-A +A

De aanvang van procestermijnen in geval van opeenvolgende kennisgevingen en betekeningen

Publicatie
Auteur: 
Toremans
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
979
Samenvatting

Noot onder Hof van Cassatie 21 februari 2014

I. Opeenvolgende kennisgevingen
II. Opeenvolgende betekeningen

weergave van het besproken arrest:

AR nr. D.13.0016.F

M.S. t/ Orde van Dierenartsen

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de gemengde raad van beroep met het Frans als voertaal van de Orde van Dierenartsen van 2 maart 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Betreffende het door de verweerster tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is te laat ingesteld

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 15/02/2015 - 13:20
Laatst aangepast op: zo, 15/02/2015 - 13:20

Het complexe systeem van verstek, ontvankelijk of niet-ontvankelijk verzet, ongedaan verzet en de opeenvolging van verzet en hoger beroep. Voorstellen tot vereenvoudiging

Publicatie
Auteur: 
Vandenbruwaene P
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
963
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Recht op verstek en nadien verzet
II. Ongedaan verzet
III. Verzet en hoger beroep
IV. Positie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
V. Voorstellen tot vereenvoudiging
A. Probleemstelling
B. Inperking van het verzet (Frans model)
C. Afschaffing van het verzet naar Nederlands model
D. Afschaffing van het verzet naar Duits model
VI. Besluit
Bronverwijzingen (ondermeer)
• Art. 404 N.Sv. Zie: www.wetboek-online.nl.
• J. D’Haenens, Belgisch strafprocesrecht, Gent, Story-Scientia, 1985, nrs. 593-681;
A. Vandeplas, «Het verzet in strafzaken» in Strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco, 1986, 36-56;
• Ph. Traest en J. Meese, «Hoger beroep en verzet in strafzaken: een stand van zaken en toekomstperspectieven» in Strafrecht en strafprocesrecht 2005-06, Mechelen, Kluwer, 2006, 467-506;
• K. Van hoogenbemt, «Art. 187 Sv.» in Wet en Duiding;
• Strafprocesrecht, Brussel, Larcier, 2010, 1189-1210;
• M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 993-1012;
• R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 1253-1273;
• D. De Wolf, Handboek correctioneel procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 157-178;
• M.A. Beernaert, H.D. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure, 2014, 1353-1379;
• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 1407-1448;
• F. Deruyck, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Brugge, die Keure, 2014, 236-241;
• C. Van den Wyngaert, B. De Smet en S. Vandromme, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 1327-1338;
• L. Arnou, «Het laten van verstek en het aantekenen van verzet in strafzaken. Een hoogmis van het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging» in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 1-18;
• B. De Smet, Verstek en verzet in strafzaken, Brussel, Larcier, 2014, 86 p.
• Cass. 9 mei 2001, Arr.Cass. 2001, nr. 265;
• Cass. 3 september 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 411;
• Cass. 8 november 2006, Arr.Cass. 2006, nr. 544;
• Cass. 16 maart 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 187;
• Cass. 5 december 2012, Pas. 2012, nr. 669;
• Antwerpen 4 november 1998, RW 1999-2000, 952, noot G. Stessens;
• Antwerpen 14 oktober 2009, RW 2010-11, 64, noot B. De Smet.
• Cass. 21 oktober 1997, Arr.Cass. 1997, 1013;
• Cass. 16 maart 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 187;
• Antwerpen 4 november 1998, RW 1999-2000, 952, noot G. Stessens.
• R. Declercq, «Enkele aspecten van de devolutieve werking van het verzet in strafzaken» in Liber amicorum Frédéric Dumon, Antwerpen, Kluwer, 1983, 383.
• Cass. 22 december 1989, Pas. 1990, I, 135;
• Cass. 8 juli 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 312. Zie: R. Verstraeten, o.c., 1261;
• Cass. 26 februari 2014, Arr.Cass. 2014, 548, Pas. 2014, nr. 156, conclusie advocaat-generaal D. Vandermeersch
• Cass. 22 februari 1994, Arr.Cass. 1994, nr. 88;
• Cass. 9 mei 1995, Arr.Cass. 1995, nr. 227, JT 1995, 766;
• Cass. 26 maart 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 201;
• GwH 6 november 2014, nr. 163/2014, www.const-court.be, rechtsoverweging B.2;
• GwH 6 november 2014, nr. 163/2014, www.const-court.be, rechtsoverweging B.5.4.
• Cass. 27 april 2011, Arr.Cass. 2011, nr. 280.
• Cass. 7 juni 1994, Arr.Cass. 1994, nr. 291;
• Cass. 29 april 2009, RW 2010-11, 1053, noot B. De Smet.
• T. Toremans, «De nietigheid van de betekening aan de procureur des Konings wegens kennis van de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde», RW 2013-14, 163-169;
• C. Van Deuren, «Schitteren door afwezigheid. Over de mogelijkheid van de afwezige beklaagde om zich te laten vertegenwoordigen door zijn raadsman» in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 445-460.
• EHRM 16 december 1992, Hennings t/Duitsland, A-251, www.echr.coe.int.
• EHRM 24 mei 2007, Da Luz Domingues Ferreira t/ België, JLMB 2009, 4, noot P. Thevissen;
• EHRM 29 juni 2010, Hakimi t/ België, NC 2010, 277;
• EHRM 1 maart 2011, Faniel t/ België, Vigiles 2013, 44, noot B. De Smet, T.Strafr. 2011, 193, noot C. Van Deuren, JLMB 2011, 798, noot P. Thevissen;
• Cass. 23 februari 2011, RW 2012-13, 216, noot B. De Smet.
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576, RW 2005-06, 142, noot A. Vandeplas.
• B. De Smet, «Ongedaan verzet» in Comm.Straf. 2008, 1-12;
• Cass. 6 juni 1995, RW 1995-96, 568, noot S. Van Overbeke;
• Cass. 18 oktober 1998, Arr.Cass. 1988-89, nr. 96;
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576.
• Cass. 25 maart 1987, Arr.Cass. 1986-87, nr. 455;
• Cass. 29 november 2000, Arr.Cass. 2000, nr. 653;
• Antwerpen 19 november 1996, Limb.Rechtsl. 1997, 86, noot L. Delbrouck.
• Cass. 11 april 1979, Arr.Cass. 1978-79, 974;
• Cass. 7 april 1987, Arr.Cass. 1986-87, nr. 475;
• Cass. 29 november 2000, Arr.Cass. 2000, nr. 653;
• Cass. 5 april 2006, Arr.Cass. 2006, nr. 202;
• Cass. 6 januari 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 10.
• N. Keijzer, Contempt of Court, Arnhem, Gouda Quint, 2000, 1-35.
•Bv. Cass. 4 mei 1994, Arr.Cass. 1994, 449.
• EHRM 21 januari 1999, Van Geyseghem t/ België, RDP 1999, 780, noot M.A. Beernaert;
• EHRM 20 maart 2001, Stroek t/ België,www.echr.coe.int.
• Cass. 4 juni 2013, Arr.Cass. 2013, nr. 337.
• C.J. Vanhoudt, Strafvordering, Gent, Story-Scientia, 1974, II, 277;
• E. Van Dooren, C. Verschueren en C. Van Deuren, «Overwegingen en suggesties nopens een modernisering van het hoger beroep in strafzaken», NC 2013, 428-430, F. Deruyck, o.c., 246.
• Cass. 19 juni 1991, Arr.Cass. 1990-91, nr. 540;
• Bergen 29 mei 1986, RDP 1987, 568.
• Cass. 6 juni 1995, RW 1995-96, 568, noot S. Van Overbeke;
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576.
• K. Van hoogenbemt, «Art. 188 Sv.» in Wet en Duiding. Strafprocesrecht, Brussel, Larcier, 2010, 300;
• Cass. 11 juni 2008, RW 2009-10, 406, noot B. De Smet;
• Gent 30 juni 1999, P&B 2001, 25.
• Cass. 27 september 1978, Pas. 1979, I, 131;
• Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576.
• Cass. 25 juni 1974, Pas. 1974, I, 1113.
• K. Van hoogenbemt, «Art. 188 Sv.» in Wet en Duiding. Strafprocesrecht, 300;
• Cass. 26 maart 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 205;
• Gent 30 juni 1999, P&B 2001, 25.
• A. Vandeplas, o.c.,Strafrecht voor rechtspratici, 51;

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 14/02/2015 - 15:58
Laatst aangepast op: za, 14/02/2015 - 15:58

Prima facie-geldigheid van octrooien

Publicatie
Auteur: 
Van Besien B
Tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/18
Pagina: 
1275
Samenvatting

Het belang van een werkelijke beoordeling van de ogenschijnlijke geldigheid van ocrooien in de nieuwe benadering van het Hof van Cassatie.

Bespreking en toelichting van de arresten van 26/06 en 12/09/2014

Inhoudstafel tekst: 

• Cassatie 26/06/2014 (juridat)

Samenvatting 

Uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 584, eerste lid, en 1039, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en 51 Octrooiwet volgt dat, niettegenstaande het bepaalde in dit laatste artikel, de kortgedingrechter niet kan beslissen dat de door hem genomen maatregelen nopens betwiste octrooirechten uitwerking zullen hebben totdat de beslissing van de bodemrechter tot vernietiging van het octrooi in kracht van gewijsde is getreden; dit sluit niet uit dat de kortgedingrechter bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, niettegenstaande de vernietigingsbeslissing, bewarende maatregelen treft indien de octrooihouder voldoende aannemelijk maakt dat zijn rechtsmiddel tegen deze beslissing succesvol zal zijn en dergelijke maatregelen geboden zijn gelet op de omstandigheden van de zaak zoals de duur van de procedure en de omvang van de mogelijke schade (1). (1) Zie concl. OM.

Tekst arrest

Nr. C.13.0336.N
1. SANDOZ nv, met zetel te 2870 Puurs, Lichterveld 7,
2. ACCORD HEALTHCARE bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 4891 TL Rijsbergen (Nederland), De Waterman 15, bus A,
eiseressen,

tegen
1. ASTRAZENECA nv, met zetel te 1180 Ukkel, Egide Van Ophemstraat 110,
2. ASTRAZENECA AB, vennootschap naar Zweeds recht, met zetel te 151 85 Södertälje (Zweden), Västra Mälerhemnen 9,
verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een mid-del aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweersters werpen een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel vertoont geen belang daar het opkomt tegen een overtollige reden.

2. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is niet te scheiden van het onderzoek van het middel.
De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Middel

3. Krachtens artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.
Artikel 1039, eerste lid, van hetzelfde wetboek, bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf.

4. Uit deze bepalingen volgt dat de beslissing van de kortgedingrechter op-houdt uitwerking te hebben vanaf een andersluidende beslissing van de bodem-rechter, ook al is deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad en werd tegen deze beslissing een rechtsmiddel aangewend.

5. Krachtens artikel 51, Octrooiwet wordt een beslissing waarbij een octrooi geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, slechts ingeschreven in het Register wanneer zij in kracht van gewijsde is gegaan en heeft de voorziening in cassatie tegen de beslissing tot nietigverklaring schorsende werking.

6. Uit het geheel van de voormelde bepalingen volgt dat, niettegenstaande het bepaalde in artikel 51 Octrooiwet, de kortgedingrechter niet kan beslissen dat de door hem genomen maatregelen nopens betwiste octrooirechten uitwerking zullen hebben totdat de beslissing van de bodemrechter tot vernietiging van het octrooi in kracht van gewijsde is getreden. Dit sluit niet uit dat de kortgedingrechter bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, niettegen-staande de vernietigingsbeslissing, bewarende maatregelen treft indien de octrooi-houder voldoende aannemelijk maakt dat zijn rechtsmiddel tegen deze beslissing succesvol zal zijn en dergelijke maatregelen geboden zijn gelet op de omstandig-heid van de zaak zoals de duur van de procedure en de omvang van de mogelijke schade.

7. De eiseressen vorderden dat de duur van een eventueel tegen hen uitgespro-ken inbreukverbod op het octrooi van de verweersters slechts van kracht zou blij-ven tot een uitspraak ten gronde van een Belgische rechtbank.

De appelrechters verwerpen dit verweer met de reden dat "bij het verzoek van [de eiseressen] (...) immers geen rekening (wordt) gehouden met het niet bij voorraad uitvoerbare karakter van een eventuele beslissing tot vernietiging van het octrooi in eerste aanleg, en de schorsende werking van een eventuele voorziening in cassatie tegen een dergelijke beslissing in hoger beroep".

8. De appelrechters die aldus aan de voorlopige maatregelen uitwerking geven tot na het tijdstip waarop het octrooi bij een beslissing van de bodemrechter wordt vernietigd, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseressen die ertoe strekte te horen zeggen dat het inbreukverbod hoogstens van kracht blijft tot een uitspraak ten gronde van een Belgische rechtbank tussenkomt, als ongegrond afwijst.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de verweersters tot de kosten.

 

C.13.0336.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De betwisting kadert in de beslissing van de appelrechters om de uitwerking van de voorlopige maatregelen i.v.m. een Europees octrooi (om redenen verbonden met de specificiteit van de nietigverklaring ervan(1)) niet te beperken tot op het moment dat een bodemrechter een beslissing ten gronde neemt.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. De maatregelen die de kortgedingrechter neemt zijn gebaseerd op een prima facie-beoordeling: de beschikkingen in kort geding mogen dan ook geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf (cf. art. 1039 Ger.W.), wat echter niet belet dat die rechter de rechten van de partijen mag onderzoeken, in zoverre de maatregelen die hij beveelt die partijen niet op een definitieve en onherroepelijke wijze schaden(2).

2. Uit de artikelen 584 en 1039 Ger.W. volgt volgens uw Hof(3) dat zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, de beslissing in kort geding van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben, dit ongeacht wat de kortgedingrechter heeft beslist omtrent de looptijd van de door hem bevolen maatregel. Het arrest van uw Hof d.d. 8 maart 2012(4) voegde daaraan toe dat de beslissing van de kortgedingrechter aldus uitwerking heeft tot op het ogenblik van de andersluidende beslissing van de bodemrechter en zonder dat aan deze laatste beslissing in kort geding terugwerkende kracht wordt verleend.

3. Het uitgangspunt is dat de beschikking in kort geding gewezen in toepassing van art. 584 Ger.W., krachtens art. 24 van dit wetboek (zoals elke eindbeslissing) gezag van gewijsde heeft vanaf de uitspraak(5), gezag dat, krachtens art. 26 Ger.W., blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt. Deze beschikking brengt, krachtens het art. 1039, eerste lid, Ger.W., geen nadeel toe aan de zaak zelf(6).

4. Reeds in zijn arrest van 7 mei 1941(7) stelde uw Hof dat de beslissing van de bodemrechters het vonnis dat de voorlopige maatregel bevat, laat bestaan, en dus niet met terugwerkende kracht ongedaan maakt, zodat de beslissing van de bodemrechter dus enkel werkt "ex nune"(8): er is geen retroactieve werking van de beslissing van de bodemrechter(9).

5. Binnen de context van de beoordeling van de taken van de rechter in kort geding na een vernietiging van een octrooi door de bodemrechter, werd in dat kader onlangs nog door uw Hof geoordeeld(10) dat de rechter in kort geding die geadieerd wordt om zich over een voorlopige maatregel houdende verbod van octrooi - inbreuk uit te spreken, redelijkerwijze rekening mag houden met de bescherming geboden door een octrooi bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten die de maatregel verantwoorden, zelfs als werd dat octrooi door de bodemrechter vernietigd bij beslissing in eerste aanleg, zolang er niet op definitieve wijze beslist werd over het hoger beroep tegen het vonnis dat de vernietiging van het octrooi uitspreekt.

6. Eén en ander bevestigt m.i. de zienswijze ter zake dat de rechter in kort geding wel nog rekening mag houden met de bescherming geboden op basis van een octrooi, ook al werd het vernietigd, en dit zolang de vernietiging niet definitief en onherroepelijk is (gelet op de zwaarwichtige gevolgen van de vernietiging van een octrooi, het precaire karakter ervan gelet op het hoger beroep, en ook gelet op het feit dat een voorziening in cassatie i.g.v. vernietiging van een octrooi, per uitzondering, wel schorsende werking heeft(11).

7. Voormeld arrest ligt m.i. eveneens in de lijn van uw arrest van 5 januari 2012(12) m.b.t. art. 106 van het Europees Octrooiverdrag en de gevolgen daarvan op de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, zolang geen eindbeslissing in de oppositieprocedure is tussengekomen.
Een kortgedingrechter kan zich dus op de prima facie-geldigheid van een dergelijk octrooi beroepen om, niettegenstaande de vernietigingsbeslissing, toch verbodsmaatregelen op te leggen. Gelet op de schorsende werking van het hoger beroep tegen een beslissing, houdende nietigverklaring van een octrooi, en door de niet-uitvoerbaarheid bij voorraad van een dergelijke beslissing, is het gezag van gewijsde van de vernietigingsbeslissing slechts voorwaardelijk.

8. Door het handhaven van de regel dat de voorlopige maatregelen hun uitwerking verliezen van zodra een beslissing ten gronde tussenkomst, wordt m.i. dus niet geraakt aan de rechten die de octrooihouder ontleent aan het vermoeden van geldigheid van het octrooi totdat het uit het register wordt geschrapt. Dit vermoeden is de ratio legis van het verbod van voorlopige tenuitvoerlegging van de beslissingen tot vernietiging van het octrooi en het schorsend karakter van de cassatievoorziening. Er is dus ook geen schending van deze regels.

9. Op basis van voormelde benadering komt het mij dan ook voor dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat het enig middel derhalve gegrond is.
(...)
III. CONCLUSIE: VERNIETIGING.
______________________
(1) Zie F. Lejeune, L'annulation d'un brevet et l'exécution provisoire, simple question d'opportunité ou véritable interdiction?, JT 2013, 409 e.v.
(2) Cass. 9 september 1982, AR nr. 6644, AC 1982-83, nr. 28.
(3) Cass. 28 januari 2011, AR C.09.0360.N, AC 2011, nr. 84.
(4) Cass. 8 maart 2012, AR C.11.0124.N, AC 2012, nr. 158.
(5) J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers, P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, nr. 278.
(6) Zie de concl. van adv.-gen. Dubrulle m.b.t. Cass. 8 maart 2012, AC 2012, nr. 158, (583), 584.
(7) Cass. 7 mei 1941, Pas. 1941, I, 278.
(8) J. Brijs, L'intervention du juge des référés dans l'exécution - L'exécution du juge des référés, in Le référé judiciaire, 2003, 356, nr. 40.
(9) S. Beernaert, Status questionis van het civiele kort geding, in P. Van Orshoven, (éd.), Themis Gerechtelijk Privaatrecht, Brugge, Die Keure, 2001, nr. 35.
(10) Cass. 24 juni 2013, AR C.12.0450.F, met concl. van adv.-gen. Genicot.
(11) K. Wagner, RABG 2013/20, noot onder Cass. 24 juni 2013, 1430 c.v.
(12) Cass. 5 januari 2012, AR C.11.0101.N, AC 2012, nr. 10.
(13) Zie Cass. 28 januari 2011, AR C.09.0360.N, AC 2011, nr. 84.
 


• Cassatie 12/09/2014 (juridat)

samenvatting

Artikel 1369bis/1, §3, eerste lid, 1), Gerechtelijk Wetboek verplicht de voorzitter om de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi, dat ten grondslag ligt van het beschrijvend beslag, te beoordelen, rekening houdend met alle door de partijen ingeroepen feiten en omstandigheden die verband houden met de geldigheid van dit octrooi

tekst arrest

Nr. C.13.0232.N

SYRAL BELGIUM nv, met zetel te 9300 Aalst, Burchtstraat 10,
eiseres,

tegen

ROQUETTE FRERES sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 62136 Lestrem (Frankrijk), rue de la Haute Loge 1,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 februari 2013, gewezen op verwijzing na cassatie bij arrest van het Hof van 29 september 2011.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 1369bis/1, § 3, eerste lid, 1), Gerechtelijk Wetboek verplicht de voorzitter om de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi, dat ten grondslag ligt van het beschrijvend beslag, te beoordelen rekening houdend met alle door de par-tijen ingeroepen feiten en omstandigheden die verband houden met de geldigheid van dit octrooi.
Zo kan hij om de ogenschijnlijke rechten van de houder van een buitenlands oc-trooi te beoordelen, dit octrooi, samen met de overige daartoe dienstige elemen-ten, nog steeds in aanmerking nemen, ook al werd dit octrooi vernietigd bij een beslissing van een buitenlandse rechter, waartegen een rechtsmiddel met schorsende werking werd ingesteld, waaromtrent nog geen definitieve uitspraak werd gedaan.

