy Delva. Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingsystemen 2006-2007, Mechelen, Kluwer, 2007, 271-325

• Q. De Raedt en B. Weyts, «De verlies van een kans – theorie» in R. Boydens en R. De Baerdemaeker (eds.), Justitie: vraagstukken en perspectieven voor morgen, Brugge, Anthemis, 2013, 67-83

• D. Philippe, «Quelques réflexions sur la perte d’une chance et le lien causal», TBH 2013, 1004-1013

• P. Van Ommeslaghe, «Perte d’une chance et risque réalisé: cherchez l’erreur» in I. Lutte (ed.), Droit médical et dommage corporel. Etat des lieux et perspectives, Limal, Anthemis, 2014, 211-228.

• Cass. 15 oktober 1962, Pas. 1963, I, 195

• Cass. 31 maart 1969, Pas. 1969, I, 676

• Cass. 19 januari 1984, Pas. 1984, I, 548, RGAR 1986, nr. 11.084, noot T. Vansweevelt

• B. Dubuisson, V. Callewaert, B. De Coninck en G. Gathem, La responsabilité civile – Chronique de jurisprudence 1996-2007, Vol. 1, Brussel, Larcier, 2009, 368.

• T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 642. Zie voor de meest recente rechtpraak: Cass. 26 juni 2008, Pas. 2008, 1688

• Cass. 17 december 2009, NJW 2010, 660, noot I. Boone, Pas. 2009, 305, RCJB 2013, 601, noot N. Estienne, RGAR 2010, nr. 14633, RW 2011-12, 1466, TBH 2010, 278, TROS-Nieuwsbrief 2010, 7

• Cass. 15 maart 2010, NJW 2010, 660, noot I. Boone, Pas. 2010, 839, RCJB 2013, 603, noot N. Estienne, RGAR 2010, nr. 14676, RW 2012-13, 778

• Cass. 23 september 2013, JTT 2013, 493, Pas. 2013, 1755, RGAR 2014, nr. 15106, noot, RW 2013-14, 940, noot

• Cass. 21 oktober 2013, Pas. 2013, 1999, RGAR 2014, nr. 15107, RW 2013-14, 940, noot

• Cass. 6 december 2013, AR C.12.0245.F, Arr.Cass. 2013, 2644

• Cass. 6 december 2013, AR nr. C.10.0204.F, Pas. 2013, 2457, conclusie advocaat-generaal T. Werquin, RW 2014-15, 790.

• B. Weyts, «Economische schade», TBH 2013, 1014-1038

• I. Samoy, «Zuiver economische schade: hoe de pleinvrees overwinnen ...», TBH 2013, 1039-1049

• X. Taton, «Quelle méthode pour l’évaluation concrète du dommage économique? L’exemple des infractions au droit de la concurrence», TBH 2013, 1050-1056

• B. Weyts, «Bewijsproblemen bij de begroting van economische schade», TBBR 2014, 266-270.

• B. Weyts, o.c., TBH 2013, 1015.

• T. Vansweevelt, De civielrechtelijke aansprakelijkheid van de geneesheer en het ziekenhuis, Antwerpen, Maklu, 1992, 370 e.v.

• S. Lierman, «Causaliteit en verlies van een kans in de medische context», T. Gez. 2006-07, 259-273

• N. Estienne, «La responsabilité du médecin: le devenir de la perte d’une chance» in G. Schamps (ed.), Evolution des droits du patient, indemnisation sans faute des dommages liés aux soins de santé: le droit médical en mouvement, Brussel, Bruylant, 2008, 365-386).

• J.H. Herbots, «De saga van de doorgekapte elektriciteitskabels: zuivere vermogensschade rechtsvergelijkend bekeken», Jura Falc. 1983-84, 451-463

• K. Laveyt, «Foutieve informatie en zuivere vermogensschade: een rechtsvergelijkend onderzoek», RW 2005-06, 1321-1335

• J.-F. Gerkens, «Pure economic loss en droit belge» in Rapports belges au Congrès de l’Académie Internationale de Droit comparé, Brussel, Bruylant, 2006, 281-298.

• A. Van Oevelen, G. Jocqué, C. Persyn en B. De Temmerman, «Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)», TPR 2007, (933), 1013 en 1483.

• M. Bussani en V. Palmer, «Pure economic loss: The Ways to Recovery», EJCL 2007, 6

• N. Régis, «Le préjudice économique des entreprises», Cour de Cassation, Bulletin d’information 2013, nr. 781, p. 6.

• S. Deakin, A. Johnston en B. Markensinis, Markesinis and Deakin’s Tort Law, Oxford, Clarendon Press, 2007, 157.

•. Antwerpen 27 maart 1991, RW 1994-95, 366

• Rb. Brussel 8 december 2004, AM 2005, 249

• M. Nussenbaum, «L’évaluation des préjudices économiques», Rev. dr. banc. fin. 2013, 32.

• J.M. Barendrecht, «Pure economic loss in the Netherlands» in E.H. Hondius (ed.), Netherlands Reports to the Fifteenth International Congress of Comparative Law Bristol 1998, Antwerpen, Intersentia, 1998, 115

• A.S. Hartkamp, Verbintenissenrecht, Deel II De verbintenis in het algemeen, Deventer, Kluwer, 2013, 15.

• J. Spier, T. Hartlief, G.E. Van Maanen en R.D. Vriesendorp, Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer, Kluwer, 2009, 239

• HR 13 november 1987, NJ 1988, 210, noot W.C.L. Van Der Grinten

• House of Lords 26 juli 1990, Murphy v Brentwood DC, WLR 1990, 414. 27 Zie voor een overzicht: M. Bussani en V. Palmer, o.c., EJCL 2007, 50-51.

• House of Lords 28 maart 1963, Hedley Byrne & Co Ltd v Heller & Partners Ltd, WLR 1963, 101.

• H. Bocken, «Verlies van een kans. Het cassatiearrest van 5 juni 2008. Vervolg en (voorlopig?) slot», NJW 2009, 8.

• B. Allemeersch, «De taakverdeling tussen rechter en partijen in het burgerlijk proces» in P. Van Orshoven (ed.), Gerechtelijk recht. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen op het stuk van ..., Brugge, die Keure, 2006, 1-22.

• G. Closset-Marchal, «Les pouvoirs respectifs du juge et des parties dans la détermination de l’objet et de la cause de la demande» (noot onder Cass. 8 februari 2001), TBBR 2002, 449. Zie art. 1138, 2o Ger.W.

• H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2011, 159.

• Cass. fr. 12 oktober 1977, JCP G 1977, 291

• Cass. fr. 6 oktober 2011, JurisData nr. 2011-021300. Zie art. 5 Frans Gerechtelijk Wetboek: «Le juge doit se prononcer sur tout ce qui est demandé, et seulement sur ce qui est demandé.»

• E. Krings, «Het ambt van de rechter bij de leiding van het rechtsgeding», RW 1986-84, 345

• B. Maes, Inleiding tot het burgerlijk procesrecht, Brugge, die Keure, 2006, 13

• P. Thion, «Kwalificatie van oorzaak en voorwerp van de vordering», NJW 2003, 726.

• Cass. 31 oktober 2013, JT 2014, 372

• Cass. 27 september 2013, JT 2014, 285

• C. Van Severen, «Beschikkingsbeginsel vs. taak van de rechter» (noot onder Antwerpen 20 januari 2014), NJW 2015, 20.

• J. Linsmeau en X. Taton, “Le principe dispositif et l’activisme du juge” in J. Linsmeau en M. Storme (eds.), Het gerechtelijk recht waarom en waarheen?, Brugge, die Keure, 2005, 114.

• Cass. 8 februari 2001, TBBR 2002, 446, noot G. Closset-Marchal

• Cass. 16 november 2009, RABG 2010, noot M. Baetens-Spetschinsky.

• X, «Statements of Case», in The White Book, Civil Procedure, I, Londen, Thomson Reuters, 2014, 528.

• Cass. 19 februari 1984, Arr.Cass. 1983-84, 585, RGAR 1986, nr. 11084, noot T. Vansweevelt

• Bergen 24 november 1993, Rev. dr. commun. 1996, 23

• Cass. 15 maart 2010, Pas. 2010, 829, RGAR 2010, nr. 14676, NJW 2010, 660, noot I. Boone.