In geval van ernstige betwisting van het kwestieuze octrooi kan hij de ogenschijnlijke geldigheid van de titel evenwel niet aannemen door louter te verwijzen naar de schorsende werking van het rechtsmiddel dat tegen de beslissing tot vernieti-ging van het octrooi werd aangewend.

2. De appelrechter stelt vast dat:
- de eiseres aanvoert dat de rechtbank van eerste aanleg te Rijsel op 24 mei 2012 het gehele Franse octrooi, met inbegrip van conclusie 19, nietig heeft verklaard wegens gebrek aan nieuwheid en dat dit een uitgebreid gemotiveerd vonnis was;
- de verweerster erop wijst dat tegen dit vonnis een rechtsmiddel werd aange-wend dat krachtens de Franse procedureregels schorsende werking heeft.

3. Door te oordelen dat "in casu onder de voorvermelde omstandigheden de nietigverklaring (voorlopig) geen juridische uitwerking heeft en dat [de verweer-ster] zich als octrooihouder kan blijven beroepen op de exclusieve rechten die voortvloeien uit haar Franse octrooi", verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel
Gronden van niet-ontvankelijkheid

4. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk daar de beslissing wordt geschraagd door de in het eerste onderdeel vergeefs aangevochten reden.

5. Ingevolge het antwoord op het eerste onderdeel, vertoont de kritiek uitgeoe-fend op de redenen geviseerd door het derde onderdeel, waarop de beslissing eveneens rust, wel belang.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

6. De verweerster werpt een tweede grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel vermengt recht en feiten.

7. Anders dan de verweerster aanvoert, dient het Hof geen inhoudelijk onder-zoek door te voeren van de Engelse beslissingen, om te oordelen of de appelrech-ter de in het onderdeel genoemde schendingen heeft begaan.

De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Gegrondheid

8. Artikel 2, § 2, van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend te München op 5 oktober 1973 en goedgekeurd bij wet van 8 juli 1977, zoals gewijzigd bij de Akte van herziening van 29 november 2000, vastgesteld bij Beslissing van de Raad van Bestuur van 28 juni 2001 en goedgekeurd bij wet van 21 april 2007, bepaalt dat het Europees octrooi dezelfde rechtsgevolgen heeft in elk van de Verdragsluitende Staten waarvoor het wordt verleend en aan dezelfde regeling is onderworpen als een in die Staat verleend nationaal octrooi, tenzij het Verdrag anders bepaalt.

Krachtens artikel 138, § 1, van het voormeld Verdrag kan een Europees octrooi met rechtsgevolgen in een Verdragsluitende Staat slechts nietig worden verklaard in de aldaar bepaalde gevallen zodat de geldigheid van een Europees octrooi in elke Verdragsluitende Staat waarvoor het octrooi werd verleend op grond van de-zelfde criteria moet worden getoetst.

Hieruit volgt dat, hoewel de nietigverklaring van een Europees octrooi, verleend voor een bepaalde Staat, enkel uitwerking heeft op het territorium van die Staat en dienvolgens geen rechtsgevolgen sorteert in een andere Staat, deze nietigverkla-ring en de daaraan ten grondslag liggende motieven pertinent kunnen zijn bij de beoordeling van de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi in een andere staat waarvoor het werd verleend.

9. Artikel 1369bis/1, § 3, eerste lid, 1), Gerechtelijk Wetboek verplicht de voorzitter om de ogenschijnlijke geldigheid van het octrooi, dat ten grondslag ligt van het beschrijvend beslag, te beoordelen, rekening houdend met alle door de partijen ingeroepen feiten en omstandigheden die verband houden met de geldig-heid van dit octrooi.

10. Door te oordelen dat de vernietiging van een bepaald luik van een Europees octrooi enkel territoriale werking heeft en op die grond de definitieve uitspraken van de Engelse rechtbanken waarbij het Engelse luik van het Europees octrooi nietig werd verklaard, terzijde te laten bij de beoordeling van de ogenschijnlijke geldigheid van het Belgische luik van het Europees octrooi, verantwoordt de ap-pelrechter zijn beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

C.13.0232.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Het huidig geschil kadert in een beschrijvend beslag inzake namaak dat verweerster lastens eiseres legde wegens beweerde inbreuk op haar octrooien.

2. Eiseres tekende daartegen derdenverzet aan dat bij arrest van het hof van beroep te Gent van 22 december 2009 gegrond werd verklaard, maar welke beslissing door uw Hof bij arrest van 29 september 2011 (op grond van de Taalwet Gerechtszaken) werd vernietigd.

3. Op verwijzing verklaarde het hof van beroep te Antwerpen, bij arrest van 1 februari 2013, het derdenverzet tegen de toelating tot beschrijvend beslag ongegrond, na verwerping van de door eiseres aangevoerde grief dat verweerster niet over ogenschijnlijk geldige octrooirechten beschikte gelet op de vaststellingen gedaan door de Franse rechtbank, i.v.m. het ingeroepen Franse octrooi, en door de Engelse gerechten, i.v.m. het Engels luik van het ingeroepen Europees octrooi.

4. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat, op basis van vier onderdelen, het bestreden arrest verwijt, door het Franse vonnis van nietigverklaring van het Franse octrooi van verweerster evenals de uitspraken van de Engelse gerechten over het Engels luik van haar Europees octrooi buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de prima facie-geldigheid van dat octrooi alhier, de artikelen 33, §1, 36 en 37 van de Verordening 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke - en handelszaken, evenals de artikelen 2, § 2, en 138, §1, van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien en art. 1369bis/1, §3, lid 1, 1, van het Gerechtelijk Wetboek te schenden.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. Overeenkomstig artikel 1369bis/1, §3, lid 1, 1, Ger.W. onderzoekt de voorzitter, die uitspraak doet over een verzoek tot verkrijging van maatregelen tot beschrijving, of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is.

2. Binnen de context van de beoordeling van de taken van de rechter in kort geding na een vernietiging van een octrooi door de bodemrechter, werd in dat kader onlangs nog door uw Hof geoordeeld(1) dat de rechter in kort geding die geadieerd wordt om zich over een voorlopige maatregel houdende verbod van octrooi - inbreuk uit te spreken, redelijkerwijze rekening mag houden met de bescherming geboden door een octrooi bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten die de maatregel verantwoorden, zelfs als werd dat octrooi door de bodemrechter vernietigd bij beslissing in eerste aanleg, zolang er niet op definitieve wijze beslist werd over het hoger beroep tegen het vonnis dat de vernietiging van het octrooi uitspreekt.

3. Eén en ander bevestigt m.i. de zienswijze ter zake dat de rechter in kort geding wel nog rekening mag houden met de bescherming geboden op basis van een octrooi, ook al werd het vernietigd, en dit zolang de vernietiging niet definitief en onherroepelijk is (gelet op de zwaarwichtige gevolgen van de vernietiging van een octrooi, het precaire karakter ervan gelet op het hoger beroep, en ook gelet op het feit dat een voorziening in cassatie i.g.v. vernietiging van een octrooi, per uitzondering, wel schorsende werking heeft(2).

4. Voormeld arrest ligt m.i. eveneens in de lijn van uw arrest van 5 januari 2012(3) m.b.t. art. 106 van het Europees Octrooiverdrag en de gevolgen daarvan op de ogenschijnlijke rechten van de octrooihouder, zolang geen eindbeslissing in de oppositieprocedure is tussengekomen.

Een kortgedingrechter kan zich dus op de prima facie-geldigheid van een dergelijk octrooi beroepen om, niettegenstaande de vernietigingsbeslissing, toch verbodsmaatregelen op te leggen. Gelet op de schorsende werking van het hoger beroep tegen een beslissing houdende nietigverklaring van een octrooi, en door de niet-uitvoerbaarheid bij voorraad van een dergelijke beslissing, is (het gezag van gewijsde) van de vernietigingsbeslissing slechts voorwaardelijk.

5. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt bovendien dat de erkenning van een buitenlandse beslissing "ten gevolge dient te hebben dat de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in het land waar zij zijn gewezen". Derhalve moet een krachtens artikel 33 van verordening nr. 44/2001 erkende buitenlandse beslissing in de aangezochte staat in beginsel dezelfde werking hebben als zij in de staat van herkomst heeft(4).

6. Dit houdt in dat men het gezag van gewijsde van een buitenlandse beslissing erkent(5), te meer daar uit artikel 36 van verordening nr. 44/2001 blijkt dat overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen "in geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid" van de door het gerecht van de lidstaat van herkomst gegeven beslissing(6). Uit het arrest van het Hof van Justitie van 28 april 2009 in de zaak Apostolides(7) volgt tevens dat er geen reden is om bij de tenuitvoerlegging van een beslissing aan deze beslissing rechten toe te kennen die deze in het nationale recht van de betrokken lidstaten niet heeft.

7. Waar de prima facie-geldigheid van het octrooi als dusdanig traditioneel meestal wordt aanvaard niettegenstaande een nietigverklaring in eerste aanleg door een rechtbank of een administratie(8), rijst m.i. echter de vraag of dit een niet te formalistische redenering is (die voorbijgaat aan de realiteit van een Europese titel - weliswaar uiteenvallend in een bundel van nationale octrooien - waarbij (vreemde) uitspraken over, in wezen, hetzelfde octrooi, eenvoudigweg worden genegeerd) en of de rechter wel voldoet aan zijn plicht om de ogenschijnlijke geldigheid te beoordelen door louter vast te stellen dat er nog geen definitieve uitspraak hierover is gedaan.

8. In die context mag (kan) niet worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat een en ander meer en meer bekritiseerd wordt in de rechtsleer(9), en dat ook in de rechtspraak tot nu er al enkele beslissingen waren die de prima facie-geldigheid van een in eerste aanleg (in het buitenland) vernietigde titel niet voldoende achten voor het toestaan van voorlopige maatregelen(10) of om meer uitgebreid in te gaan op prima facie-geldigheid, zonder die echter af te wijzen(11).

9. De geldigheid van een octrooi dat voorlopig nietig is verklaard, is een vermoeden iuris tantum. De rechter die de prima facie-geldigheid moet beoordelen mag aldus, op grond van de feiten en argumenten aangebracht door de partijen, dit vermoeden als weerlegd beschouwen. Ingevolge artikel 1369bis/1, §3, lid 1, Ger.W. moet hij daarbij rekening houden met alle elementen die hem door partijen worden aangereikt om tot een oordeel over de ogenschijnlijke geldigheid te komen. Hieraan wordt m.i. geen afbreuk gedaan door de beslissing van uw Hof d.d. 12 april 2012(12) dat uit de tekst van artikel 1369bis/1, §3 en §5, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de vervulling van de voorwaarden vereist voor het verkrijgen, naast de beschrijving, van beslagmaatregelen, moet worden vastgesteld op het ogenblik dat de bedoelde maatregelen worden gelast en dat de rechter op derdenverzet de vervulling van die voorwaarde niet vermag af te leiden uit de elementen verkregen ingevolge de gelaste maatregelen van beschrijving en beslag.

10. Als dusdanig kon in casu de nietigheid van het Engelse luik van het Europees octrooi eveneens wel degelijk, op grond van de artikelen 2, §2, en 138, §1, van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien(13), die betrekking hebben op de rechtsgevolgen ervan in elk van de Verdragsluitende staten, een ernstig vermoeden van niet-geldigheid van het Belgisch deel van dit octrooi inhouden, zodat een rechter dit als voldoende pertinent kon beschouwen om te besluiten tot de niet prima facie-geldigheid van dit Belgische deel van het octrooi. Dat dit niet gebeurde omdat de appelrechter vasthield aan het territorialiteitsprincipe dat eigen is aan het octrooirecht (elk octrooi geldt maar in zijn staat) en ook Europese octrooien, na centrale verlening, eigenlijk te beschouwen zijn als nationale octrooien die uiteenvallen in een bundel van nationale octrooirechten, is m.i. weliswaar niet foutief, maar gaat blijkbaar wel in tegen een waar te nemen tendens in de recente rechtspraak van gespecialiseerde hoogste hoven in Europa en rechtsleer om deze grenzen, wat het Europees octrooi betreft, te doorbreken en werkelijk rekening te houden met de beslissingen over hetzelfde octrooi verleend voor een andere EOB-lidstaat(14).

11. Op basis van de hierboven toegelichte elementen ben ik dan ook van oordeel dat de appelrechter, in geval van ernstige betwisting van het octrooi en bij het terzijde laten van sterke aanwijzingen daartoe, zijn beslissing in deze niet naar recht verantwoordt, en dat het eerste en het derde onderdeel van het enig middel m.i. derhalve gegrond zijn.

12. De door verweerster m.b.t. het derde onderdeel van het middel opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid (bij gebrek aan belang en ingevolge vermenging van recht en feiten) dienen naar mijn oordeel te worden verworpen, daar, enerzijds, ingevolge het antwoord op het eerste onderdeel de m.b.t. het derde onderdeel uitgeoefende kritiek wel degelijk belang vertoont, en, anderzijds, geen onderzoek van feiten zich opdringt wat de mogelijke impact van de Engelse uitspraken betreft.

III. CONCLUSIE: nu de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, concludeer ik tot VERNIETIGING.
_________________
(1) Cass. 24 juni 2013, AR C.12.0450.F, AC 2013, nr. 392 met concl. van adv.-gen. Genicot.
(2) K. Wagner, RAGB 2013/20, noot onder Cass. 24 juni 2013, 1430 e.v.
(3) Cass. 5 januari 2012, AR C.11.0101.N, AC 2012, nr. 10.
(4) Hof van Justitie, 15 nov. 2012, zaak C - 456/11, punt 34; zie ook datzelfde Hof, 4 feb. 1988, arrest Hoffman, 145/86, Jur. 645, punt 10 en 11.
(5) R. Jafferali, le règlement Bruxelles I dans la jurisprudence des cours suprêmes (2010-2012) Allemagne, Belgique, France, Pays-Bas et Royaume-Uni, TBH 2013, (357), 391, nr. 59.
(6) Hof van Justitie, 15 nov. 2012, zaak C - 456/11, punt 37.
(7) Ibidem, punt 42; zie ook Hof van Justitie, 28 april 2009, Apostolides, C-420/07, Jurispr. I-3571, punt 66.
(8) P. de Jong, O. Vrins, C. Ronse, Evoluties in het octrooirecht. Overzicht van rechtspraak 2007-2010, TBH 2011, (393), 429-430; B. Remiche, V. Cassiers, Droit des brevets d'invention et du sauvoir-faire, Brussel, Larcier, 2010, 565-566, en rechtspraak aldaar.
(9) Zie o.m.: S. Mombaerts, Nietigheid van octrooien, Jura Fabronis, 2011-12, 644; S. Van Den Brande, De prima facie-geldigheid van octrooien als voorwaarde in kortgeding, noot onder Brussel 26 okt. 2010, RABG 2011, 39; S. Wuyts, De prima facie-geldigheid van Europese octrooien bevestigd door het Hof van Cassatie, wat nu?, noot bij Cass. 5 januari 2012, RABG 2012, 1404; J.D. Lindemans, Biosimilars en Belgische octrooiverschillen (zoals) in kortgeding: een geïnformatiseerd magistraat is meer waard, IRDI 2013, (150), 152-157.
(10) Antwerpen, 23 mei 2007, IRDI 2007, 261, met noot B. Vandermeulen, Het oppervlakkig onderzoek naar de prima facie-geldigheid van (Europese) octrooien, IRDI 2007, 277.
(11) Vz. Kh. Antwerpen, 16 november 2010, IRDI 2010, 483; K. Roose, noot onder die beslissing, kluwerpatentblog.
(12) Cass. 26 april 2012, AR C.11.0393.N, AC 2012, nr. 261; zie ook Cass. 25 november 2011, AR C.10.0559.F, AC 2011, nr. 646.
(13) Goedgekeurd bij wet van 8 juli 1977, zoals gewijzigd bij de akte van herziening van 29 november 2000, vastgesteld bij Beslissing van de Raad van Bestuur van 28 juni 2001 en goedgekeurd bij wet van 21 april 2007.
(14) Zie C. Deconinck, Over cijfers en letterlijke inbreuken, noot onder Cass. 3 februari 2012, TBH 2013, (278), 280, nr. 5 en rechtspraak alsdaar.
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 03/02/2015 - 18:28
Laatst aangepast op: di, 03/02/2015 - 18:38

Grooming en cyberlokking strafbaar

Publicatie
Auteur: 
Stevens Liesbet
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
844
Samenvatting

Deze bijdrage bespreekt de wet van 14 april 2014 tot wijziging van het Strafwetboek teneinde kinderen te beschermen tegen cyberlokkers:

"Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In boek II, titel VIII, hoofdstuk III, van het Strafwetboek, wordt een afdeling VIII ingevoegd, luidende "Lokken van minderjarigen op internet met het oog op het plegen van een misdaad of een wanbedrijf".

Art. 3. In afdeling VIII, ingevoegd bij artikel 2, wordt een artikel 433bis/1 ingevoegd, luidende :
"Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar wordt gestraft de meerderjarige die door middel van informatie- en communicatietechnologieën communiceert met een kennelijk of vermoedelijk minderjarige om het plegen van een misdaad of een wanbedrijf jegens hem te vergemakkelijken :
1° indien hij zijn identiteit, leeftijd en hoedanigheid heeft verzwegen of hierover heeft gelogen;
2° indien hij de nadruk heeft gelegd op de in acht te nemen discretie over hun gesprekken;
3° indien hij enig geschenk of voordeel heeft aangeboden of voorgespiegeld;
4° indien hij enige andere list heeft aangewend.".

Deze bijdrage bespreekt tevens een tweede wet van 14 april 2014, betreffende de bescherming van minderjarigen tegen benadering met als oogmerk het plegen van strafbare feiten van seksuele aard

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In boek II, titel VII, hoofdstuk V, van het Strafwetboek, wordt een artikel 377ter ingevoegd, luidende :
"Art. 377ter. In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk of in de hoofdstukken VI en VII van deze Titel, wordt de minimumstraf van de bij die artikelen bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd ten aanzien van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar en deze misdaad of dit wanbedrijf is voorafgegaan door een benadering van deze minderjarige vanwege de dader met het oogmerk op een later tijdstip de in dit hoofdstuk of in de hoofdstukken VI en VII van deze Titel bepaalde feiten te plegen.
In de gevallen bedoeld in artikel 377, vierde tot zesde lid, wordt de verhoging van de minimumstraf bepaald in het eerste lid beperkt in die mate dat deze, toegepast samen met de verhoging van de straffen bepaald in artikel 377bis, niet hoger komt te liggen dan de bepaalde maximumstraf.".

Art. 3. In boek II, titel VII, hoofdstuk V, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 377quater ingevoegd, luidende :
"Art. 377quater. De meerderjarige die door middel van de informatie- en communicatietechnologie aan een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar een voorstel doet tot ontmoeting met het oogmerk een misdrijf te plegen bepaald in dit hoofdstuk of in de hoofdstukken VI en VII van deze Titel, wordt, voor zover dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden, gestraft met een gevangenisstraf van één jaar tot vijf jaar.".

Art. 4. In artikel 382bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, vervangen bij de wet van 28 november 2000 en laatst gewijzigd bij de wet van 14 december 2012, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "379 tot 380ter".

Art. 5. In artikel 382quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 december 2012, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "379 tot 380ter".

Art. 6. In artikel 458bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, gewijzigd bij de wet van 30 november 2011 en bij de wet van 23 februari 2012, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "392 tot 394".

Art. 7. In artikel 10ter, eerste lid, 2°, van de wet van 18 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, vervangen bij de wet van 28 november 2000 en laatst gewijzigd bij de wet van 6 februari 2012, wordt het woord ", 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "en 409".

Art. 8. In artikel 21, derde lid, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 november 2011, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,".

Art. 9. In artikel 21bis, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995 en gewijzigd bij de wetten van 28 november 2000 en 30 november 2011, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,".