• HR 21 december 2012, Deloitte Belastingadviseurs v H&H Beheer, NJ 2013, 2741

• D. Zivkovic, «Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband. Een wenselijk en toelaatbaar alternatief voor «alles of niets»?» in R.M.A Van Der Poel, D.A. Scheentjes en T.B.D. Van Der Wal (eds.), Causaliteit: Top-down en bottom-up in Nederlands en transnationaal perspectief, Apeldoorn-Antwerpen, Maklu, 2010, 38

• Frankrijk: Cass. fr. 25 november 2010, JurisData nr. 2010-021936

• Cass. fr. 22 september 2011, JurisData nr. 2011-019601.

• J.-S. Borghetti, «La réparation de la perte d’une chance en droit suisse et en droit français», ERPL 2008, 1080.

• Conclusie advocaat-generaal T. Werquin voor Cass. 1 april 2004, www.cass.be

• P. Van Ommeslaghe, Droit des obligations, II, Sources des obligations, Brussel, Bruylant, 2010, 1517

• J.-L. Fagnart, «Le silence et le risque», T.Gez. 2008-09, 125.

• R. Savatier, «Une faute peut-elle engendrer la responsabilité d’un dommage sans l’avoir causé», D. 1970, 123. Zie ook: P. Le Tourneau, Droit de la responsabilité et des contrats, Parijs, Dalloz, 2008, 440-442.

• Cass. fr. 19 oktober 1999, nr. 97-13.446, Bull.civ. IV, nr. 176.

• I. Boone, «Het «verlies van een kans» bij onzeker causaal verband», RW 2004-05, 95

• B. Dubuisson, «La théorie de la perte d’une chance: le droit contre l’aléa», JT 2007, 491

• I. Samoy en E. Verjans, «Recente ontwikkelingen bij aansprakelijkheid en alternatieve vergoedingsregelingen» in C. Van Schoubroeck, I. Samoy en S. Stijns (eds.), Aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht, Brugge, die Keure, 2012, 122-123.

• Cass. 1 april 2004, Pas. 2004, 527, conclusie advocaat-generaal T. Werquin.

• N. Estienne, «La perte d’une chance dans la jurisprudence de la Cour de cassation: la procession d’Echternach (deux pas en arrière, trois pas en avant)», RCJB 2013, 605-607.

• J.-L. Fagnart, «Petite navigation dans les méandres de la causalité», RGAR 2006, nr. 14080/6-7

• A. Putz en E. Montero, «La perte d’une chance d’éviter la réalisation d’un risque: un préjudice illusoire?» (noot onder Cass. 1 april 2004 en Bergen 10 oktober 2005), JLMB 2006, 1085-1088.

• S. Lierman, «Het Hof van Cassatie, het paard «Prizrak» en het verlies van genezings- en overlevingskansen: een duurzame liaison à trois?» (noot onder Cass. 5 juni 2008), RW 2008-09, 797

• Cass. 5 juni 2008, Pas. 2008, 1425.

• I. Boone en K. Ronsijn, «Vergoeding voor het verlies van een kans na het arrest Prizrak», VAV 2015, 6.

• Cass. 26 juni 2008, Pas. 2008, 1688

• Cass. 15 maart 2010, NJW 2010, 660, noot I. Boone, Pas. 2010, 839, RCJB 2013, noot N. Estienne, RGAR 2010, nr. 14676, RW 2012-13, 778

• Cass. 23 september 2013, JTT 2013, 493, Pas. 2013, 1755, RGAR 2014, nr. 15106, noot, RW 2013-14, 940, noot.

• Cass. 6 december 2013, AR C.12.0245.F, Arr.Cass. 2013, 2644

• Cass. 6 december 2013, AR nr. C.10.0204.F, Pas. 2013, 2457, conclusie advocaat-generaal T. Werquin, RW 2014-15, 790.

• Conclusie advocaat-generaal T. Werquin voor Cass. 6 december 2013, Pas. 2013, 2458-2481.

• HR 21 december 2012, Deloitte Belastingadviseurs v H&H Beheer, NJ 2013, 2759.

• Gent 17 januari 2005, TBBR 2007, 509

• Brussel 17 april 1996, RGAR 1997, nr. 12838

• M. De Ridder, «Kansverlies als schadefactor bij medische aansprakelijkheid», AA 1995, 552-553). 64 H. Bocken, o.c., NJW 2009, 10.

• Cass. fr. 30 juni 2004, nr. 03-13.235, Bull. civ. II, nr. 342, RGDA 2004, 964, noot J. Landel.

• Cass. fr. crim. 19 februari 1975, Bull. crim. 1975, 161.

• Cass. 17 april 1961, Pas. 1961, I, 882

• Cass. 12 september 1972, Pas. 1973, 43.

• Cass. fr. 16 januari 2013, TBBR 2014, 125, noot I. Samoy en K. Ronsijn.

• Cass. fr. 1 juli 2010, RDC 2011, 83, noot S. Carval.

• M. Bacache, «La réparation de la perte de chance: quelle limites?», D. 2013, 619.

• R.O. Dalcq, Traité de la responsabilité civile, II, Le lien de causalité. Le dommage et sa réparation in Les Novelles, Droit Civil, V-2, Brussel, Larcier, 1962, nrs. 2817 e.v.).

• Queen’s Bench Division 24 november 1998, Casey v Hugh James Jones & Jenkins, Lloyd’s Rep., P.N. 1999, 115: «... no real or substantial chance that the claimant’s personal injury claim would have succeeded.»

• High Court of Justice – Chancery Division 30 juli 1996, Halifax Building Society v Urquart-Dykes and Lord, RPC 1997, 55: «It was wholly speculative to say that because of the bad advice the plaintiff missed a chance of a better settlement ...».

• J. Ronse, Aanspraak op schadeloosstelling uit onrechtmatige daad, Larcier, Brussel, 1954, nr. 196.

• Cass. 15 mei 2015, RGAR 2016, nr. 15254, TBH 2015, 924, TBO 2015, 266

• Cass. fr. 9 april 2002, D. 2002, 1469

• Queen’s Bench Division 2 juni 2008, Nicholson v Knox Ukiwa & Co, PNLR 2008, 33.

• HR 21 december 2012, Deloitte Belastingadviseurs v H&H Beheer, NJ 2013, 2759

• M.F.J. Haak, «Van een advocaat die vergeet in hoger beroep te gaan», AA 1998, 146.

• Y. Chartier, La réparation du préjudice dans la responsabilité civile, Parijs, Dalloz, 1983, 51.

• S. Lierman, «Verlies van een kans bij medische ongevallen», NJW 2005, 614-615.

• Cass. fr. 24 juni 1999, JurisData nr. 1999-002698

• Cass. fr. crim. 23 september 2003, JurisData nr. 2003-020922

• A. Van Oevelen, G. Jocqué, C. Persyn en B. De Temmerman, o.c., TPR 2007, 964.

• B. Weyts, «Compensation for the Loss of Small Chances in (Belgian and French) Tort Law», ERPL 2014, 1067.

• Rb. ’s Gravenhage 17 juni 2011, www.rechtspraak.nl

• C.H. van Dijk, «Onzeker causaal verband in de rechtspraak», in A. Akkermans, M. Faure en T. Hartlief (eds.), Proportionele aansprakelijkheid, Den Haag, Boom, 2000, 30. Zie voor Engeland: H. McGregor, o.c., 348.

• A. Burrows, «Uncertainty about uncertainty: Damages for Loss of a Chance», Journal of Personal Injury Law 2008, 42.

• Court of Appeal 12 mei 1995, Allied Maples Group Ltd v Simmons & Simmons, WLR 1995, 1, 1602.

• H. McGregor, «Loss of Chance: Where Has it Come From and Where Is it Going?», Professional Negligence 2008, 6.

• K. Oliphant, «Loss of Chance in English Law», ERPL 2008, 1063.

• Cass. fr. com. 6 mei 2014, JurisData nr. 2014-009959.