Art. 10. In artikel 91bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995 en gewijzigd bij de wetten van 28 november 2000 en 10 augustus 2005, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,"

Art. 11. In artikel 92, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 30 november 2011, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en het woord "379,".

Art. 12. In artikel 20, tweede lid, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de woorden "en 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "van het Strafwetboek".

Art. 13. In artikel 20bis, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, worden de woorden "en 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "van het Strafwetboek".

Art. 14. In artikel 9bis, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de woorden "en 377quater" ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377" en de woorden "van het Strafwetboek".

Art. 15. In artikel 25, § 2, d), eerste streepje, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, laatst gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, worden de woorden "377ter, 377quater," ingevoegd tussen het woord "377bis," en het woord "379,".

Art. 16. In artikel 26, § 2, d), eerste streepje, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, worden de woorden "377ter, 377quater," ingevoegd tussen het woord "377bis," en het woord "379,".

Art. 17. In artikel 5, § 4, 2°, b), van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, laatst gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008, wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "372 tot 377," en de woorden "392 tot 410,".

Art. 18. In artikel 15, § 1, van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis wordt het woord "377quater," ingevoegd tussen de woorden "de artikelen 372 tot 377," en de woorden "379 tot 380ter,".
 

Inhoudstafel tekst: 

Grooming en cyberlokking strafbaar. Uitbreiding van de strafrechtelijke bescherming van de seksuele integriteit van minderjarigen in cyberspace

Inleiding

I. Grooming

A. Begrip

"Grooming is het benaderen van kinderen en jongeren en het opbouwen van een vertrouwensrelatie met hen met als uiteindelijk doel het mogelijk maken van seksueel misbruik door de seksuele of andere drempels en remmingen van het kind of de jongere weg te werken of te verlagen. 26 Seksueel misbruik, en zeker langdurig seksueel misbruik, is doorgaans niet het onverwachte gevolg van een reeks toevallige factoren, maar wel het resultaat van een dergelijk weloverwogen proces van grooming door de dader"

B. Online grooming

1° Constitutieve bestanddelen

a) Materieel element
i) door een meerderjarige aan een min-zestienjarige;
ii) door middel van informatie- en communicatietechnologie;
iii) doen van een voorstel tot ontmoeting;
iv) gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting zouden kunnen leiden.

b) Moreel element

voorstellen van een ontmoeting aan een min-zestienjarige met het bijzonder motief (bijzonder opzet) om aldus een aanranding van de eerbaarheid, een verkrachting of een vorm van aanzetten tot ontucht of prostitutie of van openbare zedenschennis op of met de min-zestienjarige te kunnen plegen

2° Bijzondere straf(proces)rechtelijke aspecten

a) Strafwetboek
b) Voorafgaande Titel Sv.
c) Wetboek van Strafvordering
d) Wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten en wet betreffende de internering van personen met een geestesstoornis

C. Grooming als verzwarende omstandigheid

1° Materieel element

a) wanneer de dader een seksueel misdrijf op of met een min-zestienjarige pleegde en dit misdrijf
b) voorafgegaan werd door een benadering van deze minderjarige door de dader
c) met het oogmerk op een later tijdstip het seksuele misdrijf op of met de min-zestienjarige te plegen.

2° Moreel element: het oogmerk op een later tijdstip een seksueel misdrijf te plegen

3° Effect op de strafmaat
verdubbeling van de minimumstraf in geval van een gevangenisstraf en verhoging met twee jaar in geval van opsluiting

II. Cyberlokking

A. Begrip

B. Constitutieve bestanddelen

1° Materieel element

a) Leeftijd van het slachtoffer en de dader en de problematiek van de zogenaamde «lokpuber

b) Door middel van informatie- en communicatietechnologie communiceren

c) Modus operandi

III. Besluit

2° Moreel elemen

C. Bijzondere straf(proces)rechtelijke aspectent

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/01/2015 - 18:44
Laatst aangepast op: zo, 25/01/2015 - 18:44

Derdenverzet na machtiging tot beslag inzake namaak toegestaan op eenzijdig verzoekschrift: wat met de intussen aangetroffen sporen van namaak?

Publicatie
Auteur: 
Van Den Bergh B
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
826
Samenvatting

Noot onder Hof van Cassatie,1e Kamer – 2 mei 2013, RW 2014-2015, 826

Inhoudstafel tekst: 

Arrest van het Hof van Cassatie,1e Kamer – 2 mei 2013, RW 2014-2015, 826:

 

AR nr. C.12.0150.F

Vennootschap naar het recht van de Staat Delaware e.a. t/ P.J. en BVBA A.-U.E.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Brussel van 31 maart en 15 september 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens art. 1122, eerste lid Ger.W. en onder voorbehoud van de in dat artikel bepaalde uitzonderingen, die te dezen niet van toepassing zijn, kan eenieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet doen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt.

Inzake de positie van de derde oefent de rechter die van het derdenverzet kennisneemt, zijn volledige rechtsmacht uit over wat in de litigieuze beslissing is beslist. Binnen die grenzen mag de derde alle middelen in feite en in rechte aanvoeren en wordt hij hierbij in beginsel niet beperkt door de proceshouding die de verzoeker in het oorspronkelijke geding had aangenomen.

De rechter die van een derdenverzet kennisneemt, moet evenwel, in dezelfde omstandigheden als de eerste rechter, nagaan of de procedure op verzoekschrift regelmatig is en of de door de eerste rechter bevolen maatregelen gegrond zijn.

Uit de tekst van art. 1369bis/1, § 5 Ger.W. volgt dat het beslag inzake intellectuele rechten niet zonder voorafgaande beschrijving kan worden toegestaan.

Wanneer het beslag tezelfdertijd als de beschrijving wordt gevorderd, onderzoekt de rechter enerzijds, met toepassing van art. 1369bis/1, § 3 Ger.W., of er aanwijzingen bestaan volgens welke op het betrokken intellectueel eigendomsrecht inbreuk is gepleegd of dreigde te worden gepleegd en, anderzijds, met toepassing van art. 1369bis/1, § 5, 2) Ger.W., of de inbreuk op het betrokken intellectueel eigendomsrecht niet redelijkerwijs kan worden betwist.

De aanwijzingen van een inbreuk op het intellectueel eigendomsrecht, op grond waarvan de beschrijvende maatregel kan worden bevolen, moeten worden vastgesteld op de datum waarop de eerste rechter over het eenzijdig verzoekschrift uitspraak doet.

De aanwijzingen van een inbreuk op dat recht kunnen bijgevolg niet worden afgeleid uit de gegevens verkregen ingevolge de uitvoering zelf van de maatregel en, meer bepaald, uit het deskundigenverslag dat is opgemaakt ter uitvoering van de beschikking waartegen derdenverzet is gedaan.

Het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De aanwijzingen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, op grond waarvan de beschrijvende maatregel kan worden bevolen, kunnen niet worden beschouwd als een deskundigenonderzoek noch als vermoeden worden afgeleid uit de gegevens verkregen ingevolge de uitvoering zelf van die maatregel.

Het onderdeel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

...

Rechtspraak:

• Cass. 26 november 2009, Pas. 2009, I, 2781).

• Cass. 8 maart 2010, IRDI 2010, 139;

• Beslagr. Brussel 13 mei 2005, IRDI 2005, 432;

• Beslagr. Brussel 16 juni 2004, IRDI 2004, 188;

• GwH 9 augustus 2012, 105/2012, nr. 5247, JLMB 2013, 1611, Soc.Kron. 2013, 500)

• Gent 14 november 2011, Computerr. 2012, 300

• Brussel 8 februari 2011, IRDI 2012, 225

• Cass. 4 februari 2011, RW 2011-12, 866, noot J. Van Doninck

• Brussel 22 februari 2011), IRDI 2011, p. 132, nr. 3;

• Beslagr. Leuven 9 juli 2002, IRDI 2004, 153.

• Cass. 26 april 2012, Pas. 2012, I, 929;

• Cass. 25 november 2011, Pas. 2011, I, 2607, IRDI 2012, 217, P&B 2012, 216

Rechtsleer:

• H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, p. 786-787, nr. 1141

• J.-D. Lindemans, “Het verzoek om te worden gehoord van de partij die het voorwerp dreigt te worden van een beslag inzake namaak: voorkomen is steeds beter dan genezen”, Ing.Cons. 2010, (496) 512).

• F. De Visscher en P. Bruwier, La saisie-description et sa réforme, Brussel, Larcier, 2011, p. 131, nr. 182;

• A. Cruquenaire en J. Henrotte, “La preuve d’une atteinte aux droits de propriété intellectuelle doit-elle être rapportée dans le respect des droits fondamentaux et de la vie privée?” (noot onder GwH 9 augustus 2012), JLMB 2013, (1617), p. 1618, nr. 3).

• B. Van den Bergh, “Over beslag inzake namaak, derdenverzet buiten termijn en de gewijzigde procedureregels” (noot onder Beslagr. Gent 31 mei 2011), P&B 2012, 64).

Parlementair debat:

• Parl.St. Kamer 2006-07, nr. 51 2943/001 en 51 2944/001, 57).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 19/01/2015 - 20:03
Laatst aangepast op: ma, 19/01/2015 - 20:03

Het grondrecht op sociale zekerheid en sociale bijstand: dammen tegen de afbouw van de sociale welvaartsstaat?

Publicatie
Auteur: 
Goossens L
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
803
Samenvatting

Over de harde kern van deze grondrechten en de proportionaliteitstoets bij een vermindering van het sociale beschermingsniveau

In hoeverre kunnen besparingsmaatregelen indruisen tegen de Grondwet (art. 23) en mensenrechtenverdragen?
Is er inzake sociale grondrechten een minimum aan rechtsbescherming?

Hoe staat het met het grondrecht op sociale zekerheid en sociale bijstand.?
Deze bijdrage onderzoekt deze rechtsvragen aan de hand van een rechtspraakanalyse van recente (quasi-)jurisdictionele beslissingen.
 

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding
II. Het standstillbeginsel als waarborgmechanisme van sociale grondrechten
A. Algemeen
De door de Grondwet en de verdragen gewaarborgde sociale grondrechten zijn, in beginsel, niet individueel afdwingbaar voor de nationale rechter.
Volgens het Grondwettelijk Hof houdt het standstillbeginsel in dat geen aanzienlijke afbreuk mag worden gedaan aan een bestaand beschermingsniveau, tenzij daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.
Juridische grondslag van het standstillbeginsel onder meer: art. 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht
B. Sociale zekerheid en sociale bijstand in België
III. Waarborgmechanismen van sociale grondrechten: rechtspraakanalyse
A. Analyse van de rechtspraak van de hoogste Belgische rechtscolleges
B. Analyse van rechtspraak van internationale en supranationale rechtscolleges en beslissingen van quasi-jurisdictionele toezichtmechanismen bij verdragen
1° Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten (hierna: «CESCR») bij het ECOSOC-Verdrag
2° Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) bij het (H)ESH
3° Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij het EVRM
4° Hof van Justitie van de Europese Unie bij het HGEU

IV. Gevolgtrekkingen uit de rechtspraakanalyse
V. Besluit

Bronverwijzingen:

• J. Van Langendonck, J. Put, D. Simoens, G. Van Limberghen en A. Van Regenmortel, Handboek socialezekerheidsrecht, achtste editie, Antwerpen, Intersentia, 2011, 6-7.
• J. King, «Social Rights and Welfare Reform in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)002)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)002-e, 2.
• F. Vanneste, «Rechtswaarborgen in een herijkte welvaartsstaat» in W. Vellinga, F. Van Volsem, W. Konijnenbelt, F. Vanneste, J. Baeck en T. Hartlief (eds.), Vereniging voor de Vergelijkende Studie van het Recht van België en Nederland: Preadviezen 2012, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2012, (13) 13-15.
• W. Blocken, K. Deweerdt, I. Van Der Straete en V. Verdeyen, «Welzijnsrecht in het kielzog van de sociale zekerheid?» in D. Pieters, J. Put, P. Schoukens, D. Simoens en Y. Stevens (eds.), Sociale zekerheid in vraagvorm. Liber amicorum Jef Van Langendonck, Antwerpen, Intersentia, 2005, (41) 51-53.
• B. Saul, D. Kinley en J. Mawbray, The International Covenant on Economic Social and Cultural Rights. Commentary, Cases, and Materials, Oxford, Oxford University Press, 2014, 143-152.
• G. Maes, De afdwingbaarheid van sociale grondrechten, Antwerpen, Intersentia, 2003, 110; G. Maes, «Het standstillbeginsel in verdragsbepalingen en in art. 23 G.W.: progressieve (sociale) grondrechtenbescherming», RW 2005-06, (1081) 1081.
• GwH 17 januari 2013, nr. 2/2013, Arr.GwH 2013, 11, rechtsoverweging B.5;
• A. Vandeburie, L’article 23 de la Constitution: coquille vide ou boïte aux trésors?, Brussel, La Charte, 2008, 89;
• Bossuyt, «Artikel 23 van de Grondwet in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, Antwerpen, Intersentia & Anthemis, 2010, (59) 64 en 67.
• GwH 17 april 2008, nr. 64/2008, Arr.GwH 2008, 891.
• G. Maes, «Juridische afdwingbaarheid van grondrechten op minimumvoorzieningen», TSR 2005, (609) 617;
• I.E. Koch, Human Rights as Indivisible Rights: The Protection of Socio-economic Demands under the European Convention on Human Rights, Leiden, Martinus Nijhoff Publishers, 2009, 5-9.
• G. Maes, «Afdwingbaarheid van sociale grondrechten» in G. Cox en M. Rigaux (eds.), De grondrechtelijke onderbouw van het collectief arbeidsrecht, Mechelen, Kluwer, 2005, (35) 38-41;
• I. Hachez, Le principe de standstill dans le droit des droits fondamentaux: une irréversibilité relative, Brussel, Bruylant, 2008, 48.
• M. Stroobant, «Sociale en economische grondrechten in de Belgische Grondwet. Wordingsgeschiedenis van artikel 23: het Akkoord van Le Ry d’Ave Rochefort» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, (19) 44;
• Verschueren, «De wijziging van artikel 23 van de grondwet en de defederalisering van de gezinsbijslagen» in J. Velaers, J. Vanpraet, Y. Peeters en W. Vandenbruwaene (eds.), De zesde staatshervorming: instellingen, bevoegdheden en middelen, Antwerpen, Intersentia, 2014, (419) 421.
• G. Maes, «Twintig jaar sociale grondrechten in de Grondwet. Overzicht van de doctrine» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, (139) 147.
• H. Vanderlinden, «Effectiviteit van de sociale grondrechten in het Belgische recht, mythe of realiteit?», RW 2008-09, (1202) 1209-1213;
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• GwH 20 juni 2007, nr. 87/2007, NjW 2007, 894, noot S. Lust;
• GwH 31 juli 2008, nr. 114/2008, JLMB 2008, 1306;
• GwH 1 september 2008, nr. 121/2008, Arr.GwH 2008, 1975;
• GwH 3 februari 2011, nr. 19/2011, Arr.GwH 2011, 393;
• GwH 27 juli 2011, nr. 135/2011, Arr.GwH 2011, 2259;
• GwH 19 december 2013, nr. 177/2013, www.const-court.be;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie;
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be;
• GwH 20 juni 2007, nr. 87/2007, NjW 2007, 894, noot S. Lust;
• RvS 9 januari 2007, nr. 166.439, T.Gem. 2007, 142, noot J. Uytdenhouwen;
• RvS 18 januari 2008, nr. 178.667, CDPK 2008, 230;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie;
• RvS 27 mei 2010, nr. 204.336, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 6 december 2011, nr. 216.702, www.raadvst-consetat.be.
• 20 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, BS 25 december 1993;
• Leckie en A. Gallagher, Economic, Social, and Cultural Rights: A Legal Resource Guide, Pennsylvania, University of Pennsylvania Press, 2006 (e-book 2011), xix;
• A. Nolan, «Budget Analysis and Economic and Social Rights» in E. Riedel, G. Giacca en C. Golay (eds.), Economic, Social and Cultural Rights in International Law. Contemporary Issues and Challenges, Oxford, Oxford University Press, 2014, 375-376.
• S. Bouckaert, Documentloze vreemdelingen. Grondrechtenbescherming doorheen de Belgische en internationale rechtspraak vanaf 1985, Antwerpen-Appeldoorn, Maklu, 2007, 367.
• RvS 6 september 1989, nr. 32.989, J.dr.jeun. 1989, 29, noot M. Lucas;
• Cass. 20 december 1990, AR nr. 8840, Arr.Cass. 1990-91, 445;
• Arbitragehof 7 mei 1992, nr. 33/92, AA 1992, 373;
• G. Maes, De afdwingbaarheid van sociale grondrechten, 115;
• GwH 16 september 2010, nr. 99/2010, www.const-court.be;
• GwH 3 februari 2011, nr. 19/2011, Arr.GwH 2011, 393.
• GwH 29 juli 2010, nr. 94/2010, Arr.GwH 2010, 1343;
• GwH 18 november 2010, nr. 131/2010, TVW 2011, 60;
• GwH 25 november 2010, nr. 133/2010, TMR 2011, 113;
• GwH 16 december 2010, nr. 139/2010, Arr.GwH 2010, 2165;
• GwH 19 december 2013, nr. 177/2013, www.constcourt.be.
• GwH 27 juli 2011, nr. 135/2011, Arr.GwH 2011, 2259;
• GwH 30 juni 2014, nr. 95/2014, www.const-court.be.
• GwH 6 mei 2010, nr. 52/2010, Arr.GwH 2010, 699.
• J. Theunis, «De toetsing aan grondrechten door het Grondwettelijk Hof – Overzicht van rechtspraak 2010», TBP 2012, (3) 34-35.
• B. Steen, «Artikel 23 van de Grondwet en de rechtspraak van de Raad van State» in W. Rauws en M. Stroobant (eds.), Sociale en economische grondrechten. Artikel 23 Gw.: een stand van zaken na twee decennia, (113) 125-126).
• RvS 9 januari 2007, nr. 166.439, T.Gem. 2007, 142, noot J. Uytdenhouwen;
• RvS 18 januari 2008, nr. 178.667, CDPK 2008, 230;
• RvS 26 maart 2009, nr. 191.922, www.raadvst-consetat.be.
• G. Maes, De afdwingbaarheid van sociale grondrechten, 131 en 469;
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• RvS 29 april 1999, nr. 80.018, AJT 1999-00, 424;
• RvS 19 december 2003, nr. 126.669, www.raadvst-consetat.be;
• Wyckaert, «Het «standstill»-effect in de milieurechtspraak van de Raad van State», AJT 1999-2000, (413) 418;
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• Arbitragehof 14 juli 2004, nr. 130/2004, NjW 2004, 983, noot V. Staelens;
• Arbitragehof 15 september 2004, nr. 150/2004, AA 2004, 1691;
• GwH 20 juni 2007, nr. 87/2007, NjW 2007, 894, noot S. Lust;
• GwH 31 juli 2008, nr. 114/2008, JLMB 2008, 1306;
• GwH 1 september 2008, nr. 121/2008, Arr.GwH 2008, 1975.
• RvS 9 januari 2007, nr. 166.439, T.Gem. 2007, 142, noot J. Uytdenhouwen;
• RvS 18 januari 2008, nr. 178.667, CDPK 2008, 230;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie;
• RvS 27 mei 2010, nr. 204.336, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be;
• RvS 6 december 2011, nr. 216.702, www.raadvst-consetat.be.
• G. Maes, «Sociale grondrechten in de Belgische Grondwet» in B. Peeters en J. Velaers (eds.), De Grondwet in groothoekperspectief. Liber amicorum discipulorumque Karel Rimanque, Antwerpen, Intersentia, 2007, (161) 201.
• Arbitragehof 7 mei 1992, nr. 33/92, AA 1992, 373.
• Arbitragehof 7 mei 1992, nr. 33/92, AA 1992, 373.
• Centrale Raad van Beroep (NL) 22 april 1997, J.B. 1997, 158.
• J. Velaers en J. Vanpraet, «De materiële en territoriale bevoegdheidsverdeling inzake sociale zekerheid en sociale bijstand (I)», TBP 2008, (323) 327.
• J. Velaers en J. Vanpraet, «De materiële en territoriale bevoegdheidsverdeling inzake sociale zekerheid en sociale bijstand (II)», TBP 2009, (195) 195-196.
• W. Pas, «De dubbele gelaagdheid van het Belgisch federalisme: quo vadis?» in P. Popelier, D. Sinardet, J. Velaers en B. Cantillon (eds.), België, quo vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?, Antwerpen, Intersentia, 2012, (111) 141;
• J. Velaers, «De gezinsbijslagen in het «Institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming»» in W. van Eeckhoutte, D. Dumont en R. Carton (eds.), De communautarisering van de gezinsbijslagregeling – La communautarisation des allocations familiales, Brugge/Brussel, die Keure/la Charte, 2013, (29) 34.
• B. Cantillon, «Quo vadis sociale zekerheid?» in P. Popelier, D. Sinardet, J. Velaers en B. Cantillon (eds.), België, quo vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?, (345) 355-356.
• Arbitragehof 27 november 2002, nr. 169/2002, RW 2003-04, 93;
• GwH 19 december 2013, nr. 177/2013, www.const-court.be.
• ECSR 19 maart 2013, nr. 82/2012, European Committee for Home-Based Priority Action for the Child and the Family (EUROCEF) t/ Frankrijk, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp? language=en;
• G. Van Der Schyff, «Cutting the Core of Conflicting Rights: The Question of Inalienable Cores in Comparative Perspective» in E. Brems (ed.), Conflicts Between Fundamental Rights, Antwerpen, Intersentia, 2008, (131) 132-135;
• A.J. Nieuwenhuis, «De kernrechtbenadering bij de grondrechten», Tijdschrift voor Constitutioneel Recht 2012, (138) 142-144;
• I. Leijten, «Meergelaagdheid en ondeelbare mensenrechten: de sociaaleconomische bescherming van het EHRM en de mogelijke waarde van kernrechten», TBP 2013, (95) 104.
• W. Vandenhole, «Conflicting Economic and Social Rights: The Proportionality Plus Test» in E. Brems (ed.), Conflicts Between Fundamental Rights, (559) 567;
• GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, www.const-court.be, rechtsoverweging B.68.3.
• GwH 30 juni 2014, nr. 95/2014, www.const-court.be, rechtsoverwegingen B.38-B.44.
• RvS 23 september 2011, nr. 215.309, www.raadvst-consetat.be.
• GwH 17 januari 2013, nr. 2/2013, Arr.GwH 2013, 11, rechtsoverweging B.5;
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie.
• RvS 17 november 2008, nr. 187.998, JLMB 2009, 70, noot A. Vandeburie.
• GwH 27 juli 2011, nr. 135/2011, Arr.GwH 2011, 2259.
• GwH 17 januari 2013, nr. 2/2013, Arr.GwH 2013, 11.
• M. Bossuyt, «Rechterlijk activisme in Straatsburg», RW 2013-14, (723) 723-733.
• K.G. Young, Constituting Economic and Social Rights, Oxford, Oxford University Press, 2012, 66-99.
• CESCR 1 januari 1991, VN doc. E/1991/23(SUPP), General Comment No. 3: The Nature of States Parties’ Obligations (art. 2, para. 1) (annex III), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 86.
• J. King, «Social Rights and Welfare Reform in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)002)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)002-e, 6-7.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 16.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 12.
• L. Scruggs, C. Zimmermann en C. Jeffords, «Implementation of the Human Right to Social Security around the World: A Preliminary Analysis of National Social Protections Laws» in L. Minkler (ed.), The State of Economic and Social Human Rights: A Global Overview, New York, Cambridge University Press, 2013, (117) 126.
• CESCR 10 mei 2007, VN doc. E/C.12/2007/1, An Evaluation of the Obligation to Take Steps to the «Maximum of Available Resources» under an Optional Protocol to the Covenant: Statement, www.un.org/en/documents/ods/, 2;
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 17.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 12.
• CESCR 4 februari 2008, VN doc. E/C.12/GC/19, General Comment No. 19: The Right to Social Security (art. 9), www.ohchr.org/EN/HRBodies/CESCR, 13. Zie ook: B. Saul, D. Kinley en J. Mawbray, o.c., 148-151.
• Facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 10 december 2008, https://treaties.un.org.
Https://treaties.un.org/Pages/ViewDetails.aspx?src= TREATY&mtdsg_no=IV-3-a&chapter=4&lang=en (consultatie 15 november 2014).
• Decr.Vl. 4 maart 2011 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt in New York op 10 december 2008, BS 11 april 2011;
• Decr.D. 23 mei 2011 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt in New York op 10 december 2008, BS 27 september 2011;
• Decr.Fr. 7 november 2013 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 28 januari 2014;
• Decr.W. 28 november 2013 houdende instemming, wat betreft de materies waarvan de uitoefening door de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest is overgedragen, met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 12 december 2013;
• Decr.W. 28 november 2013 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 11 december 2013;
• Decr.Fr.Gem.Comm. 28 november 2013 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 10 december 2008, BS 11 juni 2014;
• Ord.Br. 30 januari 2014 houdende instemming met het facultatief protocol bij het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt in New York op 10 december 2008, BS 6 maart 2014.
• «Constitutional Entrenchment of Social Rights in Europe: Their Definition (CDL-LA(2014)010)», Venice Commission. Report of 22 September 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)010-e, 7 en 10.
http://diplomatie.belgium.be/nl/Beleid/beleidsthemas/mensenrechten/speci....
• Charter of Social Rights of the Council of Europe, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2007, 23-26.
• Europees sociaal handvest van 18 oktober 1961, BS 28 december 1990;
• L.J. Quesada, «The European Social Charter: the Committee and the Protection of Social Rights in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)003)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)003-e, 3-8.
• ECSR 3 december 2008, nr. 43/2007, Sindicato dos Magistrados do Ministério Publico (SMMP) t/ Portugal, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 77/2012, Panhellenic Federation of Public Service Pensioners (POPS) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 78/2012, Pensioners’ Union of the Athens-Piraeus Electric Railways (I.S.A.P.) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 79/2012, Panhellenic Federation of Pensioners of the Public Electricity Corporation (POS-DEI) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 80/2012, Pensioners’ Union of the Agricultural Bank of Greece (ATE) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 77/2012, Panhellenic Federation of Public Service Pensioners (POPS) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 78/2012, Pensioners’ Union of the Athens-Piraeus Electric Railways (I.S.A.P.) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 79/2012, Panhellenic Federation of pensioners of the Public Electricity Corporation (POS-DEI) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en;
• ECSR 7 december 2012, nr. 80/2012, Pensioners’ Union of the Agricultural Bank of Greece (ATE) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
http://epp.eurostat.ec.europa.eu/statistics_explained/index.php/People_a... (consultatie 15 november 2014);
http://statbel.fgov.be/nl/binaries/CP_SILC2011_nl_tcm325-201870.pdf (consultatie 15 november 2014), 3;
over het begrip «mediaan beschikbaar inkomen op individueel niveau», zie http://www.armoedebestrijding.be/cijfers_aantal_armen.htm#4 (consultatie 15 november 2014).
• Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, BS 19 augustus 1955.
• EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73, Airey t/ Ierland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 26;
• F. Tulkens, «The European Convention on Human Rights and the Economic Crisis: the Issue of Poverty (EUI Working Paper AEL 2013/8)», EUI Working Papers AEL 2013, http://cadmus.eui.eu/bitstream/handle/1814/28099/AEL_2013_08.pdf?sequence=1, 4.
• Aanvullend protocol bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 20 maart 1952, BS 19 augustus 1955.
• EHRM 16 september 1996, nr. 17371/90, Gaygusuz t/ Oostenrijk, http://hudoc.echr.coe.int;
• EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00, Kjartan Asmundsson t/ IJsland, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 4 juni 2002, nr. 34462/97, Wessels-Bergervoet t/ Nederland, http://hudoc.echr.coe.int;
• EHRM 30 september 2003, nr. 40892/98, Koua Poirrez t/ Frankrijk, http://hudoc.echr.coe.int.
• Ovey, F. Jacobs en R. White, The European Convention on Human Rights, Oxford, Oxford University Press, 2010, 483.
• C. Ovey, F. Jacobs en R. White, The European Convention on Human rights, Oxford, Oxford University Press, 2010, 483-484;
• S. Bouckaert, «Het statuut van niet-EU-onderdanen in het Belgisch sociaal recht: enkele recente ontwikkelingen in regelgeving en rechtspraak» in M.-C. Foblets en D. Vanheule (eds.), Vreemdelingenrecht. Themis nr. 68, Brugge, die Keure, 2012, (1) 5-7.
• EHRM 6 juli 2005 (ontv.), nrs. 65731/01 en 65900/01, Stec et al. t/ Verenigd Koninkrijk, http://hudoc.echr.coe.int.
• V. Berger, «La perspective internationale: le rôle de la Cour européenne des droits de l’homme (CDL-LA(2014)005)», Commission de Venise. Rapport du 22 Juillet 2014 de la conférence des 5-6 Mai 2014 sur la protection des droits economiques et sociaux en temps de crise economique: quel rôle pour les juges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)005-f, 7-9.
• F. Kessler en S.G. Nagel, Social Security Law, Council of Europe, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2010, 40.
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nr. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• EHRM 4 januari 2005 (ontv.), nr. 14462/03, Pentiacova et al. t/ Moldavië, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 70.
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nr. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int.
• M.B. Lopes, «The Role of the Constitutional Court of Portugal in the Present Economic Crisis Situation (CDL-JU(2014)012)», Venice Commission. Report of 8 July 2014 made of the mini-conference of 26-27 June 2014 on the role of constitutional courts in economic crises, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/?pdf=CDL-JU(2014)012-e, 1-12.
• EHRM 8 januari 2013 (ontv.), nr. 1700/08, Bakradze et al. t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, 75.
• EHRM 20 mei 2009 (verzoek), nr. 6705/09, Gegia t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int.
• EHRM 8 oktober 2010 (verzoek), nr. 14862/07, Mauriello t/ Italië, http://hudoc.echr.coe.int.
• Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007, Pb.C. 30 maart 2010, afl. 83, 389.
• HvJ 24 april 2012, C-571/10, Servet Kamberaj t/ Istituto per l’Edilizia sociale della Provincia autonoma di Bolzano (IPES) et al., www.curia.europa.eu, rechtsoverweging 92;
• HvJ 27 februari 2014, C-79/13, Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers t/ Selver Saciri et al., www.curia.europa.eu, rechtsoverwegingen 35, 39, 40, 42 en 46;
• J. Tooze, «Social Security and Social Assistance» in T.K. Hervey en J. Kenner (eds.), Economic and Social Rights under the EU Charter of Fundamental Rights: A Legal Perspective, Oxford, Hart, 2006, (161) 161-192.
• HvJ 9 oktober 2001, C-377/98, Nederland t/ Parlement en Raad, Jur. 2001, I, 7079.
• Zie ook: HvJ 27 februari 2014, C-79/13, Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers/Selver Saciri et al., www.curia.europa.eu, rechtsoverwegingen 35, 39, 40, 42 en 46.
• Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992, Pb.C. 30 maart 2010, afl. 83, 13, err. Pb.C. 6 juli 2010, afl. 181, 2.
• HvJ 26 juni 2014, C-264/12, Sindicato Nacional dos Profissionais de Seguros e Afins t/ Fidelidade Mundial – Companhia de Seguros S.A., www.curia.europa.eu.
• HvJ 7 maart 2013, C-128/12, Sindicato dos Bancários do Norte et al. t/ BPN – Banco Português de Negócios SA, www.curia.europa.eu.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• L.J. Quesada, «The European Social Charter: the Committee and the Protection of Social Rights in Times of Economic Crisis (CDLLA(2014)003)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)003-e, 4.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en.
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nr. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int.
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 74;
• Verdrag 102 betreffende de minimumnormen der sociale zekerheid van 28 juni 1952, BS 12 december 1959.
• ECSR 2003, European Social Charter Conclusions XVI-2 (Slovak Republic), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Slo..., 85;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Finland), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Fin..., 15;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Czech Republic), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Cze..., 17;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Belgium), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Bel..., 18;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Malta), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Mal..., 16;
• ECSR 2004, European Social Charter Conclusions XVII-1 (Netherlands), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Net..., 19;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Lithuania), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Lit..., 36;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Romania), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Rom..., 35;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Portugal), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Por..., 33;
• ECSR 2013, European Social Charter (revised) Conclusions 2013 (Estonia), http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Conclusions/State/Est..., 28-29;
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 46.
• EHRM 12 november 2008, nr. 34503/97, Demir & Baykara t/ Turkije, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 65-86.
• A. Müller, The Relationship between Economic, Social and Cultural Rights and International Humanitarian Law: An Analysis of Health Related Issues in Non-international Armed Conflicts (Nottingham Studies on Human Rights volume 2), Leiden, Brill Academic Publishers, 2013, 86.
• EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00, Kjartan Asmundsson t/ IJsland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 39 en 45;
• ECSR 23 mei 2012, nr. 66/2011, General Federation of Employees of the National Electric Power Corporation (GENOP-DEI) and Confederation of Greek Civil Servants’ Trade Unions (ADEDY) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 68;
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 71, 77 en 79;
• ECSR 7 december 2012, nr. 76/2012, Federation of Employed Pensioners of Greece (IKA-ETAM) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 74 en 82;
• ECSR 7 december 2012, nr. 77/2012, Panhellenic Federation of Public Service Pensioners (POPS) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• ECSR 7 december 2012, nr. 78/2012, Pensioners’ Union of the Athens-Piraeus Electric Railways (I.S.A.P.) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• ECSR 7 december 2012, nr. 79/2012, Panhellenic Federation of Pensioners of the Public Electricity Corporation (POS-DEI) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• ECSR 7 december 2012, nr. 80/2012, Pensioners’ Union of the Agricultural Bank of Greece (ATE) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverwegingen 70 en 78;
• EHRM 8 januari 2013 (ontv.), nr. 1700/08, Bakradze et al. t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 20;
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 44 en 47;
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nrs. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 24.
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 77;
• EHRM 8 januari 2013 (ontv.), nr. 1700/08, Bakradze et al./Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 20.
• EHRM 23 april 2002 (ontv.), nr. 56869/00, Larioshina t/ Rusland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 3;
• EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00, Kjartan Asmundsson t/ IJsland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 45;
• ECSR 3 december 2008, nr. 43/2007, Sindicato dos Magistrados do Ministério Publico (SMMP) t/ Portugal, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 44;
• RvS 27 mei 2010, nr. 204.336, www.raadvstconsetat. be, rechtsoverweging 8;
• ECSR 23 mei 2012, nr. 66/2011, General Federation of Employees of the National Electric Power Corporation (GENOP-DEI) and Confederation of Greek Civil Servants’ Trade Unions (ADEDY) t/ Griekenland, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 20;
• EHRM 19 juni 2012, nr. 17767/08, Khoniakina t/ Georgië, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverweging 79;
• ECSR 19 maart 2013, nr. 82/2012, European Committee for Home-Based Priority Action for the Child and the Family (EUROCEF) t/ Frankrijk, http://hudoc.esc.coe.int/esc2008/query.asp?language=en, rechtsoverweging 28;
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 31 en 39;
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nrs. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int, rechtsoverwegingen 22-24;
• W. Vandenhole, o.c., in E. Brems (ed.), Conflicts Between Fundamental Rights, 587.
• EHRM 7 mei 2013 (ontv.), nrs. 57665/12 en 57657/12, Koufaki & ADEDY t/ Griekenland, http://hudoc.echr.coe.int;
• EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nrs. 62235/12 en 57725/12, Da Conceição Mateus & Santos Januário t/ Portugal, http://hudoc.echr.coe.int.
• M.M. Nicolatos, «Austerity Measures and Economic Crisis. The Case of Cyprus. A Judge’s Approach (CDL-LA(2014)011)», Venice Commission. Report of 23 September 2014 made at the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)011-e, 7-9;
• J. King, «Social Rights and Welfare Reform in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)002)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)002-e, 5;
• L.J. Quesada, «The European Social Charter: the Committee and the Protection of Social Rights in Times of Economic Crisis (CDL-LA(2014)003)», Venice Commission. Report of 22 July 2014 made of the conference of 5-6 May 2014 on protecting economic and social rights in times of economic crisis: what role for the judges?, http://www.venice.coe.int/webforms/documents/default.aspx?pdffile=CDL-LA(2014)003-e, 4.
• L. Gannage, «Ã€ propos de l’«absolutisme» des droits fondamentaux» in H. Gaudemet-Tallon et al. (eds.), Vers de nouveaux équilibres entre ordres juridiques: liber amicorum Hélène Gaudemet-Tallon, Parijs, Dalloz, 2008, (265) 265-284;
• J.-F. Flauss, «Actualité de la Convention européenne des droits de l’homme (septembre 2008 – février 2009)», Actualité juridique droit administratif 2009, (872) 872-885.
• M. Bossuyt, «De uitbreiding van de rechtsmacht van het Europees Hof van de Rechten van de Mens tot socialezekerheidsregelgeving: een rechterlijke revolutie?», RW 2007-08, (842) 851 en 855;
• M. Bossuyt, «Should the Strasbourg Court Exercise More Self-Restraint? On the Extension of the Jurisdiction of the European Court of Human Rights to Social Security Regulations», Human Rights Law Journal 2007, (321) 330;
• F. Tulkens, «The European Convention on Human Rights and the Economic Crisis: the Issue of Poverty (EUI Working Paper AEL 2013/8)», EUI Working Papers AEL 2013, http://cadmus.eui.eu/bitstream/handle/1814/28099/AEL_2013_08.pdf?sequence=1, 4.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 18/01/2015 - 17:17
Laatst aangepast op: zo, 18/01/2015 - 17:17

De Raad van State en religieuze symbolen in het Gemeenschapsonderwijs

Publicatie
Auteur: 
Cuypers D
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
802
Samenvatting

De auteur geeft duiding aan de arresten van 14/10/2014 van de Raad van State (arresten nrs. 228.748 en 228.750 tot 228.756) waarbij dit rechtscollege telkens uitspraak deed over de geldigheid van schoolreglementen mbt het dragen van religieuze tekens op school.

Art. 9§2 EVRM en het schoolgreglement in het gemeenschapsonderwijs.

Het schoolreglement mag beperkingen opleggen wanneer deze zijn ingegeven om segragatie van de leerlingen tegen te gaan of de vrije keuze van meisjes tot het dragen van kledij te vrijwaren. Maar beperkingen kunnen enkel opgelegd worden wanneer niet alleen het doel van de beperking legitiem is, maar er bovendien een effectieve bedreiging bestaat van de waarden die scholen met de beperking van de vrijheden willen nastreven. Een religieus symbool is volgens de raad van state niet provocatief. De neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs bestaat niet uit het afschermen van de kinderen van de wereld rondom ons, laat staan van het multicultureel aspect van de wereld. Pluralisme kan volgens de raad van state een vorm van neutraliteit zijn. Er bestaat geen recht om kinderen te vrijwaren van contact met andere culuren, denkbeelden, overtuigingen, religies en hun symbolen.