• Rb. Verviers 29 oktober 2002, JLMB 2003, 1667, noot J.-P. Buyle:

• Bergen 21 september 2012, JLMB 2013, 1742.

•. De Raedt, «Het verlies van een kans op het verlies van een kans», T.Gez. 2012-13, 231.

• M. Van Quickenborne, De oorzakelijkheid in het recht van de burgerlijke aansprakelijkheid, Brussel, Elsevier-Sequoia, 1972, nr. 219.

•.-F. Gerkens, o.c., Rapports belges au Congrès de l’Académie Internationale de Droit comparé, 298.

• A. De Boeck, «De precontractuele aansprakelijkheid» in Comm.Bijz.Ov., 3.

• A. Van Oevelen, «Juridische verhoudingen en aansprakelijkheid bij onderhandelingen over (commerciële) contracten», DAOR 1990, 47

• N. Dissaux, «Fonds de commerce. Cession. Formation» in JurisClasseur (LexisNexis), JurisClasseur Commercial Fasc. 202, 2010, 9

• C. Mak, «Precontractuele aansprakelijkheid in Nederland» in J. Smits en S. Stijns (eds.), Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2002, 100.

• M. Bollen, «Precontractuele aansprakelijkheid voor het afspringen van onderhandelingen, in het bijzonder m.b.t. een acquisitieovereenkomst», TBBR 2003, 138.

• HR 15 november 1957, Baris v Riezenkamp, NJ 1958, 67.

• D.K. Allen, «England» in E.H. Hondius (ed.), Precontractual Liability, Deventer, Kluwer, 1991, 135

• J. Cartwright en M. Hesselink, Precontractual Liability in European Private Law, Cambridge, Cambridge University Press, 2008, 461-468.

• M. Vanwijck-Alexandre, «La réparation du dommage dans la négociation et la formation des contrats», Ann. Fac. Dr. Liège 1980, 25-29.

• B. Wessels, «Precontractuele problemen» in L.G. Eykman, H. Stein en B. Wessels (eds.), Onderhandelen en schikken, Zwolle, Tjeenk Willink, 1990, 105.

• J. Spier, T. Hartlief, G.E. van Maanen en R.D. Vriesendorp, Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer, Kluwer, 2000, 190.

• Riom 10 juni 1992, RTD civ. 1993, 343, noot J. Mestre

• R. Kruithof, H. Bocken, F. De Ly en B. De Temmerman, «Overzicht van rechtspraak. (1981-1992) Verbintenissenrecht», TPR 1994, 441.

• HR 18 juni 1982, Plas v Valburg, NJ 1983, 723, noot C. Brunner.

• HR 24 maart 1981, Gem. Heesch v Reijs, NJ 1981, 456).

• K. Rutten, «De positie van de zittende aandeelhouder bij een beursfonds in geval van misleidende financiële verslaggeving», www.wijnenstael.nl, bijdrage voor de bundel Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-12, Deventer, Kluwer, 2012, 251.

• HR 18 juni 1982, Plas v Valburg, NJ 1983, 723, noot C. Brunner.

• HR 23 oktober 1987, VSH v Shell, NJ 1988, nr. 1017, noot C. Brunner.

• C. Brunner, noot onder HR 23 oktober 1987, NJ 1988, nr. 1017, p. 3624.

• HR 12 augustus 2005, CBB v JPO, NJ 2005, 467

• M. van Hooijdonk en R. Tjittes, «Precontractuele aansprakelijkheid bij onderhandelen met een voorbehoud», Contracteren 2008, 53

• I. Houben, «De invloed van voorbehouden bij aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen», TPR 2013, 1211.

• L. Cornelis, «La responsabilité précontractuelle, conséquence éventuelle du processus précontractuel», TBBR 1990, 419

• Cass. fr. com. 7 april 1998, JCP E 1999, 579, noot J. Schmidt-Szalewski

• Cass. fr. com. 18 juni 2002, RTD civ. 2003, 282, noot J. Mestre en B. Fages.

• J. Ghestin, «Les dommages réparables à la suite de la rupture abusive des pourparlers», JCP G 2007, I, 157, nr. 21.