Anderzijds is een verbod tot het dragen van religieuze symbolen geen beperking van de godsdienstvrijheid.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 16/01/2015 - 22:37
Laatst aangepast op: vr, 16/01/2015 - 22:44

De beoordeling van het rechterlijk overgangsrecht: wanneer de wetgever zelf richtlijnen geeft

Publicatie
Auteur: 
Verstraelen S
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
763
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding
II. Ambtshalve optreden
A. Elke rechterlijke beslissing heeft een temporele werking
B. Modulering is inherent aan de rechtsprekende functie
C. Problematische uitsluiting
III. Aantasting legaliteitsbeginsel
IV. Uitzonderlijke redenen
A. Belangenafweging
B. Rekening houden met de belangen van derden
1° Case in point en andere hangende gedingen
2° Geen ambtshalve optreden
V. Procedureel kader
A. Motiveringsverplichting
B. Debat op tegenspraak
VI. Conclusie

Noten en bronverwijzingen
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 11/01/2015 - 18:03
Laatst aangepast op: zo, 11/01/2015 - 18:03

De gerechtelijke hervorming en de implicaties ervan op de arbeidsgerechten

Publicatie
Auteur: 
Patrick BRICOUT
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
723
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

 De gerechtelijke hervorming en de implicaties ervan op de arbeidsgerechten

Patrick BRICOUT
Rede uitgesproken door de eerste advocaat-generaal op de plechtige opneingszitting van het Arbeidshof te Gent op 2 september 2014
Deze mercuriale handelt over de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, hierna aangeduid als de «Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013»1, en meer bepaald over de implicaties ervan op de arbeidsgerechten. Het advies dat de Hoge Raad voor de Justitie uitbracht op 30 september 2009 met betrekking tot de hertekening van de rechterlijke organisatie, werd als leidraad genomen bij deze bespreking.
I. Inleiding 1
Op zondag 1 december 2013 ondertekende het staatshoofd de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet. Voordien en nadien kwamen in het raam van het functioneren van Justitie onder meer nog de volgende wetten tot stand:
1. De wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel (BS 22 augustus 2012, (eerste editie), p. 49.293).
2. De wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank, waarin niet alleen het Gerechtelijk Wetboek maar ook het Burgerlijk Wetboek, de Jeugdbeschermingswet van 8 april 1965 en zelfs het Strafwetboek worden gewijzigd (BS 27 september 2013, (tweede editie), p. 68.429).
3. De wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Hoofdstuk 9 daarvan, met als opschrift «Wijzigingen van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde» heeft betrekking op het personeelskader (BS 31 januari 2014, (eerste editie), p. 8718).
4. De wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie (BS 4 maart 2014, (tweede editie), p. 18.199).
5. De wet van 21 maart 2014 houdende wijziging van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde bevat enkele «verduidelijkingen» in het licht van het naderen van de datum van 1 april 2014 (BS 24 mei 2014, (tweede editie), p. 23.194).
6. De wet van 26 maart 2014 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van de bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies (BS 22 mei 2014, p. 40.635).
7. De wet van 10 april 2014 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het invoeren van een nieuwe geldelijke loopbaan voor het gerechtspersoneel en van een mandatensysteem voor de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen wijzigt volgens www.juridat.be onder meer art. 158 en 164 van de wet van 1 december 2013 (BS 10 juni 2014, p. 43.824).
8. De wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (BS 14 mei 2014, (tweede editie), p. 39.045).
9. De wet van 8 mei 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie (BS 14 mei 2014, (tweede editie), p. 39.086).
10. De wet van 15 juli 2013 tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht (BS 25 juli 2013, p. 46.890).
Voorafgaandelijk aan het eigenlijke parlementaire werk dat leidde tot de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013 had de Hoge Raad voor de Justitie zich reeds gebogen over de voorontwerpen waarop hij de hand had weten te leggen. Ter herinnering: de Hoge Raad voor de Justitie is samengesteld uit intern verkozen magistraten en door de Senaat aangeduide niet-magistraten, onder wie advocaten en hoogleraren. Vanuit zijn grondwettelijke missie de werking van Justitie te optimaliseren, en dit ten dienste van de burger, bracht deze Hoge Raad een ambtshalve advies uit, want de Hoge Raad wenste zich ten volle in te zetten voor een performanter functionerende Justitie. Tussen 2007 en 2009 hadden vertegenwoordigers van de korpschefs van alle geledingen van de rechterlijke orde, met de Hoge Raad voor de Justitie als facilitator, nagedacht over de hertekening van de rechterlijke organisatie. In een advies van 30 september 2009 2 formuleerde de Hoge Raad enkele aanbevelingen – ik vermeld ze niet allemaal – voor een succesvolle hervorming: 1. decentralisatie van een aantal bevoegdheden van de FOD Justitie; 2. schaalvergroting door samenvoeging van arrondissementen of rechtbanken; 3. verhogen van de mobiliteit met het oog op een grotere efficiëntie; 4. een degelijk overlegmodel tussen de verschillende actoren bij de hervorming.
II. Politieke motieven
De politieke motieven werden als doelstellingen en methodes opgenomen in de samenvatting van het wetsontwerp dat op 4 juni 2013 werd neergelegd in de Kamer 3 : «Dit wetsontwerp heeft als doel de rechterlijke organisatie te hertekenen. Rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken worden voortaan ingedeeld in twaalf arrondissementen. De vredegerechten blijven georganiseerd in de kantons. Arbeidsrechtbank en rechtbank koophandel worden georganiseerd per ressort van het hof van beroep. De zetel van de rechtbank is gelegen in de provinciehoofdstad en de andere bestaande locaties worden een afdeling, maar er wordt een garantie ingebouwd om de territoriale bevoegdheden te kunnen blijven uitoefenen. Afdelingsvoorzitters staan de voorzitter bij in het beheer van die afdelingen. De afdelingen en hun bevoegdheden worden vastgelegd door de Koning bij in ministerraad overlegd besluit op voorstel van de voorzitter en na advies van andere actoren. (...) Dit ontwerp van wet heeft ook tot doel de regels inzake mobiliteit te versterken in het kader van de hervorming van het gerechtelijk landschap, via gelijktijdige benoemingen in de rechtscolleges van dezelfde soort in de arrondissementen of rechtsgebieden van het hof van beroep of in de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbank of het auditoraat van het rechtsgebied en via de opdrachten».
Volgens de memorie van toelichting bij dit wetsontwerp 4 waren voor de inwerkingtreding van deze wet in grote lijnen de territoriale structuur, de indeling in rechtbanken en de beheerstechnieken binnen Justitie nog altijd dezelfde als toen ze gecreëerd werden bij de annexatie van onze gewesten bij de Franse republiek in 1795. De evoluties in de gerechtelijke wereld na Napoleons laatste inval in onze gewesten en zijn nederlaag op het slagveld in het Waals-Brabantse Waterloo in 1815 zorgden de facto voor de vorming van 27 rechtsgebieden, een structuur die volgens de memorie van toelichting 5 de jongste decennia steeds meer in vraag werd gesteld. De burgers stellen terecht hoge eisen aan de rechterlijke macht en verwachten dat zij meedraait in een steeds complexer wordende samenleving. Ik citeer: «De burgers in ons land wensen niet anders dan dat de magistratuur perfect zou functioneren, dat het imago van Justitie en het geloof in het recht onwankelbaar zouden zijn. Daarom is een hervorming noodzakelijk. Die hervorming heeft volgende doelstellingen»:
1) Beter bestuur en grotere efficiëntie
De taken en middelen van zetel en openbaar ministerie zijn versnipperd over te veel rechtbanken en te veel rechtsgebieden. Middelen en personeelsbestand worden centraal aangestuurd vanuit Brussel en vergen vaak wettelijke bepalingen of koninklijke besluiten, wat bijzonder omslachtige procedures oplevert. De organisatorische structuur en het dagelijks materieel beheer in de afzonderlijke rechtsgebieden zijn daarom vaak problematisch.
2) Het wegwerken van de achterstand en het sneller rechtspreken
Lange termijnen bij procedures en processen, en de onzekerheid daarover, zorgen voor onvrede bij de rechtzoekenden en het publiek en voor economische schade. Ze doen velen aarzelen of afzien van rechtsprocedures en verstoren dus het algemeen rechtsgevoel. Ze vloeien voort uit te zware procedures, het misbruik ervan om de normale rechtsgang te belemmeren en het gebrek aan organisatorisch management van rechtszaken. Grotere efficiëntie en kortere procedures zullen ertoe leiden dat de burger een betere toegang zal hebben tot het rechtssysteem.
3) Kwaliteitsvolle rechtspraak, betere dienstverlening en een voldoende nabijheid tot de burger
De burger heeft recht op een kwaliteitsvolle rechtspraak. Deskundigheid in deelgebieden van het recht is steeds meer een noodzaak voor een goede, efficiënte behandeling van zaken. Deskundigheid vereist een voldoende aanbod van zaken om ervaring te kunnen opbouwen en te onderhouden en een voldoende groot kader om specialisatie te kunnen doorvoeren.
Om deze doelstellingen te kunnen bereiken werd geopteerd voor bepaalde methodes. Zo werd er niet gekozen voor uniformiteit onder de gerechtelijke arrondissementen.
Het actuele Waals-Brabant en Leuven blijven relatief kleine arrondissementen ten opzichte van Oost-Vlaanderen, Antwerpen of Luik. Het politiek-staatskundige argument in de memorie van toelichting is dat deze arrondissementen niet kunnen aansluiten bij een ander arrondissement, omdat de grenzen van het rechtsgebied van het (Brusselse) Hof van Beroep grondwettelijk vastliggen. De rechtbanken van Luxemburg en Namen, met hun klein personeelskader uitbreiden, zou tot gevolg gehad hebben dat het rechtsgebied in oppervlakte zeer groot, te groot zou geworden zijn. 6
Wegens de specifieke positie van de Duitstalige Gemeenschap kreeg het bijzonder kleine arrondissement Eupen een eigen structuur. Eupen deelde voordien de arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel met Verviers. Verviers is opgenomen in het grotere arrondissement Luik. Eupen blijft een apart arrondissement. De arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel te Eupen mee opnemen in het grote kader van het ressort Luik zou onvoldoende flexibiliteit geboden hebben aan de Duitstaligen in deze rechtbanken. Daarom kwam er vanuit de Duitstalige Gemeenschap de vraag om de Duitstalige rechtbanken in een aparte eenheidsstructuur te organiseren. De rechtbanken, parket en auditoraat gescheiden houden, zou nefast zijn voor de organisatie wegens het zeer kleine kader. 7
Aangezien de arrondissementen voortaan op provinciaal niveau worden georganiseerd, is ervoor gekozen de provinciale hoofdplaats als zetel aan te wijzen, met uitzondering van Nijvel (Waals-Brabant) en van Henegouwen, waar Charleroi en Bergen als zetel zijn aangeduid (art. 4, 12o bijvoegsel Gerechtelijk Wetboek), en het parket alsnog werd «verdubbeld» (art. 150, § 4 Ger.W.). De Raad van State had in zijn advies bij dit onderdeel van het wetsontwerp dat leidde tot de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013 heel wat kritiek; ik citeer: «Tenzij alsnog een meer pertinente verantwoording zou worden gegeven, dient het ontworpen art. 150, § 4 uit het ontwerp te worden weggelaten». 8 Prof. P. Van Orshoven noteerde: «De regering hield echter hardnekkig vol» en dit onderdeel van het wetsontwerp werd inderdaad op 1 april 2014 van kracht. Voor de argumenten van beiden verwijs ik naar zijn bijdrage in de congresbundel. 9
Voor de volgende methodes werd wel gekozen.
A. Schaalvergroting
In grote lijnen was de territoriale structuur van de rechtbanken nog altijd dezelfde als bij het ontstaan van België in 1830, in de filosofie dat de hoofdplaats van overal binnen één dag te paard bereikbaar moest zijn (35 à 50 km). Er was dus ruimschoots ruimte voor een schaalvergroting. Die schaalvergroting biedt de kans om middelen en beleidsbevoegdheden over te hevelen vanuit het centrale niveau (decentralisatie) en moet mee een einde maken aan de versnippering van mensen en middelen.
Vele rechtbanken waren inderdaad beperkt in omvang. Sommige rechtbanken waren zelfs extreem beperkt. De helft van alle arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel telde minder dan vijf magistraten. Nu is dit nog steeds het geval voor Leuven en Waals-Brabant. Dat maakte deze rechtbanken kwetsbaar in hun organisatie waarbij de uitval van één of twee magistraten een enorme impact heeft op de afwerking van de rechtszaken en de dienstverlening aan de rechtzoekende. Bovendien is het onmogelijk om in kleine rechtbanken voor elke materie voldoende specialisatie te creëren, omdat zowel het (menselijk) kader als het aanbod van zaken van bepaalde materies te klein is.
Maar de «oude» zittingsplaatsen van de rechtbanken blijven bestaan als lokale afdelingen. Door alle bestaande rechtspraaklocaties te behouden laat de hervorming van het gerechtelijk landschap de nabijheid van Justitie tot de burger, zij het voorlopig, onverlet. De territoriaal verspreide zittingsplaatsen van de arrondissementele (en ressortelijke) rechtbanken worden aangeduid met de term «afdeling».
«Er is in zekere zin sprake van asymmetrie in de schaalvergroting op territoriaal vlak. Zo worden de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken per gerechtelijk arrondissement – in principe samenvallend met de provincies – ingedeeld en blijven de vredegerechten georganiseerd in de bestaande kantons (187). Dat betekent dus dat, hoewel in België het aantal vredegerechten in vergelijking met het buitenland zeer groot is, de vestigingen integraal behouden blijven. Toch wijzigt er ook iets voor de vrederechters die voortaan niet uitsluitend in hun eigen vredegerecht worden benoemd, maar subsidiair ook in enkele andere vredegerechten. Met het oog op een beter beheer krijgen de vrederechters en de politierechters per arrondissement een eigen korpschef, een ondervoorzitter en een hoofdgriffier, tevens verantwoordelijk voor het beheer. De arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel worden voortaan georganiseerd per rechtsgebied van het hof van beroep, dus verantwoordelijk voor de rechtsbedeling in een grotere gebiedsomschrijving dan die van de rechtbank van eerste aanleg. Ook hier wordt een uitzondering gemaakt voor de arrondissementen Brussel, Leuven en Waals-Brabant die elk hun rechtbanken met hun vroegere gebiedsomschrijvingen behouden.» 10
Even terzijde. Ik sluit mij niet aan bij het standpunt van de Hoge Raad voor de Justitie in zijn ambtshalve advies van 27 februari 2013 11 over deze materie. Daarin betreurt de Raad dat niet werd overgegaan tot een andere vorm van schaalvergroting. Bedoeld wordt de samenvoeging van de rechtbanken van koophandel, de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van eerste aanleg. Ik ben er mij natuurlijk wel van bewust dat het organiseren van een deel van de rechtbanken van koophandel en van de arbeidsrechtbanken op ressortelijk niveau leidt tot de «afstemming van het rechtsgebied van de meeste van die uitzonderingsgerechten (...) op het ressort van de respectieve beroepsinstanties (hoven van beroep en arbeidshoven)». Ik ben er namelijk van overtuigd dat deze vorm van integratie van de eerstelijnsrechtspraak haaks staat op efficiëntieverhogende specialisatie van de rechters en leden van het openbaar ministerie. Deze schaalvergroting biedt enkel per hypothese voordelen, omdat niet noodzakelijk met meer zaken en dus met meer magistraten een betere taakverdeling mogelijk is. Voor bepaalde gespecialiseerde opdrachten, zoals bij de rechtbanken van koophandel en de arbeidsgerechten, is m.i. de schaalgrootte van Oost- en West-Vlaanderen enerzijds en Antwerpen-Limburg anderzijds precies de meest ideale. «Big is beautiful» maar groter is niet noodzakelijk en altijd beter.
Ik citeer verder uit het reeds vernoemde advies van de Hoge Raad: «De Hoge Raad voor de Justitie is van mening dat de hervorming van de organen van het openbaar ministerie gelijklopend moet gebeuren met die van de zetel. Wat ook de omvang van de schaalvergroting zal zijn, er moet alleszins op worden toegezien dat het strafrechtelijk beleid op een coherente wijze wordt uitgevoerd en dit zowel in de zgn. mega-arrondissementen als in de kleinere arrondissementen. Zowel op het beleidsniveau als op het beheersniveau is het dan ook aangewezen te kiezen voor een participatief en gecoördineerd beslissingsmodel. Enkel een structurele bottom-up- en top-downbenadering doorheen alle geledingen van het openbaar ministerie kan een coherente werking van de hele strafrechtelijke keten garanderen. De kleinere arrondissementen dienen de mogelijkheid te behouden samenwerkingsverbanden af te sluiten. Bij hyperspecialisaties dient de behandeling te worden opgetild tot het ideale niveau, dat ressortelijk en zelfs federaal kan zijn. Het financieel beheer impliceert dat er strategische keuzes zullen moeten worden gemaakt. Er zal dus op moeten worden toegezien dat de budgettaire autonomie van de nieuwe korpschefs de wettelijke opdrachten van het openbaar ministerie niet in het gedrang brengt».
B. Mobiliteit en specialisatie
Via de creatie van grotere gerechtelijke arrondissementen en de uitbouw van de bestaande mogelijkheden van horizontale mobiliteit kunnen magistraten en gerechtspersoneel beter ingezet worden naar gelang van de werklast en de specialisatie. Op die manier kan personeel van een plaats waar er tijdelijk relatief weinig activiteit geregistreerd zou worden, tijdelijk elders worden ingezet. Bovendien maakt de schaalvergroting in bepaalde zeer technische domeinen zowel bij de zetel als bij het openbaar ministerie een verdere ontwikkeling naar gespecialiseerde competentiecentra mogelijk. Die mobiliteit kan worden uitgebouwd in functie van een beter beheer van de human resources, zonder daarom de plaatselijke dienstverlening aan het publiek aan te tasten.
De daling van het aantal gerechtelijke arrondissementen leidde op zich reeds tot een grotere mobiliteit, aangezien de magistraten voortaan over het algemeen bevoegd zijn op het territorium van gefusioneerde arrondissementen. 12
Eén van de ideeën die de basis vormden voor de hervorming van het gerechtelijk landschap, is dat het Gerechtelijk Wetboek de gerechtelijke overheden de mogelijkheid moet bieden om de behoeften van de rechterlijke orde op een soepele wijze het hoofd te bieden. De versterking van de horizontale en verticale mobiliteit maakt niet alleen de organisatie van een pool van vrederechters en rechters in de politierechtbank op het niveau van het arrondissement overbodig, maar ook de creatie van vervangingspools van magistraten die de afwezigheden in de rechtscolleges kunnen ondervangen. 13
De Hoge Raad voor de Justitie plaatste in dit verband in zijn advies van 27 februari 2013 onmiddellijk een kritische noot, meer bepaald over de «supermobiliteit», waarmee ik de mobiliteit buiten de opgeschaalde gerechtelijke arrondissementen bedoel. Ik citeer uit p. 21 14 : «De Hoge Raad voor de Justitie is altijd een voorstander geweest van een decentralisatie naar de rechterlijke beheersentiteiten en een grotere mobiliteit van het personeel, dit met het oog op een betere rechtsbedeling en een doordacht humanresourcesbeleid. Nochtans is de Hoge Raad voor de Justitie van oordeel dat de schaalvergroting daartoe in beginsel moet volstaan. Indien alsnog de behoefte bestaat om magistraten buiten hun arrondissement in te zetten, moet dit restrictief gebeuren en met respect voor de grondwettelijke beginselen van niet-overplaatsbaarheid, tenzij met toestemming van de magistraat (art. 152 Gw.), en van gelijkheid en niet-discriminatie (art. 10 en 11 Gw.). Ook dient elke mobiliteitsmaatregel voorafgaandelijk gemotiveerd te worden aan de hand van objectieve criteria en dient de beslissing te kaderen in een coherent humanresourcesbeleid. (...) De schaalvergroting moet in beginsel volstaan om tegemoet te komen aan de vereiste mobiliteit binnen elk arrondissement en ressort. De Hoge Raad voor de Justitie gaat hierbij uit van het gegeven dat de toegevoegde rechters, toegevoegde substituten en toegevoegde vrederechters die in het korps worden opgenomen waarin zij waren aangewezen, meegerekend worden in het kader van het korps. (...) Mobiliteit mag geen lapmiddel worden voor een onjuiste invulling van de wettelijke kaders in verhouding tot de werklast, voor een gebrekkig benoemingsbeleid (niet tijdig vacant verklaren van plaatsen, niet anticiperen op vaststaande pensioneringen, lange benoemingsprocedures, enz.), of voor een gebrekkig beheer door een andere korpschef (laten ontstaan van achterstand, niet in specialisaties voorzien, ...), en mag geenszins als een verdoken tuchtsanctie worden aangewend».
Uitgewerkte bedenkingen over mobiliteit (onder meer als verdoken tuchtmaatregel) lezen we in de p. 22 e.v. van dit advies van de Hoge Raad. 15
De interne mobiliteit is niet bedoeld voor de lekenrechters en de plaatsvervangers (art. 153 Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013). 16
C. Grotere autonomie van het beheer en management
Hoewel de korpschef-magistraat die aan het hoofd staat van een rechtscollege of een parket, in principe sinds 1998 zou moeten functioneren als een manager van zijn organisatie, is dat beginsel grotendeels dode letter gebleven. Inzake personeelsbeheer, infrastructuur en materieel waren de korpschefs steeds sterk afhankelijk van het centraal bestuur. Ook de financiële autonomie van de korpschefs tegenover het centraal bestuur in Brussel was uitermate beperkt, de facto tot de dagelijkse kleine kosten en kantoorbenodigdheden.
Het gevolg is een rechtbank die geen grip heeft op de middelen die nodig zijn om het resultaat te behalen waarvoor ze verantwoordelijk is. De rechtbank kan zich daardoor onvoldoende aanpassen aan de wijzigende behoeften van de samenleving. Op termijn zouden de rechtbanken moeten kunnen beschikken over meer beheersautonomie en eigen middelen via de techniek van de beheerscontracten.
«Uit internationaal vergelijkend onderzoek zou gebleken zijn dat de Belgische justitie met gelijke of meer middelen mindere resultaten neerzette dan die van haar buurlanden (Depré & Plessers, 2005). De achterliggende gedachte van de politiek was dat een te grote afhankelijkheid van de FOD Justitie passiviteit en overconsumptie van middelen in de hand werkte, terwijl zelfbeschikking zou leiden tot efficiëntie en initiatief». 17
Ook op dat vlak had de Hoge Raad voor de Justitie bedenkingen 18 «Het financieel beheer impliceert dat er strategische keuzes zullen moeten worden gemaakt. Er zal dus op moeten worden toegezien dat de budgettaire autonomie van de nieuwe korpschefs de wettelijke opdrachten van het openbaar ministerie niet in het gedrang brengt. Het lijkt daarenboven noodzakelijk aparte enveloppes ter beschikking te stellen voor die posten die dermate budgetopslorpend zijn dat ze de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het openbaar ministerie dreigen te ondermijnen (bv. gerechtskosten inzake telefonie, DNA, expertises, rogatoire opdrachten, ...). Men zal in dat kader ook niet de mogelijke tegenstrijdigheden uit het oog mogen verliezen tussen enerzijds de verplichtingen uit de beheersovereenkomst en anderzijds de middelen die moeten worden aangewend, gelet op het Wetboek van Strafvordering, waarvan de procedures losstaan van de toekenning van middelen. Het voorzien van enige reserve in de beheersovereenkomsten is dan ook gepast».
D. Administratieve vereenvoudiging en ICT
De grotere autonomie van de rechtsgebieden en het gebruik van moderne beheerstechnieken binnen het kader van heldere organisatiestructuren zouden er ook toe moeten leiden vele langdurige procedures en processen in duurtijd in te krimpen en efficiënter te maken, wat ook kostenbesparend zou moeten werken. Het op punt stellen van een adequate ICT-infrastructuur speelt daar een cruciale rol in.
«De vraag is of dat dit alles kaderde in bedenkingen die door externe experten op het vlak van het beheer van openbare diensten werden geformuleerd. Volgens hen kampte Justitie, behalve met de beheersproblemen als gevolg van een verkokerd en geografisch versnipperd landschap, ook met een algemeen managementdeficit (Depré, Plessers & Hondeghem, 2005; Depré & Hondegehem, 2011; Delvaux, 2010; Hondeghem, Van Daele, Maesschalck & Broucker, 2010). Terugkerende elementen in de diagnostiek zijn de achterstand, de duurtijd van processen, te weinig consistente rechtspraak, een weinig klantgerichte houding, een onbegrijpelijk taalgebruik, weinig informatieverstrekking en ondoorzichtige procedures, gebrekkige kwaliteit van vonnissen door lage specialisatie, niet-compatibele softwareprogramma’s, ontbreken van digitale dossiers en digitaal ondersteunde werkprocessen, geen betrouwbare statistische gegevens enz. (Depré & Hondeghem, 2011)». 19
E. Organisatiecultuur
Net als in het geval van andere federale organisaties de afgelopen decennia kunnen de schaalvergroting en de grotere autonomie bij Justitie de aanzet worden van een volwaardige organisatiecultuur waarbij het succes van de organisatie als geheel belangrijker wordt dan het imago van individuele actoren en mee op hen afstraalt. 20Wat hier juist mee bedoeld werd, zal nog moeten blijken. Literatuur verwijst bijvoorbeeld naar de ontwikkeling van een gemeenschappelijkheid, een «common glue» (bv. fundamentele waarden, visie) die de verkokering als gevolg van geografische en hiërarchische indelingen moet tegengaan (Morosini & Ghauri, 2005). Een cultuurverandering is meestal iets van lange adem, maar het kan gefaciliteerd worden (o.a. Beer, 2007; Quinn & Cameron, 2011; Hofstede, 2005). Theorieën en empirische studies over veranderingsmanagement, «change readiness» en organisatiecultuur tieren welig in de sociale wetenschappen (Rafferty, Jimmieson & Armenakis, 2012). De klassieke recepten zijn echter niet per definitie transponeerbaar op de rechterlijke orde. 21