• Antwerpen 22 maart 1994, RW 1994-95, 296

• Antwerpen Luik 16 januari 1998, JLMB 1998, 589.

• A. De Boeck, «De precontractuele fase als ontmoetingsplaats voor (buiten)contractuele aansprakelijkheid» in S. Stijns en P. Wery (eds.), De raakvlakken tussen de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid, Brugge, die Keure, 2010, 150.

• Rb. Dendermonde 5 maart 2004, TBBR 2006, 550.

• Brussel 5 februari 1992, JT 1993, 130

• Gent 9 november 1993, RW 1993-94, 1235

• Kh. Kortrijk 12 december 2007, TBH 2009, 909.

• Rennes 27 maart 2002, JurisData nr. 2002-206838

• Lyon 6 juni 2002, JurisData nr. 2002-184338

• Parijs 11 maart 2003, JurisData nr. 2003-216319

• G. Viney, Introduction à la responsabilité in J. Ghestin (ed.), Traité de droit civil, Parijs, LGDJ, 1995, 361.

• Cass. fr. com. 26 november 2003, D. 2004, 869, noot A.-S. Dupré-Dallemagne.

• Cass. fr. 28 juni 2006, JurisData nr. 2006-034261

• Cass. fr. 7 januari 2009, JurisData nr. 2009-046461.

• O. Deshayes, «Refus de l’indemnisation de la perte d’une chance de tirer profit du contrat en cas de rupture fautive des pourparlers» (noot onder Cass. fr. 28 juni 2006), JCP G 2006, 1526-1527

• S. Hocquet-Berg, «Rupture unilatérale de pourparlers précontractuels», Resp. civ. ass. 2006, comm. 287, LexisNexis, 2.

• I. Samoy en S. Houtmeyers, «Over de verkoop van een onroerend goed via e-mail of sms: bewijs en precontractuele aansprakelijkheid» (noot onder Gent 26 september 2013), T.Not. 2014, 341.

• Luik 31 oktober 2013, DAOR 2014, 271.

• D. Waelbroeck, K. Cherretté en A. Gerth, «Belgium» in D. Waelbroeck, D. Slater en G. Even-Shoshan (eds.), Study on the Conditions of Claims for Damages in Case of Infringement of EC Competition Rules, Ashurst, 2004, http://ec.europa.eu/competition/antitrust/actionsdamages/national_report..., 1.

• T. Schoors, T. Baeyens en W. Devroe, «Schadevergoedingsacties na kartelinbreuken», NJW 2011, 198-199

• X. Taton, T. Franchoo, N. Baeten en I. Rooms, «Overzicht van rechtspraak (2004-2010). 1ste deel. Private handhaving van het mededingingsrecht», TBH 2013, 27.

• Moracchini-Zeidenberg, «Réparation du préjudice des victimes de pratiques anticoncurrentielles», Resp. civ. ass. 2015, alerte 8, LexisNexis, 1.

• E. Zipro, Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht, doctoraatsproefschrift Universiteit Leiden, 2009, https://openaccess.leidenuniv.nl, 5.

• C. Banfi, «Defining the Competition Torts as Intentional Wrongs», CLJ 2011, 106

• M. Chagny, «Faut-il désespérer du contentieux indemnitaire des pratiques anticoncurrentielles?» (noot onder Parijs 27 juni 2012), CCE 2013, comm. 6, LexisNexis, 2.

• Brussel 16 november 2012, JLMB 2013, 702. Het bewijs van de schade en het causaal verband kon niet geleverd worden.

• T. Woodgate en I. Filippi, «The Decision that Binds: Follow on Actions for Competition Damages after Enron», ECLR 2012, 177-178.

• X. Taton, «Quelle méthode pour l’évaluation concrète du dommage économique? L’exemple des infractions au droit de la concurrence», TBH 2013, 1052.

• Competition Appeal Tribunal (CAT) 21 december 2009, Enron Coal Services Ltd (In Liquidation) v English Welsh & Scottish Railway Ltd, CAT 2009, 36.

• Court of Appeal 19 januari 2011, Enron Coal Services Ltd (In Liquidation) v English Welsh & Scottish Railway Ltd, EWCA Civ 2011, 2.