Een eerste onderdeel in deze hervorming is de hertekening van de rechtbanken in grotere arrondissementen. De mobiliteit van de magistratuur en van het gerechtspersoneel moet het tweede onderdeel vormen. Over die schaalvergroting en de eruit voortvloeiende «natuurlijke» mogelijkheden tot doorgedreven mobiliteit en specialisatie gaat de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013. Er was inderdaad geen politieke wil voor een «eenheidsrechtbank». Het idee van de integratie van de rechtbanken van eerste aanleg, rechtbanken van koophandel en arbeidsrechtbanken in één overkoepelende structuur vond, zoals prof. P. Taelman schreef, geen genade.22
III. Topics in de rand van de schaalvergrotingshervorming
A. Verzelfstandigd beheer
De wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie begon als wetsontwerp van 14 oktober 2013. 23In de samenvatting heette het, ik citeer: «Dit ontwerp van wet betreft het derde aspect van de hervorming van de rechterlijke organisatie, de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie, naast het ontwerp van wet tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, dat de twee eerste aspecten van de hervorming betreft».
Er werd beslist dat er daarom onder meer een gemeenschappelijke steundienst voor het openbaar ministerie (art. 15) en een directiecomité voor elk hof, elke rechtbank en elk parket (art. 19) komen.
Deze wet trad reeds volledig in werking op 1 april 2014, met uitzondering van de bepalingen onder de titel «Beheersovereenkomsten en beheersplannen» en de bepalingen die het hebben over het overdragen van een «werkingsenveloppe», met de vermelding dat er nog een wet moet komen met de regels voor de financiering van de gerechtelijke entiteiten.
Het beheer van de rechterlijke orde gebeurt dus door het college voor de zetel, het college van het openbaar ministerie en de directiecomités in de lokale gerechtelijke entiteiten. Het ministerie van Justitie zal met hen beheersovereenkomsten sluiten. Daarin zullen afspraken opgenomen zijn met betrekking tot de doelstellingen en de werkingsmiddelen die daaraan gekoppeld zijn. Op hun beurt zullen de twee colleges de werkingsmiddelen over de gerechtelijke entiteiten verdelen. Die verdeling zal gebeuren op basis van beheersplannen. Zij moeten een omschrijving bevatten van de activiteiten die men zich voorneemt te ontwikkelen en de middelen die voor de werking vereist zijn. 24
Door de hervorming van de rechterlijke organisatie worden nieuwe organen gecreëerd en bestaande organen grondig gewijzigd (nieuwe rechtbanken en parketten, colleges, steundiensten, ...). Hierbij zal de rechterlijke organisatie a) in veel gevallen zelf kunnen beslissen over een aantal aanwijzingen en de mobiliteit van haar medewerkers; b) in de toekomst bevoegd zijn om haar eigen budget te onderhandelen; c) in de toekomst bevoegd zijn om haar eigen middelen te beheren met moderne managementtechnieken.
Dit alles moet bijdragen tot een duidelijker scheiding van de grondwettelijke machten en een doeltreffende en efficiënte werking van de rechterlijke organisatie. Deze uitgebreide autonomie impliceert evenwel een grotere door de juiste mensen gedragen verantwoordelijkheid en de behoefte aan adequaat toezicht. 25
In het voornoemde advies waren de uitgangspunten van de Hoge Raad op dit vlak de volgende:
a) bij het uitwerken van een beheersstructuur zal het van groot belang zijn het strategisch niveau (college) te scheiden van het operationeel niveau (directie van de rechtbank of parket) om belangenvermenging tegen te gaan;
b) om de financiële autonomie van de rechtbank of het parket gestalte te geven is het raadzaam dat de korpschef wordt bijgestaan door een directeur-beheerder, van wie de Hoge Raad de competenties bepaalt;
c) omdat decentralisatie een overdracht van bevoegdheden inhoudt, is de Hoge Raad zich bewust van de noodzaak om te beschikken over efficiënte interne controlesystemen. De directies staan in voor hun interne controle, onder het toezicht van het bestuursorgaan, maar beide moeten het voorwerp kunnen uitmaken van een door een extern orgaan uitgevoerde audit of onderzoek. De Hoge Raad is hiertoe als onafhankelijk orgaan «sui generis» geschikt;
d) de Hoge Raad wijst erop dat de eventuele wervingsproblemen die zich kunnen voordoen (tekorten op de arbeidsmarkt, behoefte aan specialisaties, ...), niet mogen leiden tot een verlaging van de kwaliteitseisen die gesteld worden voor de functie. Hij is in dit kader grote voorstander van een grondige herziening van de verhouding tussen het aantal referendarissen/parketjuristen enerzijds en het aantal magistraten anderzijds, waarbij geopteerd wordt voor een ruimere ondersteuning van het magistratenkorps. De voorziene pensioneringsgolf vormt een opportuniteit om dit te realiseren;
e) in het kader van een goed management van rechtbanken en parketten worden ook bevoegdheden inzake personeelsbeleid overgedragen. Teneinde echter de balans tussen verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de korpschefs in evenwicht te houden, dient de werking van de huidige algemene vergaderingen aangepast te worden, in die zin dat het aan de korpschef moet toekomen te beslissen over de aanwijzing tot ondervoorzitter/eerste substituut en tot bijzondere mandaten. Teneinde willekeur te vermijden, dienen voor die aanwijzing objectieve regels ingesteld te worden;
f) binnen een nieuw organogram dient de evaluatieprocedure aangepast te worden. Enerzijds zal de evaluatie van de korpschef en van de managementfunctie een toetsing moeten bevatten aan de toekomstige beheersovereenkomsten en anderzijds zullen de korpschef en zijn management een belangrijker rol moeten krijgen bij de evaluatie van alle medewerkers van de rechtbanken en parketten.
B. Brussel en Halle-Vilvoorde
Voor het arrondissement Brussel wordt de regeling van het BHV-akkoord behouden, met behoud van de rechtbanken (NL/FR) in het arrondissement Brussel. De voorzitters van de twee rechtbanken van eerste aanleg (NL/FR) behouden hun huidige bevoegdheid over de vrederechters en politierechters (samenvatting van het wetsontwerp dat leidde tot de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet, p. 3).
Het gaat hier om een opsplitsing van het parket en de ontdubbeling van de rechtscolleges in het arrondissement van Brussel. 26 Onder meer vanuit de bezorgdheid een eenvormiger en gerichter vervolgingsbeleid te realiseren, is gekozen voor een hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel, zonder het te splitsen. Gevolg is een asymmetrische opdeling van het parket en de zetel. Het parket wordt gesplitst op territoriale grondslag. De zetel wordt ontdubbeld op basis van de taal. We hebben dus te maken met een tweetalig parket van Brussel. Dat is bevoegd voor de strafrechtelijke vervolging op het grondgebied van de negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daarnaast is er een eentalig parket Halle-Vilvoorde dat bevoegd is voor de strafrechtelijke vervolging op het grondgebied Halle-Vilvoorde. Is er bij de parketten sprake van splitsing, de rechtbanken van eerste aanleg, rechtbanken van koophandel, arbeidsrechtbanken en de arrondissementsrechtbanken worden ontdubbeld in een exclusief Nederlandstalige en een exclusief Franstalige rechtbank. De ontdubbeling is niet territoriaal, maar op het niveau van de taal van de rechtspleging. 27
Zeer specifiek is dat zowel de adjunct-procureur des Konings van Brussel als de adjunct-auditeur van Brussel respectievelijk van de Raad van Procureurs des Konings en de Raad van Arbeidsauditeurs deel uitmaken (art. 3 en 4 wet van 18 februari 2014). De procureur van Eupen heeft misschien wel geen adjunct, maar zetelt in beide organen.
C. Familierechtbank
Al ruim veertig jaar maakt de bevoegdheidsverdeling inzake familierechtelijke geschillen het voorwerp uit van scherpe kritiek. 28 Het wetgevend werk om dit te verhelpen leidde tot de wet van 30 juli 2013 die in werking trad op 1 september 2014 (art. 274).
Hoewel de vrederechters een beperkte rol blijven spelen in familierechtelijke geschillen (ibid., nr. 5), worden de personele familiale betwistingen gecentraliseerd bij de sectie «jeugd- en familierechtbank» binnen de rechtbank van eerste aanleg (ibid., nr. 6). In die sectie is minstens een kamer voor minnelijke schikking opgericht, bestaande uit een alleenrechtsprekend rechter (ibid., nr. 9). Alle rechters binnen deze sectie zullen in de toekomst een gespecialiseerde opleiding gevolgd moeten hebben (ibid., nrs. 10 en 11), en kunnen in zowel de familiekamers, de jeugdkamers als de kamers voor minnelijke schikking zitting hebben (ibid., nr. 15), zonder uitgesloten te zijn van zittingen in burgerlijke of correctionele kamers (ibid., nr. 16).
Zowel de oude burgerlijke rechtbank, jeugdrechtbank, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, vrederechter, ja zelfs de arbeidsgerechten hebben bevoegdheden verloren in het voordeel van de familierechtbank. Bij de arbeidsgerechten betreft dat de betaling van de kinderbijslagen wanneer de ouders die gescheiden leven of van wie de echtscheiding hangende is, geen akkoord bereiken over de toewijzing van de kinderbijslag (ibid., nr. 28). Nieuw is ook het principe van de territoriale onveranderlijkheid van de familierechtbank. De familierechtbank waarbij reeds een vordering op basis van art. 572bis Ger.W. werd ingeleid, blijft territoriaal bevoegd voor elke latere vordering tussen partijen die gehuwd zijn of geweest zijn of wettelijk samenwonend zijn of geweest zijn, alsook voor de vorderingen betreffende de gemeenschappelijke kinderen van partijen of goederen van die kinderen of betreffende kinderen van wie de afstamming slechts ten aanzien van één van de ouders is vastgesteld, dit om een grotere coherentie te realiseren tussen de verschillende rechterlijke beslissingen die één gezin raken (ibid., nr. 51), zonder dat dit principe absoluut is, bv. wanneer er doorverwijzing van het dossier in het belang van het kind is (ibid. nr. 52). Zelf je familierechtbank kiezen is mogelijk, maar een dergelijk akkoord tussen de partijen kan slechts na het ontstaan van het geschil worden gesloten (ibid., nr. 55).
Opvallende nieuwigheden zijn onder meer het familiedossier. Alle bij de familierechtbank ingediende vorderingen worden samengevoegd in één familiedossier. Dit bevat alle opeenvolgende zaken betreffende die partijen en hun huidige of toekomstige gemeenschappelijke kinderen (ibid., nr. 72), zelfs de zaken in verband met het contactrecht tussen grootouders en kleinkinderen. Een andere nieuwigheid is de reeds vermelde kamer(s) voor minnelijke schikking (ibid., nr. 76), wat op zich de mogelijkheid om lopende de procedure vooralsnog het geschil via verzoening, bemiddeling en elke andere vorm van minnelijke oplossing te beslechten, niet in de weg staat (ibid., nr. 78), waar er geen tussenkomst is van het openbaar ministerie (ibid., nr. 79), rol van het openbaar ministerie die wel omschreven staat in art. 138bis Ger.W. en niet op zijn natuurlijke plaats: art. 764 Ger.W. Het horen van minderjarigen is nu opgenomen in art. 1004/1 Ger.W.
Niet alleen het horen van de minderjarige wordt belangrijk geacht, ook aan de persoonlijke verschijning van de partijen wordt meer belang gehecht (ibid., nr. 92). Even opvallend en misschien ook te overwegen in het kader van de arbeidsgerechten is de informatieverplichting van de griffier en de rechter in alle zaken die behoren tot de bevoegdheid van de familierechtbank met betrekking tot de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke schikking (ibid., nrs. 107 en 108).
D. Vredegerechten, politierechtbanken en rechtbanken van koophandel
De wet van 26 maart 2014 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van de bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies, trad in werking op 1 juli 2014. Deze wet werd namelijk op 22 mei 2014 gepubliceerd, wat tot gevolg had dat 1 juli 2014 de eerste dag van een maand was na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De vrederechters werden bevoegd voor alle (nieuw ingeleide) invorderingen van schulden inzake «nutsvoorzieningen», zijnde de geschillen inzake wanbetaling van een afnemer van gas, elektriciteit, warmte, water en telecommunicatie die een natuurlijke persoon is en geen ondernemer. De vrederechter van de woonplaats van de afnemer is bevoegd. De rechtbanken van koophandel daarentegen worden bevoegd voor alle (nieuw ingeleide) geschillen met betrekking tot het interne en externe leven van de onderneming, ongeacht het bedrag. 29
Niet alleen hun bevoegdheid, maar ook de organisatie van de vredegerechten en de politierechtbanken is nu anders dan één jaar geleden. Ik citeer uit het advies van de Hoge Raad voor de Justitie van 27 februari 2013 30 : «Naast de kwestie over de omvang van de arrondissementen en de organisatie van de rechtbanken in handels- en arbeidszaken op het niveau van het rechtsgebied, voert het voorontwerp van wet tot wijziging van de gerechtelijke arrondissementen drie belangrijke wijzigingen door: a) de instelling van een echte korpschef voor de vrederechters en de rechters bij de politierechtbank; b) de vrederechters blijven als titularis benoemd in één bepaald kanton, maar worden gelijktijdig benoemd in de andere kantons van het arrondissement; c) de samenvoeging onder een enkele hoofdgriffier van de verschillende griffies van de bestaande rechtscolleges, inclusief voor de vredegerechten die evenwel blijven voortbestaan als onafhankelijke rechtscolleges (art. 26 van het ontwerp)».
De Hoge Raad voor de Justitie stemde in met de instelling van een voorzitter van de vrederechters en de rechters bij de politierechtbank die alle kenmerken van een korpschef heeft. De raad meende dat dit zeker zou bijdragen tot een betere organisatie van deze gerechten.
Van deze algemene regeling wordt afgeweken voor de arrondissementen Brussel en Eupen. Wat Brussel betreft, worden de opdrachten van de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank nu eens door de voorzitter van de Franstalige, dan weer door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg of, voor een aantal van de betrokken gerechten, zelfs door beide samen uitgeoefend. Terwijl voor een dergelijke ongelijke behandeling van de vrede- en politierechters te Eupen nog verwezen kan worden naar de kleinschaligheid, kan voor de 24 kantons en drie politierechtbanken van het arrondissement Brussel een loutere verwijzing naar de BHV-regeling volgens de Hoge Raad geen afdoende verantwoording bieden.
Wat de rol van de vrederechter in het kanton waarin hij is benoemd betreft, vond de Hoge Raad dat deze magistraat zijn rol in de organisatie van zijn rechtscollege moet behouden, onder het gezag van zijn nieuwe korpschef. Ook de politierechtbanken worden dus vanaf 1 april 2014 per arrondissement georganiseerd, waarbij de Brusselse hervorming met vier politierechtbanken (Nederlandstalig Brussel, Franstalig Brussel, Halle en Vilvoorde) gerespecteerd bleef. 31 Bij de vrederechters lijkt de situatie meer op die van vóór 1 april 2014, maar ze worden gepoold, zoals prof. Van Orshoven 32 het schreef. Bovendien krijgen zij een eigen voorzitter en ondervoorzitter (behalve in Brussel en Eupen), die ze «delen» met de politierechters (art. 65bis Ger.W.).
E. Provincie Henegouwen
Ik citeer letterlijk 33 :
«§ 4. Onverminderd artikel 137 zijn er in het gerechtelijk arrondissement Henegouwen twee procureurs des Konings:
1o de procureur des Konings van Charleroi oefent in de kantons van Beaumont-Chimay-Merbes-le-Château, Binche, Charleroi, Châtelet, Fontaine-l’Évêque, Seneffe en Thuin en onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de politierechtbank die gelegen zijn in dat grondgebied;
2o de procureur des Konings van Bergen oefent in de overige kantons van de provincie Henegouwen en onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de politierechtbank die gelegen zijn in dat grondgebied.
«De procureur des Konings van Bergen oefent het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbank.
«Binnen het grondgebied dat hem in het eerste lid is toegewezen, oefent elkeen de taken uit die de wetten en besluiten toekennen aan de procureur des Konings van een arrondissement. In de gevallen waarin de wet bepaalt dat de procureur des Konings een advies geeft aan de rechtbanken, geeft elk van beide procureurs een advies».
In de provincie Henegouwen is er één arrondissement, maar aan de provinciale rechtbank werden twee zetels toegewezen (bijvoegsel Ger.W.) en zijn er twee parketten, nl. Charleroi en Bergen (art. 150 Ger.W.).
Alle redenen die werden opgesomd om deze uitzondering te verklaren, kunnen mij evenwel niet overtuigen, nl. dat Henegouwen een zeer uitgestrekt arrondissement is, dat het qua inwonersaantal tot de grootste arrondissementen behoort, dat Brussel ook twee parketten telt, dat er een zeer grote socio-economische en sociologische verscheidenheid is en dat het ressort overeenstemt met het arrondissement waardoor er maar één procureur des Konings zou zijn voor één procureur-generaal.
Deze motieven kunnen elk op zich weerlegd worden wanneer men Henegouwen vergelijkt met andere provincies. Ook de reden dat er slechts één procureur des Konings zou zijn geweest voor één procureur-generaal kan niet overtuigen, daar de eerste voorzitters voor de ressortelijk georganiseerde rechtbanken ook slechts één voorzitter onder zich hebben en omdat de procureur-generaal slechts één arbeidsauditeur onder zich heeft.
Indien men deze beweegredenen zou doortrekken naar het ressort Gent, zouden de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en het auditoraat moeten worden ontdubbeld.
F. De kleine gerechtelijke arrondissementen in het oude Brabant buiten de Brusselse «agglomeratie»
Samen met de Hoge Raad voor de Justitie in zijn advies van 27 februari 2013 34 stel ik vast dat de nieuwe of gehandhaafde arrondissementen van Leuven en Waals-Brabant, zoals die van Namen, Luxemburg en Eupen zeer klein worden of blijven. Dit impliceert dat deze rechtbanken en hun parketten en auditoraten nog steeds onvoldoende omvang hebben in materiële en personele middelen. De schaalverschillen met andere provinciale arrondissementen, ik denk samen met de Hoge Raad aan Antwerpen en Gent, sluiten dus een «globale beheersstructuur voor alle rechtbanken» in feite uit. Voor de cijfers verwijs ik naar het bewuste advies van de Hoge Raad, maar wat we zien is enerzijds een arrondissement dat ongeveer 75.000 geregistreerde inwoners bedient, en anderzijds vijf arrondissementen met meer dan 1.150.000 geregistreerde inwoners, of een verhouding van 1 op meer dan 15. Ook de Hoge Raad vond dat de argumenten die worden gebruikt om de vier arrondissementen met minder dan 500.000 inwoners (Eupen laat ik buiten beschouwing) te behouden wel verantwoorden dat te zeer wordt afgeweken van de «vereiste schaal». Ik denk dat de Hoge Raad het bij het rechte eind had toen hij schreef: «Dit klemt des te meer omdat een vergelijkbare schaal onontbeerlijk is om een aan alle rechtbanken gemeenschappelijk beheersmodel uit te werken».
G. Eupen: de eenheidsrechtbank en het eenheidsparket
Het arrondissement Eupen krijgt een eigen structuur met één voorzitter, één kader, één hoofdgriffier voor alle rechtbanken. De rechters en het gerechtspersoneel worden tegelijk in de rechtbanken van eerste aanleg en van koophandel en de arbeidsrechtbank benoemd en zijn dus in alle drie de rechtbanken inzetbaar (samenvatting van het wetsontwerp dat leidde tot de Gerechtelijke Schaalvergrotingshervormingswet).
Het specifieke karakter van het gerechtelijk arrondissement Eupen – in vergelijking met de andere arrondissementen – is dat Eupen niet alleen het kleinste gerechtelijk arrondissement zal zijn met zo’n 75.000 inwoners, maar in Eupen zal het arbeidsauditoraat geïntegreerd worden in het parket van de procureur des Konings, en de arbeidsrechtbank zowel als de rechtbank van koophandel zullen een geheel vormen met de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.
Op het niveau van het parket zal de procureur des Konings eveneens arbeidsauditeur zijn en de substituten van zowel de procureur des Konings als van de arbeidsauditeur zullen beide hoedanigheden uitoefenen.
H. Gespecialiseerde rechters binnen de rechtbanken van eerste aanleg voor fiscale dossiers (art. 16-22 wet diverse bepalingen 25 april 2014) 35
Justitie wil vermijden dat fiscale strafdossiers door een gebrek aan kennis op het niveau van de rechtbank niet binnen een redelijke termijn worden afgehandeld. Daarom zullen de dossiers in de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel, Antwerpen, Gent, Brugge, Luik en Charleroi in de toekomst behandeld worden door een rechter gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden. Deze wet creëert een juridisch kader in het Gerechtelijk Wetboek. In totaal zullen er acht gespecialiseerde strafrechters bijkomen. Zij zullen worden ingezet waar dat het meest nodig is: drie van de acht rechters zijn voorzien voor de Brusselse rechtbank van eerste aanleg (één Nederlandstalig, twee Franstalig). Antwerpen, Gent, Brugge, Luik en Charleroi krijgen er elk één. De gespecialiseerde rechters zullen zich op het niveau van de correctionele rechtbank van de rechtbank van eerste aanleg specifiek bezighouden met de strafzaken wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen in fiscale aangelegenheden. Hieronder vallen ook fiscale decreten en ordonnanties. 36
IV. Wat vroeger al kon en gebeurde vóór de gerechtelijke hervorming in werking trad
A. Parketsamenwerkingsverbanden
Het idee van de parketsamenwerkingsverbanden is inmiddels meer dan vijftien jaar oud. Het gaat hier om een structurele samenwerking tussen de parketten van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep vanuit het idee om sommige parketten tot een expertisecentrum in een welbepaald domein om te vormen. Het achterliggend idee was dat kleinere gerechtelijke entiteiten, die slechts uitzonderlijk met technisch-juridisch ingewikkelde materies geconfronteerd werden, onredelijk veel aandacht moesten besteden aan slechts enkele dossiers per jaar om een kwaliteitsvolle afhandeling te kunnen waarborgen. Voorbeelden van deze domeinen waren: hormonen en doping, voedsel- en geneesmiddelenveiligheid, informaticacriminaliteit, burgerlijke adviezen inzake wapens. Soortgelijke samenwerkingsverbanden bestonden onder meer tussen de parketten van Mechelen en Turnhout. Ook werden gemengde teams opgestart, samengesteld uit magistraten van het parket en van het auditoraat voor het onderzoek van complexe dossiers.
Ten slotte was er de aanbeveling om gemengde teams, bestaande uit magistraten van eerste aanleg en beroep, van bij de aanvang in complexe dossiers in te schakelen. Op deze aanbeveling waren twee varianten denkbaar: enerzijds één en dezelfde magistraat die zowel in eerste aanleg als in tweede aanleg de zaak behandelt en anderzijds een gemengd team dat één dossier opvolgt en waarin, in gemeen overleg, wordt beslist hoe de samenwerking verloopt.
Voor meer details verwijs ik naar de openingsredes van procureur-generaal Frank Schins van 3 september 2001 («Enkele beschouwingen over de werking van het openbaar ministerie») en van 4 september 2006 («Over enkele tendensen in het openbaar ministerie») (terug te vinden op de website van het openbaar ministerie www.om-mp.be) en van procureur-generaal Anita Harrewyn van 2 september 2013 («De zoektocht naar een harmonisch evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit: een aantal nieuwe projecten»).
B. Detacheringen van magistraten
Detacheringen van magistraten binnen het ressort van het Arbeidshof te Gent zijn mogelijk om in bepaalde materies (wetgeving inzake personen met een handicap, OCMW), niet alleen in het eigen arrondissement, maar ook in een ander arrondissement actief te zijn.
V. Hoofdlijnen van de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet van 1 december 2013
A. Datum van inwerkingtreding
Vooraleer de hoofdlijnen van de wet van 1 december 2013 te bespreken, ga ik iets dieper in op de datum van inwerkingtreding. De Gerechtelijke Schaalvergrotingswet van 1 december 2013 is in werking getreden op 1 april 2014. Omdat iedereen wist dat de benoemingsprocedure van de nieuwe «super» korpschefs onmogelijk kon afgerond zijn tegen deze datum, werden diverse pogingen ondernomen om de inwerkingtreding uit te stellen (tot 1 september 2014). Zowel de minister van Justitie als de Kamercommissie hebben evenwel het been stijf gehouden. Niet alleen de benoeming van de nieuwe korpschefs was nog niet achter de rug, maar ook heel wat praktische zaken waren nog niet geregeld zoals de informatica, de hoofdingen van de brieven, de stempels, de verplaatsingskosten van gerechtsdeurwaarders enz.
In dit verband wil ik even teruggaan in de tijd, nl. naar 1 juni 1967, dag waarop het wetsontwerp houdende het Gerechtelijk Wetboek werd aangenomen door de commissie voor de Justitie. 37 Betreffende de inwerkingtreding werd het volgende genoteerd en ik citeer: «... De minister van Justitie liet ook gelden dat de termijn van achttien maanden waarin het ontwerp voorziet, te kort is. Er zullen inderdaad lokalen moeten ingericht en uitgerust worden en personeelsformaties bepaald worden, wat echter niet binnen zo’n korte tijdspanne kan gebeuren. Er werd derhalve vooropgesteld de termijn op zesendertig maanden te brengen, met dien verstande dat zulks een maximum is en dat talrijke bepalingen trouwens vóór die datum in werking zullen mogen gesteld worden».
Hoewel de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek uiteraard veel grotere complicaties had – denken we maar aan de afschaffing van de werkrechtersraden en allerlei administratieve commissies – is het toch opvallend dat zowel aan de FOD Justitie als aan de magistratuur bitter weinig tijd werd gegeven om de huidige hervorming in goede banen te leiden.
Teneinde tegemoet te komen aan deze problemen heeft de wetgever de wet van 21 maart 2014 houdende wijziging van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde goedgekeurd (BS 24 maart 2014).
Deze wet voerde enerzijds een standstill-regeling in voor bv. de bijzondere reglementen van de rechtbanken, de zittingsdagen, de adjunct-mandaten enz. en anderzijds werd een regeling uitgewerkt om het vacuüm op te vangen dat ontstond op 1 april 2014 voor alle korpschefs totdat de nieuwe korpschefs in functie zullen treden. Bij die regeling werd een onderscheid gemaakt tussen de magistraten en de korpschefs bij de griffies en de parketten. Voor de magistraten dienden de eerste voorzitter en de procureur-generaal een waarnemend korpschef aan te duiden onder de leden van het hof van beroep, het arbeidshof, het parket-generaal en het auditoraat-generaal die zelf geen kandidaat waren voor de functie van korpschef, en bij ontstentenis daarvan dienden zij zelf de functie uit te oefenen.
In de praktijk heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Gent zichzelf aangewezen als waarnemend voorzitter van de Arbeidsrechtbank Gent en ikzelf werd door mevrouw de procureur-generaal aangewezen tot waarnemend arbeidsauditeur van het nieuwe arbeidsauditoraat te Gent, aanwijzing die een einde zou nemen bij de eedaflegging van de nieuwe korpschefs.
Voor de waarnemend hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen werd een totaal andere overgangsmaatregel uitgedacht om reden dat op dat ogenblik niet kon geweten zijn wie kandidaat zou zijn voor de nieuwe functies. De eerste voorzitters en de procureur-generaal dienden een waarnemend hoofdgriffier en hoofdsecretaris aan te wijzen onder de vastbenoemde hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen en enkel bij ontstentenis van een benoemde hoofdgriffier of hoofdsecretaris kon een griffier of secretaris hoofd van dienst of een griffier of secretaris aangewezen worden. In het ressort te Gent werden telkens een vastbenoemde hoofdgriffier en hoofdsecretaris aangewezen als waarnemend korpschef.
In verband met de aanwijzing van een waarnemend voorzitter en arbeidsauditeur stel ik er prijs op de Hoge Raad voor de Justitie te feliciteren voor de diligentie die aan de dag werd gelegd om alle korpschefs zo vlug mogelijk voor te dragen. Deze voordrachten gebeurden zowel voor de zetel als voor het openbaar ministerie tijdens de eerste dagen van de maand april, zodat de facto de korpschefs zeer vlug gekend waren.
B. Hoofdlijnen van de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013
Hoofdkenmerk van de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013 is een principieel streven naar schaalvergroting, getemperd door de wens een «nabijheidsjustitie» te behouden (met «lokale» afdelingen, vredegerechten en politierechtbanken), dit laatste dan weer gecorrigeerd met een wettelijke nieuwigheid, het zaakverdelingsreglement.
Voor wat sommigen de uitzonderingsrechtbanken noemen, namelijk de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel, wordt het territoriaal bevoegdheidsgebied in overeenstemming gebracht met dat van de arbeidshoven en de hoven van beroep (van Antwerpen, Gent, Luik en Bergen). Voor het territorium van de oude, Belgische provincie Brabant werd een afwijkende regeling uitgewerkt. Het zal dan ook niemand verrassen dat er voor deze territoriaal beschouwd grote rechtbanken respectievelijk 34 en 30 afdelingen zijn. Voor de arbeidsauditoraten is de situatie vergelijkbaar.
Wanneer men een vergelijking maakt tussen het oude en het nieuwe kader van de magistraten van de Arbeidsrechtbank Gent, is het enige verschil de toegevoegde rechter, functie die in de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013 werd afgeschaft, maar deze rechter werd opgenomen in het kader. M.a.w., de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet heeft het aantal magistraten, zowel bij de zetel als bij het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten in Oost- en West-Vlaanderen, niet beïnvloed; enkel het aantal leidinggevenden zal op termijn verminderen en er is nog slechts één voorzitter en één arbeidsauditeur.
Voor de klassieke rechtbanken van eerste aanleg werden twaalf arrondissementen gecreëerd door een fusie van de bestaande zevenentwintig arrondissementen. De nieuwe arrondissementen vallen samen met de provincies, aangevuld met een apart arrondissement voor Brussel en voor Eupen. Ook hier is er sprake van afdelingen, zij het geringer in aantal.
Tot eenzelfde schaalvergrotingsoperatie zal het aan de zijde van de Vlaamse balies blijkbaar nog niet zo snel komen. 38 Vanaf 1 september 2014 werden de balies van Aarlen, Marche-en-Famenne en Neufchâteau samengesmolten tot de nieuwe eengemaakte «balie Luxemburg». Daarmee zal de baliestructuur in de provincie Luxemburg samenvallen met het gerechtelijk arrondissement. 39
Elk parket, zowel de gewone als de arbeidsauditoraten, als de rechtbanken op het niveau van eerste aanleg hebben dus afdelingen. Die vallen samen met de oude arrondissementen of met de oude afdelingen en oude arrondissementen zonder afdelingen.
De schaalvergroting werd voor de Arbeidsrechtbank en het auditoraat te Gent uitgevoerd conform de memorie van toelichting, zijnde één arbeidsrechtbank en één auditoraat die bevoegd zijn voor het hele ressort, zijnde voor West- en Oost-Vlaanderen en dus ook voor twee gerechtelijke arrondissementen, omdat de nieuwe arrondissementen in beginsel overeenstemmen met de provincies.
De arrondissementen hebben de naam gekregen van de overeenstemmende provincie, bv. Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, en de ressortelijk georganiseerde rechtbanken hebben de naam gekregen van de stad waar de zetel van de hoven is gevestigd, bv. Arbeidsrechtbank Gent.
Bij het benoemen van de nieuwe rechtbanken werd de regel gehanteerd dat bij de ressortelijk georganiseerde rechtbanken het woordje «te» toegevoegd werd. Krachtens het KB van 14 maart 2014 40 is de correcte benaming dan ook de Arbeidsrechtbank te Gent en de arbeidsauditeur te Gent en de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen en de procureur des Konings Oost-Vlaanderen.
Het openbaar ministerie past deze regel toe, dit in tegenstelling tot de zetel. Bij de benoeming van de rechtbanken wordt zelfs bij ressortelijk georganiseerde rechtbanken de «te» niet gebruikt door de zetel.
De reden waarom de zetel het woord «te» heeft weggelaten, is dat daardoor de aanspreektitels en aanschrijfinstanties korter worden. Persoonlijk kan ik enkel betreuren dat het openbaar ministerie en de zetel niet dezelfde regel toepassen. Dit alles maakt het er niet eenvoudiger op. De auditeur moet dus aangeschreven worden als arbeidsauditeur te Gent en de voorzitter als voorzitter van de Arbeidsrechtbank Gent.
Krachtens het KB van 14 maart 2014 41 betreffende de verdeling van de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel en de politierechtbanken in afdelingen wordt de Arbeidsrechtbank te Gent in tien afdelingen ingedeeld. Deze verdeling is enkel en alleen een bevestiging van de bestaande toestand, nl. de zeven gerechtelijke arrondissementen in Oost- en West-Vlaanderen, vermeerderd met de drie afdelingen, nl. Aalst, Sint-Niklaas en Roeselare. Deze tien afdelingen zijn elk op zich als even belangrijk te beschouwen. De afdeling Aalst is krachtens het zo-even genoemde KB dus even belangrijk als de afdeling Gent van de Arbeidsrechtbank Gent.
Met een afdeling wordt in de toekomst dus een territoriale afbakening bedoeld. De bestaande indeling van bv. de rechtbank van eerste aanleg in afdelingen wordt gewijzigd. De afdelingen worden nu secties genoemd, nl. de burgerlijke rechtbank, de correctionele rechtbank, de familie- en jeugdrechtbank en de strafuitvoeringsrechtbank (art. 76 Ger.W.).
De schaalvergroting van de arrondissementen en de samenvoeging van arrondissementen voor de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel heeft tot gevolg dat heel wat minder personen korpschef zijn.
Voor de Arbeidsrechtbank Gent en het auditoraat te Gent betekent dit dat er geen vijf voorzitters, auditeurs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen meer zijn, maar slechts één.
Een logisch gevolg van deze drastische vermindering lijkt te zijn dat er heel wat bureauruimte vrijkomt in de nieuwe afdelingen. In de praktijk is evenwel gebleken dat er net een grotere behoefte ontstond aan bureaus voor leidinggevende voorzitters, procureurs, auditeurs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen in de hoofdzetel van de nieuwe rechtbanken en parketten dan wel in één of andere afdeling ervan.
C. Het bijzonder reglement en het zaakverdelingsreglement
In het advies van de Hoge Raad voor de Justitie van 27 februari 2013 42 vinden we vanaf p. 16 de volgende bedenkingen over de zaakverdelingsreglementen. «Het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank dienen van elkaar onderscheiden te worden. Het zaakverdelingsreglement heeft geen betrekking op de interne werking van de rechtbank. Het houdt een strategische keuze in voor de werking van de rechtbank en heeft dus per definitie betrekking op een langere termijn, terwijl het bijzonder reglement betrekking heeft op het dagelijks beleid van de rechtbank, met dus repercussies op kortere termijn.
De filosofie achter de zaakverdelingsreglementen is dat de basisdienstverlening in alle afdelingen moet worden aangeboden, maar dat de rechtbanken bepaalde, vaak gespecialiseerde, zaken in één afdeling moeten kunnen concentreren. Jeugdrecht en familierecht in burgerlijk recht, socialezekerheidsrecht maken bijvoorbeeld deel uit van de basisdienstverlening. 43 De Koning moet er daarbij bijvoorbeeld over waken dat de afdeling de facto niet ontmanteld wordt. De rechtzoekende moet in de dichtstbijzijnde afdeling terechtkunnen voor de geschillen waarvoor de wet een persoonlijke verschijning vraagt. Ook moet de Koning erover waken dat de toegang tot Justitie niet wordt geschaad en dat de kwaliteit van de dienstverlening gewaarborgd kan blijven als bepaalde zaken in één afdeling zouden worden geconcentreerd. 44
Onder de oude regeling diende voor elke rechtbank en elk hof een bijzonder reglement te worden opgesteld (oud art. 88 Ger.W.). Dit reglement bepaalde het aantal kamers en hun bevoegdheid, de dagen en de uren van hun zittingen en op welke dagen er inleidingszittingen plaatshadden. Deze bijzondere reglementen werden bij KB bekrachtigd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Ingevolge de wetswijziging dient er weliswaar nog een bijzonder reglement te worden opgesteld, maar enkel om het aantal, de dagen en de duur van de gewone zittingen vast te stellen (art. 66 en 88 Ger.W.). Dit bijzonder reglement wordt bij beschikking door de voorzitter van de rechtbank vastgesteld en publiek bekendgemaakt. Een bekrachtiging bij KB is dus niet meer voorgeschreven, maar de bijzondere reglementen worden nog wel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Uit de tot op heden gepubliceerde bijzondere reglementen blijkt dat deze een bundeling zijn van de vroegere bijzondere reglementen en dat de bevoegdheden van de verschillende kamers in deze bijzondere reglementen zijn opgenomen, hoewel de bevoegdheden niet moeten worden opgenomen in een bijzonder reglement, maar m.i. in het zaakverdelingsreglement.
Een totaal nieuw concept is het zaakverdelingsreglement (art. 186 Ger.W.). Dit reglement moet door de Koning, na overleg in de Ministerraad, vastgesteld worden.
Het zaakverdelingsreglement kan, net zoals het bijzonder reglement, pas opgesteld worden nadat een aantal adviezen werd ingewonnen. Bijzonder voor de hoven van beroep en de arbeidshoven is dat het advies van de balies blijkbaar niet door de stafhouders afzonderlijk moet worden gegeven, maar door de vergadering van de stafhouders voor de balies van het rechtsgebied, voorgezeten door de eerste voorzitter.
Het zaakverdelingsreglement biedt dus de mogelijkheid om sommige bevoegdheden op het niveau van één arrondissement aan één of meer afdelingen toe te bedelen.
Tijdens de behandeling van deze wet in het Parlement en toen het idee van een zaakverdelingsreglement opdook, had ik persoonlijk onmiddellijk een aantal materies in de sector van de sociale zekerheid voor ogen die aan één of twee afdelingen zouden kunnen worden toevertrouwd: de pensioenen voor de zelfstandigen en de werknemers, om reden dat het aantal betwistingen in deze materies drastisch is verminderd.
Bij de lezing van de uiteindelijke tekst bleek echter dat één of meer afdelingen exclusief bevoegd maken voor bepaalde categorieën van zaken voor de arbeidsrechtbanken enkel en alleen kan voor de bevoegdheden bedoeld in art. 578, 579, 582, 3o tot 13o en 583 Ger.W., zijnde voor de arbeidsovereenkomsten, de arbeidsongevallen, de administratieve geldboeten en nog een aantal aan deze materies gelieerde sectoren. Deze bevoegdheden zijn evenwel omvangrijke sectoren, zodat het organisatorisch niet eenvoudig is om slechts enkele afdelingen exclusief te belasten met de arbeidsovereenkomsten en de arbeidsongevallen. Uit deze wettelijke regeling kan dus worden afgeleid dat de wetgever ervoor geopteerd heeft om in elke afdeling een basisdienstverlening aan te bieden en dus ook dat elke afdeling alle zaken van sociale zekerheid moet behandelen.
Terwijl voor de burgerlijke zaken de bevoegdheden worden aangeduid door te verwijzen naar de desbetreffende artikelen van het Gerechtelijk Wetboek, wordt voor de strafzaken verwezen naar een aantal materies zoals – en ik vermeld er maar twee – de socio-economische zaken en de mensenhandel. Ik vermeld deze zaken omdat de auditoraten bevoegd zijn of kunnen zijn om te vervolgen in deze materies.
Bij het opstellen van een zaakverdelingsreglement door de rechtbanken van eerste aanleg zou een mogelijke optie kunnen zijn de zware zaken van sociaal strafrecht die het best door een kamer met drie rechters worden behandeld, exclusief toe te vertrouwen aan twee of vier afdelingen waar de nodige expertise kan worden opgebouwd.
Tot op heden kan ik enkel vaststellen dat nog geen enkel zaakverdelingsreglement werd opgesteld en dat evenmin de eerste stappen zijn gezet om er een op te stellen.
De specialisatie en expertise in één of meer materies kunnen evenwel ook op een andere manier worden verkregen. Zowel de rechters in de rechtbanken van eerste aanleg als die in de arbeidsgerechten zijn bevoegd om zitting te hebben in alle afdelingen van hun rechtbank. Er kan dus overwogen worden één of meer rechters dezelfde materie te laten behandelen in alle afdelingen.
In plaats van de zaken te centraliseren in een afdeling kan men één of meer rechters in alle afdelingen van hun arrondissement dezelfde materie laten behandelen. In West-Vlaanderen bv. wordt sinds 1 september 2014 één rechter belast met alle zaken van sociaal strafrecht.
Het zal voor de rechtzoekende een geruststelling zijn dat geen nietigheid, onregelmatigheid of onontvankelijkheid van de vordering met betrekking tot deze zaakverdelingsreglementen kan worden ingeroepen. Even geruststellend voor de slachtoffers van misdrijven is de regel dat de vorderingen of misdrijven die samenhangen met vorderingen of misdrijven die op grond van dit artikel uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde afdeling behoren, uitsluitend worden behandeld door deze afdeling (art. 186 Ger.W.). Voor alle duidelijkheid: de zaakverdelingsreglementen zijn geen klassieke kwestie van bevoegdheid. Het gaat hier om de verdeling van de dienst. De taakverdeling tussen de afdelingen kan dus geen aanleiding geven tot bevoegheidsbetwistingen, zij het dat daarover wel verdelingsincidenten kunnen ontstaan. 45
Wie afdelingen en schaalvergroting hoort, mag zich afvragen wie deze lokale afdelingen leiden zal. Vandaar de creatie van een nieuw soort mandaat: de afdelingsvoorzitters, afdelingsprocureurs en afdelingsauditeurs (art. 2, 19, 21 en 22 Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013). De afdelingsvoorzitter staat de voorzitter bij in de leiding van de rechtbank en haar afdelingen (art. 26 Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013).
Een gevolg van de schaalvergroting en de creatie van rechtbanken met afdelingen is dat de wetgever beslist heeft om de neerlegging van stukken ter griffie met het oog op de aanhangigmaking en behandeling van een vordering mogelijk te maken in elke afdeling van de bevoegde rechtbank. De griffie heeft tot taak de stukken over te zenden aan de bevoegde afdeling en de partijen die de stukken hebben neergelegd moeten worden ingelicht welke afdeling bevoegd is (art. 186, § 2 Ger.W.).
Krachtens art. 145 van de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet van 1 december 2013 zal deze bepaling gefaseerd in werking treden. Voor de zaken die ingevolge een zaakverdelingsreglement toegewezen zijn aan één afdeling, is deze bepaling van toepassing voor zowel de aanhangigmaking als voor de behandeling. Voor andere zaken zal deze bepaling pas van toepassing zijn vanaf het ogenblik waarop in de rechtbanken een systeem van e-griffie is geïnstalleerd, maar het zal in ieder geval ten laatste op 1 september 2015 van toepassing moeten zijn. Omdat er nog geen zaakverdelingsreglement is opgesteld, is deze wetsbepaling nog niet in werking getreden.
D. De hervormingen bij het openbaar ministerie
In de rechtbanken en hoven dienen het aantal kamers en hun bevoegdheid, de dagen en uren van de zittingen enz. te worden vastgesteld door bijzondere reglementen en zaakverdelingsreglementen. In elke afdeling moet ook een griffie gevestigd zijn die tijdens de bij koninklijk besluit bepaalde dagen en uren geopend moet zijn en toegankelijk voor het publiek.
Het openbaar ministerie heeft op dat gebied een veel grotere vrijheid. Vóór 1 april 2014 bv. werden de drie afdelingen, nl. Aalst, Sint-Niklaas en Roeselare, niet permanent bemand door magistraten en medewerkers van het auditoraat. Enkel tijdens de dagen waarop de zittingen plaatshadden was er uiteraard een magistraat van het auditoraat aanwezig.
Ingevolge de afschaffing van een aantal arrondissementen en de vaststelling dat de Arbeidsrechtbank Gent uit tien gelijkwaardige afdelingen bestaat, heeft het openbaar ministerie een veel grotere vrijheid gekregen om organisatorisch wijzigingen door te voeren. Momenteel telt het arbeidsauditoraat te Gent nog slechts vier afdelingen, nl. de afdeling Gent en Oudenaarde, de afdeling Dendermonde, Aalst en St.-Niklaas, de afdeling Brugge en Veurne en de afdeling Kortrijk, Ieper en Roeselare. De redenen die hebben geleid tot deze nieuwe indeling zijn divers van aard.
Vóór 1 april 2014 telde ons ressort vijf arbeidsauditeurs (en voorzitters) voor zeven arrondissementen. Sinds 1 april 2014 is er nog slechts één arbeidsauditeur, één eerste substituut-arbeidsauditeur en twee afdelingsauditeurs, zijnde vier leidinggevende magistraten van het openbaar ministerie, waardoor het voor de hand lag om slechts vier (hoofd)afdelingen op te richten.
Dat Veurne bij Brugge werd ondergebracht, wordt verklaard doordat enerzijds de sociale inspectiediensten reeds sinds lang dezelfde territoriale gebiedsomschrijving kenden en doordat anderzijds eenzelfde afdeling de gehele kuststrook onder haar bevoegdheid heeft.
De herindeling van de afdelingen van het auditoraat te Gent betekent niet automatisch dat de aanwezigheid van magistraten en gerechtspersoneel in de afdelingen wijzigingen ondergaat. Ingevolge de overgangsbepalingen van de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet van 1 december 2013 is het namelijk zo dat het gerechtspersoneel van niveau A en B benoemd wordt in het nieuwe arrondissement waarin zijn oorspronkelijke rechtbank of parket gelegen was. De personeelsleden van niveau C en D daarentegen blijven verbonden aan de rechtbank of het parket waar ze vóór de inwerkingtreding van deze wet waren benoemd en die nu een afdeling vormt (art. 156 van de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet 2013). In concreto betekent dit dat de arbeidsauditeur, indien hij een substituut aan een andere afdeling toewijst, de betrokken substituut moet horen en zijn beslissing moet motiveren (art. 153 Ger.W.) en dat de hoofdsecretaris een personeelslid van niveau A en B, met zijn instemming, kan aanwijzen in een ander arrondissement en dat hij een personeelslid van niveau C en D, met zijn instemming, kan aanwijzen in een andere afdeling (van hetzelfde arrondissement) (art. 177 Ger.W.).
Voor het gerechtspersoneel tewerkgesteld in het oude arbeidsauditoraat Kortrijk-Ieper-Veurne is de situatie anders, daar deze personeelsleden in de drie arrrondissementen werden benoemd en hun standplaats toegewezen kregen door de hoofdsecretaris. Ingevolge de overgangsbepalingen worden zij dan ook geacht benoemd te zijn in de afdelingen Kortrijk-Ieper-Veurne-Roeselare. Het is de bedoeling om in de toekomst de personeelsleden van het auditoraat in de afdelingen te Ieper en te Veurne aan te wijzen in een andere afdeling, zijnde Kortrijk of Brugge.
Ook bij de verdeling van de taken onder de substituten kan het openbaar ministerie soepel tewerkgaan. Zo werd bv. reeds de behandeling van de zaken met betrekking tot de rij- en rusttijden en de bediening van de tachografen toevertrouwd aan slechts twee substituten die deze taak elk in hun arrondissement uitoefenen.
VI. Slotbeschouwingen
Deze hervormingen kunnen een mijlpaal betekenen in de historische ontwikkeling van de Belgische rechterlijke macht.
Er moet wel enige reserve ingebouwd worden. In het verleden is immers gebleken dat de rechtsprekende macht en de FOD Justitie enkele ambitieuze projecten niet tot een goed einde hebben kunnen brengen. In de eerste plaats denken we aan het Phenix-project en we zouden ook veel kunnen leren uit het spanningsveld betreffende het project van de werklastmeting.
De schaalvergroting van de arrondissementen op zich lijkt mij een goed uitgangspunt te zijn om de rechterlijke organisatie te moderniseren en performanter te maken.
Een definitief oordeel vellen is vandaag evenwel onmogelijk, aangezien de implementatie van de gerechtelijke hervorming nog niet voltooid is. Het is in feite wachten op de in overleg opgestelde zaakverdelingsreglementen om een volledig overzicht en inzicht te krijgen over de gevolgen van de gerechtelijke hervorming.
Indien door de Arbeidsrechtbank Gent een zaakverdelingsreglement wordt opgesteld waarin één of meer materies exclusief toebedeeld worden aan twee of meer afdelingen of waarin andere fundamentele wijzigingen worden doorgevoerd aan bv. het aantal zittingen, het aantal kamers en hun bevoegdheid, het aanvangsuur van de zittingen enz., dan zal ook het openbaar ministerie zich anders moeten organiseren. Ik meen immers te kunnen stellen dat vandaag rechters X en Y in de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel, een paar uitzonderingen buiten beschouwing gelaten, nog steeds hetzelfde werk verrichten als vóór 1 april 2014 en dat de wijze waarop dit werk georganiseerd is eveneens ongewijzigd is gebleven.
1 Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001 tot /010; Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2212/001 tot /006; Hand. Senaat 2012-13, 14 november 2013, p. 5-123.
2 Hoge Raad voor de Justitie, advies over de oriëntatienota «Het gerechtelijk landschap – naar een nieuwe architectuur voor de Justitie» van de minister van Justitie, 30 september 2009, www.csj.be.
3 Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 3.
4 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 5 e.v.
5 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 5 en 6.
6 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 10.
7 Ibid.
8 Advies van de Raad van State, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 119.
9 P. Van Orshoven in B. Allemeersch, P. Taelman, P. Van Orshoven en B. Vanlerberghe (eds.), Nieuwe Justitie, Antwerpen, Intersentia, p. 11, nr. 8.
10 L. Lagae en E. Devroe (eds.), «Gras groeit niet sneller door eraan te trekken. De zetel en modern management» in Orde van de dag. Criminaliteit en samenleving. Thema: tussen droom en daad. Management binnen de zetel, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 7 e.v., nr. 66.
11 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be.
12 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 16.
13 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 20.
14 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be, p. 21.
15 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be, p. 22 e.v.
16 Supra, voetnoot 1.
17 L. Lagae en E. Devroe (eds.), o.c., in Orde van de dag. Criminaliteit en samenleving. Thema: tussen droom en daad. Management binnen de zetel.
18 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be, p. 27.
19 L. Lagae en E. Devroe (eds.), o.c., in Orde van de dag. Criminaliteit en samenleving. Thema: tussen droom en daad. Management binnen de zetel, p. 10.
20 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 8-9.
21 L. Lagae en E. Devroe (eds.), o.c., in Orde van de dag. Criminaliteit en samenleving. Thema: tussen droom en daad. Management binnen de zetel, p. 13.
22 P. Taelman, «Gerechtelijke hervormingen 2014» in Hoe heeft de wetgever ons recht gekleurd?, VRG Alumni Gent, studiedag 23 mei 2014, UGent, Faculteit Rechtsgeleerdheid, p. 4.
23 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2013-14, nr. DOC 53-3068/001.
24 P. Taelman, o.c., in Hoe heeft de wetgever ons recht gekleurd?, p. 5.
25 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be, p. 14.
26 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2013-14, nr. DOC 53-3068/001, p. 18.
27 P. Taelman, o.c., in Hoe heeft de wetgever ons recht gekleurd?, p. 2.
28 K. Devolder en P. Taelman, «De familie- en jeugdrechtbank. Analyse van de wet van 30 juli 2013» in B. Allemeersch, P. Taelman, P. Van Orshoven en B. Vanlerberghe (eds.), Nieuwe Justitie, Antwerpen, Intersentia, p. 11, nrs. 1 e.v.
29 P. Taelman, o.c., in Hoe heeft de wetgever ons recht gekleurd?, p. 7 onderaan.
30 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be.
31 P. Van Orshoven, o.c., in B. Allemeersch, P. Taelman, P. Van Orshoven en B. Vanlerberghe (eds.), Nieuwe Justitie, p. 14, nr. 11.
32 P. Van Orshoven, o.c., in B. Allemeersch, P. Taelman, P. Van Orshoven en B. Vanlerberghe (eds.), Nieuwe Justitie, p. 15, nr. 13.
33 Art. 150 Ger.W. (laatst gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012, wordt aangevuld met een § 4, krachtens art. 39 van de Gerechtelijke Schaalvergrotingswet).
34 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be..
35 Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie, BS 14 mei 2014, p. 39.045.
36 NjW 11 juni 2014, nr. 304.
37 Parl.St. Kamer 1965-66, nr. 59, p. 302.
38 Edgar Boydens geïnterviewd door R. Boone in De Juristenkrant 15 januari 2014, nr. 281, p. 8.
39 H. Lamon, «Forum» in De Juristenkrant 11 juni 2014, nr. 291, p. 13.
40 BS 24 maart 2014, in werking getreden op 1 april 2014.
41 Ibid.
42 Hoge Raad voor de Justitie, «Advies over de voorontwerpen van wet over de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en over de mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, zoals ze op 14 januari 2013 aan de Hoge Raad werden meegedeeld», 27 februari 2013, www.csj.be, p. 16 e.v.
43 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 13.
44 Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. DOC 53-2858/001, p. 14.
45 P. Taelman, o.c., in Hoe heeft de wetgever ons recht gekleurd?, p.  5.
Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/01/2015 - 00:48
Laatst aangepast op: za, 10/01/2015 - 00:48

Onrechtmatig verkregen bewijs in civiele zaken in België en Duitsland

Publicatie
Auteur: 
Maes E
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
682
Samenvatting

Deze bijdrage is een rechtsvergelijkende studie tussen het Belgische en het Duitse recht mbt onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijk recht.

In geen van deze rechtsstelsels wordt deze materie wettelijk geregeld.

In het Belgisch recht wordt op onrechtmatige bewijsverkrijging in civiele zaken de Antigoonleer toegepast, hetgeen resulteert in een principiële toelating van onregelmatig bewijs.

Duitse rechtspraak en rechtsleer opteren voor een beoordeling geval per geval (de zogenaamde «Einzelfalllösungen») waarbij de afweging van belangen die in het geding zijn centraal staat («Interessen- und Güterabwägung»).

Inhoudstafel tekst: 

i . Inleiding
II. Rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
III. België
A. Wat is onrechtmatig verkregen bewijs?
B. Hoe wordt omgegaan met onrechtmatig verkregen bewijs?
1° De situatie tot vóór het cassatiearrest van 10 maart 2008 in burgerlijke zaken
2° Het Antigoonarrest van 14 oktober 2003 in strafzaken
3° Het cassatiearrest van 10 maart 2008: een nieuw principe in civiele zaken?
4° Evaluatie
IV. Duitsland
A. Wat is onrechtmatig bewijs?
B. Hoe wordt omgegaan met onrechtmatig verkregen bewijs?
1° «Beweiserhebungsverbote» en «Beweisverwertungsverbote»
2° Drie strekkingen
a) Het gebruik in rechte van onrechtmatig verkregen bewijs is toegelaten
b) Volledig verbod op het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs
c) Tussenpositie
(i) Uitgangspunt: beschermingsdoel (Schutzzweck)
(ii) Uitwerking in de praktijk
3° Evaluatie
V. België en Duitsland: van een gemeenschappelijk uitgangspunt naar verschillende resultaten

Bronverwijzingen
•. Manuel Lebre de Freitas, The Law of Evidence in the European Union / Das Beweisrecht in der Europäischen Union / Le Droit de la Preuve dans l’Union Européenne, Kluwer Law International, 2004, xix.
• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2010, 860-958;
• R. Verstraeten en S. De Decker, «Antigoon sluit de achterpoort, maar opent een raam. Bewijsrecht in strafzaken», T.Strafr. 2005, 289-297;

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: ma, 29/12/2014 - 14:28
Laatst aangepast op: ma, 29/12/2014 - 14:28
Inhoud syndiceren

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.