• Brussel 24 juni 2008, RGAR 2010, nr. 14692.

• C. Cauffman, «Competition Litigation in Belgium and Luxembourg between 2000 and 2012», GCLR 2014, 50-51.

• Kh. Brussel 17 juni 2010, TBH 2013, 39. 153 Cass. fr. com. 15 juni 2010, JurisData nr. 2010-009653.

• M. Bredenoord-Spoek en J. Kortmann, «Kroniek Civiele rechtspraak mededingingsrecht 2010», M&M 2011, 68.

• A. Van Oevelen, «De contractuele en de buitencontractuele rechtsbescherming van de particuliere belegger in financiële instrumenten», BFR 2003, 118.

• Cass. 23 juni 2011, BFR 2011, 281

• S. Dejonghe, «De burgerrechtelijke aspecten van vermogensbeheer en beleggingsadvies», T. Fin. R. 2004, 908.

• A.C.W. Pijls, «Het bewijs van causaal verband bij informatieverzuimen in de beleggingspraktijk», NTBR 2009, 170

• N. Vanderstappen, «Le dommage boursier par désinformation et les conditions de sa réparation: morceaux choisis sur la question du lien causal et de la perte d’une chance», BFR 2013, 263.

• S. Delaey, «Barrack Mines: het vervolg» (noot onder Brussel 3 oktober 2006), DAOR 2007, 234.

• HR 27 november 2009, Vereniging van Effectenbezitters en Stichting VEB-Actie WOL v World Online International NV, ABN Amro Bank NV en Goldman Sachs International, RvdW 2009, 1403

• A.C.W. Pijls en W.H. Van Boom, «Handhaving prospectusaansprakelijkheid niet illusoir: vermoeden van causaal verband bij prospectusaansprakelijkheid», WPNR 2010, 195-196.

• P. Pailler, «Indemnisation de la perte d’une chance pour l’associé d’investir en connaissance de cause» (noot onder Cass. fr. com. 6 mei 2014), Rev. dr. banc. fin. 2014, comm. 156, LexisNexis, 3.

• E. Delbeke, «De informatieplicht over de relevante risico’s van een medische ingreep: draagwijdte, determinerende factoren en gevolgen bij miskenning», T. Gez. 2007-08, 355.

• E. Vandendriessche, «Fraud-on-the-market: een causaliteitstheorie inzake beleggersverliezen», TPR 2011, 277-347.

• Kh. Brussel 16 april 1996, Rev. prat. soc. 1996, 431

• Kh. Brussel 27 maart 1997, TRV 2000, 109, noot J. Tyteca.

• J. Tyteca, «Confederation Life – Adviesverstrekking aan de belegger» (noot onder Kh. Brussel 27 maart 1997), TRV 2000, 120.

• Kh. Brussel 10 februari 2000, TRV 2000, 100, noot J. Tyteca

• Kh. Gent 13 februari 2001, TBH 2001, 631.

• Brussel 3 oktober 2006, DAOR 2007, 227, noot S. Delaey.

• R. Steennot, M. Tison en E. Wymeersch, «Overzicht van rechtspraak (1999-2007) Privaat Bankrecht.», TPR 2008, 1250.

• D. Busch, «De bijzondere zorgplicht van de bank als beleggingsadviseur» (noot onder HR 3 februari 2012), AA 2012, 759.

• A. Couret, P. Goutay en B. Zabala, «France» in D. Busch en D.A. DeMott (eds.), Liability of Asset Managers, Oxford, Oxford University Press, 2012, § 3.116

• E. Vandendriessche, Investor Losses, Antwerpen, Intersentia, 2015, 323 en 345-346.

• Cass. fr. com. 6 mei 2014, JurisData nr. 2014-009959.

• Toulouse 4 mei 2010, JurisData nr. 2010-009688.

• Court of Appeal 12 september 2012, Rubenstein v HSBC Bank Plc, EWCA Civ 2012, 1184.

• B. Dubuisson en P. Henry, Droit de la responsabilité: morceaux choisis, Luik, Larcier, 2004, 27.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 29/10/2016 - 10:52
Laatst aangepast op: za, 29/10/2016 - 10:52

Wet Economische Expansie

Afkondiging: 
woe, 30/12/1970
Publicatie: 
vri, 01/01/1971
Gecoördineerde actuele versie van de wet: 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 28/10/2016 - 14:51
Laatst aangepast op: vr, 28/10/2016 - 14:54

Facebook en privacy een paradox vanuit juridisch perspectief

Publicatie
Auteur: 
Ennio Di Rosa
Samenvatting

“Privacy is dead, get over it!”. Deze uitspraak van MARK ZUCKERBERG, oprichter en huidig CEO van  Facebook, was tevens de slogan van de ‘Big Brother-Awards’ 2013, waarin prijzen worden  uitgereikt aan de grootste privacy-schenders en zo het privacy-probleem op een ludieke wijze weet aan te kaarten. In realiteit lijkt er echter minder reden tot lachen.

Sociale netwerksites schieten als paddenstoelen uit de grond en zijn de dag van vandaag niet meer weg te denken. Facebook in het bijzonder lijkt wijd en zijd in de smaak te vallen. Dat  getuigen de bijna ongeloofwaardige ledencijfers waaruit blijkt dat de sociale netwerksite begin  2013 maar liefst 1.2 miljard gebruikers telde.2 Het voelt haast ‘not done’ om ervoor te kiezen  geen Facebook-profiel aan te maken.

Maar zoals in de meeste gevallen snijdt ook dit mes aan twee kanten.

We kunnen terecht stellen dat de sociale netwerksite Facebook doorheen de jaren zijn gebruikers steeds meer noopte persoonlijke informatie publiek toegankelijk te maken. Van tijd tot tijd kwam de aanbieder van het sociale netwerk op de proppen met nieuwe privacy-opties en –regels. In december 2012 voerden ze bijvoorbeeld veranderingen door die een aantal functies,naar hun zeggen, toegankelijker maken, zoals het ‘privacy-menu’ dat vanaf nu op elke pagina terug te vinden is.

Leden krijgen hiermee de mogelijkheid te bepalen wie welke inhoud van hun profiel kan zien, wie contact met hen kan opnemen, etc. “But when Facebook giveth, Facebook taketh away.”

Wanneer de sociale netwerksite een nieuwe regeling of optie invoert, schaft ze jammer genoeg meestal ook iets af. In dit geval verdwenen een aantal belangrijke opties, waaronder de (privacybeschermende) mogelijkheid voor gebruikers om niet teruggevonden te worden via de zoekfunctie.

Voor de integrale tekst van deze bijdrage klik hier 

zie ook:

http://ec.europa.eu/information_society/activities/social_networ king/index_en.htm 

www.comscore.com/Press_Events/Press_Releases/2007/10/UK_ Social_Networking/(language)/eng-US

• Algemeen persbericht De Standaard van 13 juni 2010, met verwijzing naar statistisch onderzoek door Eurostat en de International Telecommunication Union.

• E. DE PAUW, «Sociale controle in onlinegemeenschappen: een taak voor de overheid of volstaat zelfregulering?», Orde van de dag 2010, afl. 49, (5), 7.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: wo, 26/10/2016 - 12:59
Laatst aangepast op: wo, 26/10/2016 - 12:59

Koninklijk besluit betreffende de publicatie [van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid] van de Raad van State

Alternatieve naam: 
Anonimisering van uitspraken Raad van State enkel op verzoek van een partij voor de raad van state gesteld
Afkondiging: 
maa, 07/07/1997
Publicatie: 
vri, 08/08/1997

Bij de publicatie van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest kan de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. Dit verzoek kan in het verzoekschrift of in voorkomend geval tot aan de sluiting van de debatten, worden ingediend.]1
I
n het bepalend gedeelte (van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest) wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van deze depersonalisatie. Deze is van toepassing op elke vorm van publicatie (van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest) op initiatief van de Raad van State of van elke andere derde gemachtigd of aangewezen door de Raad van State om voor de in artikel 1 bedoelde publicatie in te staan. 

Gecoördineerde actuele versie van de wet: