-A +A

Centrale kredieten voor Particulieren

Alternatieve naam: 
Wet zwarte lijst
Afkondiging: 
zat, 19/04/2014

De zwarte lijst NBB-VKC is na kennisname van deze wet geldend vanaf 1 december 2016 geen mysterie meer.

De wet werd opgenomen in het WER (wetboek economisch recht)

Tekst van de wetgeving: 

Deze wetgeving is van kracht vanaf 1 december 2016
Geconsollideerde versie van het WER waarin deze bepalingen voorkomen

 

HOOFDSTUK 3. - [1 Centrale voor Kredieten aan Particulieren.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 1. [1 Registratie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.148. [1 § 1. De Bank is belast met de registratie, in de Centrale, van :

1° de kredietovereenkomsten die vallen onder het toepassingsgebied van dit boek (positieve luik) en

2° de wanbetalingen die hieruit voortvloeien (negatieve luik) die beantwoorden aan de door de Koning vastgestelde criteria.

Het voorgaande lid is niet van toepassing op de kredietovereenkomsten bedoeld in artikel VII.3, § 3, 1° en 2°, wat betreft het positieve en negatieve luik, en op de overschrijdingen, wat betreft het positieve luik.

§ 2. De gegevens die in de Centrale worden geregistreerd betreffen :

1° de identiteit van de consument, de kredietgever en, in voorkomend geval, de cessionaris en de zekerheidssteller;

2° de referenties van de kredietovereenkomst;

3° het soort krediet;

4° de kenmerken van de kredietovereenkomst die het mogelijk maken om de debetstand van de overeenkomst en zijn evolutie te bepalen;

5° in voorkomend geval, de reden van de wanbetaling medegedeeld door de consument;

6° in voorkomend geval, de betalingsfaciliteiten toegestaan aan de consument.

De Koning bepaalt de precieze inhoud, de voorwaarden en de nadere regels voor de bijwerking evenals de bewaartermijnen van deze gegevens. Hij kan deze lijst aanvullen met gegevens die nuttig zijn voor de uitoefening van de taken van de Bank als prudentiële toezichthouder.

De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, eveneens de bijkomende inlichtingen vaststellen die de Bank, met het oog op het opstellen van statistieken met betrekking tot de schuldenlast van gezinnen, kan vragen aan de personen bedoeld in artikel VII. 149.

§ 3. De Bank stelt de administratieve en technische richtlijnen vast die moeten worden nageleefd door de personen die gehouden zijn gegevens aan de Centrale mede te delen of haar te raadplegen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 2. - [1 Mededeling en raadpleging van gegevens.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.149. [1 § 1. Teneinde informatie te verkrijgen over de financiële toestand en de solvabiliteit van de consument, raadplegen de kredietgevers, behoudens in het geval van een overschrijding, de Centrale vooraleer zij een kredietovereenkomst sluiten of het aanbod bedoeld in artikel VII.133, eerste lid, overhandigen. De Koning stelt de nadere regels vast betreffende deze raadpleging.

§ 2. De kredietgevers die beschikken over een vergunning of geregistreerd zijn om kredietovereenkomsten te sluiten en de door de Koning aangewezen personen delen aan de Centrale de gegevens mee betreffende elke kredietovereenkomst en elke wanbetaling, bedoeld in artikel VII. 148, § 1.

De Koning bepaalt de termijnen voor de mededeling van die gegevens aan de Centrale.

Indien de bevoegde ambtenaren van de FOD Economie vaststellen dat een kredietgever kredietovereenkomsten sluit zonder hiertoe over de nodige vergunning of registratie te beschikken dan kunnen zij de kredietgever verplichten om de overeenkomsten en wanbetalingen toch te laten registreren door de Centrale. Zij brengen de Centrale en het begeleidingscomité hiervan op de hoogte. De registratiekosten zijn ten laste van de kredietgever. De Koning kan betalingsmodaliteiten voorzien en de hoogte van deze kosten bepalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.150.[1 Voor de toepassing van dit boek en met het oog op de identificatie van de consumenten en de zekerheidsstellers, gebruiken de kredietgevers het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen.

Bij de aanvraag van een kredietovereenkomst deelt de consument het voornoemde identificatienummer mee.

De Bank is gemachtigd om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken in haar relaties met de consumenten en de personen bedoeld in de [2 artikelen VII.149, § 2, eerste lid]2 en VII. 153, § 1.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 22, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.151. [1 Bij de eerste registratie in het negatieve luik, wordt de consument daarvan onverwijld in kennis gesteld door de Bank. Deze kennisgeving moet vermelden :

1° de referentie van de betrokken overeenkomst;
2° de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
3° de naam en het adres van de persoon die de gegevens heeft medegedeeld;
4° het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste;
5° de benaming en het adres van het bevoegde toezichthoudend bestuur bij de FOD Economie en van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.152. [1 Volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels heeft elke consument en elke zekerheidssteller kosteloos toegang tot de op zijn naam geregistreerde gegevens en kan hij, vrij en kosteloos, de rechtzetting vragen van verkeerde gegevens.

In geval van een vraag tot rechtzetting is de Bank ertoe gehouden deze aanvraag over te maken aan de persoon bedoeld in artikel VII. 149, eerste en derde lid, die de gegevens heeft meegedeeld en instaat voor de juiste inhoud ervan. Desgevallend vraagt deze persoon aan de Centrale de verbetering van de geregistreerde gegevens.

In geval van rechtzetting is de Bank ertoe gehouden deze rechtzetting mede te delen aan de personen die inlichtingen van de Centrale hebben verkregen en die de geregistreerde persoon aanduidt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.153. [1 § 1. Volgens de regels die de Koning bepaalt, mag de Bank de inlichtingen slechts meedelen aan :

1° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 1° tot 3°, 6° tot 8° en 10° ;
2° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 4°, in de mate dat deze personen ook beschikken over een vergunning als kredietgever;
3° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 9°, maar enkel met betrekking tot de gegevens van de kredietovereenkomsten die zij op grond van hun activiteit van minnelijke invordering van schulden daadwerkelijk hebben overgenomen;
4° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken.

De buitenlandse kredietcentrales kunnen eveneens mededeling krijgen van de inlichtingen opgenomen in de Centrale, op voorwaarde dat hun doeleinden, de geregistreerde gegevens en de bescherming die zij waarborgen op het vlak van de persoonlijke levenssfeer, gelijkwaardig zijn met die van de Centrale en dat zij hun gegevens, op basis van wederkerigheid, aan de Centrale verstrekken.

De Koning kan, in voorkomend geval, per categorie van personen die mededeling van de in de Centrale opgenomen inlichtingen kunnen krijgen, de mededeling van deze inlichtingen beperken tot bepaalde gegevens of/ de mededeling van bepaalde inlichtingen uitsluiten.

§ 2. De inlichtingen die door de Bank worden medegedeeld mogen enkel gebruikt worden in het raam van het verstrekken van of het beheer van kredieten of betalingsdiensten, die van aard zijn het privévermogen van een natuurlijk persoon te bezwaren en waarvan de uitvoering op het privévermogen kan voortgezet worden.

Deze inlichtingen mogen niet worden gebruikt voor commerciële prospectiedoeleinden.

De personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid,1° en 2° zijn, in voorkomend geval en onder hun verantwoordelijkheid, gemachtigd de kredietbemiddelaar over het geglobaliseerde antwoord van de raadpleging in te lichten, in zoverre de raadpleging heeft plaatsgevonden op basis van een concrete kredietaanvraag waarvoor deze kredietbemiddelaar daden van kredietbemiddeling stelt. Dit geglobaliseerde resultaat kan enkel betrekking hebben op het aantal kredietovereenkomsten en de som van de geregistreerde kredietbedragen. De kredietbemiddelaar kan deze gegevens slechts gebruiken met het oog op het nakomen van zijn verplichtingen bedoeld in de artikelen VII. 69 tot VII. 71, VII. 74 en VII. 75. Eens het kredietdossier is afgesloten door de kredietgever is het geglobaliseerde antwoord niet langer beschikbaar.

De kredietbemiddelaar mag aan de consument of, desgevallend, aan de zekerheidssteller niet vragen om zijn toegangsrecht tot de Centrale uit te oefenen met het oog op het hem overhandigen van het bekomen antwoord.

§ 3. De personen die inlichtingen van de Centrale hebben verkregen moeten de nodige maatregelen treffen om het vertrouwelijk karakter van die inlichtingen te waarborgen.

§ 4. Onverminderd de toepassing van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, is de Bank gemachtigd de in de Centrale geregistreerde gegevens te gebruiken voor wetenschappelijke of statistische doeleinden of in het raam van haar activiteiten uitgevoerd overeenkomstig de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.154.[1 Ter aanvulling van de informatie verkregen bij de raadpleging [2 bedoeld in artikel VII.149, § 1]2 :

1° wordt de Bank gemachtigd om voor rekening van de kredietgevers ondervragingen te verrichten van het bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, bedoeld in artikel 1389bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de gegevens die kunnen worden geraadpleegd;

2° kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij zelf bepaalt, de Bank machtigen voor rekening van de kredietgevers andere bestanden te raadplegen met daarin een overzicht van onbetaalde schulden van consumenten. In dit geval bepaalt de Koning de gegevens die mogen worden geraadpleegd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 24, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Afdeling 3. - [1 Diverse bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.155. [1 De Bank is gemachtigd, aan de personen aan wie de inlichtingen van de Centrale mogen worden verstrekt, de terugbetaling te vragen van de kosten gemaakt voor het inzamelen, het registreren, het beheer, de controle en het ter beschikking stellen van de gegevens van de Centrale.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.156. [1 § 1. Er wordt bij de Bank een Begeleidingscomité opgericht dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de kredietgevers, de consumenten, de Bank, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de minister. De Koning bepaalt de wijze waarop die vertegenwoordigers worden aangewezen alsmede de nadere regels voor de werking van het comité.

§ 2. Het Begeleidingscomité is belast met het uitbrengen van adviezen over :
1° elk ontwerp van besluit opgesteld in uitvoering van dit hoofdstuk, met uitzondering van het besluit bedoeld in § 1;
2° de organisatie van de Centrale en de invloed van de uitbatingprocedures op haar kosten;
3° het ontwerp van jaarlijks budget van de Centrale;
4° het ontwerp van verslag bedoeld in artikel VII. 157.

§ 3. Het Begeleidingscomité is eveneens belast met :
1° het goedkeuren van de jaarrekeningen van de Centrale en het bestemmen van het eventuele exploitatieoverschot;
2° het vaststellen van de structuur en de regels inzake de verdeling van de terugbetaling van de kosten bedoeld in VII. 155;
3° het goedkeuren van de administratieve en technische richtlijnen, bedoeld in artikel VII. 148, § 3;
4° het goedkeuren van de akkoorden betreffende de uitwisseling van inlichtingen met de buitenlandse kredietcentrales volgens de voorwaarden bedoeld in artikel VII. 153, § 1, tweede lid.

§ 4. Het Begeleidingscomité kan aan het College van revisoren van de Bank vragen om de rekeningen van de Centrale te certificeren.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.157. [1 Tenminste éénmaal per jaar brengt de Bank verslag uit over de werking van de Centrale bij de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren.

Dit verslag bevat onder meer :
1° een overzicht van het aantal en de aard van de geregistreerde gegevens;
2° een overzicht van het aantal raadplegingen van de Centrale;
3° een omstandige weergave van de kosten voortvloeiend uit de werking van de Centrale met aanduiding van de eventuele praktische of technische moeilijkheden;
4° een analyse van de evolutie van de wanbetalingen.
Dit verslag wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 28/05/2016 - 14:06
Laatst aangepast op: za, 28/05/2016 - 14:06

Toegang tot de activiteit van de kredietgevers en de kredietbemiddelaars

De wet van 19/04/2014 die per 1 december 2016 van toepassing zal zijn heft de beroeps-en toegangsvoorwaarden bepaald vooor kredietgevers en krediet bemiddelaars in Titel IV hoofdstuk 4 van het WER (Wetboek Economisch recht).
Link naar de geconsolideerde versie

 

Tekst van de wetgeving: 

 HOOFDSTUK 4. - [1 Toegang tot de activiteit van de kredietgevers en de kredietbemiddelaars.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.158. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op elke persoon die in België een activiteit van kredietgever of kredietbemiddelaar uitoefent.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Afdeling 1. [1 Kredietgevers.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.159.[1 § 1. Niemand mag in België de activiteit van kredietgever uitoefenen als hij niet op voorhand van de FSMA een vergunning heeft verkregen of door haar is geregistreerd.

Niemand mag de titel van kredietgever voeren om aan te geven dat hij de in dit boek bedoelde activiteit van kredietgever uitoefent, als hij niet op voorhand van de FSMA een vergunning heeft verkregen of door haar is geregistreerd.

§ 2. Onder "kredietgever inzake hypothecair krediet" wordt een kredietgever verstaan die actief is op het vlak van het hypothecair krediet.

Onder "kredietgever inzake consumentenkrediet" wordt een kredietgever verstaan die actief is op het vlak van het consumentenkrediet.

§ 3. In geval van overdracht van hypothecaire schuldvorderingen onderworpen aan dit boek, is de overnemer, onverminderd de toepassing van de bepalingen inzake consumentenkrediet, onder meer de artikelen VII.102 tot VII.104, eveneens onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en van de artikelen VII.123, VII.124 en VII.146, § 2.]1

[2 Als de overnemer een mobiliseringsinstelling is in de zin van artikel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mobilisering van schuldvorderingen in de financiële sector, is artikel VII. 162 niet op hem van toepassing. De Koning kan bijkomende afwijkingen vaststellen van het eerste lid voor die instellingen of voor andere publieke of financiële rechtspersonen in de zin van artikel 3 van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, met name naargelang het soort uitgevoerde overdracht, het statuut of de organisatorische kenmerken van de overnemer.]2
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 25, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Afdeling 2. - [1 Kredietgevers naar Belgisch recht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. [1 Vergunningsvoorwaarden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.160. [1 § 1. Elke vergunningsaanvraag wordt aan de FSMA gericht overeenkomstig de door de Koning vastgestelde vormen en voorwaarden.

§ 2. Er kan een vergunning worden aangevraagd :
1° hetzij als kredietgever inzake hypothecair krediet;
2° hetzij als kredietgever inzake consumentenkrediet.

De aanvrager verduidelijkt in zijn aanvraag welk soort vergunning hij wenst te verkrijgen.

Beide vergunningen kunnen door dezelfde rechtspersoon worden gecumuleerd.

§ 3. Wanneer de aanvraag een vergunning als kredietgever inzake consumentenkrediet betreft, verduidelijkt de aanvrager :

1° of hij voornemens is verkopen of leningen op afbetaling of financieringshuurovereenkomsten aan te bieden, alsook of hij voornemens is als onmiddellijke overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten op te treden;

2° of hij voornemens is om eveneens kredietopeningen of kredietovereenkomsten aan te bieden waarvoor door of krachtens dit boek in geen enkele bijzondere regel is voorzien, alsook of hij voornemens is als onmiddellijk overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten op te treden.

§ 4. Bij de vergunningsaanvraag wordt een dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de FSMA gestelde voorwaarden en waarin met name de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen, alsook de organisatiestructuur van de instelling en haar nauwe banden met andere personen worden vermeld. De aanvrager verstrekt de FSMA alle voor de beoordeling van zijn aanvraag vereiste inlichtingen.

Elke wijziging van de in het vergunningsdossier vermelde gegevens wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld, onverminderd het recht van de FSMA om bij de betrokkene informatie in te winnen of bewijskrachtige documenten op te vragen.

Het vergunningsdossier bevat ook het bewijs dat de modelkredietovereenkomsten, met inbegrip van de aflossingstabellen, die de kredietgever voornemens is te gebruiken, door de FOD Economie voorafgaandelijk zijn goedgekeurd.

§ 5. De FOD Economie onderzoekt of de modelcontracten beantwoorden aan alle bepalingen van dit boek en van boek VI en hun uitvoeringsbesluiten. De modellen worden voorafgaandelijk ingevuld teneinde onder meer het nazicht van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage mogelijk te maken.
Elke wijziging van de modelcontracten wordt ter voorafgaandelijke goedkeuring voorgelegd aan de FOD Economie.

§ 6. De FSMA verleent een vergunning aan de kredietgevers die voldoen aan de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden. Uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst van een volledig dossier en uiterlijk binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag doet zij uitspraak.

De beslissingen over de vergunning worden met een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de aanvrager.

De FSMA kan haar beslissing tot vergunning of tot weigering van een vergunning, alsook haar beslissing tot ingebrekestelling, tot verbod, tot schorsing en tot intrekking van de vergunning rechtsgeldig ter kennis brengen van de aanvrager aan de hand van voorgedrukte formulieren voorzien van een door middel van een mecanografisch procedé gereproduceerde handtekening.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.161. [1 De kredietgevers zijn opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon, of als rechtspersoon voor de economische samenwerkingsverbanden die geen vennootschappen zijn.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.162. [1 Om een vergunning te kunnen verkrijgen, is een minimumkapitaal vereist dat aan de hand van de volgende regels wordt vastgesteld :

1° minimaal 250.000 euro per categorie van kredietovereenkomst voor de kredietgevers die verkopen of leningen op afbetaling of financieringshuurovereenkomsten aanbieden, alsook voor de kredietgevers die als onmiddellijk overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten optreden;

2° minimaal 2.500.000 euro als de kredietgever kredietopeningen of consumentenkredietovereenkomsten aanbiedt waarvoor door of krachtens de wet in geen enkele specifieke regel is voorzien, alsook voor de kredietgevers die als onmiddellijk overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten optreden;

3° minimaal 2.500.000 euro voor de kredietgevers die hypothecaire kredietovereenkomsten aanbieden, alsook voor de kredietgevers die als onmiddellijke overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor dergelijke kredietovereenkomsten optreden.

Het kapitaal is volgestort ten belope van het in het eerste lid bepaalde minimumbedrag.

Indien de vennootschap reeds bestond voor de aanvraag, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat met kapitaal gelijkgesteld. Op zich moet het kapitaal echter minimaal 175.000 euro in het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, en minimaal 2.000.000 euro in het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, bedragen en voor die bedragen zijn volgestort.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.163. [1 § 1. De FSMA verleent pas een vergunning nadat zij in kennis is gesteld van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende deelneming van ten minste 20 % in het kapitaal van de kredietgever bezitten, of die de kredietgever controleren. De kennisgeving vermeldt welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten.

De vergunning wordt geweigerd wanneer de FSMA, gelet op de noodzaak om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever te waarborgen, niet overtuigd is van de geschiktheid van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen.

§ 2. Wanneer de vergunning wordt aangevraagd door een kredietgever die hetzij de dochteronderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beursvennootschap of een betalingsinstelling, met vergunning in België, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beursvennootschap of een betalingsinstelling, met vergunning in België, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beursvennootschap of een betalingsinstelling, met vergunning in België, raadpleegt de FSMA, vooraleer een beslissing te nemen, de Bank.

Wanneer de vergunning wordt aangevraagd door een kredietgever die hetzij de dochteronderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een betalingsinstelling, met vergunning in een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een betalingsinstelling, met vergunning in een andere lidstaat, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een betalingsinstelling, met vergunning in een andere lidstaat, raadpleegt de FSMA, vooraleer een beslissing te nemen, de nationale toezichthoudende autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de herverzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging of de betalingsinstellingen, waaraan zij krachtens hun recht een vergunning hebben verleend.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.164.[1 § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietgevers en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval, de leden van het directiecomité, zijn uitsluitend natuurlijke personen.

De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken, met name rekening houdend met het verstrekken van kredietovereenkomsten als bedoeld in artikel VII. 160, § 3.

§ 2. De effectieve leiding van de kredietgevers moet aan ten minste twee natuurlijke personen worden toevertrouwd.

§ 3. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietgevers en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval, de leden van het directiecomité, mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden.

Wanneer de FSMA zich dient uit te spreken over de professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid van een persoon die voor het eerst voor een in deze paragraaf bedoelde functie wordt voorgedragen bij een financiële onderneming die, overeenkomstig artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002, onder het toezicht staat van de FSMA, raadpleegt de FSMA eerst de Bank. De Bank deelt haar advies aan de FSMA mee binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 26, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Art. VII.165. [1 § 1. De kredietgevers beschikken over een organisatie die hen in staat stelt te allen tijde de wettelijke en reglementaire verplichtingen na te komen die krachtens dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen voor hen gelden.

Zij voeren met name een organisatie in die hen in staat stelt na te gaan of hun verbonden agenten, alsook de werknemers en de subagenten van die verbonden agenten de wettelijke en reglementaire verplichtingen nakomen die krachtens dit Boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen voor hen gelden, inzonderheid de geldende bepalingen inzake beroepskennis.

Zij voeren een boekhouding op grond waarvan de door de reglementeringen inzake statistiek vereiste inlichtingen kunnen worden verstrekt.

De kredietgevers inzake hypothecair krediet registreren op passende wijze welke soorten onroerende goederen als zekerheid worden aanvaard en welk acceptatiebeleid inzake aanvragen tot hypothecaire kredietverstrekking wordt gehanteerd.

§ 2. Het hoofdbestuur van de kredietgevers moet in België zijn gevestigd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.166.[1 § 1. [2 Onder voorbehoud van de hierna volgende bepalingen, worden de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden]2 permanent vervuld tijdens de uitoefening van het bedrijf.

§ 2. De kredietgevers mogen geen beroep doen op een kredietbemiddelaar die niet overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk is ingeschreven.

Als zij toch een beroep doen op een niet-ingeschreven kredietbemiddelaar, zijn zij burgerrechtelijk aansprakelijk voor de handelingen die deze kredietbemiddelaar in het kader van zijn kredietbemiddelingsbedrijf verricht.

§ 3. Als de kredietgevers kennis hebben van elementen die twijfel kunnen doen rijzen over de naleving van de in dit hoofdstuk vermelde inschrijvingsvoorwaarden door een kredietbemiddelaar op wie zij een beroep doen of gedaan hebben, delen zij die elementen onverwijld mee aan de FSMA.
Zij stellen de FSMA ook in kennis van het feit dat iemand zich als kredietbemiddelaar voordoet zonder in het in dit boek vermelde register te zijn ingeschreven.

§ 4. De kredietgevers treden toe tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen, zoals bedoeld in artikel VII.216, dragen bij tot de financiering van die geschillenregeling en gaan in op elk verzoek om informatie dat zij in het raam van die geschillenregeling ontvangen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Art. VII.167. [1 Het eigen vermogen van de kredietgevers mag niet dalen onder het bedrag van het overeenkomstig artikel VII.162 vastgestelde minimumkapitaal.

In coöperatieve vennootschappen mogen geen aandelen worden terugbetaald als dit voor de kredietgever tot gevolg zou hebben dat hij de bepalingen van het vorige lid niet meer zou naleven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.168. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, geeft iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming in het kapitaal van een kredietgever te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de kredietgever zijn dochteronderneming zou worden, daarvan vooraf schriftelijk kennis aan de FSMA.

De FSMA mag aan die persoon alle inlichtingen vragen die nuttig zijn om te kunnen beoordelen of hij, gelet op de noodzaak om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever te waarborgen, over de nodige kwaliteiten beschikt.
In voorkomend geval, verricht de FSMA de in artikel VII. 163, § 2, vermelde raadplegingen.

§ 2. Binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier kan de FSMA zich tegen de voorgenomen verwerving verzetten, indien zij om gegronde redenen niet overtuigd is van de geschiktheid van de kandidaat-verwerver gelet op de noodzaak om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever te waarborgen.
§ 3. Indien de FSMA grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming van

minstens 20 % in het kapitaal van een kredietgever bezit, of die de kredietgever controleert, een gezond en voorzichtig beleid van deze kredietgever kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij dit hoofdstuk bepaalde maatregelen :

1° de uitoefening schorsen van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen in het bezit van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de FSMA kan haar beslissing openbaar maken;

2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.

Als zij niet binnen de vastgestelde termijn worden overgedragen, kan de FSMA bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de kredietgever die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De in het kader van dergelijke verrichtingen verworven aandeelhoudersrechten worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de FSMA en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester dan wel door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.

Indien, na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de FSMA, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het voor de genoemde beslissingen vereiste aanwezigheids- of meerderheidsquorum, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten, niet zou zijn bereikt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.169. [1 De kredietgevers brengen de FSMA voorafgaandelijk op de hoogte van de voordracht tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de leden van het directiecomité of, wanneer er geen directiecomité is, van de personen belast met de effectieve leiding.
In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking, delen de kredietgevers de FSMA de informatie en documenten mee die haar toelaten te beoordelen of de personen van wie de benoeming wordt voorgesteld, over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken overeenkomstig artikel VII. 164, § 1, tweede lid.

Het eerste lid is ook van toepassing op de voordracht tot hernieuwing van de benoeming van de aldaar bedoelde personen, en op de niet-hernieuwing van hun benoeming en op hun ontslag.

Voor de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen is de voorafgaande goedkeuring van de FSMA vereist.

Wanneer het de voordracht tot benoeming betreft van een persoon die voor het eerst wordt voorgedragen voor een in het eerste lid bedoelde functie bij een financiële onderneming die, met toepassing van artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002, onder het toezicht staat van de FSMA, raadpleegt de FSMA eerst de Bank. De Bank deelt haar advies aan de FSMA mee binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.

De kredietgevers informeren de FSMA over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding, en over de belangrijke wijzigingen in deze taakverdeling.

Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het vorige lid, geven aanleiding tot de toepassing van leden 1 tot 4.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.170. [1 Voor de opening, door de kredietgever, van bijkantoren en dochterondernemingen in het buitenland die een activiteit van kredietgever uitoefenen, is de voorafgaande toestemming van de FSMA vereist.

De FSMA kan zich enkel tegen de uitvoering van het project verzetten als zij van oordeel is dat het project nadelige gevolgen zal hebben voor de organisatie van of het toezicht op de kredietgever.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.171. [1 Elke kredietgever moet de FSMA een vergoeding betalen voor de dekking van de toezichtskosten. Het bedrag van die vergoeding, de gevallen waarin zij verschuldigd is, en de termijnen waarbinnen zij moet worden betaald, worden door de Koning bepaald met toepassing van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.172.[1 De FSMA publiceert op haar website een regelmatig geactualiseerde lijst van de kredietgevers, alsook de historiek van de wijzigingen die tijdens de laatste twaalf maanden in die lijst zijn aangebracht. Die lijst is onderverdeeld als volgt :

Lijst van de kredietgevers inzake hypothecair krediet

1° Kredietgevers inzake hypothecair krediet naar Belgisch recht met een vergunning :

a. Kredietinstellingen;
b. Verzekeringsondernemingen;
c. Instellingen voor elektronisch geld;
d. Betalingsinstellingen;
e. "Sociale" kredietgevers (artikel VII.3, § 4, 2° );
f. Andere kredietgevers.
2° Kredietgevers inzake hypothecair krediet naar buitenlands recht met een vergunning :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte;
b. Verzekeringsgondernemingen;
c. Instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
d. Betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
e. Instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte en waaraan als dusdanig een vergunning is verleend in België;
f. Andere kredietgevers inzake hypothecair krediet naar buitenlands recht.
3° Geregistreerde kredietgevers inzake hypothecair krediet naar buitenlands recht :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
b. Financiële instellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en die dochterondernemingen zijn van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2.
Lijst van de kredietgevers inzake consumentenkrediet
[2 1° Kredietgevers inzake consumentenkrediet naar Belgisch recht met een vergunning :
a. Kredietinstellingen;
b. Beleggingsondernemingen;
c. Instellingen voor elektronisch geld;
d. Betalingsinstellingen;
e. "Sociale" kredietgevers (artikel VII.3, § 4, 2° );
f. Andere kredietgevers.
2° Kredietgevers inzake consumentenkrediet naar buitenlands recht met een vergunning (artikel VII.176) :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte;
b. Andere kredietgevers inzake consumentenkrediet naar buitenlands recht.
3° Geregistreerde kredietgevers inzake consumentenkrediet naar buitenlands recht (artikel VII.174) :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
b. Financiële instellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en een dochteronderneming zijn van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte (artikel 332 van de wet van 25 april 2014);
c. Beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
d. Instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
e. Betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte.]2

[3 De door de FSMA bekendgemaakte lijst vermeldt:
- desgevallend de groep waartoe de kredietgever behoort;
- voor elke kredietgever inzake consumentenkrediet, met verwijzing naar artikel VII.160, § 3, het soort verstrekte kredieten.]3]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 28, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 39, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Art. VII.173.[1 De artikelen VII. 161 tot VII. 164, en VII. 167 tot VII. 169 zijn niet van toepassing op de kredietgevers die hetzij als kredietinstellingen op de in [2 artikel 14 van de wet van 25 april 2014, hetzij als beleggingsonderneming op de in artikel 53 van de wet van 6 april 1995 bedoelde lijst]2 bedoelde lijst, [3 hetzij als verzekeringsondernemingen op de lijst als bedoeld in artikel 31 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]3, hetzij als instellingen voor elektronisch geld op de in artikel 64 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst, hetzij als betalingsinstellingen op de in artikel 9 van deze wet bedoelde lijst zijn ingeschreven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 29, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2016-03-13/07, art. 751, 033; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art.756>

Afdeling 3. - [1 Kredietgevers naar buitenlands recht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Bepaalde gereglementeerde financiële ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.174.[1 § 1. De kredietinstellingen, de financiële instellingen als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014, de beleggingsondernemingen,]2, de instellingen voor elektronisch geld, en de betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat, die op grond van hun nationaal recht consumentenkredietovereenkomsten mogen verlenen in hun lidstaat van herkomst, mogen, via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, in België het bedrijf van kredietgever inzake consumentenkrediet uitoefenen zonder voorafgaande vergunning door de FSMA.

De kredietinstellingen en de financiële instellingen als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2 die op grond van hun nationaal recht hypothecaire kredietovereenkomsten mogen verlenen in hun lidstaat van herkomst, mogen, via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, in België het bedrijf van kredietgever inzake hypothecair krediet uitoefenen zonder voorafgaande vergunning door de FSMA.

§ 2. Zodra de Bank er, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling van in kennis wordt gesteld dat zij kredietovereenkomsten wil sluiten in België, deelt zij dit aan de FSMA mee, samen met de relevante gegevens die haar door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zijn toegezonden.

§ 3. De FSMA deelt aan de betrokken instelling de Belgische wettelijke en reglementaire bepalingen mee die, naar haar weten en in samenspraak met de FOD Economie, van algemeen belang zijn, en stelt haar in kennis van de verplichting om de modellen van hypothecaire kredietovereenkomst of consumentenkredietovereenkomst die zij in België wenst te gebruiken, vooraf aan de FOD Economie voor te leggen. De in dit lid bedoelde bepalingen van algemeen belang worden op de website van de FSMA bekendgemaakt.

Daartoe legt de betrokken instelling de modelkredietovereenkomsten die zij wenst te gebruiken, ter goedkeuring voor aan de FOD Economie. De FOD Economie onderzoekt of de modelcontracten beantwoorden aan de bepalingen van algemeen belang van dit boek en van boek VI en hun uitvoeringsbesluiten. De modellen worden ingevuld teneinde onder meer het nazicht van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage mogelijk te maken. De FOD Economie bezorgt de FSMA een kopie van zijn antwoord aan de aanvrager.

Dezelfde procedure is ook van toepassing op elke wijziging van de modelovereenkomsten.

§ 4. Als de modelovereenkomsten door de FOD Economie worden goedgekeurd, registreert de FSMA de betrokken instelling als kredietgever en stelt zij die instelling daarvan in kennis, waarbij zij een kopie van deze kennisgeving aan de Bank richt.

§ 5. Bij gebrek aan een kennisgeving binnen twee maanden vanaf de datum van de in § 3, eerste lid, bedoelde mededeling mag de instelling de voorgenomen activiteiten aanvatten, na de FSMA en de FOD Economie hiervan op de hoogte te hebben gebracht.

§ 6. Als de FOD Economie de modelovereenkomsten niet goedkeurt, geeft de FSMA de instelling hiervan kennis.

Als de instelling geen rekening houdt met deze kennisgeving, kan de FSMA haar verbieden om in België het bedrijf van kredietgever en, in voorkomend geval, van kredietbemiddelaar uit te oefenen. Deze beslissing wordt met een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de instelling, met een kopie aan de Bank en de FOD Economie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 30, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Art. VII.175. [1 De artikelen VII. 165, § 1, en VII. 166, §§ 2 tot 4, zijn van toepassing op in deze onderafdeling bedoelde instellingen.
De in deze onderafdeling bedoelde instellingen die in België een bijkantoor hebben, zijn onderworpen aan de artikelen VII. 180, § 2, en VII. 184, § 1, tweede lid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Andere kredietgevers naar buitenlands recht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.176.[1 § 1. Deze onderafdeling beoogt de andere vennootschappen naar buitenlands recht dan bedoeld in onderafdeling 1.
De door deze onderafdeling beoogde vennootschappen die ressorteren onder het recht van een derde staat, mogen de activiteit van kredietgever niet uitoefenen in België, tenzij ze er zijn gevestigd.

§ 2. Afdelingen 1 en 2 en de artikelen VII. 180, § 2, en VII. 184, § 1, tweede lid, zijn van toepassing op de in deze onderafdeling bedoelde kredietgevers, met uitzondering van artikel 165, § 2, die niet van toepassing is op de kredietgevers die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en die in België hun bedrijf van kredietgever uitoefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten.

De artikelen VII. 164 en VII. 169 zijn van toepassing op hun effectieve leiding in België, artikel VII. 165, § 1, geldt voor hun Belgische vestiging, en artikel VII. 165, § 2, betreft de verrichtingen die zij op Belgisch grondgebied uitvoeren.
Artikel VII.170 is niet van toepassing op de bijkantoren van vennootschappen naar buitenlands recht.

§ 3. [2 De artikelen VII. 161 tot VII. 164, en VII. 167 tot VII. 169 zijn niet van toepassing op de volgende kredietgevers als bedoeld in deze onderafdeling :

1° de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 14 van de wet van 25 april 2014 bedoelde lijst;

2° de bijkantoren van beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 53 van de wet van 6 april 1995 bedoelde lijst;

3° de verzekeringsondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, actief zijn in België via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten en zijn ingeschreven op de in artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijst;

4° de bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijst;

5° de instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, actief zijn in België via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten en zijn ingeschreven op de in artikel 91 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst;

6° de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 64 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst;

7° de betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, actief zijn in België via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten en zijn ingeschreven op de in artikel 39 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst.]2]1

(NOTA : De wijziging aangebracht bij W 2016-03-13/07, art. 752, 033; Inwerkingtreding : 23-03-2016, kan niet worden uitgevoerd, aangezien de wetgever geen rekening heeft gehouden met de wijziging aangebracht bij W 2015-10-26/06, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015)
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Afdeling 4. [1 Kredietbemiddelaars.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.177. [1 De kredietbemiddelaars worden onderverdeeld in twee categorieën :
1° de bemiddelaars inzake hypothecair krediet;
2° de bemiddelaars inzake consumentenkrediet.
Onder "bemiddelaar inzake hypothecair krediet" wordt een kredietbemiddelaar verstaan die actief is op het vlak van het hypothecair krediet.
Onder "bemiddelaar inzake consumentenkrediet" wordt een kredietbemiddelaar verstaan die actief is op het vlak van het consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.178. [1 Iedere kredietbemiddelaar die is opgericht in de vorm van een rechtspersoon naar Belgisch recht, moet zijn hoofdbestuur in België hebben.
Iedere natuurlijke persoon van Belgische nationaliteit die een activiteit van kredietbemiddelaar uitoefent, moet zijn hoofdbestuur in België hebben.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.179. [1 Elke kredietbemiddelaar moet de FSMA een vergoeding betalen voor de dekking van de toezichtskosten. Het bedrag van die vergoeding, de gevallen waarin zij verschuldigd is, en de termijnen waarbinnen zij moet worden betaald, worden door de Koning bepaald met toepassing van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Afdeling 5. - [1 Bemiddelaars inzake hypothecair krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.180. [1 § 1. Geen enkele bemiddelaar inzake hypothecair krediet waarvan België de lidstaat van herkomst is, mag de activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.

Geen enkele bemiddelaar inzake hypothecair krediet met een ander land dan België als lidstaat van herkomst mag in België de activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen als hij niet op voorhand door de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van herkomst als bemiddelaar inzake hypothecair krediet is ingeschreven.

Geen enkele bemiddelaar inzake hypothecair krediet met woonplaats of maatschappelijke zetel in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, mag in België de activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen als hij niet op voorhand in het door de FSMA bijgehouden register van bemiddelaars inzake hypothecair krediet is ingeschreven.

§ 2. Niettemin is het de kredietgevers inzake hypothecair krediet die, overenkomstig dit hoofdstuk, op rechtsgeldige wijze een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd, toegestaan het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uit te oefenen zonder in het register te zijn ingeschreven, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in § 5 van dit artikel vastgestelde regels;

2° die verantwoordelijken voor de distributie voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als de verantwoordelijken voor de distributie van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet;

3° de andere, door de kredietgever tewerkgestelde personen die, op welke wijze ook, in contact staan met het publiek in de zin van artikel I.9, 79°, van het Wetboek van Economisch Recht, voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis als de door de bemiddelaars inzake hypothecair krediet tewerkgestelde personen die in contact staan met het publiek;

4° zij hebben een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van die verzekering.

De betrokken kredietgevers geven over het bepaalde bij punten 1° en 2° van het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij staan in voor de beroepskennis van de personen als bedoeld in het bepaalde bij 2° en 3° van het vorige lid. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat die personen over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.

§ 3. Niemand mag de titel van bemiddelaar inzake hypothecair krediet of een van de onderverdelingen daarvan voeren om aan te geven dat hij de in deze afdeling bedoelde activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefent, als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.

§ 4. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet worden onderverdeeld als volgt :
1° kredietmakelaars;
2° verbonden agenten;
3° subagenten.

§ 5. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet wijzen één of meer natuurlijke personen als verantwoordelijken voor de distributie aan. Het aantal verantwoordelijken voor de distributie is aangepast aan de organisatie en de activiteiten van de bemiddelaar. De Koning kan dit aantal vaststellen.

De bemiddelaars inzake hypothecair krediet geven over het bepaalde bij het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Inschrijvingsvoorwaarden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.181.[1 § 1. Om in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet te kunnen worden ingeschreven, en om die inschrijving te kunnen behouden, dient de aanvrager van een inschrijving aan de volgende voorwaarden te voldoen :

1° de bemiddelaar, de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, bezitten de vereiste beroepskennis als bepaald door de Koning;

2° de bemiddelaar en de verantwoordelijken voor de distributie beschikken over voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden, noch failliet zijn verklaard, tenzij eerherstel werd verkregen. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen met een gefailleerde gelijkgesteld : de bestuurders en de zaakvoerders van een failliet verklaarde handelsvennootschap van wie het ontslag niet ten minste één jaar vóór de faillietverklaring in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsook iedere andere persoon die, zonder bestuurder of zaakvoerder te zijn, werkelijk bevoegd is geweest om de failliet verklaarde vennootschap te beheren;

3° een burgerlijke beroepsaansprakelijkheids-verzekering sluiten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van die verzekering. De verbonden agenten en de subagenten zijn evenwel vrijgesteld van deze vereiste van beroepsaansprakelijkheidsverzekering, voor zover de kredietgevers of de kredietbemiddelaars voor wie zij optreden, die aansprakelijkheid onvoorwaardelijk op zich nemen;

4° wat hun activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet in België betreft, slechts handelen met ondernemingen of personen die, met toepassing van dit hoofdstuk, een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd voor de uitoefening van die activiteit in België;

5° tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen zoals bedoeld in artikel VII.216 toetreden, bijdragen tot de financiering van die geschillenregeling en ingaan op elk verzoek om informatie dat hij in het raam van die geschillenregeling ontvangt;

6° de aan de FSMA verschuldigde vergoedingen voor de uitoefening van het toezicht betalen;

7° een professioneel e-mailadres meedelen aan de FSMA waarnaar deze op rechtsgeldige wijze alle individuele of collectieve mededelingen kan versturen die zij, ter uitvoering van dit hoofdstuk, verricht.

De bemiddelaars inzake hypothecair krediet, alsook, in het in § 5 bedoelde geval, de centrale instelling leveren het bewijs aan de FSMA, volgens de door haar bij reglement vastgestelde regels, inclusief inzake frequentie, dat de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden nageleefd.

§ 2. Als een rechtspersoon zijn inschrijving als bemiddelaar vraagt, gelden bovendien de volgende bepalingen :

1° de leden van het wettelijk bestuursorgaan [2 en de personen belast met de effectieve leiding]2 van deze rechtspersoon beschikken over de door de Koning vereiste beroepskennis, alsook over voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden, noch failliet zijn verklaard, tenzij eerherstel werd verkregen. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen met een gefailleerde gelijkgesteld : de bestuurders en de zaakvoerders van een failliet verklaarde handelsvennootschap van wie het ontslag niet ten minste één jaar vóór de faillietverklaring in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsook iedere andere persoon die, zonder bestuurder of zaakvoerder te zijn, werkelijk bevoegd is geweest om de failliet verklaarde vennootschap te beheren;

2° de rechtspersoon stelt de FSMA in kennis van de identiteit van de aandeelhouders die de vennootschap controleren; die aandeelhouders moeten, naar het oordeel van de FSMA, geschikt zijn gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid. Elke wijziging in de identiteitsgegevens van de aandeelhouders die de vennootschap controleren, wordt aan de FSMA meegedeeld.

§ 3. De aanvrager van een inschrijving als makelaar inzake hypothecair krediet voegt bij zijn inschrijvingsaanvraag een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent buiten elke exclusieve agentuurovereenkomst of elke andere juridische verbintenis die hem verplicht zijn hele productie of een bepaald deel ervan te plaatsen [2 bij een of meerdere kredietgevers]2.

Elke wijziging in de gegevens waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring op erewoord betrekking heeft, wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld.

§ 4. [2 Wat hun activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet betreft, handelen de subagenten onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van de bemiddelaar inzake hypothecair krediet voor wiens rekening zij handelen, [3 of van een of meerdere kredietgevers inzake hypothecair krediet]3 als zij voor rekening van een verbonden agent handelen. De aanvrager van een inschrijving als subagent toont dit aan in zijn inschrijvingsdossier.

De kredietbemiddelaar [3 of de kredietgever(s) oefenen]3 toezicht uit op de naleving door de subagent van de bepalingen van dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.]2.

§ 5. Onverminderd de voorafgaande paragrafen kunnen meerdere kandidaten hun inschrijvingsaanvraag collectief indienen, indien de naleving van de hun door dit artikel opgelegde verplichtingen door een centrale instelling wordt geverifieerd. Deze centrale instelling moet een kredietgever inzake hypothecair krediet zijn. In dit geval wordt de inschrijvingsaanvraag door de centrale instelling ingediend onder haar verantwoordelijkheid. Zij blijft ook verantwoordelijk voor het toezicht op de permanente naleving van de inschrijvingsvoorwaarden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt hun dossier behandeld alsof het om het dossier van een enkele onderneming ging. Een kredietbemiddelaar die, overeenkomstig deze procedure, in het register van de kredietbemiddelaars is ingeschreven, wordt ambtshalve uit dat register geschrapt als de centrale instelling de intrekking van zijn inschrijving vraagt.

§ 6. Wat zijn activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet betreft, handelt de verbonden agent onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid
[3 van de kredietgever of kredietgevers inzake hypothecair krediet voor wiens of wier rekening hij handelt]3. [2 De aanvrager van een inschrijving als verbonden agent toont dit aan in zijn inschrijvingsdossier.]2.

[3 De kredietgever of kredietgevers oefenen]3 toezicht uit op de naleving door de verbonden agent van de bepalingen van dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.

§ 7.[2 ...]2.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 32, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 40, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Onderafdeling 3. - [1 Inschrijvingsprocedure]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.182.[1 § 1. Elke inschrijvingsaanvraag wordt aan de FSMA gericht overeenkomstig de door de Koning vastgestelde vormen en voorwaarden.

§ 2. Elke wijziging van de in het inschrijvingsdossier vermelde gegevens wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld, onverminderd het recht van de FSMA om bij de betrokkene informatie in te winnen of bewijskrachtige documenten op te vragen.

§ 3. De FSMA schrijft de bemiddelaars inzake hypothecair krediet in die voldoen aan de in onderafdeling 2 vastgestelde voorwaarden. Uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst van een volledig dossier en uiterlijk binnen vier maanden na de indiening van de aanvraag doet zij uitspraak.

§ 4. Het directiecomité van de FSMA kan een door hem aangeduid personeelslid van de FSMA belasten met de kennisgeving van beslissingen tot inschrijving of weigering van inschrijving in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet, alsook van beslissingen tot wijziging, aanmaning, verbod, schorsing en schrapping van de inschrijving.

De FSMA kan de in het vorige lid bedoelde beslissingen op rechtsgeldig wijze ter kennis brengen aan de hand van een voorgedrukt formulier voorzien van een door middel van een mecanografisch procedé gereproduceerde handtekening.

§ 5. De FSMA publiceert op haar website het geactualiseerde register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet, alsook de historiek van de wijzigingen die tijdens de laatste twaalf maanden in dat register zijn aangebracht.

Dat register is onderverdeeld als volgt :

A. Bemiddelaars naar Belgisch recht

Kredietmakelaars

Verbonden agenten

Subagenten

B. Bemiddelaars naar het recht van een andere lidstaat die in België gevestigd zijn als bijkantoor

C. Bemiddelaars naar het recht van een andere lidstaat die in België actief zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten

D. Andere bemiddelaars naar buitenlands recht

Het register vermeldt voor elke bemiddelaar inzake hypothecair krediet :

1° de gegevens die noodzakelijk zijn voor zijn identificatie;

2° de datum waarop hij is ingeschreven;

3° de categorie waarin hij is ingeschreven;

4° de namen van de verantwoordelijken voor de distributie;

5° [3 voor de verbonden agenten: de naam van de kredietgever of kredietgevers inzake hypothecair krediet waarmee zij verbonden zijn en desgevallend de groep waartoe deze kredietgevers behoren;]3

6° [2 voor de subagenten : de naam van de bemiddelaar inzake hypothecair krediet onder wiens verantwoordelijkheid zij hun activiteiten verrichten;]2

7° desgevallend de datum waarop hij is geschrapt;

8° alle andere informatie die de FSMA nuttig acht voor een correcte informatieverstrekking aan het publiek.

De FSMA bepaalt de voorwaarden waaronder de vermelding van de schrapping van een bemiddelaar van de website wordt weggelaten.

§ 6. Bij de indiening van zijn inschrijvingsaanvraag vermeldt de aanvrager in welke categorie van het register hij wenst te worden ingeschreven. Een bemiddelaar kan slechts in een enkele categorie van het register worden ingeschreven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 33, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 41, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Onderafdeling 4. - [1 Vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.183.[1 § 1. Elke in België ingeschreven bemiddelaar inzake hypothecair krediet die voornemens is om voor het eerst in een andere lidstaat activiteiten te verrichten in het kader van de vrijheid van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten, stelt de FSMA hiervan op voorhand in kennis. Het register vermeldt in welke lidstaten de bemiddelaar actief is in het kader van de vrijheid van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten.

Binnen een maand na de kennisgeving stelt de FSMA de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van dit voornemen in kennis, en brengt zij de betrokken bemiddelaar van deze kennisgeving op de hoogte.

De FSMA stelt de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidsta(a)t(en) ook in kennis van de kredietgever(s) met wie de bemiddelaar inzake hypothecair krediet verbonden is, en vermeldt of de kredietgever de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid voor de activiteiten van die bemiddelaar draagt.

[2 De FSMA is bevoegd om de beroepskennis na te gaan van de verantwoordelijken voor de distributie en personen die in contact staan met het publiek, bij de in deze paragraaf bedoelde bemiddelaars inzake hypothecair krediet, die bedrijvig zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte dan België.]2

Wanneer een in deze paragraaf bedoelde bemiddelaar uit het register wordt geschrapt door de FSMA, brengt deze de autoriteiten van de betrokken lidstaten van ontvangst daarvan binnen veertien dagen op de hoogte.

§ 2. De bemiddelaar inzake hypothecair krediet aan wie als dusdanig een toelating is verleend in een andere lidstaat dan België, kan zijn werkzaamheden in België aanvangen, hetzij in het kader van de vrijheid van vestiging, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten, na de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, en nadat die autoriteit de FSMA daarvan op de hoogte heeft gebracht overeenkomstig de desbetreffende Europeesrechtelijke bepaling.

De FSMA publiceert de lijst van die bemiddelaars op haar website en ziet erop toe dat die lijst regelmatig wordt geactualiseerd op basis van de gegevens waarover zij beschikt.

§ 3. De FSMA stelt de betrokken bemiddelaar in kennis van de Belgische wettelijke en reglementaire bepalingen die, voor zover haar bekend en in samenspraak met de FOD Economie, van algemeen belang zijn. De in dit lid bedoelde bepalingen van algemeen belang worden gepubliceerd op de website van de FSMA.

§ 4. Een maand nadat de betrokken bemiddelaar van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst heeft vernomen dat de in § 2 bedoelde kennisgeving werd verricht, kan hij zijn werkzaamheden aanvangen.

§ 5. De in § 2 bedoelde bemiddelaars die in België zijn gevestigd in het kader van de vrijheid van vestiging, dienen de volgende voorwaarden na te leven :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in artikel VII. 180, § 5, vastgestelde regels;

2° die verantwoordelijken voor de distributie voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als de verantwoordelijken voor de distributie van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet naar Belgisch recht;

3° de andere, door de kredietbemiddelaar tewerkgestelde personen die, op welke wijze ook, in contact staan met het publiek [2 in de zin van artikel I.9, 79°]2, voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis als de door de bemiddelaars inzake hypothecair krediet naar Belgisch recht tewerkgestelde personen die in contact staan met het publiek.

[2 § 5bis. De in paragraaf 2 bedoelde bemiddelaars die in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, dienen de volgende voorwaarden na te leven :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in artikel VII. 180, § 5, vastgestelde regels;

2° de Koning bepaalt de vereisten inzake beroepskennis waaraan moet worden voldaan door die verantwoordelijken voor de distributie, alsook door de andere personen die tewerkgesteld zijn door de bemiddelaar en op welke wijze ook in contact staan met het publiek in de zin van artikel I.9, 79°.]2

§ 6. De buitenlandse autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die in België een bijkantoor hebben gevestigd, kunnen, na voorafgaande kennisgeving aan de FSMA, ter plaatse inspecties verrichten bij dat bijkantoor.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 34, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Afdeling 6. - [1 Bemiddelaars inzake consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.184. [1 § 1. Niemand mag in België de activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.

Niettemin is het de kredietgevers inzake consumentenkrediet, die op rechtsgeldige wijze een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd, toegestaan het bedrijf van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uit te oefenen zonder te zijn ingeschreven, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in artikel VII. 185, § 2, vastgestelde regels;

2° de verantwoordelijken voor de distributie voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als de verantwoordelijken voor de distributie van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet;

3° de andere, door de kredietgever tewerkgestelde personen die, op welke wijze ook, in contact staan met het publiek in de zin van artikel I.9, 79°, voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis als de door de bemiddelaars inzake consumentenkrediet tewerkgestelde personen die in contact staan met het publiek;

4° zij hebben een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van die verzekering.

De betrokken kredietgevers geven over het bepaalde bij punten 1° en 2° van het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij staan in voor de beroepskennis van de personen als bedoeld in het bepaalde bij 2° en 3° van het vorige lid. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat die personen over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.

§ 2. Niemand mag de titel van kredietbemiddelaar of een van de onderverdelingen daarvan voeren om aan te geven dat hij de in dit hoofdstuk bedoelde activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefent, als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.185. [1 § 1. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet worden onderverdeeld in :

1° kredietmakelaars;

2° verbonden agenten;

3° agenten in een nevenfunctie.

§ 2. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet wijzen één of meer natuurlijke personen als verantwoordelijken voor de distributie aan. Het aantal verantwoordelijken voor de distributie is aangepast aan de organisatie en de activiteiten van de bemiddelaar. De Koning kan dit aantal vaststellen.

De bemiddelaars inzake consumentenkrediet geven over het bepaalde bij het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Inschrijvingsvoorwaarden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.186.[1 § 1. Om in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet te kunnen worden ingeschreven, en om die inschrijving te kunnen behouden, dient de aanvrager van een inschrijving als kredietmakelaar of als verbonden agent aan de volgende voorwaarden te voldoen :

1° de bemiddelaar, de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, bezitten de vereiste beroepskennis als bepaald door de Koning;

2° de bemiddelaar en de verantwoordelijken voor de distributie beschikken over voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden;

3° een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering hebben gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van de verzekering. De verbonden agenten zijn evenwel vrijgesteld van deze vereiste van beroepsaansprakelijkheidsverzekering, voor zover de kredietgevers voor wie zij optreden, die aansprakelijkheid onvoorwaardelijk op zich nemen;

4° wat hun activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet in België betreft, slechts handelen met ondernemingen of personen die, met toepassing van dit hoofdstuk, een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd voor de uitoefening van die activiteit in België;

5° tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen zoals bedoeld in artikel VII.216 toetreden, bijdragen tot de financiering van die geschillenregeling en ingaan op elk verzoek om informatie dat hij in het raam van die geschillenregeling ontvangt;

6° de aan de FSMA verschuldigde vergoedingen voor de uitoefening van het toezicht betalen;

7° een professioneel e-mailadres meedelen aan de FSMA waarnaar deze op rechtsgeldige wijze alle individuele of collectieve mededelingen kan versturen die zij, ter uitvoering van dit hoofdstuk, verricht.

De in dit artikel bedoelde bemiddelaars, alsook, in het in § 4 bedoelde geval, de centrale instelling leveren het bewijs aan de FSMA, volgens de door haar bij reglement vastgestelde regels, inclusief inzake frequentie, dat de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden nageleefd.

§ 2. Als een rechtspersoon zijn inschrijving als bemiddelaar vraagt, gelden bovendien de volgende bepalingen :

1° de personen die met de effectieve leiding van deze rechtspersoon zijn belast, bezitten de door de Koning vereiste beroepskennis, alsook over de voor de uitoefening van hun taken een voor de uitoefening van hun taken voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden;

2° de rechtspersoon stelt de FSMA in kennis van de identiteit van de aandeelhouders die de vennootschap controleren; die aandeelhouders moeten, naar het oordeel van de FSMA, geschikt zijn gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid. Elke wijziging in de identiteitsgegevens van de aandeelhouders die de vennootschap controleren, wordt aan de FSMA meegedeeld.

§ 3. De aanvrager van een inschrijving als makelaar inzake consumentenkrediet voegt bij zijn inschrijvingsaanvraag een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent buiten elke exclusieve agentuurovereenkomst of elke andere juridische verbintenis die hem verplicht zijn hele productie of een bepaald deel ervan te plaatsen [2 bij een of meerdere kredietgevers]2.

Elke wijziging in de gegevens waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring op erewoord betrekking heeft, wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld.

§ 4. Onverminderd de voorafgaande paragrafen kunnen meerdere kandidaten hun inschrijvingsaanvraag collectief indienen, indien de naleving van de hun door dit artikel opgelegde verplichtingen door een centrale instelling wordt geverifieerd. Deze centrale instelling moet een kredietgever inzake consumentenkrediet zijn. In dit geval wordt de inschrijvingsaanvraag door de centrale instelling ingediend onder haar verantwoordelijkheid. Zij blijft ook verantwoordelijk voor het toezicht op de permanente naleving van de inschrijvingsvoorwaarden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt hun dossier behandeld alsof het om het dossier van een enkele onderneming ging. Een kredietbemiddelaar die, overeenkomstig deze procedure, in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet is ingeschreven, wordt ambtshalve uit dat register geschrapt als de centrale instelling de intrekking van zijn inschrijving vraagt.

§ 5. [2 Wat zijn activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet betreft, handelt de verbonden agent onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid [3 van de kredietgever of kredietgevers inzake consumentenkrediet voor wiens of wier rekening hij handelt]3. De aanvrager van een inschrijving als verbonden agent toont dit aan in zijn inschrijvingsdossier.

[3 De kredietgever of kredietgevers oefenen]3 toezicht uit op de naleving door de verbonden agent van de bepalingen van dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.]2]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 36, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 42, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Art. VII.187.[1 § 1. Om in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet te kunnen worden ingeschreven, en om die inschrijving te kunnen behouden, dient de aanvrager van een inschrijving als agent in een nevenfunctie aan de volgende voorwaarden te voldoen :

1° de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, bezitten de vereiste beroepskennis als bepaald door de Koning;

2° de verantwoordelijken voor de distributie beschikken over de voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Ze mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden;

3° zij hebben een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van de verzekering;

4° wat hun activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet in België betreft, slechts handelen met ondernemingen of personen die, met toepassing van dit hoofdstuk, een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd voor de uitoefening van die activiteit in België;

5° tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen zoals bedoeld in artikel VII.216 toetreden, bijdragen tot de financiering van die geschillenregeling en ingaan op elk verzoek om informatie dat hij in het raam van die geschillenregeling ontvangt;

6° de aan de FSMA verschuldigde vergoedingen voor de uitoefening van het toezicht betalen;

7° een professioneel e-mailadres meedelen aan de FSMA waarnaar deze op rechtsgeldige wijze alle individuele of collectieve mededelingen kan versturen die zij, ter uitvoering van dit hoofdstuk, verricht.

§ 2. De in dit artikel bedoelde bemiddelaars leveren het bewijs aan de FSMA, volgens de door haar bij reglement vastgestelde regels, inclusief inzake frequentie, dat de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden nageleefd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 37, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Onderafdeling 3. - [1 Inschrijvingsprocedure]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.188.[1 § 1. Elke inschrijvingsaanvraag wordt aan de FSMA gericht overeenkomstig de door de Koning vastgestelde vormen en voorwaarden.

§ 2. Elke wijziging van de in het inschrijvingsdossier vermelde gegevens wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld, onverminderd het recht van de FSMA om bij de betrokkene informatie in te winnen of bewijskrachtige documenten op te vragen.

§ 3. De FSMA schrijft de bemiddelaars inzake consumentenkrediet in die voldoen aan de in onderafdeling 2 vastgestelde voorwaarden. Zij doet uitspraak uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst van een volledig dossier en uiterlijk binnen vier maanden na de indiening van de aanvraag.

§ 4. Het directiecomité van de FSMA kan een door hem aangeduid personeelslid van de FSMA belasten met de kennisgeving van beslissingen tot inschrijving of weigering van inschrijving in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet, alsook van beslissingen tot wijziging, aanmaning, verbod, schorsing en schrapping van de inschrijving.

De FSMA kan de in het vorige lid bedoelde beslissingen op rechtsgeldig wijze ter kennis brengen aan de hand van een voorgedrukt formulier voorzien van een door middel van een mecanografisch procedé gereproduceerde handtekening.

§ 5. De FSMA publiceert op haar website het geactualiseerde register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet, alsook de historiek van de wijzigingen die tijdens de laatste twaalf maanden in dat register zijn aangebracht.

Dat register is onderverdeeld als volgt :

1° kredietmakelaars

2° verbonden agenten

3° agenten in een nevenfunctie

[2 Het register vermeldt voor elke bemiddelaar inzake consumentenkrediet :

1° de gegevens die noodzakelijk zijn voor zijn identificatie;

2° de datum waarop hij is ingeschreven;

3° de categorie waarin hij is ingeschreven;

4° desgevallend de datum waarop hij is geschrapt;

5° de naam van de verantwoordelijken voor de distributie;

6° [3 voor de verbonden agenten: de naam van de kredietgever of kredietgevers inzake consumentenkrediet waarmee zij verbonden zijn en desgevallend de groep waartoe deze kredietgevers behoren]3;

7° alle andere informatie die de FSMA nuttig acht voor een correcte informatieverstrekking aan het publiek.]2

[2 De FSMA bepaalt de voorwaarden waaronder de vermelding van de schrapping van een bemiddelaar van de website wordt weggelaten.]2

§ 6. Bij de indiening van zijn inschrijvingsaanvraag vermeldt de aanvrager in welke categorie van het register hij wenst te worden ingeschreven. Een bemiddelaar kan slechts in een enkele categorie van het register worden ingeschreven. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 38, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 43, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

TITEL 5. - [1 Burgerlijke sancties.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

HOOFDSTUK 1. [1 Betalingsdiensten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.189. [1 Tenzij de betalingsdienstaanbieder bewijst dat de betaler bedrieglijk heeft gehandeld, blijft de betalingsdienstaanbieder aansprakelijk jegens de betaler voor alle gevolgen van het gebruik van een betalingsinstrument door een niet gerechtigde derde in geval van niet-naleving door de betalingsdienstaanbieder van de verplichtingen die hij heeft op grond van de artikelen VII. 13, 5°, a) en c) en VII. 31, 1° en 3°.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.190. [1 Bij niet-naleving door de betalingsdienstaanbieder van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel VII. 55, § 1, en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, wordt de betalingsdienstgebruiker van rechtswege ontslagen van het betalen van de gevraagde kosten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.191. [1 Bij niet-naleving door de betalingsdienstaanbieder van de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen VII. 12, VII. 13, 2° tot 6°, VII. 14 en VII. 15, VII. 20, VII. 22, tweede lid, VII. 24, VII. 28, VII. 31, VII. 35, eerste lid, VII. 37, VII. 38, § 2,VII. 39 enVII. 40, VII. 42, VII. 44 tot VII.47, VII. 49 tot VII. 51, VII. 55 en VII. 56 kan de betalingsdienstgebruiker, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de raamovereenkomst met een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zonder kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de niet-nageleefde verplichtingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.192. [1 Bij niet-naleving door de uitgever van elektronisch geld van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel VII. 61, en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties :

1° wordt de houder van elektronisch geld van rechtswege ontslagen van de eventuele vergoeding die samenhangt met de terugbetaling;

2° kan de houder van elektronisch geld, de overeenkomst elektronisch geld, en in voorkomend geval de raamovereenkomst inzake betalingsdiensten, met een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zonder kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de niet-nageleefde verplichtingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.193. [1 Wanneer de betalingsdienstaanbieder de informatievereisten bedoeld in artikel 5 (2) en (3). van de Verordening (EU) nr. 260/2012, die nodig zijn voor de correcte uitvoering van een betalingstransactie, niet naleeft of, desgevallend, niet waarborgt dat deze worden nageleefd, kan de betalingsdienstgebruiker, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de toepassing vragen van vergoedende maatregelen voor de schade te wijten aan de niet naleving van de verplichtingen.

De betalingsdienstaanbieder is aansprakelijk jegens de betaler voor de gevolgen van de uitvoering van een betalingstransactie die in strijd is met de door de betaler gegegeven opdracht overeenkomstig artikel 5 (3) d), van de Verordening (EU) nr. 260/2012. Hij dient de gedebiteerde betaalrekening onverwijld te herstellen zoals die zou zijn geweest mocht de voormelde opdracht wel zijn nageleefd. De betaler heeft ook recht op aanvullende vergoedingen voor eventueel verdere financiële gevolgen.

Wanneer de begunstigde die geen consument is, de informatievereisten bedoeld in artikel 5 (4) van Verordening (EU) nr. 260/2012, die nodig zijn voor de correcte uitvoering van een betalingstransactie, niet naleeft of, desgevallend, niet waarborgt dat deze worden nageleefd, kan de betalingsdienstgebruiker, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de toepassing vragen van vergoedende maatregelen voor de schade te wijten aan de niet naleving van de verplichtingen. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

HOOFDSTUK 2. [1 Consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.194. [1 Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs van het goed of de dienst bij contante betaling of tot het ontleende bedrag en dit met behoud van het voordeel van de betaling in termijnen wanneer de kredietovereenkomst werd gesloten naar aanleiding van een in artikel VII. 67 bedoelde onwettige verkoopmethode.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.195.[1 Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag,wanneer de kredietgever de in artikel VII. 78, § 1, tweede lid, § 2, 5° tot 9°, § 3, 1° tot 7°, 11°, 13° en 14° bedoelde vermeldingen niet naleeft.

De rechter kan een gelijkaardige maatregel nemen wanneer de kredietgever :
1° de in artikel VII. 78, § 2, 1° tot 4°, § 3, 8° tot 10°, 12° en 15°, bedoelde vermeldingen niet naleeft;
2° de verplichtingen bedoeld in artikel VII. 77, § 1, tweede lid, niet naleeft.

De rechter vermindert de verplichtingen van de steller van een zekerheid en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag, wanneer de kredietgever de [2 in artikel VII.110]2 opgenomen bepalingen niet naleeft.

In geval van vermindering van de verplichtingen van de consument behoudt deze het voordeel van de betaling in termijnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 39, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.196.[1 De verplichtingen van de consument zijn van rechtswege beperkt tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag wanneer :

1° de kredietgever een kredietovereenkomst toegezegd heeft tegen een percentage dat hoger ligt dan het percentage dat de Koning met toepassing van artikel VII. 94 heeft vastgesteld;

2° de kredietgever de bepalingen bedoeld in artikel VII. 95 niet heeft nageleefd of miskend;

3° de overdracht van de overeenkomst ofwel de overdracht of de indeplaatsstelling in de rechten voortvloeiend uit een kredietovereenkomst, gebeurd is zonder inachtneming van de in artikel VII. 102 gestelde voorwaarden;

4° een kredietovereenkomst is gesloten :

a) door een niet-vergunde of niet-geregistreerde kredietgever conform de geldende wettelijke of reglementaire bepalingen op het moment van de kredietverlening;

b) door een kredietgever die voorheen afstand had gedaan van die registratie of vergunning;

c) door bemiddeling van een niet-ingeschreven kredietbemiddelaar conform de geldende wettelijke of reglementaire bepalingen op het moment van de kredietverlening;

d) door een kredietgever wiens vergunning of registratie wasgeschrapt, herroepen of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV.67/3;

e) door bemiddeling van een kredietbemiddelaar wiens inschrijving voorheen was geschrapt of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV.68;

5° de kredietgever de bepalingen bedoeld in de artikelen VII. 87 niet heeft nageleefd of heeft miskend.

Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de betrokken kredietgever een kredietinstelling, een instelling voor elektronisch geld, een betalingsinstelling die ressorteert onder het recht van een andere EER-lidstaat, of een financiële instelling als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2 is, die krachtens haar nationaal recht gemachtigd is om consumentenkredietovereenkomsten te verlenen in haar lidstaat van herkomst en die haar activiteit in België uitoefent via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten zonder dat de ter zake door de toepasselijke Europese richtlijnen opgelegde formaliteiten zijn vervuld.

In deze gevallen behoudt de consument het voordeel van de betaling in termijnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 40, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.197. [1 De consument kan de terugbetaling eisen van de door hem gestorte bedragen, verhoogd met de som van de wettelijke intresten, wanneer een betaling gebeurd is ondanks het in de artikelen VII. 79, VII. 90 en VII. 114, § 1, bedoelde verbod, of wanneer zij is gebeurd in het raam van een in artikel VII. 115 verboden schuldbemiddeling.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.198. [1 Wanneer, ondanks het in artikel VII. 90, § 1, eerste lid, bedoelde verbod, de kredietgever of de kredietbemiddelaar een bedrag stort of een levering van een goed of een dienst verricht, is de consument niet gehouden dat bedrag terug te betalen, de geleverde dienst of het geleverde goed te betalen noch dit laatste terug te zenden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.199. [1 Wanneer van de consument of de steller van een zekerheid straffen of schadevergoedingen worden gevraagd waarin dit boek niet voorziet, worden zij van rechtswege daarvan volledig ontslagen.

Indien de rechter bovendien oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen, onder meer in de vorm van strafbedingen, bij niet-uitvoering van de overeenkomst, overdreven of onverantwoord zijn, kan hij deze ambtshalve verminderen of de consument er geheel van ontslaan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.200. [1 In geval van niet naleving van de bepalingen bedoeld in de artikelen VII. 106, § 4, VII. 86, §§ 2 tot 4 en VII. 99, wordt de consument van rechtswege ontslagen van de interesten en de kosten voor de periode waarop de inbreuk betrekking heeft.

Indien de consument, in weerwil van het verbod van artikel VII. 87, § 3, tot wedersamenstelling van het kapitaal van het krediet is overgegaan, kan hij de onmiddellijke terugbetaling van het wedersamengestelde kapitaal eisen, inclusief de verworven intresten, dan wel de terugbetaling van het krediet, tot beloop van het wedersamengestelde kapitaal inclusief de verworven intresten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.201.[1 Onverminderd de andere gemeenrechtelijke sancties, kan de rechter de consument ontslaan van het geheel of van een gedeelte van de nalatigheidsintresten en zijn verplichtingen verminderen tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag wanneer :

1° de kredietgever de verplichtingen bedoeld in de artikelen VII. 69, VII. 70, VII. 72, VII. 74, VII. 75 et VII. 77 niet heeft nageleefd;

2° de kredietbemiddelaar de verplichtingen in de artikelen VII. 69, § 1, eerste lid, VII. 70, VII. 71, VII. 74, VII. 75 [2 VII.112 en VII.113, § 1°]2 niet heeft nageleefd;

3° de vormvereisten als bepaald in artikel VII. 76 betreffende het sluiten van de kredietovereenkomst niet in acht werden genomen.

In die gevallen behoudt de consument het voordeel van de betaling in termijnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 41, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.202. [1 De consument is ontslagen van de intresten voor het gedeelte van de betalingen vóór de levering van het goed of de dienstverlening, verricht in strijd met de bepalingen van artikel VII. 91, eerste en vierde lid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.203. [1 De niet-naleving van de bepalingen van artikel VII. 84, eerste lid, verleent de consument het recht de nietigverklaring van de koop- of dienstverleningsovereenkomst te vorderen en van de verkoper of dienstverlener, de terugbetaling te vorderen van de door hem reeds verrichte betalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.204. [1 Wanneer de consument heeft nagelaten de inlichtingen bedoeld in artikel VII. 69 te verstrekken of wanneer hij onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan de rechter, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de ontbinding van de overeenkomst ten laste van de consument bevelen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.205. [1 Hij die, in strijd met artikel VII. 88, een wissel of een orderbriefje doet ondertekenen of een cheque in ontvangst neemt ter betaling of als zekerheid van de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van het verschuldigde bedrag, is ertoe gehouden aan de consument de totale kosten van het krediet voor de consument terug te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.206. [1 De steller van een zekerheid wordt vrijgesteld van elke verplichting indien hij niet overeenkomstig artikel VII. 109, § 1, voorafgaandelijk een exemplaar van het kredietcontract heeft ontvangen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.207. [1 Indien het lichamelijk roerend goed in strijd met de bepalingen van artikel VII. 108 wordt teruggenomen, is de kredietovereenkomst ontbonden. De kredietgever is ertoe gehouden de gestorte bedragen binnen de dertig dagen volledig terug te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.208.[1 Geen enkele commissie is verschuldigd wanneer de kredietovereenkomst ontbonden of verbroken wordt of het voorwerp uitmaakt van een termijnverval en de kredietbemiddelaar de bepalingen [2 van artikel VII.113]2 niet heeft nageleefd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

HOOFDSTUK 3. - [1 Hypothecair krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.209.[1 § 1. Indien de kredietgever de verplichtingen of verbodsbepalingen, vervat in titel 4, hoofdstuk 2, of in de in uitvoering ervan genomen besluiten, schendt, mag de consument op ieder ogenblik en zonder enige vergoeding het krediet terug betalen. Indien de consument van dit recht gebruik maakt en de debetrentevoet niet kan worden bepaald doordat de vestigingsakte niet de nodige elementen bevat, worden de gelopen interesten berekend aan de wettelijke rentevoet.

Het vorige lid geldt niet indien de kredietgever bewijst dat de bedoelde schending de consument geen nadeel heeft berokkend.

§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde rechtsmiddel doet geen afbreuk aan alle overige rechten of middelen van verhaal die de consument kan doen gelden.

§ 3. Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties worden de verplichtingen van de kredietnemer van rechtswege verminderd tot het ontleende bedrag, wanneer een kredietovereenkomst is gesloten :

a) door een niet-ingeschreven, niet-geregistreerde of niet-vergunde kredietgever conform de geldende wettelijke of reglementaire bepalingen op het moment van de verlening van het hypothecair krediet;

b) door een kredietgever die voorheen afstand had gedaan van die inschrijving, registratie of vergunning;

c) door een kredietgever wiens vergunning, inschrijving of registratie voorheen was ingetrokken, geschrapt, herroepen of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV. 67/3;

d) door bemiddeling van een niet-ingschreven kredietbemiddelaar of een kredietbemiddelaar wiens inschrijving voorheen was geschrapt of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV.68.

In die gevallen behoudt de kredietnemer behoudt het voordeel van de termijn en van de spreiding van de terugbetaling.

§ 4. Paragraaf 3 is niet van toepassing :

- wanneer de betrokken kredietgever een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere EER-lidstaat, of een financiële instelling als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2 is, die krachtens haar nationaal recht gemachtigd is om hypothecaire kredietovereenkomsten te verlenen in haar lidstaat van herkomst en die haar activiteit in België uitoefent via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten zonder dat de ter zake door de toepasselijke Europese richtlijnen opgelegde formaliteiten zijn vervuld;

- wanneer de betrokken bemiddelaar een bemiddelaar inzake hypothecair krediet is als bedoeld in artikel VII. 183, § 2, en de ter zake door de toepasselijke Europese richtlijnen opgelegde formaliteiten niet zijn vervuld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 43, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.210. [1 Zijn van rechtswege nietig :

1° de toevoeging of aanhechting van een ander contract dan bedoeld in de artikelen VII. 125 en VII. 126;

2° de verplichting effecten te verwerven in strijd met artikel VII. 137;

3° de verplichting tot betaling van premies of tot enig sparen, in strijd met artikel VII. 138.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.211. [1 Indien aan de verplichting vervat in artikel VII. 135, eerste lid, niet voldaan werd, zijn de rechten van de kredietgever en de verplichtingen van de consument beperkt tot het gedeelte van het kapitaal dat werkelijk in gereed geld of op girale wijze betaald werd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.212. [1 Hij die ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet een wissel of een orderbriefje doet ondertekenen of een dergelijk handelspapier ter betaling voorlegt zonder de bepalingen van artikel VII. 139 na te leven, is ertoe gehouden de opgelopen rente van de kredietovereenkomst aan de consument terug te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.213. [1 Wanneer, wegens het niet-naleven van artikel VII. 140 :

1° het niet mogelijk is de bedragen der aflossingsstortingen te bepalen, is de consument niet verplicht dergelijke stortingen te doen;

2° het niet mogelijk is de tijdstippen te bepalen waarop en de voorwaarden waaronder de periodieke lasten, de interesten of de wedersamenstellingsstortingen verschuldigd zijn, is de consument maar verplicht ze te betalen op de verjaardata van het krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.214. [1 Wanneer, wegens het niet-naleven van artikel VII. 140, § 2, de verplichtingen die voortvloeien uit de toevoeging niet aangeduid zijn in het toegevoegd contract, verliest het deze hoedanigheid en is de consument niet verplicht tot enige wedersamenstelling. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

HOOFDSTUK 4. - [1 Gemeenschappelijke bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.215. [1 Na het verstrijken van een termijn van tien dagen te rekenen van de uitspraak, is de griffier van de rechtbank of van het hof ertoe gehouden de minister op de hoogte te brengen van elk vonnis of arrest dat toepassing maakt van één of meerdere burgerlijke of strafrechtelijke sancties.

De griffier is er eveneens toe gehouden de minister elk beroep tegen dergelijke beslissing onverwijld mee te delen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

TITEL 6. - [1 Buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.216.[1 Er wordt een buitengerechtelijke klachtenregeling inzake financiële diensten ingesteld met als doel geschillen tussen een betalingsdienstaanbieder, kredietgever of kredietbemiddelaar aan de ene kant, en een consument, aan de andere kant, te helpen oplossen door hierover advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar.

Deze ombudsdienst voor financiële diensten is een onafhankelijk orgaan dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel XVI.25 van het Wetboek van economisch recht.]1

[2 De betalingsdienstaanbieders zijn gehouden zich aan te sluiten bij deze ombudsdienst.]2
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 44, 028; Inwerkingtreding : 30-10-2015>

TITEL 7. [1 Slotbepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.217. [1 De koninklijke besluiten welke worden vastgesteld op grond van de artikelen VII. 3, VII. 57 tot VII. 59, VII. 64, VII. 90, § 1, derde lid, VII. 94, VII. 95, VII. 86, § 3, tweede lid, VII. 101 en VII. 114, § 3 van dit boek worden door de minister voor advies voorgelegd aan de Raad voor het Verbruik. De minister bepaalt de termijn waarbinnen het advies wordt gegeven. Na deze termijn is het advies niet meer vereist.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.218. [1 Onverminderd de andere raadplegingsvereisten die door dit boek zijn opgelegd, oefent de Koning de bevoegdheden uit welke Hem zijn toegekend door de artikelen VII.118, VII.120 en VII.122 na raadpleging van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen VII. 148, VII. 149, VII. 153 en VII. 154 worden door de minister voor advies voorgelegd aan de Raad voor het Verbruik, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het Begeleidingscomité. De minister bepaalt de termijn binnen welke het advies wordt gegeven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.219. [1 De Koning oefent de bevoegdheden, Hem toegekend door de bepalingen van de artikelen VII. 3, VII. 64, VII. 86, § 3, tweede lid, VII. 90, § 1er, derde lid, VII. 94, VII. 95, VII. 101, VII. 120 tot VII. 122 uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers bevoegd voor Economie en Financiën, na raadpleging van de Bank. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.220. [1 De besluiten tot uitvoering van titel 4, hoofdstuk 4, worden genomen op advies van de FSMA. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie W 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 28/05/2016 - 13:40
Laatst aangepast op: za, 28/05/2016 - 13:40

Wet Consumentenkrediet als deel van het WER

Afkondiging: 
zat, 19/04/2014

De wet consumentenkredeiet werd herschreven en opgenomen in het wetboek van economisch recht onder titel 4 kredieten:

TITEL 4.  Kredietovereenkomsten

consumenetenkrediet

Tekst van de wetgeving: 

TITEL 4. [1 Kredietovereenkomsten.]1
----------
 

HOOFDSTUK 1. [1 Consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 1. [1 Kredietpromotie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 1. [1 Reclame.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.64. [1 § 1. Alle reclame waarin een rentevoet of cijfers betreffende de kosten van het krediet voor de consument worden vermeld, bevat op een duidelijke, beknopte, opvallende en desgevallend hoorbare wijze aan de hand van een representatief voorbeeld de volgende standaardinformatie :

1° de debetrentevoet, vast en/of veranderlijk, alsook nadere informatie over eventuele kosten die in de totale kosten van het krediet voor de consument zijn opgenomen;

2° het kredietbedrag;

3° het jaarlijkse kostenpercentage;

4° de duur van de kredietovereenkomst;

5° in geval van een krediet in de vorm van uitstel van betaling voor een bepaald goed of een bepaalde dienst, de contante prijs en het bedrag van eventuele voorschotten, en

6° in voorkomend geval, het totale door de consument te betalen bedrag en het bedrag van de afbetalingstermijnen.

De Koning bepaalt voor iedere reclame, wat ook de gebruikte drager is, de grootte van de lettertekens inzake informatie met betrekking tot de aard van de verrichting, haar duur, de vaste of veranderlijke aard van de debetrentevoet, het bedrag van de aflossingen, het jaarlijkse kostenpercentage, en, indien het om een promotiepercentage gaat, de periode gedurende de welke dit percentage wordt toegepast.

Het kredietbedrag is gebaseerd op het gemiddelde kredietbedrag dat, naargelang het soort van kredietovereenkomst waarvoor reclame wordt gemaakt, representatief is voor de aanbiedingen van de kredietgever of de kredietbemiddelaar. Indien er meerdere soorten van kredietovereenkomsten tegelijkertijd worden aangeboden dient er voor iedere soort kredietovereenkomst een afzonderlijk representatief voorbeeld te worden gegeven.

§ 2. Elke reclame met betrekking tot consumentenkrediet vermeldt de volgende boodschap :

"Let op, geld lenen kost ook geld.".

De Koning bepaalt desgevallend, wat ook de gebruikte drager is, de grootte van de lettertekens van deze boodschap.

§ 3. Indien in verband met de kredietovereenkomst het sluiten van een contract voor een nevendienst, onder meer een verzekering, verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen, en de kosten van die dienst niet vooraf bepaald kunnen worden, moet de verplichting tot het sluiten van die overeenkomst ook op een duidelijke, beknopte, opvallende en hoorbare wijze, tezamen met het jaarlijkse kostenpercentage worden vermeld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.65. [1 § 1. Verboden is elke reclame voor een kredietovereenkomst die specifiek gericht is op :

1° het aanzetten van de consument, die het hoofd niet kan bieden aan zijn schulden, tot het opnemen van krediet;

2° het benadrukken van het gemak of de snelheid waarmee het krediet kan worden verkregen;

3° het aansporen tot hergroepering of centralisatie van lopende kredieten of die tot uiting brengt dat lopende kredietovereenkomsten bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een ondergeschikte rol spelen.

§ 2. Is eveneens verboden elke reclame voor een kredietovereenkomst die :

1° verwijst naar een vergunning, een registratie of een inschrijving als kredietgever of kredietbemiddelaar;

2° door verwijzing naar het maximale jaarlijkse kostenpercentage of naar de wettelijkheid van de toegepaste kostenpercentages de indruk wekt dat deze de enige zijn die kunnen worden toegepast.

Iedere verwijzing naar het wettelijk toegestane maximale jaarlijkse kostenpercentage en naar de wettelijk toegestane maximale debetrentevoet moet ondubbelzinnig, leesbaar en goed zichtbaar of, in voorkomend geval, hoorbaar worden voorgesteld en moet het wettelijk toegestane maximale jaarlijkse kostenpercentage nauwkeurig aanduiden;

3° aanduidt dat een kredietovereenkomst kan worden gesloten zonder informatie die zou toelaten de financiële toestand van de consument na te gaan;

4° een andere identiteit, adres of hoedanigheid vermeldt dan door de adverteerder opgegeven in het raam van zijn vergunning, registratie of inschrijving als kredietgever of kredietbemiddelaar;

5° om een kredietsoort aan te duiden enkel een benaming hanteert die verschilt van degene die door dit boek worden aangewend;

6° voordeeltarieven vermeldt zonder opgave van de bijzondere of beperkende voorwaarden waaraan de toekenning van deze tarieven is onderworpen;

7° aanduidt met bewoordingen, tekenen of symbolen dat het kredietbedrag ter beschikking wordt gesteld in baar geld of contant;

8° de vermelding "gratis krediet "of een gelijkaardige vermelding, anders dan de verwijzing naar het jaarlijkse kostenpercentage, bevat;

9° een daad in de hand werkt die beschouwd moet worden als een niet-naleving van of een inbreuk op dit boek of zijn besluiten]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.66. [1 Wanneer reclame tegelijk betrekking heeft op consumentenkrediet als hypothecair krediet of eveneens kredietovereenkomsten betreft die buiten het toepassingsgebied van dit boek vallen en de reclameboodschap niet op een duidelijke, opvallende en desgevallend hoorbare wijze aanduidt welke informatie betrekking heeft op welke kredietovereenkomst dan zijn de bepalingen van deze onderafdeling van toepassing op de ganse reclame.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Leuren]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.67. [1 Het leuren voor kredietovereenkomsten is verboden. Wordt als leuren beschouwd :

1° het bezoek van de kredietgever of de kredietbemiddelaar, aan de woonplaats, de verblijfplaats of de werkplaats van de consument, alsook aan de woonplaats of de verblijfplaats van een andere consument, ter gelegenheid waarvan een kredietaanbod wordt geformuleerd of een kredietaanvraagformulier of een kredietovereenkomst ter ondertekening aan de consument wordt voorgelegd, behalve wanneer de kredietgever of de kredietbemiddelaar zich aldaar heeft begeven op uitdrukkelijk en voorafgaandelijk verzoek van de consument. Het bewijs van dat verzoek kan alleen geleverd worden door een van het kredietaanbod, het kredietaanvraagformulier of de kredietovereenkomst onderscheiden duurzame drager, opgesteld voor het bezoek;

2° het benaderen van de consument door de kredietgever of de kredietbemiddelaar om hem een bezoek voor te stellen;

3° het versturen naar de consument, aan de hand van om het even welk communicatiemiddel, van een kredietaanbod, een kredietmiddel of een betaalinstrument, behalve indien de kredietgever dit heeft overgemaakt op uitdrukkelijk en voorafgaandelijk verzoek van de consument tenzij dit versturen gebeurde om te voldoen aan zijn verplichtingen krachtens de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 2 van titel 3 van boek VI. Het bewijs van dit verzoek kan alleen geleverd worden door een van het kredietaanbod of de kredietovereenkomst onderscheiden duurzame drager, opgesteld voor het versturen van het betaalinstrument, het kredietmiddel of het kredietaanbod;

4° het organiseren van verkooppunten of het benaderen van de consument met het oog op het hem aanbieden van een krediet op de plaatsen bedoeld in artikel 4, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten;

5° het benaderen van een consument ter gelegenheid van een uitstap georganiseerd door of voor rekening van een verkoper of een dienstverlener, of van een kredietgever of een kredietbemiddelaar, met als doel de consument aan te zetten goederen of diensten te verwerven, tenzij dit doel duidelijk en vooraf werd kenbaar gemaakt aan de consument als zijnde het hoofddoel van de beoogde uitstap. Het bewijs van deze kennisgeving rust op de persoon die de uitstap organiseert.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 3. - [1 Promotieaanbiedingen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.68. [1 Het is de verkoper van goederen of diensten verboden om prijsverminderingen te koppelen aan het opnemen van krediet, het gebruik van een kredietopening of van een hiermee verbonden kaart of betaalinstrument.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 2. - [1 Totstandkoming van de kredietovereenkomst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Inlichtingen te vragen door de kredietgever en de kredietbemiddelaar.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.69. [1 § 1. In het raam van het beoordelen van de kredietwaardigheid vragen de kredietgever en de kredietbemiddelaar aan de consument die om een kredietovereenkomst verzoekt en, in voorkomend geval, aan de steller van een persoonlijke zekerheid, de juiste en volledige informatie die de kredietgever noodzakelijk acht om hun financiële toestand en hun terugbetalingsmogelijkheden te beoordelen. De consument en de steller van een zekerheid zijn ertoe gehouden daarop juist en volledig te antwoorden.

In geen enkel geval mag de gevraagde informatie betrekking hebben op het ras, de etnische afstamming, het seksueel gedrag, de gezondheid, de overtuigingen of activiteiten op politiek, levensbeschouwelijk of godsdienstig gebied of het lidmaatschap van een vakbond of van een ziekenfonds.

§ 2. De kredietgever of desgevallend de kredietbemiddelaar legt respectievelijk aan de consument en aan de persoonlijke zekerheidssteller een kredietaanvraagformulier of, desgevallend, een informatieaanvraagformulier voor onder de vorm van een vragenlijst met een beschrijving van alle informatie gevraagd door de kredietgever en/of de kredietbemiddelaar overeenkomstig § 1, eerste lid. Met het oog op de bewijslevering van de verbintenissen die voortvloeien uit dit artikel is de kredietgever gehouden dit formulier te bewaren zolang het opgenomen krediet niet werd terugbetaald.

De informatie verstrekt door de consument of door de persoonlijke zekerheidssteller mag slechts worden meegedeeld aan en uitsluitend verwerkt worden door de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, en, desgevallend, door de kredietbemiddelaar.

De vragenlijst heeft minstens betrekking op het doel van het krediet, het inkomen, de personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, deze lijst aanvullen ingeval het kredietbedrag 3.000 euro overschrijdt.

De vragenlijst vermeldt de bestanden die, overeenkomstig artikel VII. 79, zullen worden geraadpleegd.

Onverminderd § 1, is het eerste lid niet van toepassing in geval het kredietbedrag 500 euro niet overschrijdt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Precontractuele informatie]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.70. [1 § 1. Te gelegener tijd, voordat de consument door een kredietovereenkomst of een kredietaanbod wordt gebonden, verstrekt de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar op basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en de eventueel door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de gepersonaliseerde informatie noodzakelijk om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst.

Die informatie wordt, op een duurzame drager verstrekt met behulp van het formulier "Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (SECCI)" in bijlage 1 bij dit boek.

De kredietgever en, desgevallend, de kredietbemiddelaar worden inzake consumentenkrediet geacht te hebben voldaan aan de voorschriften van deze paragraaf en van artikel VI. 55, § 1, van het Wetboek van economisch recht, wanneer zij de SECCI hebben verstrekt.

Deze informatie heeft betrekking op :

1° het soort krediet;

2° de identiteit, met inbegrip van het ondernemingsnummer, van de kredietgever en desgevallend van de betrokken kredietbemiddelaar evenals hun geografisch adres dat relevant is voor de betrekkingen met de consument;

3° het kredietbedrag en de voorwaarden voor kredietopneming;

4° de duur van de kredietovereenkomst;

5° in geval van een krediet in de vorm van uitstel van betaling voor een goed of een dienst en gelieerde kredietovereenkomsten, het goed of de dienst en de contante prijs daarvan;

6° de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen en, voor zover beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet en de termijnen, de voorwaarden en de procedure voor wijziging daarvan. Indien naargelang van de verschillende omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden toegepast, wordt deze informatie met betrekking tot alle toepasselijke debetrentevoeten verstrekt;

7° het jaarlijkse kostenpercentage en het totale door de consument te betalen bedrag, aan de hand van een representatief voorbeeld en met vermelding van alle voor de berekening van dit percentage gebruikte veronderstellingen. Indien de consument de kredietgever in kennis heeft gesteld van één of meer elementen van het krediet waarnaar zijn voorkeur uitgaat, zoals de duur van de kredietovereenkomst en het kredietbedrag, houdt de kredietgever met deze elementen rekening. Indien een kredietovereenkomst verschillende mogelijkheden van kredietopneming met verschillende kosten of debetrentevoeten biedt en de kredietgever gebruikmaakt van een veronderstelling te bepalen door de Koning die dit geval weerspiegelt, geeft hij aan dat andere kredietopnemingsmechanismen voor dat soort kredietovereenkomst hogere jaarlijkse kostenpercentages tot gevolg kunnen hebben;

8° het bedrag, het aantal en de frequentie van de door de consument te verrichten betalingen en, in voorkomend geval, de volgorde waarin de betalingen aan de verschillende openstaande saldi tegen verschillende debetrentevoeten worden toegerekend met het oog op aflossing;

9° de eventuele kosten voor het aanhouden van een of meer rekeningen indien dat vereist is voor de boeking van zowel betalingen als kredietopnemingen, tenzij het openen van de rekening facultatief is, tezamen met de kosten voor het gebruik van een betaalinstrument voor zowel betalingen als kredietopnemingen, andere uit de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd overeenkomstig artikel VII. 86;

10° in voorkomend geval, het bestaan van kosten die door de consument bij het sluiten van de kredietovereenkomst aan een notaris moeten worden betaald;

11° de eventuele verplichting tot het sluiten van een overeenkomst voor nevendiensten in verband met de kredietovereenkomst, onder meer een verzekering, indien het sluiten van dergelijke overeenkomst voor deze dienst verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;

12° de geldende rentevoet ingeval van betalingsachterstand alsmede de wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming van de kredietovereenkomst;

13° een waarschuwing betreffende de gevolgen van wanbetaling;

14° in voorkomend geval, de gevraagde zekerheden;

15° het al dan niet bestaan van een herroepingsrecht;

16° het recht van vervroegde terugbetaling en, in voorkomend geval, informatie over het recht van de kredietgever op een vergoeding en de wijze waarop deze wordt vastgesteld overeenkomstig artikel VII. 97;

17° het recht van de consument om, overeenkomstig artikel VII. 79, onverwijld en kosteloos geïnformeerd te worden over het resultaat van de raadpleging van een gegevensbestand ter beoordeling van zijn kredietwaardigheid;

18° het recht van de consument om op verzoek een kosteloos exemplaar van de ontwerpkredietovereenkomst te ontvangen.
Deze bepaling is niet van toepassing indien de kredietgever ten tijde van het verzoek niet voornemens is de overeenkomst met de consument aan te gaan;

19° in voorkomend geval, de periode gedurende welke de kredietgever door de precontractuele informatie gebonden is.
Alle aanvullende informatie die de kredietgever aan de consument geeft, wordt verstrekt in een afzonderlijk document, dat aan de SECCI, kan worden gehecht.

§ 2. Bij communicatie via spraaktelefonie, als bedoeld in artikel VI. 56, van het Wetboek van economisch recht, omvat de beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de financiële dienst bedoeld in artikel VI. 56, tweede lid, b) voor wat betreft het consumentenkrediet ten minste de informatie bedoeld in § 1, tweede lid, 3° tot 6° en 8°, evenals het jaarlijkse kostenpercentage weergegeven aan de hand van een representatief voorbeeld en het totale door de consument te betalen bedrag.
§ 3. Indien de overeenkomst op verzoek van de consument gesloten is met gebruikmaking van een middel voor communicatie op afstand dat informatieverstrekking overeenkomstig § 1 niet mogelijk maakt, onder meer in het in § 2 bedoelde geval, verstrekt de kredietgever de volledige precontractuele informatie door middel van het SECCI-formulier na het sluiten van de kredietovereenkomst.

§ 4. Aan de consument wordt, op verzoek en kosteloos, behalve de SECCI, een exemplaar van de ontwerpkredietovereenkomst verstrekt. Deze bepaling is niet van toepassing indien de kredietgever ten tijde van het verzoek niet voornemens is de kredietovereenkomst met de consument aan te gaan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.71. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op :

1° de geoorloofde debetstanden op een rekening terugbetaalbaar op verzoek van de kredietgever of binnen een termijn van drie maanden;

2° de geoorloofde debetstanden op een rekening die binnen een maand moeten worden afgelost voor wat betreft § 3;

3° de kredietovereenkomsten gesloten met een beleggingsonderneming bedoeld in artikel VII. 3, § 3, 5° ;

4° de kredietovereenkomsten die een regeling voor uitstel voorzien bedoeld in artikel VII. 3 § 3, 6°.

§ 2. In afwijking van artikel VII. 70, § 1, ter gelegener tijd en voordat de consument door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, verstrekt de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaarop basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en de eventueel door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de nodige informatie om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst. Die informatie wordt op een duurzame drager verstrekt overeenkomstig het SECCI-formulier in bijlage 2 bij dit boek. De kredietgever wordt geacht te hebben voldaan aan de voorschriften van deze paragraaf en van artikel VI. 55 wanneer hij de "Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet" heeft verstrekt.

Deze informatie heeft betrekking op :

1° het soort krediet;

2° de identiteit, met inbegrip van het ondernemingsnummer, van de kredietgever en desgevallend van de betrokken kredietbemiddelaar evenals hun geografisch adres dat relevant is voor de betrekkingen met de consument;

3° het kredietbedrag;

4° de duur van de kredietovereenkomst;

5° de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet, de vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst in rekening te brengen kosten, alsmede in voorkomend geval de voorwaarden waaronder deze gewijzigd kunnen worden;

6° het jaarlijkse kostenpercentage, aan de hand van een representatief voorbeeld en met vermelding van alle voor de berekening van dit percentage gebruikte veronderstellingen;

7° de voorwaarden en de procedure voor beëindiging van de kredietovereenkomst;

8° in voorkomend geval, de vermelding dat de consument te allen tijde gevraagd kan worden het kredietbedrag volledig terug te betalen;

9° de geldende rentevoet ingeval van laattijdige betaling alsmede de wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming van de kredietovereenkomst;

10° het recht van de consument om overeenkomstig artikel VII. 79, onverwijld en gratis geïnformeerd te worden over het resultaat van de raadpleging van een gegevensbestand ter beoordeling van zijn kredietwaardigheid;

11° de informatie over de vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst in rekening te brengen kosten en de voorwaarden waaronder deze kosten kunnen worden gewijzigd overeenkomstig artikel VII. 86;

12° in voorkomend geval, de periode gedurende welke de kredietgever door de precontractuele informatie gebonden is.

§ 3. In afwijking van artikel VII. 70, § 2, bij communicatie via spraaktelefonie, als bedoeld in artikel VI. 56 en indien de consument verzoekt de geoorloofde debetstand op de rekening met onmiddellijke ingang beschikbaar te stellen, omvat de beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de financiële dienst, bedoeld in artikel VI. 56, tweede lid, b), ten minste de informatie bedoeld in § 2, tweede lid, 3°, 5°, 6° en 8°.

§ 4. Op verzoek wordt aan de consument, behalve de SECCI, een kosteloos exemplaar van de ontwerpkredietovereenkomst verstrekt. Deze bepaling is niet van toepassing indien de kredietgever ten tijde van het verzoek niet voornemens is de kredietovereenkomst met de consument aan te gaan.

§ 5. Indien de overeenkomst op verzoek van de consument gesloten is met gebruikmaking van een middel voor communicatie op afstand dat informatieverstrekking overeenkomstig § 2 niet mogelijk maakt, met inbegrip van de in § 4 bedoelde gevallen, komt de kredietgever onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst zijn verplichtingen uit hoofde van § 2 na door de contractuele informatie overeenkomstig artikel VII. 78 te verstrekken, voor zover dat artikel van toepassing is.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

 

Art. VII.72.[1 De artikelen VII.70, VII.71, VII.74 en VII.75, zijn niet van toepassing op leveranciers van goederen of aanbieders van diensten die als agent in een nevenfunctie optreden. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichting van de kredietgever ervoor te zorgen dat de consument de in die artikelen bedoelde precontractuele informatie daadwerkelijk ontvangt.

Het eerste lid is niet van toepassing op de agent in een nevenfunctie die tegelijkertijd een kredietovereenkomst en een betaalinstrument aanbiedt dat kan aangewend worden buiten zijn vestiging of een kredietovereenkomst aanbiedt die geheel of gedeeltelijk bestemd is voor de aankoop van goederen of diensten die niet door hem worden aangeboden.]1
----------
(1)<W 2015-10-26/06, art. 16, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Onderafdeling 3. - [1 Plicht tot bijzondere informatieverstrekking van de kredietbemiddelaar]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.73. [1 Elke kredietbemiddelaar moet de consument op de hoogte brengen van zijn hoedanigheid van kredietbemiddelaar, alsook van de aard en de draagwijdte van zijn bevoegdheden, zowel in zijn reclame als in de documenten bestemd voor het cliënteel. Deze informatie heeft onder meer betrekking op de hoedanigheid van kredietmakelaar of verbonden agent.

De verbonden agent geeft in alle documenten bestemd voor het cliënteel de elementen ter identificatie van de kredietgever aan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 4. - [1 Passende toelichtingen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.74. [1 De kredietgevers en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaars verstrekken de consument een passende toelichting om hem in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, zo nodig door de ingevolge artikel VII.70, § 1 te verstrekken precontractuele informatie, de voornaamste kenmerken van de voorgestelde producten en de specifieke gevolgen hiervan voor de consument toe te lichten, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt.

Indien een kredietopening wordt aangeboden op een verkooppunt buiten de vestiging van de kredietgever of op afstand wordt een passende toelichting verstrekt door de kredietgever of desgevallend door de kredietbemiddelaar met betrekking tot de voor- en nadelen tussen deze kredietsoort en de verkoop of lening op afbetaling aangegaan voor hetzelfde kredietbedrag, indien deze kredietsoorten worden aangeboden door de kredietgever of de kredietbemiddelaar. Deze toelichting heeft onder meer betrekking op de aflossing van het kapitaal, de aanrekening van interesten, de maximale jaarlijkse kostenpercentages, de nulstellingstermijn en de eisbaarheid van het verschuldigd saldo in geval van eenzijdige opzegging bedoeld in artikel VII. 98, § 1, tweede lid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 5. - [1 Raadgevingsverbintenissen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.75. [1 De kredietgever en de kredietbemiddelaar zijn gehouden om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarvoor zij gewoonlijk bemiddelen, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst en met het doel van het krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 6. - [1 Onderzoeksplicht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.76. [1 De kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst of een zekerheidsovereenkomst sluiten na onderzoek van de identiteitsgegevens op basis van, al naargelang het geval :

- de identiteitskaart bedoeld in artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;

- de verblijfsvergunning uitgereikt op het tijdstip van de inschrijving in het wachtregister bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 2°, van de hierboven vermelde wet van 19 juli 1991;

- de identiteitskaart, het paspoort of de vervangende reisvergunning, uitgereikt aan een vreemdeling die geen verblijf houdt in het Rijk, door de Staat waar hij verblijft of waarvan hij onderdaan is.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.77. [1 § 1. Vooraleer de kredietovereenkomst te sluiten gaat de kredietgever over tot de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument en gaat na of hij in staat zal zijn om zijn betalingsverplichtingen na te komen. Hij gaat eveneens over tot de beoordeling van de kredietwaardigheid van de persoonlijke zekerheidsstellers.

Hiertoe is de kredietgever bovendien gehouden tot het raadplegen van de Centrale, behoudens in het geval van een overschrijding. De Koning stelt de nadere regels vast betreffende deze raadpleging.

De Koning bepaalt op welke wijze de kredietgever het bewijs levert van de raadpleging van de Centrale evenals de termijn gedurende welke dit bewijs dient bewaard te worden.

Voor de toepassing van het eerste tot het derde lid houdt iedere wijziging van het kredietbedrag het sluiten van een nieuwe kredietovereenkomst in.

Bovendien is de kredietgever, voor de kredietovereenkomsten van onbepaalde duur, gehouden om elk jaar uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de jaardag van het sluiten van de kredietovereenkomst de kredietwaardigheid van de consument te herbeoordelen op basis van een nieuwe raadpleging van de Centrale overeenkomstig de bepalingen van het eerste tot derde lid. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer voor deze kredietovereenkomsten een nulstellingstermijn van minder dan of gelijk aan 1 jaar van toepassing is.

§ 2 De kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, na te komen.

Wanneer er in hoofde van een consument een wanbetaling(en) geregistreerd staat in de Centrale voor een totaal achterstallig bedrag van meer dan 1.000 euro in het kader van een consumentenkrediet die niet werd afgelost dan kan een kredietgever geen nieuwe kredietovereenkomst sluiten. In de andere gevallen van een niet-afgeloste wanbetaling kan een kredietgever slechts een nieuwe kredietovereenkomst sluiten mits een bijzondere motivering in het kredietdossier.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 7. - [1 Sluiten van de kredietovereenkomst]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.78.[1 § 1. De kredietovereenkomst wordt gesloten door de handmatige handtekening of de elektronische ondertekening, [2 ...]2 van alle contracterende partijen en wordt opgesteld op een duurzame drager die het geheel van alle contractuele voorwaarden en vermeldingen bedoeld in dit artikel bevat. Elke overeenkomstsluitende partij die een onderscheiden belang heeft evenals de kredietbemiddelaar krijgt een exemplaar van de kredietovereenkomst.

Behalve voor de kredietopening is geen enkele kredietovereenkomst van bepaalde duur met aflossing van kapitaal voltrokken zolang er geen aflossingstabel, bedoeld in § 3, 4° van dit artikel, werd overhandigd aan iedere overeenkomstsluitende partij met een onderscheiden belang.

Bij een kredietopening laat de consument zijn handtekening voorafgaan door de vermelding van het kredietbedrag : "Gelezen en goedgekeurd voor... euro op krediet.". Bij alle overige kredietovereenkomsten laat de consument zijn handtekening voorafgaan door de vermelding van het totale door de consument terug te betalen bedrag : "Gelezen en goedgekeurd voor... euro terug te betalen.". In beide gevallen vermeldt de consument de datum en het juiste adres van de ondertekening van het contract.
[2 De elektronische ondertekening bedoeld in het eerste lid gebeurt :
-door een geavanceerde elektronische handtekening, gerealiseerd op basis van een gekwalificeerd certificaat en aangemaakt door een veilig middel voor het aanmaken van een handtekening, bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten,
-of door een andere elektronische handtekening die voldoet aan de criteria die de Koning kan bepalen ten einde de identiteit van de partijen, hun instemming met de inhoud van de kredietovereenkomst en het behoud van de integriteit van deze overeenkomst te verzekeren. In geval van betwisting is het aan de kredietgever om aan te tonen dat deze elektronische handtekening daadwerkelijk deze functies verzekert.]2
§ 2. De kredietovereenkomst vermeldt op beknopte en duidelijke wijze :
1° het soort krediet;
2° de naam, voornaam, geboorteplaats e. datum alsook de woonplaats van de consument en, desgevallend, de personen die een zekerheid stellen;
3° de identiteit van de kredietgever met inbegrip van zijn ondernemingsnummer, zijn geografisch adres dat relevant is voor de betrekkingen met de consument evenals de benaming en het adres van het bevoegde toezichthoudend bestuur bij de FOD Economie;
4° desgevallend, de identiteit van de kredietbemiddelaar met inbegrip van zijn ondernemingsnummer, zijn geografisch adres dat relevant is voor de betrekkingen met de consument evenals de benaming en het adres van het bevoegde toezichthoudend bestuur bij de FOD Economie;
5° de duur van de kredietovereenkomst;
6° het kredietbedrag en de voorwaarden voor kredietopneming;
7° de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen en, voor zover beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet, en de termijnen, voorwaarden en procedures voor wijziging ervan. Indien naargelang van de verschillende omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden toegepast, wordt deze informatie met betrekking tot alle toepasselijke rentevoeten verstrekt;
8° het jaarlijkse kostenpercentage en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst. Alle bij de berekening van dit percentage gebruikte veronderstellingen worden vermeld;
9° de te volgen procedure om een einde te stellen aan de kredietovereenkomst;
10° de clausule : "Deze overeenkomst maakt het voorwerp uit van registratie in de Centrale voor Kredieten aan Particulieren overeenkomstig artikel VII. 148 van het Wetboek van economisch recht";
11° de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
12° de naam van de Centrale;
13° het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste.
§ 3. Naast de informatie bedoeld in § 2, vermeldt de kredietovereenkomst, met uitzondering van de kredietovereenkomsten bedoeld in § 4, op beknopte en duidelijke wijze :
1° indien over het krediet door middel van een betaalinstrument kan worden beschikt, de regelen toepasselijk krachtens de wetgeving op de betalingsdiensten in geval van verlies, diefstal of onrechtmatig gebruik van de kaart of titel, evenals, desgevallend, het maximum bedrag ten belope waarvan de consument het risico draagt voortvloeiend uit onrechtmatig gebruik ervan door een derde;
2° in geval van een krediet in de vorm van uitstel van betaling voor een goed of een dienst of van gelieerde kredietovereenkomsten, het goed of de dienst en de contante prijs daarvan;
3° het bedrag, het aantal en de frequentie van de door de consument te verrichten betalingen, met inbegrip van een eventueel voorschot en, in voorkomend geval, de volgorde waarin de betalingen aan de verschillende openstaande saldi tegen verschillende debetrentevoeten worden toegerekend met het oog op aflossing;
4° in geval van aflossing van het kapitaal van een kredietovereenkomst met bepaalde duur, het recht van de consument om gratis en op verzoek op elk ogenblik tijdens de loop van de kredietovereenkomst een overzicht van de rekening in de vorm van een aflossingstabel te ontvangen. Deze geeft aan :
a) de te betalen bedragen en de betalingstermijnen en voorwaarden;
b) elke periodieke betaling uitgesplitst in afgelost kapitaal, op basis van de debetrentevoet berekende rente en, in voorkomend geval, bijkomende kosten;
c) indien krachtens de kredietovereenkomst de debetrentevoet niet vast is, een duidelijke en beknopte vermelding dat de gegevens van de tabel alleen gelden tot de wijziging van de debetrentevoet of van de bijkomende kosten overeenkomstig de kredietovereenkomst;
5° indien kosten en interesten worden betaald zonder aflossing van het kapitaal, een overzicht van de betalingstermijnen e. voorwaarden voor de betaling van de rente en terugkerende en niet-terugkerende kosten;
6° de eventuele kosten voor het aanhouden van een of meer rekeningen voor de boeking van zowel betalingen als kredietopnemingen, tenzij het openen van een rekening facultatief is, tezamen met de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel voor zowel betalingen als kredietopnemingen, andere uit de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd overeenkomstig artikel VII. 86;
7° de op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende nalatigheidsintrestvoet ingeval van betalingsachterstand, de wijzigingsmodaliteiten van deze rentevoet en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming;
8° een waarschuwing betreffende de gevolgen van wanbetaling;
9° desgevallend, dat notariskosten in rekening worden gebracht;
10° desgevallend, de gevraagde zekerheden en verzekeringen;
11° het al dan niet bestaan van een herroepingsrecht en de termijn voor de uitoefening daarvan, alsmede andere uitoefeningsvoorwaarden, zoals informatie over de verplichting voor de consument om overeenkomstig artikel VII. 83, het opgenomen kapitaal en de rente terug te betalen en het bedrag van de rente per dag;
12° informatie over de uit artikel VII. 92 voortvloeiende rechten en de voorwaarden voor de uitoefening daarvan;
13° het recht op vervroegde terugbetaling, de te volgen procedure alsmede, in voorkomend geval, informatie over het recht van de kredietgever op een vergoeding en de wijze waarop deze vergoeding wordt bepaald;
14° de klachten- en de buitengerechtelijke beroepsprocedures die voor de consument overeenkomstig boek XVI openstaan met inbegrip van het geografisch adres van de instelling waartoe de consument zijn klachten kan richten, waaronder de benaming en het adres van de Algemene Directie Economische Inspectie bij de FOD Economie;
15° in voorkomend geval, de overige bedingen en contractvoorwaarden.
§ 4. Naast de informatie bedoeld in § 2, vermelden de geoorloofde debetstanden op een rekening terugbetaalbaar op verzoek van de kredietgever of binnen een termijn van drie maanden, op een duidelijke en beknopte wijze :
1° in voorkomend geval, de vermelding dat de consument te allen tijde gevraagd kan worden het kredietbedrag volledig terug te betalen;
2° de informatie over de vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst verschuldigde kosten en de voorwaarden waaronder deze kosten kunnen gewijzigd worden overeenkomstig artikel VII. 86.
§ 5. In afwijking van hetgeen voorzien is in paragraaf 1, indien de kredietovereenkomst gesloten wordt met gebruikmaking van een middel voor communicatie via spraaktelephonie op verzoek van de consument, wordt onverwijld een door de kredietgever getekend exemplaar van de kredietovereenkomst overgemaakt aan de consument.
§ 6. De oorzaken van vervroegde eisbaarheid of ontbinding van de kredietovereenkomst worden hernomen in de kredietovereenkomst door een afzonderlijk beding..]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 17, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Onderafdeling 8. - [1 Kredietweigering]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.79.[1 In geval van kredietweigering deelt de kredietgever aan de consument onverwijld en kosteloos het resultaat van de raadpleging mee evenals de identiteit en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking van de bestanden die hij heeft geraadpleegd met inbegrip van, in voorkomend geval, de identiteit en het adres van de geraadpleegde kredietverzekeraar, en tot wie de consument zich kan wenden overeenkomstig [2 in artikel VII.122]2.
De mededeling bedoeld in het eerste lid is niet vereist wanneer artikel 12 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme of andere toepasselijke wetgeving die de openbare orde of de openbare veiligheid raakt dit verbiedt.
Indien het krediet wordt geweigerd mag geen vergoeding van welke aard ook van de consument worden geëist, met uitzondering van de kosten inzake raadpleging van de Centrale door de kredietgever betaald.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 18, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Onderafdeling 9. - [1 Bijzondere bepalingen inzake financieringshuur]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.80. [1 De financieringshuur heeft een welbepaalde duur. Met de eigendomsoverdracht of de lichting van de koopoptie komt er een einde aan de kredietverrichting.
De kredietgever verwittigt de consument bij een ter post aangetekende brief dat hij de mogelijkheid heeft de koopoptie te lichten een maand voor de laatste hiertoe overeengekomen datum. Wanneer de koopoptie niet wordt gelicht of de eigendomsoverdracht niet plaats vindt kan de financieringshuur slechts omgezet worden in huur middels het sluiten van een huurcontract.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.81. [1 § 1. Inzake financieringshuur is het kredietbedrag, de contante prijs van het lichamelijk roerend goed, verminderd met het btw-bedrag, dat in financieringshuur wordt aangeboden. De prijs van bijkomende dienstverrichtingen is, wanneer die ter financiering worden aangeboden, verminderd met het btw-bedrag en onverminderd de toepassing van artikel VII. 87, eveneens begrepen in het kredietbedrag. In dat geval vermeldt het contract ook de prijs van de samenstellende delen van het kredietbedrag.
§ 2. Indien een financieringshuur een of meerdere tijdstippen voorziet waarop een koopoptie kan gelicht worden, moet de kredietovereenkomst ook telkens de overeenstemmende residuele waarden vermelden.
Indien deze residuele waarden niet kunnen bepaald worden bij het sluiten van de kredietovereenkomst dan moet het contract parameters vermelden die de consument moeten toelaten bij het lichten van de koopoptie deze residuele waarden te bepalen.
De Koning kan deze parameters en hun gebruik bepalen.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel VII. 78, vermeldt de overeenkomst van financieringshuur :
1° indien de koopoptie op verschillende tijdstippen kan worden gelicht, het totale door de consument te betalen bedrag op het ogenblik dat de optie de eerste en de laatste maal wordt gelicht. Indien bij het sluiten van de kredietovereenkomst de residuele waarde slechts kan worden bepaald met behulp van parameters, moet de kredietovereenkomst, enerzijds, het totale bedrag van de betalingen vermelden en, anderzijds, de minimale en maximale residuele waarde berekend op basis van deze parameters die de consument moet betalen bij het lichten van de koopoptie;
2° in voorkomend geval, het bedrag van de zekerheid en de verplichting vanwege de kredietgever om de financiële opbrengst van het tot zekerheid gestelde deposito ter beschikking van de consument te stellen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.82. [1 Indien de verhuurder vanwege de consument een zakelijke zekerheid vraagt, kan deze niet worden gesteld dan bij wege van een deposito tot zekerheid in de vorm van een termijnrekening, daartoe op naam van de consument geopend bij een kredietinstelling.
De interest opgebracht door het aldus in deposito gegeven bedrag wordt gekapitaliseerd.
De verhuurder heeft een bijzonder voorrecht op het saldo van de in het eerste lid bedoelde rekening, voor elke schuldvordering wegens niet-nakoming van de financieringshuurovereenkomst.
Over het saldo kan niet worden beschikt dan op grond van een beslissing van de rechter of van een schriftelijk akkoord gesloten na wanprestatie of na uitvoering van de overeenkomst. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep en zonder borgtocht noch kantonnement.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 3. [1 Herroepingsrecht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.83. [1 § 1. De consument heeft het recht om, zonder opgave van redenen, de kredietovereenkomst te herroepen binnen een termijn van veertien dagen. De termijn van dit herroepingsrecht gaat in :
1° op de dag van het sluiten van de kredietovereenkomst, of
2° op de dag waarop de consument de contractuele voorwaarden en informatie bedoeld in artikel VII. 78 ontvangt, als die dag later valt dan de onder het 1° van dit lid bedoelde datum.
§ 2. Wanneer de consument van zijn herroepingsrecht gebruik maakt :
1° stelt hij de kredietgever, bij een ter post aangetekende brief of op een andere door de kredietgever overeenkomstig artikel VII. 78, § 3, 11°, aanvaarde drager hiervan in kennis. De termijn wordt geacht te zijn nageleefd indien die kennisgeving vóór het verstrijken ervan is verzonden, en
2° geeft hij in geval van kredietovereenkomsten waarbij krachtens deze overeenkomst lichamelijke roerende goederen ter beschikking worden gesteld van de consument, na het versturen van de kennisgeving onmiddellijk de ontvangen goederen terug en betaalt hij aan de kredietgever de voor de kredietopnemingsperiode verschuldigde rente;
3° betaalt hij voor de overige kredietovereenkomsten onverwijld en uiterlijk binnen dertig dagen nadat hij de kennisgeving van de herroeping aan de kredietgever heeft gestuurd, het kapitaal, terug aan de kredietgever en de op dit kapitaal lopende rente vanaf de datum waarop het krediet is opgenomen tot de datum waarop het kapitaal wordt terugbetaald.
De verschuldigde rente wordt berekend aan de hand van de overeengekomen debetrentevoet. De kredietgever heeft geen recht op een andere vergoeding van de consument, met uitzondering van de vergoeding voor niet voor terugbetaling in aanmerking komende kosten die de kredietgever aan een overheidsinstelling heeft betaald. De betalingen die werden verricht na het sluiten van de kredietovereenkomst worden teruggestort aan de consument binnen de dertig dagen volgend op de herroeping.
§ 3. De herroeping van de kredietovereenkomst brengt van rechtswege de ontbinding van de nevendienstovereenkomstenmet zich mee.
§ 4. Indien de consument het herroepingsrecht inroept bedoeld in dit artikel zijn de artikelen VI. 58, VI. 59, en VI. 67 niet van toepassing.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing op kredietovereenkomsten die volgens dit boek door tussenkomst van een notaris moeten worden gesloten, mits de notaris verklaart dat de consument de rechten bedoeld in de artikelen VII.70, VII.74 en VII.78 geniet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 4. - [1 Onrechtmatige bedingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Onrechtmatige betalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.84. [1 Telkens een prijs geheel of ten dele zal worden betaald met behulp van een kredietovereenkomst waarbij de verkoper of dienstverlener als kredietgever of kredietbemiddelaar optreedt met het oog op het sluiten van deze kredietovereenkomst, kan de consument geen enkele verbintenis geldig aangaan ten aanzien van de verkoper of de dienstverlener, noch kan een betaling gedaan worden van de ene aan de andere, zolang de consument de kredietovereenkomst niet heeft ondertekend.

Nietig is elk beding waarbij de consument zich verbindt, indien het krediet geweigerd wordt, de overeengekomen prijs contant te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.85. [1 Is verboden en wordt voor niet geschreven gehouden elk beding in de kredietovereenkomst dat de kredietgever toelaat om een vergoeding te vragen aan de consument wanneer hij het toegestane kredietbedrag niet geheel of gedeeltelijk heeft opgenomen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Berekening van de debetintresten en veranderlijkheid van de debetrentevoet en de kosten]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.86.[1 § 1. De debetrentevoet is vast of veranderlijk. Indien één of meer vaste debetrentevoeten bedongen zijn, gelden deze voor de duur bedongen in de kredietovereenkomst.

§ 2. Behoudens de uitzonderingen bedoeld in dit artikel met betrekking tot de veranderlijkheid van de debetrentevoet en de kosten van opnemen van contanten via een geldautomaat en, onverminderd de toepassing van artikel VII. 3, § 3, 6°, wordt elk beding dat er toe strekt de voorwaarden van de kredietovereenkomst te wijzigen voor niet geschreven gehouden.

§ 3. De kredietovereenkomst kan bepalen dat de debetrentevoet wordt gewijzigd binnen de perken van de artikelen VII. 78, § 2, 7°, en VII. 94. Onverminderd het bepaalde [2 in artikel VII.94, §§ 1 en 3]2, kunnen de kredietovereenkomsten, met uitzondering van de kredietopening zonder hypotheekstelling, slechts de veranderlijkheid van de debetrentevoet voorzien in de gevallen en volgens de regelen gesteld in en krachtens artikel VII. 128, §§ 1 tot 3 en § 5. Het in dat artikel VII. 128 vermelde begrip "vestigingsakte" moet dan worden gelezen als "kredietovereenkomst".

De kredietopening kan bepalen dat de kosten verbonden aan diensten bestaande uit het opnemen van contanten via een geldautomaat, wanneer zij niet worden opgenomen in het jaarlijkse kostenpercentage, eenzijdig worden gewijzigd. In geval van wijziging van deze kosten heeft de consument het recht om de kredietopening kosteloos op te zeggen binnen een termijn van twee maand vanaf de kennisgeving van de wijziging. De bepalingen van artikel VII. 15, § 1, zijn overeenkomstig van toepassing. Deze wijziging kan gedurende de looptijd van de kredietopening slechts eenmaal geschieden en de initieel voorziene kosten kunnen maximaal met 25 pct. worden verhoogd. De Koning kan voor deze kosten een berekeningsmethode en een maximum bepalen.

§ 4. In voorkomend geval wordt de consument op een duurzame drager in kennis gesteld van een wijziging van de debetrentevoet voordat de wijziging van kracht wordt. Daarbij wordt ook, desgevallend, het bedrag van de na de inwerkingtreding van de nieuwe debetrentevoet te verrichten betalingen vermeld evenals bijzonderheden betreffende een eventuele verandering in het aantal of de frequentie van de betalingen.

De partijen kunnen echter in de kredietovereenkomst overeenkomen dat de in het vorige lid bedoelde informatie periodiek aan de consument wordt verstrekt indien de wijziging van de debetrentevoet het gevolg is van een wijziging van een referentierentevoet en het publiek via passende middelen kennis kan nemen van de nieuwe referentierentevoet en de informatie over de nieuwe referentierentevoet ook beschikbaar is in de gebouwen van de kredietgever.

§ 5. Wanneer bij een kredietopening zonder hypotheekstelling, de wijziging van de debetrentevoet meer dan 25 pct. bedraagt van de aanvankelijk of voorheen overeengekomen rentevoet en in het geval van overeenkomsten gesloten voor een termijn van meer dan één jaar, dan heeft de consument de mogelijkheid de kredietovereenkomst eenzijdig en kosteloos opzeggen, binnen de perken van artikel VII. 98. Elk hiermee strijdig beding in de overeenkomst is nietig.

§ 6. Indien niet alle debetrentevoeten in de kredietovereenkomst worden gespecificeerd, wordt de debetrentevoet alleen geacht vast te zijn voor die deeltermijnen waarvoor de debetrentevoeten, bij het sluiten van de kredietovereenkomst overeengekomen, uitsluitend aan de hand van een vast specifiek percentage zijn vastgesteld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 19, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Onderafdeling 3. - [1 Nevendiensten]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.87. [1 § 1. Het is de kredietgever en de kredietbemiddelaar verboden om de consument te verplichten in het raam van het sluiten van een kredietovereenkomst een andere overeenkomst te ondertekenen bij de kredietgever, de kredietbemiddelaar of een door hen aangewezen derde.
De bewijslast dat de consument de vrije keuze heeft gehad met betrekking tot het sluiten van iedere nevendienstcontract, die bijkomend met de kredietovereenkomst wordt gesloten, komt toe aan de kredietgever en de kredietbemiddelaar..

§ 2. Het is de kredietgever en de kredietbemiddelaar eveneens verboden om bij het sluiten van een kredietovereenkomst, van de consument te bedingen om het ontleende kapitaal, geheel of gedeeltelijk, in pand te geven, of om het, geheel of gedeeltelijk, te bestemmen als deposito of voor de aankoop van effecten of andere financiële instrumenten.

§ 3. Het stelsel van wedersamenstelling van het kapitaal, is verboden.

§ 4. Elk beding strijdig met dit artikel wordt voor niet geschreven gehouden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 4. - [1 Ongeoorloofde waarborgen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.88. [1 In het raam van een kredietovereenkomst is het de consument, of, desgevallend, de steller van een zekerheid verboden, op een wisselbrief of orderbriefje de betaling te beloven of te waarborgen van de verbintenissen die hij naar aanleiding van een kredietovereenkomst heeft aangegaan. Het is eveneens verboden een cheque te laten ondertekenen als zekerheid van de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van het verschuldigde bedrag.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.89. [1 § 1. Elke afstand van rechten betreffende de bedragen bepaald in artikel 1410, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gedaan in het raam van een kredietovereenkomst beheerst door dit boek, is onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 27 tot 35 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en kan slechts uitgevoerd en aangewend worden tot beloop van de op de dag van de kennisgeving van de overdracht krachtens de kredietovereenkomst opeisbare bedragen.

§ 2. De inkomsten of het loon van de minderjarigen, ontvoogd of niet, zijn niet vatbaar voor overdracht en beslag uit hoofde van kredietovereenkomsten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 5. - [1 Uitvoering van de kredietovereenkomst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Terbeschikkingstelling van het kredietbedrag.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.90. [1 § 1. Zolang de kredietovereenkomst niet door alle partijen is ondertekend, mag geen betaling worden gedaan, noch door de kredietgever aan de consument of voor diens rekening, noch door de consument aan de kredietgever.

Behoudens andersluidend beding in de kredietovereenkomst stelt de kredietgever het kredietbedrag met een overschrijving onmiddellijk ter beschikking op de rekening van de consument of op de rekening van een door de consument aangewezen derde of met een cheque.

De terbeschikkingstelling van het kredietbedrag in baar geld of contant kan slechts geschieden in de gevallen aangeduid door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, rekeninghoudend met het kredietbedrag, het soort krediet, het oogmerk en het tijdstip van het sluiten de kredietovereenkomst.

§ 2. Voor de gelden die de kredietgever aan de kredietbemiddelaar heeft overgemaakt ter uitvoering van de kredietovereenkomst, blijft hij instaan tot deze volledig zijn ter beschikking gesteld van de consument of aan een door de consument aangewezen derde.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Financiering van goederen en diensten]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.91. [1 Wanneer het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld, of wanneer het bedrag van de kredietovereenkomst rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of de dienstverlener wordt gestort, krijgen de verplichtingen van de consument slechts uitwerking vanaf de levering van het goed of de verlening van de dienst, ingeval van een verkoop of dienstverlening met opeenvolgende uitvoeringen, krijgen de verplichtingen uitwerking vanaf de aanvang van de leveringen van het goed of de verlening van de dienst en houden ze op te werken wanneer deze onderbroken worden, tenzij de consument zelf het kredietbedrag ontvangt en de identiteit van de verkoper of de dienstverlener niet gekend is door de kredietgever.

Het kredietbedrag mag pas aan de verkoper of de dienstverlener overgemaakt worden na kennisgeving aan de kredietgever van de levering van het goed of de verlening van de dienst.

De kennisgeving bedoeld in het tweede lid gebeurt op een duurzame drager, onder meer een leveringsbewijs, dat door de consument gedagtekend en ondertekend moet zijn.

De krachtens de kredietovereenkomst verschuldigde rente gaat eerst in op de dag van deze kennisgeving.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.92. [1 Indien de consument een contract voor de levering van een goed of de verrichting van een dienst heeft herroepen, is hij niet langer gebonden aan de daarmee gelieerde kredietovereenkomst.

Indien de onder de gelieerde kredietovereenkomst vallende goederen of diensten niet of slechts gedeeltelijk geleverd, respectievelijk verricht worden of niet met de voorwaarden van het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst in overeenstemming zijn, heeft de consument het recht om verhaal uit te oefenen bij de kredietgever, indien hij niet de genoegdoening heeft gekregen waarop hij overeenkomstig de wet of het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst recht heeft, na zijn rechten te hebben doen gelden jegens de leverancier, respectievelijk de dienstverrichter.

Elk verweermiddel kan ten opzichte van de kredietgever slechts worden ingeroepen op voorwaarde dat :

1° de consument bij een ter post aangetekende brief, de verkoper van het goed of de dienstverlener met het oog op de uitvoering van de overeenkomst in gebreke heeft gesteld, zonder dat hij genoegdoening heeft verkregen binnen een termijn van een maand vanaf de afgifte ter post van de aangetekende brief;

2° de consument de kredietgever op de hoogte heeft gesteld dat wanneer hij van de verkoper van het goed of van de dienstverlener geen genoegdoening heeft bekomen overeenkomstig het punt 1°, hij de nog verschuldigde betalingen op een geblokkeerde rekening zal storten. De Koning kan de regels voor de opening en de werking van de rekening vastleggen.

De intrest opgebracht door het in deposito gegeven bedrag wordt gekapitaliseerd.

Door het enkele feit van het deposito verkrijgt de kredietgever voor elke schuldvordering wegens de gehele of gedeeltelijke niet-nakoming van de verplichtingen door de consument een voorrecht op het tegoed van de rekening.

Over het in deposito gegeven bedrag kan niet worden beschikt dan ten bate van de ene of de andere partij, mits ofwel een schriftelijke overeenkomst, gesloten nadat het bedrag op de voorvermelde rekening werd geblokkeerd, ofwel een voor eensluidend verklaard afschrift van de uitgifte van een rechterlijke beslissing wordt voorgelegd. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad niettengestaande verzet of hoger beroep en zonder borgtocht, noch kantonnement.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.93. [1 Wanneer de kredietovereenkomst op afstand het gefinancierde goed, verkocht op afstand, vermeldt of wanneer het kredietbedrag of het opgenomen bedrag rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper op afstand wordt gestort, kan de levering van het goed, in afwijking van de artikelen VII. 90 en VII. 84, eerste lid, plaats vinden voor het sluiten van de kredietovereenkomst in zoverre deze laatste te gelegener tijd voor de levering, beschikt over de contractvoorwaarden en de informatie bedoeld in artikel VI. 57, § 1.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 3. - [1 Maximale kosten en terugbetalingstermijnen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.94. [1 § 1. De Koning bepaalt de methode tot vaststelling en, in voorkomend geval, tot aanpassing van de maximale jaarlijkse kostenpercentages en bepaalt, het maximale jaarlijkse kostenpercentage in functie van de soort, het bedrag en eventueel, de duur van het krediet.

§ 2. Wanneer de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage het gebruik van veronderstellingen noodzaakt, kan de Koning eveneens, overeenkomstig de regels bedoeld in § 1, de maximale kredietkosten bepalen zoals onder meer de maximale debetrentevoet en, in voorkomend geval, de maximale terugkerende kosten en de maximale niet-terugkerende kosten bij een kredietopening.

§ 3. De krachtens dit artikel vastgestelde kostenpercentages en rentevoeten blijven hoe dan ook van toepassing tot aan hun herziening.
Iedere verlaging van het maximale jaarlijkse kostenpercentage en, in voorkomend geval, van de maximale kredietkosten is onmiddellijk van toepassing op de lopende kredietovereenkomsten die, binnen de perken van deze wet, de veranderlijkheid van het jaarlijkse kostenpercentage of de debetrentevoet voorzien.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.95. [1 § 1. De Koning kan de maximale termijn voor de terugbetaling van het krediet bepalen, rekening houdend met het geleende bedrag en de kredietsoort.

§ 2. De kredietopeningen van onbepaalde duur of met een looptijd van meer dan vijf jaar moeten een termijn van nulstelling voorzien waarbinnen het totaal terug te betalen bedrag dient betaald te worden. De Koning kan een maximale nulstellingstermijn bepalen.

§ 3. Indien een kredietovereenkomst, terugbetaalbaar in vaste termijnbedragen, de veranderlijkheid van de debetrentevoet toelaat, bepaalt de kredietovereenkomst dat bij aanpassing de consument het behoud van het termijnbedrag mag eisen, en eveneens de verlenging of de vermindering van de overeengekomen terugbetalingstermijn. De uitoefening van dit recht mag leiden tot overschrijding van de maximale terugbetalingstermijn bedoeld in § 1.

De kredietgever licht de consument uitdrukkelijk en voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst over dit recht in.

§ 4. Uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de nulstellingstermijn verwittigt de kredietgever de consument hiervan door middel van ieder nuttig communicatiemiddel.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 4. - [1 Vervroegde terugbetalingsmodaliteiten en beëindiging]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.96. [1 De consument heeft te allen tijde het recht om geheel of gedeeltelijk het verschuldigd kapitaalsaldo vervroegd terug te betalen. In dat geval heeft hij recht op een verlaging van de totale kosten van het krediet voor de consument die overeenstemmen met de interesten en de kosten verschuldigd voor de resterende duur van de overeenkomst.

De consument die wenst, geheel of gedeeltelijk, vervroegd zijn krediet terug te betalen, brengt de kredietgever ten minste tien dagen voor de terugbetaling bij ter post aangetekende brief van zijn voornemen op de hoogte.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.97. [1 § 1. De kredietgever kan een billijke en objectief gegronde vergoeding bedingen in geval van volledige of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling.

De kredietgever deelt aan de consument op een duurzame drager het gevraagde bedrag mee binnen de tien dagen na de ontvangst van de brief bedoeld in artikel VII. 96, tweede lid of na de ontvangst op zijn rekening van de door de consument terugbetaalde sommen. Deze mededeling herneemt onder meer de berekening van de vergoeding.

Indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het overeengekomen einde van de overeenkomst meer dan één jaar bedraagt, mag dergelijke vergoeding niet hoger zijn dan 1 pct. van het bedrag in kapitaal dat vervroegd werd afgelost.

Indien de termijn niet meer dan één jaar bedraagt, mag de vergoeding ten hoogste 0,5 pct. bedragen van het bedrag in kapitaal dat vervroegd werd afgelost.

§ 2. De kredietgever mag geen enkele vergoeding vragen :

1° indien, door toepassing van de artikelen VII. 194 tot VII. 196, VII. 200 of VII. 201, de verplichtingen van de consument werden verminderd tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag;

2° in geval van terugbetaling in uitvoering van een verzekeringsovereenkomst die contractueel de terugbetaling van het krediet waarborgt;

3° in geval van een kredietopening;

4° indien de aflossing valt in een termijn waarvoor geen vaste debetrentevoet geldt.

§ 3. Een vergoeding mag niet hoger zijn dan het rentebedrag dat de consument zou hebben betaald gedurende de termijn tussen de vervroegde aflossing en de overeengekomen datum waarop de kredietovereenkomst eindigt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.98. [1 § 1. De consument kan een kredietovereenkomst van onbepaalde duur te allen tijde kosteloos beëindigen, tenzij de partijen een opzeggingstermijn zijn overeengekomen. Deze termijn mag niet langer zijn dan één maand. Wanneer de consument zijn recht uitoefent, stelt hij de kredietgever hiervan in kennis bij een ter post aangetekende brief of op een andere door de kredietgever aanvaarde drager.

Indien zulks in de kredietovereenkomst is overeengekomen, kan de kredietgever een kredietovereenkomst van onbepaalde duur beëindigen door de consument op een duurzame drager een opzegging met ten minste twee maanden te doen toekomen. Wanneer de kredietgever zijn recht uitoefent, stelt hij de consument hiervan in kennis, bij een ter post aangetekende brief of op een andere door de consument aanvaarde drager.

§ 2. Indien dit in de kredietovereenkomst is overeengekomen, kan de kredietgever op objectieve gronden, onder meer wanneer de kredietgever over inlichtingen beschikt waaruit hij kan afleiden dat de consument niet langer in staat zal zijn zijn verbintenissen na te komen, het recht van de consument om krediet op te nemen op grond van een kredietovereenkomst op te schorten.

De kredietgever stelt de consument, op een duurzame drager, indien mogelijk van tevoren en uiterlijk onmiddellijk na de opschorting, van die opschorting in kennis, alsook van de gronden hiervoor, tenzij het verstrekken van dergelijke informatie op grond van andere wetgeving is verboden of indruist tegen doelstellingen van openbare orde of openbare veiligheid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 5. - [1 Rekeningafschrift]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.99. [1 § 1. Bij iedere kredietopening wordt de consument regelmatig op de hoogte gebracht met een rekeningafschrift op een duurzame drager van de volgende informatie :
1° de juiste periode waarop het rekeningafschrift betrekking heeft;
2° de opgenomen bedragen en de datum van opneming;
3° het totaal verschuldigd blijvend bedrag en de datum van het vorige afschrift;
4° het nieuwe totaal verschuldigd blijvend bedrag;
5° de datum en het bedrag van de door de consument verrichte betalingen;
6° de toegepaste debetrentevoet(en);
7° de afzonderlijke bedragen van de eventueel toegepaste kosten;
8° in voorkomend geval, het te betalen minimumbedrag en intresten.

§ 2. Bij de kredietopeningen, behoudens de geoorloofde debetstanden op een rekening, wordt bijkomend de volgende informatie verstrekt :
1° in voorkomend geval, het verschuldigd blijvend saldo van het voorgaand overzicht;
2° in voorkomend geval, de onderscheiden data van de verschuldigde kosten;
3° de datum en het bedrag van de verschuldigde interesten per toegepaste debetrentevoet evenals een aanduiding van de wijze waarop deze interesten worden berekend op het verschuldigd blijvend saldo aan de hand van de debetrentevoet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 6. - [1 Ongeoorloofde debetstand en overschrijding]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.100.[1 § 1. Wanneer een debetstand zich voordoet in het raam van een kredietopening [2 of een betaalrekening]2 terwijl de kredietgever iedere debetstand die het toegestane kredietbedrag te boven gaat uitdrukkelijk verboden heeft, schort de kredietgever de kredietopnemingen op en eist de terugstorting van het bedrag in niet geoorloofde debetstand binnen een termijn van maximaal vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de dag van de niet geoorloofde debetstand.

In dat geval kunnen slechts de uitdrukkelijk overeengekomen en door dit Boek geoorloofde verwijlinteresten en kosten worden gevraagd. De verwijlinteresten worden berekend op het bedrag van de niet geoorloofde debetstand.

De kredietgever brengt onverwijld de consument, op een duurzame drager, op de hoogte van :
1° de niet geoorloofde debetstand;
2° het bedrag van de niet geoorloofde debetstand;
3° de eventuele boetes, kosten of verwijlinteresten toepasselijk op het bedrag van de niet geoorloofde debetstand.

§ 2. In geval de consument de verplichtingen die voortvloeien uit de vorige paragraaf niet nakomt, stelt de kredietgever een einde aan de overeenkomst binnen de perken van artikel VII. 105, eerste lid, 3°, of sluit bij wege van schuldvernieuwing een nieuwe overeenkomst met een verhoogd kredietbedrag en dit met eerbiediging van alle bepalingen van dit boek.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 20, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.101. [1 Wanneer een overschrijding minstens 1.250 euro bedraagt en langer dan een maand aanhoudt, brengt de kredietgever onverwijld de consument, op een duurzame drager, op de hoogte van :
1° de overschrijding;
2° het overschreden bedrag;
3° van de debetrentevoet, de eventuele toepasselijke boetes en kosten toepasselijk op het overschreden bedrag.

De Koning kan dit bedrag wijzigen. Tot zolang de informatie bedoeld in het voorgaande lid niet wordt verstrekt, kan de kredietgever op het overschreden bedrag slechts de laatst toegepaste debetrentevoet toepassen, met uitsluiting van iedere boete, vergoeding of verwijlinterest.

Indien de overschrijding bij het verstrijken van een termijn van drie maand vanaf haar ontstaan niet is aangezuiverd, schort de kredietgever de kredietopnemingen op en stelt hij een einde aan de overeenkomst binnen de perken van artikel VII. 105, eerste lid, 3°, of sluit hij bij wege van schuldvernieuwing een nieuwe overeenkomst met een verhoogd kredietbedrag en dit met eerbiediging van alle bepalingenvan dit boek.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 6. - [1 Overdracht van de kredietovereenkomst en van de vorderingen die voortvloeien uit deze overeenkomst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.102.[1 De overeenkomst of de schuldvordering uit de kredietovereenkomst kan slechts worden overgedragen aan, of, na indeplaatsstelling slechts worden verworven door een op grond van dit boek vergunninghoudende of geregistreerde kredietgever, dan wel overgedragen worden aan of verworven worden door de Bank, het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten, de kredietverzekeraars, de [2 instellingen voor belegging in schuldvorderingen zoals bedoeld in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen]2 of andere daartoe door de Koning aangewezen personen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 21, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.103. [1 Onverminderd het bepaalde in artikel VII. 102 kan de overdracht of de indeplaatsstelling aan de consument niet worden tegengeworpen dan nadat hem hiervan bij een ter post aangetekende brief kennis is gegeven, behalve wanneer de onmiddellijke overdracht of indeplaatsstelling uitdrukkelijk is bepaald in het contract, en wanneer de identiteit van de overnemer of van de indeplaatsgestelde in de kredietovereenkomst is vermeld. Deze kennisgeving is niet verplicht wanneer de oorspronkelijke kredietgever, in overleg met de nieuwe houder van de schuldvordering, tegenover de consument het krediet verder beheert.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.104. [1 Bij overdracht van of indeplaatsstelling voor de vordering uit de kredietovereenkomst, behoudt de consument tegenover de overnemer of de indeplaatsgestelde schuldeiser, de verweermiddelen, het beroep op de schuldvergelijking inbegrepen, die hij de overdrager of de indeplaatssteller kan tegenwerpen. Elk hiermee strijdig beding wordt voor niet geschreven gehouden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 7. - [1 Niet-uitvoering van de kredietovereenkomst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.105. [1 Elk beding dat voorziet in het verval van de termijnbepaling of in een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde, is verboden en wordt als niet geschreven beschouwd, tenzij :

1° ingeval de consument ten minste twee termijnen of een bedrag gelijk aan 20 pct. van het totale door de consument terug te betalen bedrag niet heeft betaald en hij één maand na het ter post afgeven van een aangetekende brief tot ingebrekestelling zijn verplichtingen niet is nagekomen. Die regels moeten door de kredietgever bij de consument in herinnering worden gebracht bij de ingebrekestelling;

2° ingeval de consument het goed vervreemdt vóór het betalen van de prijs, of het gebruikt in strijd met de bedongen voorwaarden van de overeenkomst, terwijl de kredietgever zich de eigendom ervan had voorbehouden of er, overeenkomstig de regelen inzake financieringshuur, nog geen eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden;

3° ingeval de consument het kredietbedrag bedoeld in de artikelen VII. 100 en VII. 101 overschrijdt, en hij, een maand na het ter post afgeven van een aangetekende brief houdende ingebrekestelling, zijn verplichtingen niet is nagekomen. Die regels moeten door de kredietgever aan de consument in herinnering worden gebracht bij de ingebrekestelling.

Onverminderd de toepassing van artikel VII. 98 is elk beding dat voorziet dat de kredietgever op elk ogenblik de terugbetaling van het opgenomen kredietbedrag kan eisen verboden en wordt dit als niet geschreven beschouwd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.106. [1 § 1. Bij ontbinding van de kredietovereenkomst of bij verval van de termijnbepaling wegens de niet-uitvoering door de consument van zijn verbintenissen mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld :
- het verschuldigd blijvende saldo;
- het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet voor de consument;
- het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het verschuldigd blijvende saldo;
- de overeengekomen straffen of schadevergoedingen voor zover ze worden berekend op het verschuldigd blijvende saldo en beperkt worden tot de volgende maximumbedragen :
- ten hoogste 10 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo tot 7.500 euro;
- ten hoogste 5 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo boven 7.500 euro.

§ 2. Bij eenvoudige betalingsachterstand die geen ontbinding van de overeenkomst noch een verval van de termijnbepaling met zich brengt, mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld :
- het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
- het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet voor de consument;
- het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
- de overeengekomen kosten voor de maanbrieven en de brieven voor ingebrekestelling, a rato van één verzending per maand. Deze kosten bestaan uit een forfaitair maximumbedrag van 7,50 euro, vermeerderd met de op het ogenblik van de verzending geldende portokosten. De Koning kan dat forfaitair bedrag aanpassen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd, overeenkomstig artikel VII. 98, § 1, of een einde heeft genomen en de consument zijn verplichtingen niet is nagekomen drie maanden na het ter post afgeven van een aangetekende brief tot ingebrekestelling, mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld :
- het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
- het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet voor de consument;
- het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
- de overeengekomen straffen of schadevergoedingen binnen de grenzen en maximumbedragen bedoeld bij § 1.

§ 3. De overeengekomen nalatigheidsinterestvoet mag niet meer bedragen dan de debetrentevoet laatst toegepast op het betreffende bedrag of de betreffende deeltermijn, verhoogd met een coëfficiënt van hoogstens 10 pct.

§ 4. Elke betaling gevraagd overeenkomstig de §§ 1 en 2 moet omstandig omschreven en verklaard worden in een document dat gratis aan de consument overhandigd wordt.

Een nieuw document dat de bedragen verschuldigd bij toepassing van §§ 1 en 2 omstandig omschrijft en verklaart, moet ten hoogste drie keer per jaar gratis worden ter beschikking gesteld aan de consument die hierom vraagt.
De Koning kan bepalen welke vermeldingen dat document moet bevatten en kan een afrekeningsmodel opleggen.

§ 5. Bij ontbinding van de overeenkomst of bij verval van de termijnbepaling mag, in afwijking van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, iedere betaling gedaan door de consument, de borg of de steller van een persoonlijke zekerheid, eerst toegerekend worden op het bedrag van de nalatigheidsinteresten of andere straffen en schadevergoedingen nadat het verschuldigd blijvende saldo en de totale kosten van het krediet voor de consument zijn betaald.

§ 6. Verboden is en als niet geschreven wordt beschouwd elk beding dat, ingeval de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, straffen of schadevergoedingen oplegt waarin dit boek niet voorziet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.107. [1 § 1. De vrederechter kan de betalingsfaciliteiten, die hij bepaalt, toestaan aan de consument wiens financiële toestand is verslechterd.
Wanneer het toestaan van betalingsfaciliteiten de kosten van de kredietovereenkomst verhoogt, bepaalt de vrederechter het deel dat door de consument moet worden gedragen.

De bevoegde rechter kan aan de consument uitstel of herschikking van betaling van de schulden bedoeld in artikel VII. 106, §§ 1 en 2, toekennen, zelfs wanneer de kredietgever een clausule als bedoeld in artikel VII. 105 toepast of de toepassing ervan eist.

§ 2. In afwijking van de artikelen 2032, 4°, en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, moeten de borg, en, desgevallend, elke steller van een zekerheid, zich houden aan het door de vrederechter aan de consument toegestane betalingsfaciliteitenplan.

§ 3. Wanneer de borg en, desgevallend, de steller van een zekerheid, door de schuldeiser in betaling worden aangesproken, kunnen zij de vrederechter om het toestaan van betalingsfaciliteiten verzoeken, volgens dezelfde voorwaarden en modaliteiten als bepaald door de artikelen 1337bis tot 1337octies van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het toestaan van betalingsfaciliteiten aan de consument inzake consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.108. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van § 2, wanneer de consument reeds sommen gelijk aan ten minste 40 % heeft betaald van de prijs bij contante betaling van een goed dat het voorwerp is, hetzij van een beding van eigendomsvoorbehoud, hetzij van een pandbelofte met onherroepelijke volmacht, kan dit goed niet worden teruggenomen dan op grond van een gerechtelijke beslissing, of van een schriftelijke overeenkomst, gesloten na een ingebrekestelling bij ter post aangetekend schrijven.

De kredietgever moet binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de verkoopsdatum van het gefinancierde goed de verkregen prijs ter kennis brengen van de consument en hem het teveel gestorte terugstorten.

§ 2. Wanneer een consument, in het raam van een financieringshuur, 40 pct. of meer van de prijs bij contante betaling van een lichamelijk roerend goed betaald heeft, kan hij slechts eisen het bezit van het goed te bewaren op grond van een uitdrukkelijk akkoord tussen de partijen, gesloten na de totstandkoming van de kredietovereenkomst of bij beschikking van de rechter.

§ 3. In geen geval mag een lastgeving of een akkoord gesloten met het oog op de terugname van een goed gefinancierd door een kredietovereenkomst leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 8. [1 Zekerheden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.109. [1 § 1. De borgtocht en, desgevallend, elke andere vorm van zekerheid voor de verbintenissen die voortvloeien uit een kredietovereenkomst geven nauwkeurig het bedrag weer dat gewaarborgd is. De gevraagde zekerheden gelden enkel voor deze bedragen, eventueel verhoogd met de nalatigheidsintresten, met uitsluiting van alle andere boetes of kosten van niet-uitvoering. De kredietgever dient hiertoe voorafgaandelijk en gratis aan de borg en, desgevallend, aan de steller van een zekerheid een exemplaar van het kredietcontract te overhandigen.

§ 2. Elke overeenkomst tot zekerheidsstelling, waarvan de zekerheidssteller wordt geregistreerd overeenkomstig artikel VII. 148. § 2, 1°, vermeldt :
1° de clausule : "De kredietovereenkomst, waarvoor u deze zekerheid hebt gesteld maakt het voorwerp uit van een registratie bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren waarbij u overeenkomstig artikel VII. 148, § 2, 1°, wordt geregistreerd als zekerheidssteller";
2° de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
3° de naam van de Centrale;
4° het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste.

§ 3. De kredietgever stelt iedere steller van een zekerheid in kennis van de totstandkoming van de kredietovereenkomst en, voorafgaandelijk, van elke wijziging van deze overeenkomst.

Voor de kredietovereenkomsten gesloten voor een onbepaalde duur kan door de kredietgever slechts een borgtocht of een persoonlijke zekerheid worden gevraagd voor een periode van vijf jaar. Deze periode kan slechts hernieuwd worden bij afloop en met het uitdrukkelijk goedvinden van de borg of de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.110. [1 De kredietgever verwittigt de borg en, desgevallend, de steller van een zekerheid, wanneer de consument twee betalingen of minstens een vijfde van de totale te betalen som achterstaat. Hij geeft hem kennis van de toegekende betalingsfaciliteiten en deelt hem vooraf elke wijziging van de oorspronkelijke kredietovereenkomst mee.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.111. [1 In afwijking van artikel 2021 van het Burgerlijk Wetboek kan de kredietgever de borg en, desgevallend, de steller van een zekerheid dan eerst aanspreken wanneer de consument ten minste twee termijnen of een bedrag gelijk aan 20 pct. van de totale terug te betalen som of de laatste termijn niet betaald heeft en, nadat de kredietgever de consument bij een ter post aangetekende brief in gebreke heeft gesteld, de consument een maand na het ter post afgeven van de aangetekende brief zijn verplichtingen niet is nagekomen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 9. [1 Kredietbemiddelaars.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.112. [1 § 1. De kredietbemiddelaar mag enkel bemiddelen voor kredietovereenkomsten met vergunninghoudende of geregistreerde kredietgevers.

§ 2. De kredietmakelaar mag zijn activiteit slechts onder zijn eigen naam uitoefenen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.113. [1 § 1. De kredietbemiddelaar kan geen kredietaanvraag indienen voor een consument waarvoor hij, gelet op de inlichtingen waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, onder meer op basis van de inlichtingen bedoeld in artikel VII. 69, van oordeel is dat de consument duidelijk niet in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst, na te komen.

§ 2. De kredietbemiddelaar mag de kredietaanvragen niet opsplitsen. Hij moet aan de kredietgever de noodzakelijke inlichtingen bedoeld in artikel VII. 69 mededelen.

§ 3. Eenieder die optreedt als kredietbemiddelaar moet alle aangezochte kredietgevers in kennis stellen van het bedrag van de andere kredietovereenkomsten welke hij heeft aangevraagd of ontvangen ten behoeve van dezelfde consument gedurende twee maanden voorafgaand aan het indienen van iedere nieuwe kredietaanvraag.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.114. [1 § 1. De kredietbemiddelaar mag van de consument die om zijn bemiddeling heeft verzocht, geen enkele vergoeding in welke vorm ook, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen.

§ 2. De kredietbemiddelaar heeft slechts recht op een commissie voor de kredietovereenkomsten die met zijn bemiddeling geldig en volgens de vormregels zijn tot stand gekomen.

§ 3. Volgens de regels door de Koning bepaald moet de betaling van de commissie ten minste voor de helft worden gespreid naargelang van de aard van het krediet en van de duur ervan.

§ 4. Wanneer een kredietovereenkomst wordt gesloten met het oog op de volledige, vervroegde terugbetaling van een vroegere kredietovereenkomst, is geen commissie verschuldigd zo dezelfde kredietbemiddelaar voor beide overeenkomsten heeft bemiddeld.

Deze bepaling is niet van toepassing bij een betekenisvolle vermindering van het jaarlijkse kostenpercentage van de nieuwe overeenkomst ten aanzien van de vroegere kredietovereenkomst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 10. [1 Schuldbemiddeling.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.115. [1 De schuldbemiddeling is verboden, behalve :
1° wanneer zij wordt verricht door een advocaat, een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijk mandataris in de uitoefening van zijn beroep of zijn ambt;
2° wanneer zij wordt verricht door overheidsinstellingen of door particuliere instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 11. - [1 Verwerking van persoonsgegevens.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Overmaking van persoonsgegevens.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.116. [1 Behalve in geval van overdracht of indeplaatsstelling zoals die heeft plaats gevonden overeenkomstig de artikelen VII. 102 en VII. 103, kunnen de persoonsgegevens van een consument of een zekerheidssteller die door de kredietgever verwerkt werden in het raam van het sluiten of het uitvoeren van een kredietovereenkomst enkel aan een derde worden overgemaakt onder de voorwaarden opgesomd in deze afdeling.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.117. [1 § 1. Persoonsgegevens kunnen enkel het voorwerp uitmaken van een verwerking in het raam van de volgende dubbele finaliteit :
1° de beoordeling van de financiële toestand en de kredietwaardigheid van de consument of van de zekerheidssteller;
2° in het raam van het verstrekken of het beheer van de kredieten of betalingsdiensten bedoeld in dit boek die van aard zijn het privévermogen van een natuurlijk persoon te bezwaren en waarvan de uitvoering op het privévermogen van deze persoon kan voortgezet worden.
In geen geval mogen deze inlichtingen worden gebruikt voor commerciële prospectiedoeleinden.

§ 2. De ingezamelde gegevens moeten in het licht van de doeleinden opgesomd in de vorige paragraaf relevant, aangepast en niet overdreven zijn.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.118. [1 § 1. Met uitsluiting van alle andere, mogen slechts worden verwerkt de gegevens betreffende de identiteit van de consument of van de zekerheidssteller, het bedrag en de duur van de kredieten, de periodiciteit van de betalingen, de gebeurlijk toegestane betalingsfaciliteiten, de betalingsachterstanden, alsook de identiteit van de kredietgever. Dit laatste gegeven mag uitsluitend aan de verantwoordelijke voor de verwerking en aan de consument worden medegedeeld tenzij het betalingsachterstanden betreft.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de inhoud van de gegevens bedoeld in het voorgaande lid bepalen.

§ 2. In afwijking van de bepalingen van het eerste lid kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit :
1° bepalen welke categorieën van strafrechtelijke veroordelingen, die tegen de consument of de zekerheidssteller zijn uitgesproken, mogen worden verwerkt voor zover zij daarvan voorafgaandelijk en schriftelijk zijn kennis gegeven;
2° de natuurlijke personen en privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen aanwijzen welke de verwerking van de gegevens, zoals bedoeld in het 1°, mogen uitvoeren;
3° de bijzondere voorwaarden en modaliteiten vaststellen welke voor deze verwerking moeten worden in acht genomen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.119.[1 § 1. De persoonsgegevens mogen slechts aan de volgende personen worden medegedeeld :
1° de vergunninghoudende of geregistreerde kredietgevers;

2° de personen die [2 ...]2 zijn toegelaten om kredietverzekeringsverrichtingen uit te voeren [2 met toepassing van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]2

3° de FMSA en de Bank in het raam van hun opdrachten;

4° de betalingsdienstaanbieders, in de mate dat deze personen hun gegevens inzake betalingsdiensten op basis van regelen inzake wederkerigheid meedelen;

5° de verenigingen van personen of instellingen bedoeld in 1°, 2°, en 4°, van dit lid die hiertoe erkend werden door de minister of zijn gemachtigde onder de volgende voorwaarden :

a) de rechtspersoonlijkheid bezitten;

b) gesticht zijn met een oogmerk dat ieder winstgevend doel uitsluit en enkel opgericht zijn met het oog op het beschermen van de professionele belangen van zijn leden;

c) samengesteld zijn uit leden die geen administratieve of strafrechtelijke sanctie hebben opgelopen.

De minister of zijn gemachtigde beslist over de aanvraag tot erkenning binnen twee maanden na de dag waarop alle vereiste documenten en gegevens zijn ontvangen.

Indien de aanvraag niet is vergezeld van alle voornoemde documenten en gegevens wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gesteld binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis van een mededeling in die zin binnen deze termijn wordt de aanvraag geacht volledig en regelmatig te zijn.

De weigering tot erkenning is met redenen omkleed en wordt aan de aanvrager meegedeeld bij een ter post aangetekende brief.

De minister kan de erkenning opschorten of intrekken van personen die niet meer aan de bovenvermelde voorwaarden voldoen of die de verbintenissen die zij bij de erkenningsaanvraag hebben aangegaan niet naleven;

6° een advokaat, een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijk mandataris, in de uitoefening van zijn mandaat of ambt, en in het raam van de uitvoering van een kredietovereenkomst;

7° de schuldbemiddelaar bij de uitvoering van zijn opdracht in het kader van een collectieve schuldenregeling, zoals bedoeld in de artikelen 1675/2 tot 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek;

8° de ambtenaren van de FOD Economie bevoegd om op te treden in het raam van boek XV;

9° de personen die een activiteit van minnelijke invordering van schulden van de consument uitoefenen en die hiertoe, overeenkomstig artikel 4, § 1, van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument, zijn ingeschreven bij de FOD Economie;
10° de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer binnen de uitvoering van haar opdracht.

§ 2. Zodra de persoonsgegevens verkregen zijn, mogen zij enkel worden meegedeeld aan de personen bedoeld in paragraaf 1.

§ 3. De aanvragen om inlichtingen gericht aan de verantwoordelijke voor de verwerking en uitgaande van de personen bedoeld in dit artikel, met uitzondering van de FSMA, de Bank, de ambtenaren bedoeld in het eerste lid, 8°, en de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, moeten de consumenten over wie de aanvraag gaat individualiseren, aan de hand van hun naam, voornaam en geboortedatum; die aanvragen mogen worden gegroepeerd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2016-03-13/07, art. 750, 033; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art. 756>

Onderafdeling 2. - [1 Verwerking van gegevens]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.120. [1 § 1. De gegevens moeten worden uitgewist wanneer het behoud ervan in het bestand niet meer verantwoord is. De Koning kan een termijn bepalen voor de bewaring van de gegevens of van categorieën van gegevens.

De personen die mededeling hebben ontvangen van persoonsgegevens in het raam van het sluiten of het beheer van een kredietovereenkomst, mogen daarover slechts beschikken gedurende de tijd nodig voor het sluiten en het uitvoeren van kredietovereenkomsten, inzonderheid rekening houdend met de door de Koning, krachtens deze paragraaf, bepaalde termijnen voor de bewaring van gegevens.

§ 2. De verantwoordelijke voor de verwerking is verplicht alle maatregelen te treffen om de perfecte bewaring van de persoonsgegevens te verzekeren.

De personen die mededeling hebben ontvangen van persoonsgegevens zijn ertoe gehouden maatregelen te nemen om het vertrouwelijk karakter van deze gegevens te verzekeren en om ervoor te zorgen dat ze uitsluitend worden aangewend voor de doeleinden door of krachtens dit boek voorzien of voor het vervullen van hun wettelijke verplichtingen.

§ 3. De verantwoordelijke voor de verwerking wordt in het bijzonder belast met het toezicht op de geautomatiseerde verwerking of de geautomatiseerde uitwisseling van persoonsgegevens en moet inzonderheid erop toezien dat de programma's voor geautomatiseerde verwerking of de geautomatiseerde uitwisseling uitsluitend worden ontwikkeld en aangewend overeenkomstig dit boek en zijn uitvoeringsbesluiten.

De Koning kan de regels bepalen volgens welke de verantwoordelijke voor de verwerking zijn opdracht moet uitvoeren.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.121. [1 § 1. Wanneer een consument of een zekerheidssteller voor de eerste maal in een bestand wordt geregistreerd wegens wanbetaling met betrekking tot kredietovereenkomsten in de zin van dit boek, moet hem daarvan onverwijld door de verantwoordelijke voor de verwerking, rechtstreeks of onrechtstreeks, kennis worden gegeven.

§ 2. In die kennisgeving wordt vermeld :

1° de identiteit en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking. Wanneer deze geen vaste vestiging op het grondgebied van de Europese Unie heeft, moet hij een op het Belgische grondgebied gevestigde vertegenwoordiger aanwijzen, onverminderd rechtsvorderingen die tegen de verantwoordelijke voor de verwerking zelf kunnen worden ingesteld;

2° het adres van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer;

3° de identiteit en het adres van de persoon die het gegeven heeft medegedeeld;

4° het recht op toegang tot het bestand, op verbetering van foute gegevens en op uitwissing van gegevens, de modaliteiten voor de uitoefening van genoemde rechten, alsook de bewaringstermijn van de gegevens, zo er een bestaat;

5° de doeleinden van de verwerking.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.122. [1 § 1. Elke consument of zekerheidssteller heeft met betrekking tot de in de bestanden geregistreerde gegevens die zijn persoon of zijn patrimonium betreffen, de in de artikelen 10 en 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, bedoelde rechten.

§ 2. De consument en de zekerheidssteller kunnen verkeerde gegevens vrij en kosteloos laten rechtzetten volgens de voorwaarden door de Koning bepaald. In dat geval is de verantwoordelijke voor de verwerking ertoe gehouden deze verbetering mede te delen aan de personen die inlichtingen van hem hebben verkregen en die de geregistreerde persoon aanduidt.

§ 3. Wanneer in het bestand wanbetalingen verwerkt worden, kan de consument eisen dat de reden van de wanbetaling die hij mededeelt samen met de wanbetaling, wordt vermeld.

§ 4. De Koning kan de nadere regelen voor de uitoefening van de in dit artikel bedoelde rechten vaststellen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

HOOFDSTUK 2. - [1 Hypothecair krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 1. - [1 Reclame en Kosten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.123. [1 § 1. Onverminderd andere wets- of reglementsbepalingen, vermeldt elke reclame voor hypothecair krediet de identiteit of de benaming van de kredietgever. Indien de reclame uitgaat van een kredietbemiddelaar, vermeldt hij zulks uitdrukkelijk met opgave van zijn adres.

§ 2. De kredietgever stelt de belangstellenden een informatie ter beschikking onder de vorm van prospectussen.
Deze prospectus bevat het tarief van de debetrentevoeten, alle eventuele verminderingen en vermeerderingen van de rentevoet en alle toekenningsvoorwaarden inbegrepen.

De partijen kunnen van de prospectus afwijkende verminderingen of vermeerderingen overeenkomen indien deze voordeliger zijn voor de consument of op zijn initiatief onderhandeld werden.

§ 3. Wanneer de consument zich verbindt tot de betaling van dossiers- of schattingskosten, worden deze vermeld in een door hem ondertekend aanvraagformulier.

§ 4. De Koning bepaalt de nadere regels waaraan de reclame, prospectussen en aanvraagformulieren moeten voldoen. Hij kan, in het bijzonder, de kredietgevers en de kredietbemiddelaars het gebruik opleggen van een actuariële debetrentevoet, bedoeld om de vergelijking van de hypothecaire kredieten te vergemakkelijken.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.124. [1 Het is een kredietbemiddelaar verboden rechtstreeks of zijdelings kosten ten laste van de kredietaanvrager te leggen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 2. - [1 Algemene bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.125. [1 De wedersamenstelling van kapitaal moet gebeuren door middel van een aan het krediet toegevoegd contract.

Dit toegevoegd contract mag enkel bestaan uit een levensverzekeringscontract, uit een kapitalisatiecontract of uit een andere vorm van sparen.

Het wedersamengestelde kapitaal is op eender welk ogenblik de afkoopwaarde of het verzekerd of gevormd kapitaal in geval van een levensverzekerings- of kapitalisatieovereenkomst of het reeds gespaarde kapitaal in de andere gevallen van spaarovereenkomsten.

Wanneer de wedersamenstelling bij de kredietgever gebeurt, wordt, ingeval van wettelijke of gerechtelijke ontbinding of van faillissement van deze laatste, het gereconstitueerd kapitaal bij schuldvergelijking aangewend voor de vermindering van de schuldvordering van de kredietgever zonder dat enige vergoeding verschuldigd is.

Wanneer de wedersamenstelling niet bij de kredietgever gebeurt, wordt de wedersamenstellende derde, op het ogenblik waarop het krediet opeisbaar of terugbetaalbaar wordt, de enige schuldenaar van de kredietgever voor het wedersamengesteld kapitaal. In dit geval oefent de kredietgever de rechten uit van de consument tegenover de wedersamenstellende derde.

De Koning kan bijkomende regels bepalen waaraan de wedersamenstelling moet voldoen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.126. [1 § 1. Er bestaat in de zin van dit hoofdstuk en met het oog op haar toepassing een aangehecht contract wanneer de consument, in uitvoering van een voorwaarde van het krediet waarvan het niet-naleven de opeisbaarheid van de schuldvordering kan veroorzaken, een verzekeringsovereenkomst onderschrijft of handhaaft. Dat aangehecht contract mag niets anders zijn dan :

1° een schuldsaldoverzekering die het overlijdensrisico dekt teneinde contractueel de terugbetaling van het krediet te waarborgen;

2° een verzekering die het risico dekt van de beschadiging van het onroerend goed dat in waarborg aangeboden werd;

3° een borgtochtverzekering.

§ 2. Het is de kredietgever verboden zich in de vestigingsakte het recht voor te behouden in de loop van het contract een verhoging van de dekking op te leggen.

Het is de kredietgever verboden de consument rechtstreeks of zijdelings te verplichten het aangehecht contract te sluiten bij een door de kredietgever aangewezen verzekeraar.

§ 3. Wanneer er een aangehecht contract van schuldsaldoverzekering is, wordt, op het ogenblik van het overlijden van de verzekerde, het verzekerd kapitaal gebruikt om het verschuldigd blijvend saldo terug te betalen en om, in voorkomend geval, de lopende en niet-vervallen interesten te betalen.

Wanneer het kapitaal van zulke verzekering hoger is dan het verschuldigd blijvend saldo, mag de consument op elk ogenblik dat kapitaal doen verminderen tot het passend bedrag.

Wanneer de verzekering slechts op een gedeelte van het kapitaal van het krediet betrekking heeft, worden dezelfde regels proportioneel toegepast.

§ 4. De Koning bepaalt de bijkomende regels waaraan de aanhechting moet voldoen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.127. [1 De debetrentevoet is vast of veranderlijk. Indien één of meer vaste rentevoeten bedongen zijn, gelden deze voor de duur bedongen in de kredietovereenkomst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.128. [1 § 1. Indien de veranderlijkheid van debetrentevoet overeengekomen werd, mag er maar één debetrentevoet zijn per kredietovereenkomst. Op deze debetrentevoet zijn de volgende regels van toepassing :

1° De debetrentevoet moet zowel in meer als in min schommelen.

2° De debetrentevoet mag slechts veranderen bij het verstrijken van bepaalde periodes die niet minder dan één jaar mogen bedragen.

3° De verandering van de debetrentevoet moet gebonden zijn aan de schommelingen van een referte-index, genomen uit een reeks referte-indexen in functie van de duur van de perioden van verandering van de debetrentevoet.

De lijst en de berekeningswijze van de referte-indexen worden bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de Bank en van de FSMA nadat deze de Commissie voor Verzekeringen geraadpleegd heeft.

4° De oorspronkelijke debetrentevoet is de rentevoet waartegen de rente wordt berekend die de consument verschuldigd is op het tijdstip van de eerste rentebetaling.

5° De oorspronkelijke waarde van de referte-index is die van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van het aanbod bedoeld in artikel VII.133. In afwijking op die regel dienen de aan dit boek onderworpen kredietgevers echter de waarde van de referte-index te hanteren die voorkomt op hun tarieflijst van debetrentevoeten voor het desbetreffende type van krediet. In dat geval is die waarde die van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van dat tarief.

6° Bij het verstrijken van de periodes bepaald in de vestigingsakte is de debetrentevoet voor de nieuwe periode gelijk aan de oorspronkelijke debetrentevoet vermeerderd met het verschil tussen de waarde van de referte-index verschenen in de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van de verandering, en de oorspronkelijke waarde van die index.

Indien de oorspronkelijke debetrentevoet het resultaat is van een voorwaardelijke vermindering, mag de kredietgever voor het bepalen van de nieuwe debetrentevoet uitgaan van een hogere debetrentevoet indien de consument de gestelde voorwaarde of voorwaarden niet langer nakomt. De verhoging mag niet meer bedragen dan de vermindering toegekend in het begin van het krediet uitgedrukt in percent per periode.

7° Onverminderd hetgeen bepaald is in 8° hierna, moet de vestigingsakte bepalen dat de verandering van de debetrentevoet beperkt wordt zowel in meer als in min, tot een bepaald verschil ten opzichte van de oorspronkelijke debetrentevoet, zonder dat dit verschil in geval van stijging van de debetrentevoet meer mag bedragen dan het verschil in geval van daling.

Indien de oorspronkelijke debetrentevoet het resultaat is van een voorwaardelijke vermindering, mag de vestigingsakte bepalen dat bij de in het eerste lid beoogde verandering rekening wordt gehouden met een hogere debetrentevoet, indien de gestelde voorwaarde of voorwaarden voor de vermindering niet langer worden nagekomen. De toegepaste verhoging mag niet meer bedragen dan de vermindering toegekend in het begin van het krediet uitgedrukt in percent per periode.

De vestigingsakte mag verder bepalen dat er geen wijziging van debetrentevoet is dan wanneer de wijziging in meer of in min, ten aanzien van de debetrentevoet van de vorige periode, een bepaald minimumverschil bereikt.

8° Indien de eerste periode een kortere duur heeft dan drie jaren, kan een verhoging van de debetrentevoet niet tot gevolg hebben dat de debetrentevoet die van toepassing is gedurende het tweede jaar verhoogd wordt met meer dan wat overeenstemt met één procentpunt `s jaars ten opzichte van de oorspronkelijke debetrentevoet, noch dat de debetrentevoet die van toepassing is gedurende het derde jaar verhoogd wordt met meer dan wat overeenstemt met twee procentpunten `s jaars ten opzichte van die oorspronkelijke debetrentevoet.

§ 2. In geval van verandering van de debetrentevoet en wanneer er aflossing is van het kapitaal, worden de bedragen der periodieke lasten berekend aan de nieuwe debetrentevoet volgens de bepalingen van de vestigingsakte.Bij gebrek aan zulke bepalingen worden de periodieke lasten berekend in functie van het verschuldigd blijvend saldo en van de overblijvende looptijd, volgens de technische methode die oorspronkelijk gebruikt werd.

In geval van verandering van de debetrentevoet en wanneer er geen aflossing is van het kapitaal, worden de interesten berekend aan de nieuwe debetrentevoet volgens de technische methode die oorspronkelijk gebruikt werd.

§ 3. De tijdstippen, voorwaarden en modaliteiten van de verandering van de debetrentevoet evenals de oorspronkelijke waarde van de referte-index moeten voorkomen in de vestigingsakte.

§ 4. Bij verandering van de debetrentevoet moet de wijziging medegedeeld worden aan de consument ten laatste op de datum dat de interesten aan de nieuwe debetrentevoet beginnen te lopen. In voorkomend geval moet bij die mededeling kosteloos een nieuw aflossingsplan worden gevoegd waarin de gegevens bedoeld in artikel VII. 140, § 1, zijn opgenomen voor de overblijvende looptijd.

§ 5. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de nadere regels welke voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.129. [1 De debetrente wordt berekend :

1° in geval van aflossing, op het verschuldigd blijvend saldo;

2° in geval van wedersamenstelling, op het kapitaal of, na een gedeeltelijke terugbetaling, op het nog terug te betalen kapitaal.
In het geval van een kredietopening wordt de debetrente berekend worden op het gedeelte van het kapitaal dat opgenomen is.
Is verboden, het eisen of het doen betalen :

1° van interesten vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij berekend zijn;

2° van interesten in gedeelten van de perioden waarvoor zij berekend zijn.
Indien de debetrente krachtens de vestigingsakte aan een derde worden betaald, is deze betaling bevrijdend voor de consument tegenover de kredietgever.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.130. [1 Behoudens de wettelijke kosten behorend bij de hypotheek en wat krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen kan verschuldigd zijn, mogen slechts kosten voor de samenstelling van het dossier en kosten voor de schatting der in waarborg aangeboden goederen ten laste van de kredietaanvrager of de consument gelegd worden.

Geen kosten voor schatting zijn verschuldigd dan nadat de schatting is geschied. Geen dossierkosten zijn verschuldigd dan nadat het in artikel VII. 133 bedoelde aanbod is gedaan. Voorschotten dienen in het tegenovergestelde geval terug betaald te worden.

Indien de schattingskosten ten laste van de kredietaanvrager worden gelegd, worden zij hem vooraf worden medegedeeld. Hij ontvangt onverwijld kopie van het schattingsverslag.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.131. [1 § 1. De kredietgever mag een vergoeding bedingen voor het geval van een gehele of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling.

Deze vergoeding dient berekend te worden, aan de debetrentevoet van het krediet, op het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo.

Voor deze berekening dient dat bedrag, wanneer er een toegevoegd contract is waarvan de afkoopwaarde niet aangewend wordt voor de terugbetaling, verminderd te worden met die afkoopwaarde.

Bij gedeeltelijke terugbetaling worden deze regels proportioneel toegepast.

Deze vergoeding mag niet méér bedragen dan drie maanden interest.

Er is geen vergoeding verschuldigd in geval van terugbetaling na overlijden, in uitvoering van een aangehecht of toegevoegd contract.
§ 2. In het geval van een kredietopening mag de kredietgever een vergoeding bedingen voor terbeschikkingstelling van het kapitaal.
Deze vergoeding wordt berekend op het niet-opgenomen deel van het toegestane krediet.

§ 3. De vergoedingen bedoeld in de §§ 1 en 2 moeten in de vestigingsakte worden vermeld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.132. [1 Geen andere vergoeding dan deze voorzien in artikel VII. 131, noch een bezoldiging voor bemiddeling, onder welke benaming of vorm en voor wie ook bestemd, mogen ten laste gelegd worden van de kredietaanvrager of van de consument.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 3. - [1 De kredietovereenkomst.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.133. [1 Vooraleer de kredietovereenkomst ondertekend wordt, dient de kredietgever aan de consument een schriftelijk aanbod over te maken dat alle contractvoorwaarden bevat en de geldigheidsduur van het aanbod vermeldt.

Ten laatste bij het overmaken van het aanbod dient de kredietgever aan de consument het aflossingsplan van het aangeboden krediet over te maken.

De kredietovereenkomst bevat de volgende vermeldingen :

1° de clausule : "Deze overeenkomst maakt het voorwerp uit van registratie in de Centrale voor Kredieten aan Particulieren overeenkomstig artikel VII.148 van boek VII van het Wetboek van economisch recht";

2° de doeleinden van de verwerking in de Centrale;

3° de naam van de Centrale;

4° het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.134. [1 De vestigingsakte mag niet bedingen dat de rechten en verplichtingen van de consument eenzijdig kunnen gewijzigd worden.
Bij de ondertekening van de overeenkomst wordt aan de consument een kopie van de vestigingsakte overhandigd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.135. [1 Het kapitaal wordt ter beschikking gesteld van de consument in gereed geld of op girale wijze.
Het kapitaal mag aan geen enkele index gekoppeld worden, behalve wanneer het krediet toegestaan is onder de vorm van een lening zonder beding van interest; in dit geval mag geen andere index gebruikt worden dan de index der consumptieprijzen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.136. [1 § 1. Wanneer de consument het kapitaal geheel of gedeeltelijk aan de kredietgever in pand geeft, brengen de in pand gehouden bedragen interest op ten voordele van de consument aan de debetrentevoet van het krediet. Bij terugbetaling van het krediet bestaat er schuldvergelijking tussen de in pand gehouden bedragen en hun interesten, en de schuldvordering van de kredietgever.

§ 2. Ingeval van wettelijke of gerechtelijke ontbinding of ingeval van faillissement van de kredietgever worden de in pand gehouden bedragen en hun interesten bij schuldvergelijking aangewend voor de vermindering van de schuldvordering van de kredietgever zonder dat enige vergoeding verschuldigd is.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.137. [1 Het is verboden een hypothecair krediet rechtstreeks of zijdelings afhankelijk te stellen van de verplichting effecten zoals obligaties, aandelen, deelbewijzen of deelnemingen, in welke vorm ook, te kopen, te ruilen of erop in te schrijven.

Het in het vorige lid bedoelde verbod geldt niet voor de inschrijving op de deelbewijzen van de coöperatieve vennootschap of van de onderlinge maatschappij, die het krediet toestaat, voor zover het bedrag van de inschrijving of de storting niet meer bedraagt dan twee ten honderd van het kapitaal van het krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.138. [1 Het verstrekken van hypothecair krediet mag noch rechtstreeks noch zijdelings afhankelijk worden gemaakt van de verplichting een verzekerings- of kapitalisatieovereenkomst te sluiten of van de verplichting te sparen, tenzij bij wege van een toegevoegd of aangehecht contract bedoeld in de artikelen VII. 125 en VII. 126.

Wanneer een verzekerings-, kapitalisatie- of spaartegoed wordt aangewend als bijkomende waarborg, anders dan op grond van een toegevoegd contract, kan zulks niet verplichten tot het betalen van premies of het doen van spaarverrichtingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.139. [1 § 1. De uitgifte van wissels en de ondertekening van orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet zijn verboden.

§ 2. Onverminderd hun geldigheid als handelspapier, zijn de uitgifte van wissels en de ondertekening van orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet evenwel onder de volgende voorwaarden toegelaten :

1° het handelspapier dient betaalbaar gesteld op vaste datum, deze vervaldag dient overeen te stemmen met een van de vervaldagen van een aflossingsstorting van het kapitaal zoals bedoeld in artikel VII. 140, § 1;

2° het handelspapier mag enkel een bedrag weergeven dat niet hoger is dan het bedrag van de aflossingsstortingen die vervallen gedurende het jaar voorafgaand aan de vervaldag van het effect;

3° het handelspapier dient aan order van de kredietgever te luiden;

4° de kredietgever verbindt zich ertoe het handelspapier dat aldus werd of zal worden opgemaakt slechts aan een kredietgever die vergunningshouder is overeenkomstig de bepalingen van Titel 4, Hoofdstuk 4, te endosseren, op het handelspapier een verbod te bepalen dit opnieuw te endosseren en het handelspapier slechts te endosseren indien de geëndosseerde voorafgaand en schriftelijk :

a) zich ertoe verbindt het handelspapier niet meer te endosseren;

b) zich ertoe verbindt elke gehele of gedeeltelijke voorafbetaling van het handelspapier te aanvaarden;

c) mandaat geeft aan de kredietgever om elke gehele of gedeeltelijke betaling, voorafgaand of op de vervaldag, te ontvangen en kwijting hiervoor te verlenen. De herroeping van dit mandaat zal tegenwerpelijk zijn aan de consument op voorwaarde dat de kennisgeving hiervan geschiedt bij aangetekend schrijven;

d) zich ertoe verbindt de betaling waarvoor de kredietgever kwijting heeft verleend op het handelspapier zelf te vermelden.

De vestigingsakte herneemt de tekst van dit artikel in haar geheel en bepaalt uitdrukkelijk dat de kredietgever de verbintenissen aangegeven in punt d) hierboven op zich neemt. Elke uitgifte van een wissel of ondertekening van een orderbriefje dient in een vestigingsakte te worden vastgesteld met vermelding van de datum van uitgifte of ondertekening van het handelspapier, zijn vervaldag en zijn bedrag.

§ 3. Onverminderd hun geldigheid als handelspapieren, zijn de uitgifte van wissels en de ondertekening van orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet eveneens toegelaten onder de volgende voorwaarden :

a) elk handelspapier dient aan order van de kredietgever opgemaakt en de volledige identiteit van deze laatste te vermelden;

b) het totale bedrag vertegenwoordigd door het handelspapier of de handelspapieren opgemaakt ter vertegenwoordiging van eenzelfde hypothecair krediet mag niet hoger zijn dan het kapitaal van het krediet;

c) elke uitgifte van een wissel of ondertekening van een orderbriefje in het kader van deze paragraaf moet vastgesteld worden in een onderhands of authentiek document dat deel uitmaakt van de vestigingsakte van het krediet.

Dit document zal de datum van het opmaken van de handelspapieren vermelden evenals hun respectieve bedragen. De vestigingsakte moet bovendien uitdrukkelijk bepalen dat het opmaken van wissels of orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet niet toegelaten is dan in de voorwaarden voorzien in artikel VII. 139 en dat in geval van niet naleven van deze voorwaarden, de consument op grond van artikel VII. 212 recht heeft op de terugbetaling van de opgelopen rente van de kredietovereenkomst;

d) het endossement van de handelspapieren bedoeld in deze paragraaf kan slechts gebeuren ten voordele van een kredietgever onderworpen aan Titel 4, Hoofdstuk van de huidige wet. Deze beperking moet door de kredietgever vermeld worden op de desbetreffende handelspapieren, op het moment van hun eerste endossement, evenals de verbintenis bedoeld onder littera a) van paragraaf 4.

§ 4. Onverminderd hun geldigheid als handelspapieren, is het ter betaling voorleggen van handelspapieren die opgemaakt werden ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet onderworpen aan de volgende voorwaarden :

a) de begunstigde van een handelspapier mag dit slechts ter betaling voorleggen nadat hij, in voorkomend geval, zijn bedrag verminderd heeft door gedeeltelijke kwijting, tot een bedrag gelijk aan of lager dan het eisbaar bedrag van het in het kader van het krediet verschuldigd blijvend saldo - zonder het endossement van handelspapieren opgemaakt ter vertegenwoordiging van dit krediet in aanmerking te nemen - op het moment van deze voorlegging;

b) met het op de toepassing van littera a) van deze paragraaf verbindt de kredietgever er zich toe om aan elke geëndosseerde van het handelspapier, op eenvoudig verzoek, de inlichtingen mede te delen die toelaten om het eisbaar bedrag van het verschuldigd blijvend saldo te bepalen.

Onverminderd het eventueel verhaal van de kredietgever tegen een geëndosseerde van dusdanig handelspapier, wordt elke betaling verricht door de consument op voorlegging van een handelspapier opgemaakt ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet, aangerekend op het verschuldigd blijvend saldo van dat krediet en bevrijdt de consument tegenover de kredietgever tot het passende bedrag. De geëndosseerde kan de consument beletten nog langer aan de kredietgever te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.140. [1 § 1. Bij aflossing van het kapitaal moet de vestigingsakte de periodieke lasten bestaande uit de aflossingsstorting en de interesten vaststellen, evenals de tijdstippen waarop en de voorwaarden waaronder deze bedragen moeten worden betaald.

Zij moet bovendien een aflossingsplan bevatten dat de samenstelling van iedere periodieke last moet aangeven, alsook het verschuldigd blijvend saldo na iedere betaling.

Wanneer een rentevoetvermindering wordt toegekend, geeft het aflossingsplan de te betalen bedragen evenals de verschuldigde saldi aan, rekening houdend met die vermindering. Wijzigt de vermindering, dan wordt een nieuw aflossingsplan medegedeeld, dat met de wijzigingen rekening houdt.

§ 2. Bij wedersamenstelling van het kapitaal moet de vestigingsakte de tijdstippen vaststellen waarop en de voorwaarden waaronder de interesten dienen betaald en de wedersamenstellingsstortingen dienen uitgevoerd te worden. Het toegevoegd contract moet nauwkeurig de verplichtingen vermelden die voor de consument voortvloeien uit de toevoeging.

§ 3. Wanneer noch aflossing noch wedersamenstelling van het kapitaal is bedongen moet de vestigingsakte de tijdstippen en de voorwaarden van betaling van de interesten vermelden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.141. [1 De wedersamenstellling mag niet slaan op een bedrag dat groter is dan het kapitaal of, na een gedeeltelijke terugbetaling, het nog terug te betalen kapitaal.

Indien voor eenzelfde kapitaal meerdere wijzen van aflossing of wedersamenstelling worden gebruikt, moet de vestigingsakte aanduiden op welk gedeelte van het kapitaal elke wijze betrekking heeft.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.142. [1 Wanneer de duur bepaald voor de wedersamenstelling langer is dan de looptijd van het krediet, heeft de consument het recht te eisen dat de kredietgever het krediet verder zet, tot op het ogenblik dat het kapitaal wedersamengesteld is, zonder enige vergoeding of renteverhoging.
In voorkomend geval wordt de nieuwe vestigingsakte verleden op kosten van de consument.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.143. [1 Werd als bijkomende waarborg voor het krediet loonsoverdracht bedongen, zo kan deze slechts uitgevoerd en aangewend worden tot beloop van de ten dage van de betekening van de overdracht krachtens de vestigingsakte opeisbare bedragen.

De aldus geïnde sommen moeten op het ogenblik van de inning aangewend worden ter betaling van de alsdan opeisbare bedragen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.144. [1 De oorzaken van vervroegde opeisbaarheid moeten in een afzonderlijke bepaling voorkomen in de vestigingsakte. Zij mogen niet voortvloeien uit een toedoen van de kredietgever.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.145. [1 § 1. De consument heeft het recht op ieder ogenblik het kapitaal geheel terug te betalen.

Behoudens andersluidend beding in de vestigingsakte, heeft de consument het recht op ieder ogenblik het kapitaal gedeeltelijk terug te betalen. Het andersluidend beding mag niet uitsluiten dat er eenmaal per kalenderjaar een gedeeltelijke terugbetaling is, noch dat er terugbetaling is van een bedrag gelijk aan minstens 10 % van het kapitaal.

§ 2. In geval van wedersamenstelling heeft de consument bij de terugbetaling de keuze.

1° wanneer het gaat om een gehele terugbetaling, het gereconstitueerd kapitaal er geheel of gedeeltelijk toe aan te wenden of het niet aan te wenden;

2° wanneer het gaat om een terugbetaling van een fractie van de gehele terugbetaling, dezelfde fractie van het gereconstitueerd kapitaal er geheel of gedeeltelijk toe aan te wenden of niet aan te wenden.

Bovendien heeft de consument het recht het niet meer toegevoegd gedeelte van zijn contract te doen in aanmerking nemen om de premies van het contract te verminderen tot hetgeen nodig is om het toegevoegd gedeelte in stand te houden.

De vestigingsakte moet deze modaliteiten vermelden.

§ 3. De kredietgever mag de afkoop van een toegevoegd contract niet te zijnen gunste bedingen dan voor het geval de opbrengst van de verkoop van het in waarborg gegeven onroerend goed hem niet toelaat de terugbetaling van zijn krediet te bekomen.

§ 4. Zijn bevrijdend tegenover de kredietgever, de stortingen in kapitaal en vergoeding gedaan krachtens de vestigingsakte aan een derde, met het oog op een vervroegde terugbetaling.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.146. [1 § 1. Het wedersamengesteld kapitaal wordt eisbaar op het ogenblik dat :

1° het krediet de vervaldag bereikt;

2° de consument gebruik maakt van zijn wettelijk of bedongen recht het kapitaal terug te betalen;

3° de kredietgever de door de consument voorgestelde vervroegde terugbetaling aanvaardt.

§ 2. Bij wanbetaling van een verschuldigd bedrag dient de kredietgever, binnen drie maanden na de vervaldag, aan de consument een ter post aangetekende verwittiging te zenden die de gevolgen van de wanbetaling vermeldt.

Bij niet-naleving van deze verplichting mag de contractuele verhoging van de debetrentevoet wegens vertraging in de betaling zoals voorzien in artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek voor deze vervaldag niet worden toegepast; bovendien moet voor deze vervaldag een betalingsuitstel van zes maanden te rekenen vanaf de achterstallige vervaldag zonder bijkomende kosten of interesten worden toegekend.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 4. [1 Betalingsfaciliteiten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.147. [1 Elke tenuitvoerlegging of beslag dat plaats heeft krachtens een vonnis of een andere authentieke akte, wordt in het kader van dit hoofdstuk, op straffe van nietigheid, voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking, die op het zittingsblad wordt aangetekend, voor de beslagrechter.

Elke aanvraag tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten door de consument, de borg en in voorkomend geval, de steller van een persoonlijke zekerheid, wordt gericht aan de beslagrechter.

De artikelen 732 en 733 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.

In afwijking van de artikelen 2032, 4°, en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, moet de borg en, in voorkomend geval, elke steller van een persoonlijke zekerheid, zich houden aan het door de beslagrechter aan de consument toegestane betalingsfaciliteitenplan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

HOOFDSTUK 3. - [1 Centrale voor Kredieten aan Particulieren.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 1. [1 Registratie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.148. [1 § 1. De Bank is belast met de registratie, in de Centrale, van :

1° de kredietovereenkomsten die vallen onder het toepassingsgebied van dit boek (positieve luik) en

2° de wanbetalingen die hieruit voortvloeien (negatieve luik) die beantwoorden aan de door de Koning vastgestelde criteria.

Het voorgaande lid is niet van toepassing op de kredietovereenkomsten bedoeld in artikel VII.3, § 3, 1° en 2°, wat betreft het positieve en negatieve luik, en op de overschrijdingen, wat betreft het positieve luik.

§ 2. De gegevens die in de Centrale worden geregistreerd betreffen :

1° de identiteit van de consument, de kredietgever en, in voorkomend geval, de cessionaris en de zekerheidssteller;

2° de referenties van de kredietovereenkomst;

3° het soort krediet;

4° de kenmerken van de kredietovereenkomst die het mogelijk maken om de debetstand van de overeenkomst en zijn evolutie te bepalen;

5° in voorkomend geval, de reden van de wanbetaling medegedeeld door de consument;

6° in voorkomend geval, de betalingsfaciliteiten toegestaan aan de consument.

De Koning bepaalt de precieze inhoud, de voorwaarden en de nadere regels voor de bijwerking evenals de bewaartermijnen van deze gegevens. Hij kan deze lijst aanvullen met gegevens die nuttig zijn voor de uitoefening van de taken van de Bank als prudentiële toezichthouder.

De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, eveneens de bijkomende inlichtingen vaststellen die de Bank, met het oog op het opstellen van statistieken met betrekking tot de schuldenlast van gezinnen, kan vragen aan de personen bedoeld in artikel VII. 149.

§ 3. De Bank stelt de administratieve en technische richtlijnen vast die moeten worden nageleefd door de personen die gehouden zijn gegevens aan de Centrale mede te delen of haar te raadplegen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Afdeling 2. - [1 Mededeling en raadpleging van gegevens.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.149. [1 § 1. Teneinde informatie te verkrijgen over de financiële toestand en de solvabiliteit van de consument, raadplegen de kredietgevers, behoudens in het geval van een overschrijding, de Centrale vooraleer zij een kredietovereenkomst sluiten of het aanbod bedoeld in artikel VII.133, eerste lid, overhandigen. De Koning stelt de nadere regels vast betreffende deze raadpleging.

§ 2. De kredietgevers die beschikken over een vergunning of geregistreerd zijn om kredietovereenkomsten te sluiten en de door de Koning aangewezen personen delen aan de Centrale de gegevens mee betreffende elke kredietovereenkomst en elke wanbetaling, bedoeld in artikel VII. 148, § 1.

De Koning bepaalt de termijnen voor de mededeling van die gegevens aan de Centrale.

Indien de bevoegde ambtenaren van de FOD Economie vaststellen dat een kredietgever kredietovereenkomsten sluit zonder hiertoe over de nodige vergunning of registratie te beschikken dan kunnen zij de kredietgever verplichten om de overeenkomsten en wanbetalingen toch te laten registreren door de Centrale. Zij brengen de Centrale en het begeleidingscomité hiervan op de hoogte. De registratiekosten zijn ten laste van de kredietgever. De Koning kan betalingsmodaliteiten voorzien en de hoogte van deze kosten bepalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.150.[1 Voor de toepassing van dit boek en met het oog op de identificatie van de consumenten en de zekerheidsstellers, gebruiken de kredietgevers het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen.

Bij de aanvraag van een kredietovereenkomst deelt de consument het voornoemde identificatienummer mee.

De Bank is gemachtigd om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken in haar relaties met de consumenten en de personen bedoeld in de [2 artikelen VII.149, § 2, eerste lid]2 en VII. 153, § 1.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 22, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.151. [1 Bij de eerste registratie in het negatieve luik, wordt de consument daarvan onverwijld in kennis gesteld door de Bank. Deze kennisgeving moet vermelden :

1° de referentie van de betrokken overeenkomst;
2° de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
3° de naam en het adres van de persoon die de gegevens heeft medegedeeld;
4° het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste;
5° de benaming en het adres van het bevoegde toezichthoudend bestuur bij de FOD Economie en van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.152. [1 Volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels heeft elke consument en elke zekerheidssteller kosteloos toegang tot de op zijn naam geregistreerde gegevens en kan hij, vrij en kosteloos, de rechtzetting vragen van verkeerde gegevens.

In geval van een vraag tot rechtzetting is de Bank ertoe gehouden deze aanvraag over te maken aan de persoon bedoeld in artikel VII. 149, eerste en derde lid, die de gegevens heeft meegedeeld en instaat voor de juiste inhoud ervan. Desgevallend vraagt deze persoon aan de Centrale de verbetering van de geregistreerde gegevens.

In geval van rechtzetting is de Bank ertoe gehouden deze rechtzetting mede te delen aan de personen die inlichtingen van de Centrale hebben verkregen en die de geregistreerde persoon aanduidt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.153. [1 § 1. Volgens de regels die de Koning bepaalt, mag de Bank de inlichtingen slechts meedelen aan :

1° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 1° tot 3°, 6° tot 8° en 10° ;
2° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 4°, in de mate dat deze personen ook beschikken over een vergunning als kredietgever;
3° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 9°, maar enkel met betrekking tot de gegevens van de kredietovereenkomsten die zij op grond van hun activiteit van minnelijke invordering van schulden daadwerkelijk hebben overgenomen;
4° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken.

De buitenlandse kredietcentrales kunnen eveneens mededeling krijgen van de inlichtingen opgenomen in de Centrale, op voorwaarde dat hun doeleinden, de geregistreerde gegevens en de bescherming die zij waarborgen op het vlak van de persoonlijke levenssfeer, gelijkwaardig zijn met die van de Centrale en dat zij hun gegevens, op basis van wederkerigheid, aan de Centrale verstrekken.

De Koning kan, in voorkomend geval, per categorie van personen die mededeling van de in de Centrale opgenomen inlichtingen kunnen krijgen, de mededeling van deze inlichtingen beperken tot bepaalde gegevens of/ de mededeling van bepaalde inlichtingen uitsluiten.

§ 2. De inlichtingen die door de Bank worden medegedeeld mogen enkel gebruikt worden in het raam van het verstrekken van of het beheer van kredieten of betalingsdiensten, die van aard zijn het privévermogen van een natuurlijk persoon te bezwaren en waarvan de uitvoering op het privévermogen kan voortgezet worden.

Deze inlichtingen mogen niet worden gebruikt voor commerciële prospectiedoeleinden.

De personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid,1° en 2° zijn, in voorkomend geval en onder hun verantwoordelijkheid, gemachtigd de kredietbemiddelaar over het geglobaliseerde antwoord van de raadpleging in te lichten, in zoverre de raadpleging heeft plaatsgevonden op basis van een concrete kredietaanvraag waarvoor deze kredietbemiddelaar daden van kredietbemiddeling stelt. Dit geglobaliseerde resultaat kan enkel betrekking hebben op het aantal kredietovereenkomsten en de som van de geregistreerde kredietbedragen. De kredietbemiddelaar kan deze gegevens slechts gebruiken met het oog op het nakomen van zijn verplichtingen bedoeld in de artikelen VII. 69 tot VII. 71, VII. 74 en VII. 75. Eens het kredietdossier is afgesloten door de kredietgever is het geglobaliseerde antwoord niet langer beschikbaar.

De kredietbemiddelaar mag aan de consument of, desgevallend, aan de zekerheidssteller niet vragen om zijn toegangsrecht tot de Centrale uit te oefenen met het oog op het hem overhandigen van het bekomen antwoord.

§ 3. De personen die inlichtingen van de Centrale hebben verkregen moeten de nodige maatregelen treffen om het vertrouwelijk karakter van die inlichtingen te waarborgen.

§ 4. Onverminderd de toepassing van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, is de Bank gemachtigd de in de Centrale geregistreerde gegevens te gebruiken voor wetenschappelijke of statistische doeleinden of in het raam van haar activiteiten uitgevoerd overeenkomstig de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.154.[1 Ter aanvulling van de informatie verkregen bij de raadpleging [2 bedoeld in artikel VII.149, § 1]2 :

1° wordt de Bank gemachtigd om voor rekening van de kredietgevers ondervragingen te verrichten van het bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, bedoeld in artikel 1389bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de gegevens die kunnen worden geraadpleegd;

2° kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij zelf bepaalt, de Bank machtigen voor rekening van de kredietgevers andere bestanden te raadplegen met daarin een overzicht van onbetaalde schulden van consumenten. In dit geval bepaalt de Koning de gegevens die mogen worden geraadpleegd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 24, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Afdeling 3. - [1 Diverse bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.155. [1 De Bank is gemachtigd, aan de personen aan wie de inlichtingen van de Centrale mogen worden verstrekt, de terugbetaling te vragen van de kosten gemaakt voor het inzamelen, het registreren, het beheer, de controle en het ter beschikking stellen van de gegevens van de Centrale.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.156. [1 § 1. Er wordt bij de Bank een Begeleidingscomité opgericht dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de kredietgevers, de consumenten, de Bank, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de minister. De Koning bepaalt de wijze waarop die vertegenwoordigers worden aangewezen alsmede de nadere regels voor de werking van het comité.

§ 2. Het Begeleidingscomité is belast met het uitbrengen van adviezen over :
1° elk ontwerp van besluit opgesteld in uitvoering van dit hoofdstuk, met uitzondering van het besluit bedoeld in § 1;
2° de organisatie van de Centrale en de invloed van de uitbatingprocedures op haar kosten;
3° het ontwerp van jaarlijks budget van de Centrale;
4° het ontwerp van verslag bedoeld in artikel VII. 157.

§ 3. Het Begeleidingscomité is eveneens belast met :
1° het goedkeuren van de jaarrekeningen van de Centrale en het bestemmen van het eventuele exploitatieoverschot;
2° het vaststellen van de structuur en de regels inzake de verdeling van de terugbetaling van de kosten bedoeld in VII. 155;
3° het goedkeuren van de administratieve en technische richtlijnen, bedoeld in artikel VII. 148, § 3;
4° het goedkeuren van de akkoorden betreffende de uitwisseling van inlichtingen met de buitenlandse kredietcentrales volgens de voorwaarden bedoeld in artikel VII. 153, § 1, tweede lid.

§ 4. Het Begeleidingscomité kan aan het College van revisoren van de Bank vragen om de rekeningen van de Centrale te certificeren.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.157. [1 Tenminste éénmaal per jaar brengt de Bank verslag uit over de werking van de Centrale bij de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren.

Dit verslag bevat onder meer :
1° een overzicht van het aantal en de aard van de geregistreerde gegevens;
2° een overzicht van het aantal raadplegingen van de Centrale;
3° een omstandige weergave van de kosten voortvloeiend uit de werking van de Centrale met aanduiding van de eventuele praktische of technische moeilijkheden;
4° een analyse van de evolutie van de wanbetalingen.
Dit verslag wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

HOOFDSTUK 4. - [1 Toegang tot de activiteit van de kredietgevers en de kredietbemiddelaars.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.158. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op elke persoon die in België een activiteit van kredietgever of kredietbemiddelaar uitoefent.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Afdeling 1. [1 Kredietgevers.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.159.[1 § 1. Niemand mag in België de activiteit van kredietgever uitoefenen als hij niet op voorhand van de FSMA een vergunning heeft verkregen of door haar is geregistreerd.

Niemand mag de titel van kredietgever voeren om aan te geven dat hij de in dit boek bedoelde activiteit van kredietgever uitoefent, als hij niet op voorhand van de FSMA een vergunning heeft verkregen of door haar is geregistreerd.

§ 2. Onder "kredietgever inzake hypothecair krediet" wordt een kredietgever verstaan die actief is op het vlak van het hypothecair krediet.

Onder "kredietgever inzake consumentenkrediet" wordt een kredietgever verstaan die actief is op het vlak van het consumentenkrediet.

§ 3. In geval van overdracht van hypothecaire schuldvorderingen onderworpen aan dit boek, is de overnemer, onverminderd de toepassing van de bepalingen inzake consumentenkrediet, onder meer de artikelen VII.102 tot VII.104, eveneens onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en van de artikelen VII.123, VII.124 en VII.146, § 2.]1

[2 Als de overnemer een mobiliseringsinstelling is in de zin van artikel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mobilisering van schuldvorderingen in de financiële sector, is artikel VII. 162 niet op hem van toepassing. De Koning kan bijkomende afwijkingen vaststellen van het eerste lid voor die instellingen of voor andere publieke of financiële rechtspersonen in de zin van artikel 3 van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, met name naargelang het soort uitgevoerde overdracht, het statuut of de organisatorische kenmerken van de overnemer.]2
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 25, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Afdeling 2. - [1 Kredietgevers naar Belgisch recht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. [1 Vergunningsvoorwaarden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.160. [1 § 1. Elke vergunningsaanvraag wordt aan de FSMA gericht overeenkomstig de door de Koning vastgestelde vormen en voorwaarden.

§ 2. Er kan een vergunning worden aangevraagd :
1° hetzij als kredietgever inzake hypothecair krediet;
2° hetzij als kredietgever inzake consumentenkrediet.

De aanvrager verduidelijkt in zijn aanvraag welk soort vergunning hij wenst te verkrijgen.

Beide vergunningen kunnen door dezelfde rechtspersoon worden gecumuleerd.

§ 3. Wanneer de aanvraag een vergunning als kredietgever inzake consumentenkrediet betreft, verduidelijkt de aanvrager :

1° of hij voornemens is verkopen of leningen op afbetaling of financieringshuurovereenkomsten aan te bieden, alsook of hij voornemens is als onmiddellijke overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten op te treden;

2° of hij voornemens is om eveneens kredietopeningen of kredietovereenkomsten aan te bieden waarvoor door of krachtens dit boek in geen enkele bijzondere regel is voorzien, alsook of hij voornemens is als onmiddellijk overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten op te treden.

§ 4. Bij de vergunningsaanvraag wordt een dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de FSMA gestelde voorwaarden en waarin met name de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen, alsook de organisatiestructuur van de instelling en haar nauwe banden met andere personen worden vermeld. De aanvrager verstrekt de FSMA alle voor de beoordeling van zijn aanvraag vereiste inlichtingen.

Elke wijziging van de in het vergunningsdossier vermelde gegevens wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld, onverminderd het recht van de FSMA om bij de betrokkene informatie in te winnen of bewijskrachtige documenten op te vragen.

Het vergunningsdossier bevat ook het bewijs dat de modelkredietovereenkomsten, met inbegrip van de aflossingstabellen, die de kredietgever voornemens is te gebruiken, door de FOD Economie voorafgaandelijk zijn goedgekeurd.

§ 5. De FOD Economie onderzoekt of de modelcontracten beantwoorden aan alle bepalingen van dit boek en van boek VI en hun uitvoeringsbesluiten. De modellen worden voorafgaandelijk ingevuld teneinde onder meer het nazicht van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage mogelijk te maken.
Elke wijziging van de modelcontracten wordt ter voorafgaandelijke goedkeuring voorgelegd aan de FOD Economie.

§ 6. De FSMA verleent een vergunning aan de kredietgevers die voldoen aan de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden. Uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst van een volledig dossier en uiterlijk binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag doet zij uitspraak.

De beslissingen over de vergunning worden met een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de aanvrager.

De FSMA kan haar beslissing tot vergunning of tot weigering van een vergunning, alsook haar beslissing tot ingebrekestelling, tot verbod, tot schorsing en tot intrekking van de vergunning rechtsgeldig ter kennis brengen van de aanvrager aan de hand van voorgedrukte formulieren voorzien van een door middel van een mecanografisch procedé gereproduceerde handtekening.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.161. [1 De kredietgevers zijn opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon, of als rechtspersoon voor de economische samenwerkingsverbanden die geen vennootschappen zijn.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.162. [1 Om een vergunning te kunnen verkrijgen, is een minimumkapitaal vereist dat aan de hand van de volgende regels wordt vastgesteld :

1° minimaal 250.000 euro per categorie van kredietovereenkomst voor de kredietgevers die verkopen of leningen op afbetaling of financieringshuurovereenkomsten aanbieden, alsook voor de kredietgevers die als onmiddellijk overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten optreden;

2° minimaal 2.500.000 euro als de kredietgever kredietopeningen of consumentenkredietovereenkomsten aanbiedt waarvoor door of krachtens de wet in geen enkele specifieke regel is voorzien, alsook voor de kredietgevers die als onmiddellijk overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor deze kredietovereenkomsten optreden;

3° minimaal 2.500.000 euro voor de kredietgevers die hypothecaire kredietovereenkomsten aanbieden, alsook voor de kredietgevers die als onmiddellijke overnemer of in de plaats gestelde schuldeiser voor dergelijke kredietovereenkomsten optreden.

Het kapitaal is volgestort ten belope van het in het eerste lid bepaalde minimumbedrag.

Indien de vennootschap reeds bestond voor de aanvraag, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat met kapitaal gelijkgesteld. Op zich moet het kapitaal echter minimaal 175.000 euro in het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, en minimaal 2.000.000 euro in het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, bedragen en voor die bedragen zijn volgestort.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.163. [1 § 1. De FSMA verleent pas een vergunning nadat zij in kennis is gesteld van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende deelneming van ten minste 20 % in het kapitaal van de kredietgever bezitten, of die de kredietgever controleren. De kennisgeving vermeldt welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten.

De vergunning wordt geweigerd wanneer de FSMA, gelet op de noodzaak om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever te waarborgen, niet overtuigd is van de geschiktheid van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen.

§ 2. Wanneer de vergunning wordt aangevraagd door een kredietgever die hetzij de dochteronderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beursvennootschap of een betalingsinstelling, met vergunning in België, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beursvennootschap of een betalingsinstelling, met vergunning in België, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beursvennootschap of een betalingsinstelling, met vergunning in België, raadpleegt de FSMA, vooraleer een beslissing te nemen, de Bank.

Wanneer de vergunning wordt aangevraagd door een kredietgever die hetzij de dochteronderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een betalingsinstelling, met vergunning in een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming is van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een betalingsinstelling, met vergunning in een andere lidstaat, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een betalingsinstelling, met vergunning in een andere lidstaat, raadpleegt de FSMA, vooraleer een beslissing te nemen, de nationale toezichthoudende autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de herverzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging of de betalingsinstellingen, waaraan zij krachtens hun recht een vergunning hebben verleend.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.164.[1 § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietgevers en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval, de leden van het directiecomité, zijn uitsluitend natuurlijke personen.

De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken, met name rekening houdend met het verstrekken van kredietovereenkomsten als bedoeld in artikel VII. 160, § 3.

§ 2. De effectieve leiding van de kredietgevers moet aan ten minste twee natuurlijke personen worden toevertrouwd.

§ 3. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietgevers en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval, de leden van het directiecomité, mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden.

Wanneer de FSMA zich dient uit te spreken over de professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid van een persoon die voor het eerst voor een in deze paragraaf bedoelde functie wordt voorgedragen bij een financiële onderneming die, overeenkomstig artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002, onder het toezicht staat van de FSMA, raadpleegt de FSMA eerst de Bank. De Bank deelt haar advies aan de FSMA mee binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 26, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Art. VII.165. [1 § 1. De kredietgevers beschikken over een organisatie die hen in staat stelt te allen tijde de wettelijke en reglementaire verplichtingen na te komen die krachtens dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen voor hen gelden.

Zij voeren met name een organisatie in die hen in staat stelt na te gaan of hun verbonden agenten, alsook de werknemers en de subagenten van die verbonden agenten de wettelijke en reglementaire verplichtingen nakomen die krachtens dit Boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen voor hen gelden, inzonderheid de geldende bepalingen inzake beroepskennis.

Zij voeren een boekhouding op grond waarvan de door de reglementeringen inzake statistiek vereiste inlichtingen kunnen worden verstrekt.

De kredietgevers inzake hypothecair krediet registreren op passende wijze welke soorten onroerende goederen als zekerheid worden aanvaard en welk acceptatiebeleid inzake aanvragen tot hypothecaire kredietverstrekking wordt gehanteerd.

§ 2. Het hoofdbestuur van de kredietgevers moet in België zijn gevestigd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.166.[1 § 1. [2 Onder voorbehoud van de hierna volgende bepalingen, worden de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden]2 permanent vervuld tijdens de uitoefening van het bedrijf.

§ 2. De kredietgevers mogen geen beroep doen op een kredietbemiddelaar die niet overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk is ingeschreven.

Als zij toch een beroep doen op een niet-ingeschreven kredietbemiddelaar, zijn zij burgerrechtelijk aansprakelijk voor de handelingen die deze kredietbemiddelaar in het kader van zijn kredietbemiddelingsbedrijf verricht.

§ 3. Als de kredietgevers kennis hebben van elementen die twijfel kunnen doen rijzen over de naleving van de in dit hoofdstuk vermelde inschrijvingsvoorwaarden door een kredietbemiddelaar op wie zij een beroep doen of gedaan hebben, delen zij die elementen onverwijld mee aan de FSMA.
Zij stellen de FSMA ook in kennis van het feit dat iemand zich als kredietbemiddelaar voordoet zonder in het in dit boek vermelde register te zijn ingeschreven.

§ 4. De kredietgevers treden toe tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen, zoals bedoeld in artikel VII.216, dragen bij tot de financiering van die geschillenregeling en gaan in op elk verzoek om informatie dat zij in het raam van die geschillenregeling ontvangen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Art. VII.167. [1 Het eigen vermogen van de kredietgevers mag niet dalen onder het bedrag van het overeenkomstig artikel VII.162 vastgestelde minimumkapitaal.

In coöperatieve vennootschappen mogen geen aandelen worden terugbetaald als dit voor de kredietgever tot gevolg zou hebben dat hij de bepalingen van het vorige lid niet meer zou naleven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.168. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, geeft iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming in het kapitaal van een kredietgever te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de kredietgever zijn dochteronderneming zou worden, daarvan vooraf schriftelijk kennis aan de FSMA.

De FSMA mag aan die persoon alle inlichtingen vragen die nuttig zijn om te kunnen beoordelen of hij, gelet op de noodzaak om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever te waarborgen, over de nodige kwaliteiten beschikt.
In voorkomend geval, verricht de FSMA de in artikel VII. 163, § 2, vermelde raadplegingen.

§ 2. Binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier kan de FSMA zich tegen de voorgenomen verwerving verzetten, indien zij om gegronde redenen niet overtuigd is van de geschiktheid van de kandidaat-verwerver gelet op de noodzaak om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever te waarborgen.
§ 3. Indien de FSMA grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming van

minstens 20 % in het kapitaal van een kredietgever bezit, of die de kredietgever controleert, een gezond en voorzichtig beleid van deze kredietgever kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij dit hoofdstuk bepaalde maatregelen :

1° de uitoefening schorsen van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen in het bezit van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de FSMA kan haar beslissing openbaar maken;

2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.

Als zij niet binnen de vastgestelde termijn worden overgedragen, kan de FSMA bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de kredietgever die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de kredietgever en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De in het kader van dergelijke verrichtingen verworven aandeelhoudersrechten worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de FSMA en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester dan wel door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.

Indien, na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de FSMA, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het voor de genoemde beslissingen vereiste aanwezigheids- of meerderheidsquorum, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten, niet zou zijn bereikt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.169. [1 De kredietgevers brengen de FSMA voorafgaandelijk op de hoogte van de voordracht tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de leden van het directiecomité of, wanneer er geen directiecomité is, van de personen belast met de effectieve leiding.
In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking, delen de kredietgevers de FSMA de informatie en documenten mee die haar toelaten te beoordelen of de personen van wie de benoeming wordt voorgesteld, over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken overeenkomstig artikel VII. 164, § 1, tweede lid.

Het eerste lid is ook van toepassing op de voordracht tot hernieuwing van de benoeming van de aldaar bedoelde personen, en op de niet-hernieuwing van hun benoeming en op hun ontslag.

Voor de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen is de voorafgaande goedkeuring van de FSMA vereist.

Wanneer het de voordracht tot benoeming betreft van een persoon die voor het eerst wordt voorgedragen voor een in het eerste lid bedoelde functie bij een financiële onderneming die, met toepassing van artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002, onder het toezicht staat van de FSMA, raadpleegt de FSMA eerst de Bank. De Bank deelt haar advies aan de FSMA mee binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.

De kredietgevers informeren de FSMA over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding, en over de belangrijke wijzigingen in deze taakverdeling.

Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het vorige lid, geven aanleiding tot de toepassing van leden 1 tot 4.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.170. [1 Voor de opening, door de kredietgever, van bijkantoren en dochterondernemingen in het buitenland die een activiteit van kredietgever uitoefenen, is de voorafgaande toestemming van de FSMA vereist.

De FSMA kan zich enkel tegen de uitvoering van het project verzetten als zij van oordeel is dat het project nadelige gevolgen zal hebben voor de organisatie van of het toezicht op de kredietgever.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.171. [1 Elke kredietgever moet de FSMA een vergoeding betalen voor de dekking van de toezichtskosten. Het bedrag van die vergoeding, de gevallen waarin zij verschuldigd is, en de termijnen waarbinnen zij moet worden betaald, worden door de Koning bepaald met toepassing van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.172.[1 De FSMA publiceert op haar website een regelmatig geactualiseerde lijst van de kredietgevers, alsook de historiek van de wijzigingen die tijdens de laatste twaalf maanden in die lijst zijn aangebracht. Die lijst is onderverdeeld als volgt :

Lijst van de kredietgevers inzake hypothecair krediet

1° Kredietgevers inzake hypothecair krediet naar Belgisch recht met een vergunning :

a. Kredietinstellingen;
b. Verzekeringsondernemingen;
c. Instellingen voor elektronisch geld;
d. Betalingsinstellingen;
e. "Sociale" kredietgevers (artikel VII.3, § 4, 2° );
f. Andere kredietgevers.
2° Kredietgevers inzake hypothecair krediet naar buitenlands recht met een vergunning :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte;
b. Verzekeringsgondernemingen;
c. Instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
d. Betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
e. Instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte en waaraan als dusdanig een vergunning is verleend in België;
f. Andere kredietgevers inzake hypothecair krediet naar buitenlands recht.
3° Geregistreerde kredietgevers inzake hypothecair krediet naar buitenlands recht :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
b. Financiële instellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en die dochterondernemingen zijn van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2.
Lijst van de kredietgevers inzake consumentenkrediet
[2 1° Kredietgevers inzake consumentenkrediet naar Belgisch recht met een vergunning :
a. Kredietinstellingen;
b. Beleggingsondernemingen;
c. Instellingen voor elektronisch geld;
d. Betalingsinstellingen;
e. "Sociale" kredietgevers (artikel VII.3, § 4, 2° );
f. Andere kredietgevers.
2° Kredietgevers inzake consumentenkrediet naar buitenlands recht met een vergunning (artikel VII.176) :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte;
b. Andere kredietgevers inzake consumentenkrediet naar buitenlands recht.
3° Geregistreerde kredietgevers inzake consumentenkrediet naar buitenlands recht (artikel VII.174) :
a. Kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
b. Financiële instellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en een dochteronderneming zijn van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte (artikel 332 van de wet van 25 april 2014);
c. Beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
d. Instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
e. Betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte.]2

[3 De door de FSMA bekendgemaakte lijst vermeldt:
- desgevallend de groep waartoe de kredietgever behoort;
- voor elke kredietgever inzake consumentenkrediet, met verwijzing naar artikel VII.160, § 3, het soort verstrekte kredieten.]3]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 28, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 39, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Art. VII.173.[1 De artikelen VII. 161 tot VII. 164, en VII. 167 tot VII. 169 zijn niet van toepassing op de kredietgevers die hetzij als kredietinstellingen op de in [2 artikel 14 van de wet van 25 april 2014, hetzij als beleggingsonderneming op de in artikel 53 van de wet van 6 april 1995 bedoelde lijst]2 bedoelde lijst, [3 hetzij als verzekeringsondernemingen op de lijst als bedoeld in artikel 31 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]3, hetzij als instellingen voor elektronisch geld op de in artikel 64 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst, hetzij als betalingsinstellingen op de in artikel 9 van deze wet bedoelde lijst zijn ingeschreven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 29, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2016-03-13/07, art. 751, 033; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art.756>

Afdeling 3. - [1 Kredietgevers naar buitenlands recht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Bepaalde gereglementeerde financiële ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.174.[1 § 1. De kredietinstellingen, de financiële instellingen als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014, de beleggingsondernemingen,]2, de instellingen voor elektronisch geld, en de betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat, die op grond van hun nationaal recht consumentenkredietovereenkomsten mogen verlenen in hun lidstaat van herkomst, mogen, via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, in België het bedrijf van kredietgever inzake consumentenkrediet uitoefenen zonder voorafgaande vergunning door de FSMA.

De kredietinstellingen en de financiële instellingen als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2 die op grond van hun nationaal recht hypothecaire kredietovereenkomsten mogen verlenen in hun lidstaat van herkomst, mogen, via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, in België het bedrijf van kredietgever inzake hypothecair krediet uitoefenen zonder voorafgaande vergunning door de FSMA.

§ 2. Zodra de Bank er, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling van in kennis wordt gesteld dat zij kredietovereenkomsten wil sluiten in België, deelt zij dit aan de FSMA mee, samen met de relevante gegevens die haar door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zijn toegezonden.

§ 3. De FSMA deelt aan de betrokken instelling de Belgische wettelijke en reglementaire bepalingen mee die, naar haar weten en in samenspraak met de FOD Economie, van algemeen belang zijn, en stelt haar in kennis van de verplichting om de modellen van hypothecaire kredietovereenkomst of consumentenkredietovereenkomst die zij in België wenst te gebruiken, vooraf aan de FOD Economie voor te leggen. De in dit lid bedoelde bepalingen van algemeen belang worden op de website van de FSMA bekendgemaakt.

Daartoe legt de betrokken instelling de modelkredietovereenkomsten die zij wenst te gebruiken, ter goedkeuring voor aan de FOD Economie. De FOD Economie onderzoekt of de modelcontracten beantwoorden aan de bepalingen van algemeen belang van dit boek en van boek VI en hun uitvoeringsbesluiten. De modellen worden ingevuld teneinde onder meer het nazicht van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage mogelijk te maken. De FOD Economie bezorgt de FSMA een kopie van zijn antwoord aan de aanvrager.

Dezelfde procedure is ook van toepassing op elke wijziging van de modelovereenkomsten.

§ 4. Als de modelovereenkomsten door de FOD Economie worden goedgekeurd, registreert de FSMA de betrokken instelling als kredietgever en stelt zij die instelling daarvan in kennis, waarbij zij een kopie van deze kennisgeving aan de Bank richt.

§ 5. Bij gebrek aan een kennisgeving binnen twee maanden vanaf de datum van de in § 3, eerste lid, bedoelde mededeling mag de instelling de voorgenomen activiteiten aanvatten, na de FSMA en de FOD Economie hiervan op de hoogte te hebben gebracht.

§ 6. Als de FOD Economie de modelovereenkomsten niet goedkeurt, geeft de FSMA de instelling hiervan kennis.

Als de instelling geen rekening houdt met deze kennisgeving, kan de FSMA haar verbieden om in België het bedrijf van kredietgever en, in voorkomend geval, van kredietbemiddelaar uit te oefenen. Deze beslissing wordt met een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de instelling, met een kopie aan de Bank en de FOD Economie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 30, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Art. VII.175. [1 De artikelen VII. 165, § 1, en VII. 166, §§ 2 tot 4, zijn van toepassing op in deze onderafdeling bedoelde instellingen.
De in deze onderafdeling bedoelde instellingen die in België een bijkantoor hebben, zijn onderworpen aan de artikelen VII. 180, § 2, en VII. 184, § 1, tweede lid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Andere kredietgevers naar buitenlands recht]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.176.[1 § 1. Deze onderafdeling beoogt de andere vennootschappen naar buitenlands recht dan bedoeld in onderafdeling 1.
De door deze onderafdeling beoogde vennootschappen die ressorteren onder het recht van een derde staat, mogen de activiteit van kredietgever niet uitoefenen in België, tenzij ze er zijn gevestigd.

§ 2. Afdelingen 1 en 2 en de artikelen VII. 180, § 2, en VII. 184, § 1, tweede lid, zijn van toepassing op de in deze onderafdeling bedoelde kredietgevers, met uitzondering van artikel 165, § 2, die niet van toepassing is op de kredietgevers die ressorteren onder het recht van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en die in België hun bedrijf van kredietgever uitoefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten.

De artikelen VII. 164 en VII. 169 zijn van toepassing op hun effectieve leiding in België, artikel VII. 165, § 1, geldt voor hun Belgische vestiging, en artikel VII. 165, § 2, betreft de verrichtingen die zij op Belgisch grondgebied uitvoeren.
Artikel VII.170 is niet van toepassing op de bijkantoren van vennootschappen naar buitenlands recht.

§ 3. [2 De artikelen VII. 161 tot VII. 164, en VII. 167 tot VII. 169 zijn niet van toepassing op de volgende kredietgevers als bedoeld in deze onderafdeling :

1° de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 14 van de wet van 25 april 2014 bedoelde lijst;

2° de bijkantoren van beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 53 van de wet van 6 april 1995 bedoelde lijst;

3° de verzekeringsondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, actief zijn in België via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten en zijn ingeschreven op de in artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijst;

4° de bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijst;

5° de instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, actief zijn in België via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten en zijn ingeschreven op de in artikel 91 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst;

6° de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een derde Staat en zijn ingeschreven op de in artikel 64 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst;

7° de betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, actief zijn in België via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten en zijn ingeschreven op de in artikel 39 van de wet van 21 december 2009 bedoelde lijst.]2]1

(NOTA : De wijziging aangebracht bij W 2016-03-13/07, art. 752, 033; Inwerkingtreding : 23-03-2016, kan niet worden uitgevoerd, aangezien de wetgever geen rekening heeft gehouden met de wijziging aangebracht bij W 2015-10-26/06, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015)
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Afdeling 4. [1 Kredietbemiddelaars.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.177. [1 De kredietbemiddelaars worden onderverdeeld in twee categorieën :
1° de bemiddelaars inzake hypothecair krediet;
2° de bemiddelaars inzake consumentenkrediet.
Onder "bemiddelaar inzake hypothecair krediet" wordt een kredietbemiddelaar verstaan die actief is op het vlak van het hypothecair krediet.
Onder "bemiddelaar inzake consumentenkrediet" wordt een kredietbemiddelaar verstaan die actief is op het vlak van het consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.178. [1 Iedere kredietbemiddelaar die is opgericht in de vorm van een rechtspersoon naar Belgisch recht, moet zijn hoofdbestuur in België hebben.
Iedere natuurlijke persoon van Belgische nationaliteit die een activiteit van kredietbemiddelaar uitoefent, moet zijn hoofdbestuur in België hebben.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.179. [1 Elke kredietbemiddelaar moet de FSMA een vergoeding betalen voor de dekking van de toezichtskosten. Het bedrag van die vergoeding, de gevallen waarin zij verschuldigd is, en de termijnen waarbinnen zij moet worden betaald, worden door de Koning bepaald met toepassing van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Afdeling 5. - [1 Bemiddelaars inzake hypothecair krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.180. [1 § 1. Geen enkele bemiddelaar inzake hypothecair krediet waarvan België de lidstaat van herkomst is, mag de activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.

Geen enkele bemiddelaar inzake hypothecair krediet met een ander land dan België als lidstaat van herkomst mag in België de activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen als hij niet op voorhand door de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van herkomst als bemiddelaar inzake hypothecair krediet is ingeschreven.

Geen enkele bemiddelaar inzake hypothecair krediet met woonplaats of maatschappelijke zetel in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, mag in België de activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen als hij niet op voorhand in het door de FSMA bijgehouden register van bemiddelaars inzake hypothecair krediet is ingeschreven.

§ 2. Niettemin is het de kredietgevers inzake hypothecair krediet die, overenkomstig dit hoofdstuk, op rechtsgeldige wijze een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd, toegestaan het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uit te oefenen zonder in het register te zijn ingeschreven, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in § 5 van dit artikel vastgestelde regels;

2° die verantwoordelijken voor de distributie voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als de verantwoordelijken voor de distributie van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet;

3° de andere, door de kredietgever tewerkgestelde personen die, op welke wijze ook, in contact staan met het publiek in de zin van artikel I.9, 79°, van het Wetboek van Economisch Recht, voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis als de door de bemiddelaars inzake hypothecair krediet tewerkgestelde personen die in contact staan met het publiek;

4° zij hebben een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van die verzekering.

De betrokken kredietgevers geven over het bepaalde bij punten 1° en 2° van het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij staan in voor de beroepskennis van de personen als bedoeld in het bepaalde bij 2° en 3° van het vorige lid. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat die personen over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.

§ 3. Niemand mag de titel van bemiddelaar inzake hypothecair krediet of een van de onderverdelingen daarvan voeren om aan te geven dat hij de in deze afdeling bedoelde activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefent, als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.

§ 4. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet worden onderverdeeld als volgt :
1° kredietmakelaars;
2° verbonden agenten;
3° subagenten.

§ 5. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet wijzen één of meer natuurlijke personen als verantwoordelijken voor de distributie aan. Het aantal verantwoordelijken voor de distributie is aangepast aan de organisatie en de activiteiten van de bemiddelaar. De Koning kan dit aantal vaststellen.

De bemiddelaars inzake hypothecair krediet geven over het bepaalde bij het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Inschrijvingsvoorwaarden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.181.[1 § 1. Om in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet te kunnen worden ingeschreven, en om die inschrijving te kunnen behouden, dient de aanvrager van een inschrijving aan de volgende voorwaarden te voldoen :

1° de bemiddelaar, de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, bezitten de vereiste beroepskennis als bepaald door de Koning;

2° de bemiddelaar en de verantwoordelijken voor de distributie beschikken over voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden, noch failliet zijn verklaard, tenzij eerherstel werd verkregen. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen met een gefailleerde gelijkgesteld : de bestuurders en de zaakvoerders van een failliet verklaarde handelsvennootschap van wie het ontslag niet ten minste één jaar vóór de faillietverklaring in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsook iedere andere persoon die, zonder bestuurder of zaakvoerder te zijn, werkelijk bevoegd is geweest om de failliet verklaarde vennootschap te beheren;

3° een burgerlijke beroepsaansprakelijkheids-verzekering sluiten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van die verzekering. De verbonden agenten en de subagenten zijn evenwel vrijgesteld van deze vereiste van beroepsaansprakelijkheidsverzekering, voor zover de kredietgevers of de kredietbemiddelaars voor wie zij optreden, die aansprakelijkheid onvoorwaardelijk op zich nemen;

4° wat hun activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet in België betreft, slechts handelen met ondernemingen of personen die, met toepassing van dit hoofdstuk, een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd voor de uitoefening van die activiteit in België;

5° tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen zoals bedoeld in artikel VII.216 toetreden, bijdragen tot de financiering van die geschillenregeling en ingaan op elk verzoek om informatie dat hij in het raam van die geschillenregeling ontvangt;

6° de aan de FSMA verschuldigde vergoedingen voor de uitoefening van het toezicht betalen;

7° een professioneel e-mailadres meedelen aan de FSMA waarnaar deze op rechtsgeldige wijze alle individuele of collectieve mededelingen kan versturen die zij, ter uitvoering van dit hoofdstuk, verricht.

De bemiddelaars inzake hypothecair krediet, alsook, in het in § 5 bedoelde geval, de centrale instelling leveren het bewijs aan de FSMA, volgens de door haar bij reglement vastgestelde regels, inclusief inzake frequentie, dat de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden nageleefd.

§ 2. Als een rechtspersoon zijn inschrijving als bemiddelaar vraagt, gelden bovendien de volgende bepalingen :

1° de leden van het wettelijk bestuursorgaan [2 en de personen belast met de effectieve leiding]2 van deze rechtspersoon beschikken over de door de Koning vereiste beroepskennis, alsook over voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden, noch failliet zijn verklaard, tenzij eerherstel werd verkregen. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen met een gefailleerde gelijkgesteld : de bestuurders en de zaakvoerders van een failliet verklaarde handelsvennootschap van wie het ontslag niet ten minste één jaar vóór de faillietverklaring in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsook iedere andere persoon die, zonder bestuurder of zaakvoerder te zijn, werkelijk bevoegd is geweest om de failliet verklaarde vennootschap te beheren;

2° de rechtspersoon stelt de FSMA in kennis van de identiteit van de aandeelhouders die de vennootschap controleren; die aandeelhouders moeten, naar het oordeel van de FSMA, geschikt zijn gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid. Elke wijziging in de identiteitsgegevens van de aandeelhouders die de vennootschap controleren, wordt aan de FSMA meegedeeld.

§ 3. De aanvrager van een inschrijving als makelaar inzake hypothecair krediet voegt bij zijn inschrijvingsaanvraag een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent buiten elke exclusieve agentuurovereenkomst of elke andere juridische verbintenis die hem verplicht zijn hele productie of een bepaald deel ervan te plaatsen [2 bij een of meerdere kredietgevers]2.

Elke wijziging in de gegevens waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring op erewoord betrekking heeft, wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld.

§ 4. [2 Wat hun activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet betreft, handelen de subagenten onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van de bemiddelaar inzake hypothecair krediet voor wiens rekening zij handelen, [3 of van een of meerdere kredietgevers inzake hypothecair krediet]3 als zij voor rekening van een verbonden agent handelen. De aanvrager van een inschrijving als subagent toont dit aan in zijn inschrijvingsdossier.

De kredietbemiddelaar [3 of de kredietgever(s) oefenen]3 toezicht uit op de naleving door de subagent van de bepalingen van dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.]2.

§ 5. Onverminderd de voorafgaande paragrafen kunnen meerdere kandidaten hun inschrijvingsaanvraag collectief indienen, indien de naleving van de hun door dit artikel opgelegde verplichtingen door een centrale instelling wordt geverifieerd. Deze centrale instelling moet een kredietgever inzake hypothecair krediet zijn. In dit geval wordt de inschrijvingsaanvraag door de centrale instelling ingediend onder haar verantwoordelijkheid. Zij blijft ook verantwoordelijk voor het toezicht op de permanente naleving van de inschrijvingsvoorwaarden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt hun dossier behandeld alsof het om het dossier van een enkele onderneming ging. Een kredietbemiddelaar die, overeenkomstig deze procedure, in het register van de kredietbemiddelaars is ingeschreven, wordt ambtshalve uit dat register geschrapt als de centrale instelling de intrekking van zijn inschrijving vraagt.

§ 6. Wat zijn activiteit van bemiddelaar inzake hypothecair krediet betreft, handelt de verbonden agent onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid
[3 van de kredietgever of kredietgevers inzake hypothecair krediet voor wiens of wier rekening hij handelt]3. [2 De aanvrager van een inschrijving als verbonden agent toont dit aan in zijn inschrijvingsdossier.]2.

[3 De kredietgever of kredietgevers oefenen]3 toezicht uit op de naleving door de verbonden agent van de bepalingen van dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.

§ 7.[2 ...]2.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 32, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 40, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Onderafdeling 3. - [1 Inschrijvingsprocedure]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.182.[1 § 1. Elke inschrijvingsaanvraag wordt aan de FSMA gericht overeenkomstig de door de Koning vastgestelde vormen en voorwaarden.

§ 2. Elke wijziging van de in het inschrijvingsdossier vermelde gegevens wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld, onverminderd het recht van de FSMA om bij de betrokkene informatie in te winnen of bewijskrachtige documenten op te vragen.

§ 3. De FSMA schrijft de bemiddelaars inzake hypothecair krediet in die voldoen aan de in onderafdeling 2 vastgestelde voorwaarden. Uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst van een volledig dossier en uiterlijk binnen vier maanden na de indiening van de aanvraag doet zij uitspraak.

§ 4. Het directiecomité van de FSMA kan een door hem aangeduid personeelslid van de FSMA belasten met de kennisgeving van beslissingen tot inschrijving of weigering van inschrijving in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet, alsook van beslissingen tot wijziging, aanmaning, verbod, schorsing en schrapping van de inschrijving.

De FSMA kan de in het vorige lid bedoelde beslissingen op rechtsgeldig wijze ter kennis brengen aan de hand van een voorgedrukt formulier voorzien van een door middel van een mecanografisch procedé gereproduceerde handtekening.

§ 5. De FSMA publiceert op haar website het geactualiseerde register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet, alsook de historiek van de wijzigingen die tijdens de laatste twaalf maanden in dat register zijn aangebracht.

Dat register is onderverdeeld als volgt :

A. Bemiddelaars naar Belgisch recht

Kredietmakelaars

Verbonden agenten

Subagenten

B. Bemiddelaars naar het recht van een andere lidstaat die in België gevestigd zijn als bijkantoor

C. Bemiddelaars naar het recht van een andere lidstaat die in België actief zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten

D. Andere bemiddelaars naar buitenlands recht

Het register vermeldt voor elke bemiddelaar inzake hypothecair krediet :

1° de gegevens die noodzakelijk zijn voor zijn identificatie;

2° de datum waarop hij is ingeschreven;

3° de categorie waarin hij is ingeschreven;

4° de namen van de verantwoordelijken voor de distributie;

5° [3 voor de verbonden agenten: de naam van de kredietgever of kredietgevers inzake hypothecair krediet waarmee zij verbonden zijn en desgevallend de groep waartoe deze kredietgevers behoren;]3

6° [2 voor de subagenten : de naam van de bemiddelaar inzake hypothecair krediet onder wiens verantwoordelijkheid zij hun activiteiten verrichten;]2

7° desgevallend de datum waarop hij is geschrapt;

8° alle andere informatie die de FSMA nuttig acht voor een correcte informatieverstrekking aan het publiek.

De FSMA bepaalt de voorwaarden waaronder de vermelding van de schrapping van een bemiddelaar van de website wordt weggelaten.

§ 6. Bij de indiening van zijn inschrijvingsaanvraag vermeldt de aanvrager in welke categorie van het register hij wenst te worden ingeschreven. Een bemiddelaar kan slechts in een enkele categorie van het register worden ingeschreven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 33, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 41, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Onderafdeling 4. - [1 Vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.183.[1 § 1. Elke in België ingeschreven bemiddelaar inzake hypothecair krediet die voornemens is om voor het eerst in een andere lidstaat activiteiten te verrichten in het kader van de vrijheid van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten, stelt de FSMA hiervan op voorhand in kennis. Het register vermeldt in welke lidstaten de bemiddelaar actief is in het kader van de vrijheid van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten.

Binnen een maand na de kennisgeving stelt de FSMA de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van dit voornemen in kennis, en brengt zij de betrokken bemiddelaar van deze kennisgeving op de hoogte.

De FSMA stelt de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidsta(a)t(en) ook in kennis van de kredietgever(s) met wie de bemiddelaar inzake hypothecair krediet verbonden is, en vermeldt of de kredietgever de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid voor de activiteiten van die bemiddelaar draagt.

[2 De FSMA is bevoegd om de beroepskennis na te gaan van de verantwoordelijken voor de distributie en personen die in contact staan met het publiek, bij de in deze paragraaf bedoelde bemiddelaars inzake hypothecair krediet, die bedrijvig zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte dan België.]2

Wanneer een in deze paragraaf bedoelde bemiddelaar uit het register wordt geschrapt door de FSMA, brengt deze de autoriteiten van de betrokken lidstaten van ontvangst daarvan binnen veertien dagen op de hoogte.

§ 2. De bemiddelaar inzake hypothecair krediet aan wie als dusdanig een toelating is verleend in een andere lidstaat dan België, kan zijn werkzaamheden in België aanvangen, hetzij in het kader van de vrijheid van vestiging, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten, na de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, en nadat die autoriteit de FSMA daarvan op de hoogte heeft gebracht overeenkomstig de desbetreffende Europeesrechtelijke bepaling.

De FSMA publiceert de lijst van die bemiddelaars op haar website en ziet erop toe dat die lijst regelmatig wordt geactualiseerd op basis van de gegevens waarover zij beschikt.

§ 3. De FSMA stelt de betrokken bemiddelaar in kennis van de Belgische wettelijke en reglementaire bepalingen die, voor zover haar bekend en in samenspraak met de FOD Economie, van algemeen belang zijn. De in dit lid bedoelde bepalingen van algemeen belang worden gepubliceerd op de website van de FSMA.

§ 4. Een maand nadat de betrokken bemiddelaar van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst heeft vernomen dat de in § 2 bedoelde kennisgeving werd verricht, kan hij zijn werkzaamheden aanvangen.

§ 5. De in § 2 bedoelde bemiddelaars die in België zijn gevestigd in het kader van de vrijheid van vestiging, dienen de volgende voorwaarden na te leven :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in artikel VII. 180, § 5, vastgestelde regels;

2° die verantwoordelijken voor de distributie voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als de verantwoordelijken voor de distributie van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet naar Belgisch recht;

3° de andere, door de kredietbemiddelaar tewerkgestelde personen die, op welke wijze ook, in contact staan met het publiek [2 in de zin van artikel I.9, 79°]2, voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis als de door de bemiddelaars inzake hypothecair krediet naar Belgisch recht tewerkgestelde personen die in contact staan met het publiek.

[2 § 5bis. De in paragraaf 2 bedoelde bemiddelaars die in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, dienen de volgende voorwaarden na te leven :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in artikel VII. 180, § 5, vastgestelde regels;

2° de Koning bepaalt de vereisten inzake beroepskennis waaraan moet worden voldaan door die verantwoordelijken voor de distributie, alsook door de andere personen die tewerkgesteld zijn door de bemiddelaar en op welke wijze ook in contact staan met het publiek in de zin van artikel I.9, 79°.]2

§ 6. De buitenlandse autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die in België een bijkantoor hebben gevestigd, kunnen, na voorafgaande kennisgeving aan de FSMA, ter plaatse inspecties verrichten bij dat bijkantoor.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 34, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Afdeling 6. - [1 Bemiddelaars inzake consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.184. [1 § 1. Niemand mag in België de activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.

Niettemin is het de kredietgevers inzake consumentenkrediet, die op rechtsgeldige wijze een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd, toegestaan het bedrijf van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uit te oefenen zonder te zijn ingeschreven, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° zij wijzen één of meer verantwoordelijken voor de distributie aan volgens de in artikel VII. 185, § 2, vastgestelde regels;

2° de verantwoordelijken voor de distributie voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als de verantwoordelijken voor de distributie van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet;

3° de andere, door de kredietgever tewerkgestelde personen die, op welke wijze ook, in contact staan met het publiek in de zin van artikel I.9, 79°, voldoen aan dezelfde vereisten inzake beroepskennis als de door de bemiddelaars inzake consumentenkrediet tewerkgestelde personen die in contact staan met het publiek;

4° zij hebben een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van die verzekering.

De betrokken kredietgevers geven over het bepaalde bij punten 1° en 2° van het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij staan in voor de beroepskennis van de personen als bedoeld in het bepaalde bij 2° en 3° van het vorige lid. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat die personen over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.

§ 2. Niemand mag de titel van kredietbemiddelaar of een van de onderverdelingen daarvan voeren om aan te geven dat hij de in dit hoofdstuk bedoelde activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefent, als hij niet op voorhand in het daartoe door de FSMA bijgehouden register is ingeschreven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.185. [1 § 1. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet worden onderverdeeld in :

1° kredietmakelaars;

2° verbonden agenten;

3° agenten in een nevenfunctie.

§ 2. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet wijzen één of meer natuurlijke personen als verantwoordelijken voor de distributie aan. Het aantal verantwoordelijken voor de distributie is aangepast aan de organisatie en de activiteiten van de bemiddelaar. De Koning kan dit aantal vaststellen.

De bemiddelaars inzake consumentenkrediet geven over het bepaalde bij het vorige lid periodiek rekenschap aan de FSMA door mededeling van een naamlijst van de verantwoordelijken voor de distributie en van alle latere wijzigingen in die lijst. Zij bewaren alle documenten die aantonen dat de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, over de vereiste beroepskennis beschikken, en houden die documenten ter beschikkking van de FSMA.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Onderafdeling 2. - [1 Inschrijvingsvoorwaarden]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.186.[1 § 1. Om in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet te kunnen worden ingeschreven, en om die inschrijving te kunnen behouden, dient de aanvrager van een inschrijving als kredietmakelaar of als verbonden agent aan de volgende voorwaarden te voldoen :

1° de bemiddelaar, de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, bezitten de vereiste beroepskennis als bepaald door de Koning;

2° de bemiddelaar en de verantwoordelijken voor de distributie beschikken over voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden;

3° een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering hebben gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van de verzekering. De verbonden agenten zijn evenwel vrijgesteld van deze vereiste van beroepsaansprakelijkheidsverzekering, voor zover de kredietgevers voor wie zij optreden, die aansprakelijkheid onvoorwaardelijk op zich nemen;

4° wat hun activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet in België betreft, slechts handelen met ondernemingen of personen die, met toepassing van dit hoofdstuk, een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd voor de uitoefening van die activiteit in België;

5° tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen zoals bedoeld in artikel VII.216 toetreden, bijdragen tot de financiering van die geschillenregeling en ingaan op elk verzoek om informatie dat hij in het raam van die geschillenregeling ontvangt;

6° de aan de FSMA verschuldigde vergoedingen voor de uitoefening van het toezicht betalen;

7° een professioneel e-mailadres meedelen aan de FSMA waarnaar deze op rechtsgeldige wijze alle individuele of collectieve mededelingen kan versturen die zij, ter uitvoering van dit hoofdstuk, verricht.

De in dit artikel bedoelde bemiddelaars, alsook, in het in § 4 bedoelde geval, de centrale instelling leveren het bewijs aan de FSMA, volgens de door haar bij reglement vastgestelde regels, inclusief inzake frequentie, dat de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden nageleefd.

§ 2. Als een rechtspersoon zijn inschrijving als bemiddelaar vraagt, gelden bovendien de volgende bepalingen :

1° de personen die met de effectieve leiding van deze rechtspersoon zijn belast, bezitten de door de Koning vereiste beroepskennis, alsook over de voor de uitoefening van hun taken een voor de uitoefening van hun taken voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid. Zij mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden;

2° de rechtspersoon stelt de FSMA in kennis van de identiteit van de aandeelhouders die de vennootschap controleren; die aandeelhouders moeten, naar het oordeel van de FSMA, geschikt zijn gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid. Elke wijziging in de identiteitsgegevens van de aandeelhouders die de vennootschap controleren, wordt aan de FSMA meegedeeld.

§ 3. De aanvrager van een inschrijving als makelaar inzake consumentenkrediet voegt bij zijn inschrijvingsaanvraag een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent buiten elke exclusieve agentuurovereenkomst of elke andere juridische verbintenis die hem verplicht zijn hele productie of een bepaald deel ervan te plaatsen [2 bij een of meerdere kredietgevers]2.

Elke wijziging in de gegevens waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring op erewoord betrekking heeft, wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld.

§ 4. Onverminderd de voorafgaande paragrafen kunnen meerdere kandidaten hun inschrijvingsaanvraag collectief indienen, indien de naleving van de hun door dit artikel opgelegde verplichtingen door een centrale instelling wordt geverifieerd. Deze centrale instelling moet een kredietgever inzake consumentenkrediet zijn. In dit geval wordt de inschrijvingsaanvraag door de centrale instelling ingediend onder haar verantwoordelijkheid. Zij blijft ook verantwoordelijk voor het toezicht op de permanente naleving van de inschrijvingsvoorwaarden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt hun dossier behandeld alsof het om het dossier van een enkele onderneming ging. Een kredietbemiddelaar die, overeenkomstig deze procedure, in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet is ingeschreven, wordt ambtshalve uit dat register geschrapt als de centrale instelling de intrekking van zijn inschrijving vraagt.

§ 5. [2 Wat zijn activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet betreft, handelt de verbonden agent onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid [3 van de kredietgever of kredietgevers inzake consumentenkrediet voor wiens of wier rekening hij handelt]3. De aanvrager van een inschrijving als verbonden agent toont dit aan in zijn inschrijvingsdossier.

[3 De kredietgever of kredietgevers oefenen]3 toezicht uit op de naleving door de verbonden agent van de bepalingen van dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.]2]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 36, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 42, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

Art. VII.187.[1 § 1. Om in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet te kunnen worden ingeschreven, en om die inschrijving te kunnen behouden, dient de aanvrager van een inschrijving als agent in een nevenfunctie aan de volgende voorwaarden te voldoen :

1° de verantwoordelijken voor de distributie en de personen die in contact staan met het publiek, bezitten de vereiste beroepskennis als bepaald door de Koning;

2° de verantwoordelijken voor de distributie beschikken over de voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid voor de uitoefening van hun taken. Ze mogen zich niet in één van de in [2 artikel 20 van de wet van 25 april 2014]2 bedoelde gevallen bevinden;

3° zij hebben een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering gesloten die het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekt. De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om, bij beëindiging van de overeenkomst, de FSMA hiervan in kennis te stellen. De Koning bepaalt op advies van de FSMA de voorwaarden van de verzekering;

4° wat hun activiteit van bemiddelaar inzake consumentenkrediet in België betreft, slechts handelen met ondernemingen of personen die, met toepassing van dit hoofdstuk, een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd voor de uitoefening van die activiteit in België;

5° tot een buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen zoals bedoeld in artikel VII.216 toetreden, bijdragen tot de financiering van die geschillenregeling en ingaan op elk verzoek om informatie dat hij in het raam van die geschillenregeling ontvangt;

6° de aan de FSMA verschuldigde vergoedingen voor de uitoefening van het toezicht betalen;

7° een professioneel e-mailadres meedelen aan de FSMA waarnaar deze op rechtsgeldige wijze alle individuele of collectieve mededelingen kan versturen die zij, ter uitvoering van dit hoofdstuk, verricht.

§ 2. De in dit artikel bedoelde bemiddelaars leveren het bewijs aan de FSMA, volgens de door haar bij reglement vastgestelde regels, inclusief inzake frequentie, dat de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden nageleefd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 37, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Onderafdeling 3. - [1 Inschrijvingsprocedure]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Art. VII.188.[1 § 1. Elke inschrijvingsaanvraag wordt aan de FSMA gericht overeenkomstig de door de Koning vastgestelde vormen en voorwaarden.

§ 2. Elke wijziging van de in het inschrijvingsdossier vermelde gegevens wordt onverwijld aan de FSMA meegedeeld, onverminderd het recht van de FSMA om bij de betrokkene informatie in te winnen of bewijskrachtige documenten op te vragen.

§ 3. De FSMA schrijft de bemiddelaars inzake consumentenkrediet in die voldoen aan de in onderafdeling 2 vastgestelde voorwaarden. Zij doet uitspraak uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst van een volledig dossier en uiterlijk binnen vier maanden na de indiening van de aanvraag.

§ 4. Het directiecomité van de FSMA kan een door hem aangeduid personeelslid van de FSMA belasten met de kennisgeving van beslissingen tot inschrijving of weigering van inschrijving in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet, alsook van beslissingen tot wijziging, aanmaning, verbod, schorsing en schrapping van de inschrijving.

De FSMA kan de in het vorige lid bedoelde beslissingen op rechtsgeldig wijze ter kennis brengen aan de hand van een voorgedrukt formulier voorzien van een door middel van een mecanografisch procedé gereproduceerde handtekening.

§ 5. De FSMA publiceert op haar website het geactualiseerde register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet, alsook de historiek van de wijzigingen die tijdens de laatste twaalf maanden in dat register zijn aangebracht.

Dat register is onderverdeeld als volgt :

1° kredietmakelaars

2° verbonden agenten

3° agenten in een nevenfunctie

[2 Het register vermeldt voor elke bemiddelaar inzake consumentenkrediet :

1° de gegevens die noodzakelijk zijn voor zijn identificatie;

2° de datum waarop hij is ingeschreven;

3° de categorie waarin hij is ingeschreven;

4° desgevallend de datum waarop hij is geschrapt;

5° de naam van de verantwoordelijken voor de distributie;

6° [3 voor de verbonden agenten: de naam van de kredietgever of kredietgevers inzake consumentenkrediet waarmee zij verbonden zijn en desgevallend de groep waartoe deze kredietgevers behoren]3;

7° alle andere informatie die de FSMA nuttig acht voor een correcte informatieverstrekking aan het publiek.]2

[2 De FSMA bepaalt de voorwaarden waaronder de vermelding van de schrapping van een bemiddelaar van de website wordt weggelaten.]2

§ 6. Bij de indiening van zijn inschrijvingsaanvraag vermeldt de aanvrager in welke categorie van het register hij wenst te worden ingeschreven. Een bemiddelaar kan slechts in een enkele categorie van het register worden ingeschreven. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 38, 028; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
(3)<W 2015-12-18/31, art. 43, 030; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

TITEL 5. - [1 Burgerlijke sancties.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

HOOFDSTUK 1. [1 Betalingsdiensten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.189. [1 Tenzij de betalingsdienstaanbieder bewijst dat de betaler bedrieglijk heeft gehandeld, blijft de betalingsdienstaanbieder aansprakelijk jegens de betaler voor alle gevolgen van het gebruik van een betalingsinstrument door een niet gerechtigde derde in geval van niet-naleving door de betalingsdienstaanbieder van de verplichtingen die hij heeft op grond van de artikelen VII. 13, 5°, a) en c) en VII. 31, 1° en 3°.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.190. [1 Bij niet-naleving door de betalingsdienstaanbieder van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel VII. 55, § 1, en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, wordt de betalingsdienstgebruiker van rechtswege ontslagen van het betalen van de gevraagde kosten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.191. [1 Bij niet-naleving door de betalingsdienstaanbieder van de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen VII. 12, VII. 13, 2° tot 6°, VII. 14 en VII. 15, VII. 20, VII. 22, tweede lid, VII. 24, VII. 28, VII. 31, VII. 35, eerste lid, VII. 37, VII. 38, § 2,VII. 39 enVII. 40, VII. 42, VII. 44 tot VII.47, VII. 49 tot VII. 51, VII. 55 en VII. 56 kan de betalingsdienstgebruiker, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de raamovereenkomst met een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zonder kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de niet-nageleefde verplichtingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.192. [1 Bij niet-naleving door de uitgever van elektronisch geld van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel VII. 61, en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties :

1° wordt de houder van elektronisch geld van rechtswege ontslagen van de eventuele vergoeding die samenhangt met de terugbetaling;

2° kan de houder van elektronisch geld, de overeenkomst elektronisch geld, en in voorkomend geval de raamovereenkomst inzake betalingsdiensten, met een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zonder kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de niet-nageleefde verplichtingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.193. [1 Wanneer de betalingsdienstaanbieder de informatievereisten bedoeld in artikel 5 (2) en (3). van de Verordening (EU) nr. 260/2012, die nodig zijn voor de correcte uitvoering van een betalingstransactie, niet naleeft of, desgevallend, niet waarborgt dat deze worden nageleefd, kan de betalingsdienstgebruiker, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de toepassing vragen van vergoedende maatregelen voor de schade te wijten aan de niet naleving van de verplichtingen.

De betalingsdienstaanbieder is aansprakelijk jegens de betaler voor de gevolgen van de uitvoering van een betalingstransactie die in strijd is met de door de betaler gegegeven opdracht overeenkomstig artikel 5 (3) d), van de Verordening (EU) nr. 260/2012. Hij dient de gedebiteerde betaalrekening onverwijld te herstellen zoals die zou zijn geweest mocht de voormelde opdracht wel zijn nageleefd. De betaler heeft ook recht op aanvullende vergoedingen voor eventueel verdere financiële gevolgen.

Wanneer de begunstigde die geen consument is, de informatievereisten bedoeld in artikel 5 (4) van Verordening (EU) nr. 260/2012, die nodig zijn voor de correcte uitvoering van een betalingstransactie, niet naleeft of, desgevallend, niet waarborgt dat deze worden nageleefd, kan de betalingsdienstgebruiker, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de toepassing vragen van vergoedende maatregelen voor de schade te wijten aan de niet naleving van de verplichtingen. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

HOOFDSTUK 2. [1 Consumentenkrediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.194. [1 Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs van het goed of de dienst bij contante betaling of tot het ontleende bedrag en dit met behoud van het voordeel van de betaling in termijnen wanneer de kredietovereenkomst werd gesloten naar aanleiding van een in artikel VII. 67 bedoelde onwettige verkoopmethode.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.195.[1 Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag,wanneer de kredietgever de in artikel VII. 78, § 1, tweede lid, § 2, 5° tot 9°, § 3, 1° tot 7°, 11°, 13° en 14° bedoelde vermeldingen niet naleeft.

De rechter kan een gelijkaardige maatregel nemen wanneer de kredietgever :
1° de in artikel VII. 78, § 2, 1° tot 4°, § 3, 8° tot 10°, 12° en 15°, bedoelde vermeldingen niet naleeft;
2° de verplichtingen bedoeld in artikel VII. 77, § 1, tweede lid, niet naleeft.

De rechter vermindert de verplichtingen van de steller van een zekerheid en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag, wanneer de kredietgever de [2 in artikel VII.110]2 opgenomen bepalingen niet naleeft.

In geval van vermindering van de verplichtingen van de consument behoudt deze het voordeel van de betaling in termijnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 39, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.196.[1 De verplichtingen van de consument zijn van rechtswege beperkt tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag wanneer :

1° de kredietgever een kredietovereenkomst toegezegd heeft tegen een percentage dat hoger ligt dan het percentage dat de Koning met toepassing van artikel VII. 94 heeft vastgesteld;

2° de kredietgever de bepalingen bedoeld in artikel VII. 95 niet heeft nageleefd of miskend;

3° de overdracht van de overeenkomst ofwel de overdracht of de indeplaatsstelling in de rechten voortvloeiend uit een kredietovereenkomst, gebeurd is zonder inachtneming van de in artikel VII. 102 gestelde voorwaarden;

4° een kredietovereenkomst is gesloten :

a) door een niet-vergunde of niet-geregistreerde kredietgever conform de geldende wettelijke of reglementaire bepalingen op het moment van de kredietverlening;

b) door een kredietgever die voorheen afstand had gedaan van die registratie of vergunning;

c) door bemiddeling van een niet-ingeschreven kredietbemiddelaar conform de geldende wettelijke of reglementaire bepalingen op het moment van de kredietverlening;

d) door een kredietgever wiens vergunning of registratie wasgeschrapt, herroepen of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV.67/3;

e) door bemiddeling van een kredietbemiddelaar wiens inschrijving voorheen was geschrapt of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV.68;

5° de kredietgever de bepalingen bedoeld in de artikelen VII. 87 niet heeft nageleefd of heeft miskend.

Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de betrokken kredietgever een kredietinstelling, een instelling voor elektronisch geld, een betalingsinstelling die ressorteert onder het recht van een andere EER-lidstaat, of een financiële instelling als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2 is, die krachtens haar nationaal recht gemachtigd is om consumentenkredietovereenkomsten te verlenen in haar lidstaat van herkomst en die haar activiteit in België uitoefent via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten zonder dat de ter zake door de toepasselijke Europese richtlijnen opgelegde formaliteiten zijn vervuld.

In deze gevallen behoudt de consument het voordeel van de betaling in termijnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 40, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.197. [1 De consument kan de terugbetaling eisen van de door hem gestorte bedragen, verhoogd met de som van de wettelijke intresten, wanneer een betaling gebeurd is ondanks het in de artikelen VII. 79, VII. 90 en VII. 114, § 1, bedoelde verbod, of wanneer zij is gebeurd in het raam van een in artikel VII. 115 verboden schuldbemiddeling.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.198. [1 Wanneer, ondanks het in artikel VII. 90, § 1, eerste lid, bedoelde verbod, de kredietgever of de kredietbemiddelaar een bedrag stort of een levering van een goed of een dienst verricht, is de consument niet gehouden dat bedrag terug te betalen, de geleverde dienst of het geleverde goed te betalen noch dit laatste terug te zenden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.199. [1 Wanneer van de consument of de steller van een zekerheid straffen of schadevergoedingen worden gevraagd waarin dit boek niet voorziet, worden zij van rechtswege daarvan volledig ontslagen.

Indien de rechter bovendien oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen, onder meer in de vorm van strafbedingen, bij niet-uitvoering van de overeenkomst, overdreven of onverantwoord zijn, kan hij deze ambtshalve verminderen of de consument er geheel van ontslaan.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.200. [1 In geval van niet naleving van de bepalingen bedoeld in de artikelen VII. 106, § 4, VII. 86, §§ 2 tot 4 en VII. 99, wordt de consument van rechtswege ontslagen van de interesten en de kosten voor de periode waarop de inbreuk betrekking heeft.

Indien de consument, in weerwil van het verbod van artikel VII. 87, § 3, tot wedersamenstelling van het kapitaal van het krediet is overgegaan, kan hij de onmiddellijke terugbetaling van het wedersamengestelde kapitaal eisen, inclusief de verworven intresten, dan wel de terugbetaling van het krediet, tot beloop van het wedersamengestelde kapitaal inclusief de verworven intresten.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.201.[1 Onverminderd de andere gemeenrechtelijke sancties, kan de rechter de consument ontslaan van het geheel of van een gedeelte van de nalatigheidsintresten en zijn verplichtingen verminderen tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag wanneer :

1° de kredietgever de verplichtingen bedoeld in de artikelen VII. 69, VII. 70, VII. 72, VII. 74, VII. 75 et VII. 77 niet heeft nageleefd;

2° de kredietbemiddelaar de verplichtingen in de artikelen VII. 69, § 1, eerste lid, VII. 70, VII. 71, VII. 74, VII. 75 [2 VII.112 en VII.113, § 1°]2 niet heeft nageleefd;

3° de vormvereisten als bepaald in artikel VII. 76 betreffende het sluiten van de kredietovereenkomst niet in acht werden genomen.

In die gevallen behoudt de consument het voordeel van de betaling in termijnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 41, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.202. [1 De consument is ontslagen van de intresten voor het gedeelte van de betalingen vóór de levering van het goed of de dienstverlening, verricht in strijd met de bepalingen van artikel VII. 91, eerste en vierde lid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.203. [1 De niet-naleving van de bepalingen van artikel VII. 84, eerste lid, verleent de consument het recht de nietigverklaring van de koop- of dienstverleningsovereenkomst te vorderen en van de verkoper of dienstverlener, de terugbetaling te vorderen van de door hem reeds verrichte betalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.204. [1 Wanneer de consument heeft nagelaten de inlichtingen bedoeld in artikel VII. 69 te verstrekken of wanneer hij onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan de rechter, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de ontbinding van de overeenkomst ten laste van de consument bevelen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.205. [1 Hij die, in strijd met artikel VII. 88, een wissel of een orderbriefje doet ondertekenen of een cheque in ontvangst neemt ter betaling of als zekerheid van de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van het verschuldigde bedrag, is ertoe gehouden aan de consument de totale kosten van het krediet voor de consument terug te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.206. [1 De steller van een zekerheid wordt vrijgesteld van elke verplichting indien hij niet overeenkomstig artikel VII. 109, § 1, voorafgaandelijk een exemplaar van het kredietcontract heeft ontvangen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.207. [1 Indien het lichamelijk roerend goed in strijd met de bepalingen van artikel VII. 108 wordt teruggenomen, is de kredietovereenkomst ontbonden. De kredietgever is ertoe gehouden de gestorte bedragen binnen de dertig dagen volledig terug te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.208.[1 Geen enkele commissie is verschuldigd wanneer de kredietovereenkomst ontbonden of verbroken wordt of het voorwerp uitmaakt van een termijnverval en de kredietbemiddelaar de bepalingen [2 van artikel VII.113]2 niet heeft nageleefd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

HOOFDSTUK 3. - [1 Hypothecair krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.209.[1 § 1. Indien de kredietgever de verplichtingen of verbodsbepalingen, vervat in titel 4, hoofdstuk 2, of in de in uitvoering ervan genomen besluiten, schendt, mag de consument op ieder ogenblik en zonder enige vergoeding het krediet terug betalen. Indien de consument van dit recht gebruik maakt en de debetrentevoet niet kan worden bepaald doordat de vestigingsakte niet de nodige elementen bevat, worden de gelopen interesten berekend aan de wettelijke rentevoet.

Het vorige lid geldt niet indien de kredietgever bewijst dat de bedoelde schending de consument geen nadeel heeft berokkend.

§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde rechtsmiddel doet geen afbreuk aan alle overige rechten of middelen van verhaal die de consument kan doen gelden.

§ 3. Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties worden de verplichtingen van de kredietnemer van rechtswege verminderd tot het ontleende bedrag, wanneer een kredietovereenkomst is gesloten :

a) door een niet-ingeschreven, niet-geregistreerde of niet-vergunde kredietgever conform de geldende wettelijke of reglementaire bepalingen op het moment van de verlening van het hypothecair krediet;

b) door een kredietgever die voorheen afstand had gedaan van die inschrijving, registratie of vergunning;

c) door een kredietgever wiens vergunning, inschrijving of registratie voorheen was ingetrokken, geschrapt, herroepen of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV. 67/3;

d) door bemiddeling van een niet-ingschreven kredietbemiddelaar of een kredietbemiddelaar wiens inschrijving voorheen was geschrapt of opgeschort, of die een verbod had opgelopen op grond van artikel XV.68.

In die gevallen behoudt de kredietnemer behoudt het voordeel van de termijn en van de spreiding van de terugbetaling.

§ 4. Paragraaf 3 is niet van toepassing :

- wanneer de betrokken kredietgever een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere EER-lidstaat, of een financiële instelling als bedoeld in [2 artikel 332 van de wet van 25 april 2014]2 is, die krachtens haar nationaal recht gemachtigd is om hypothecaire kredietovereenkomsten te verlenen in haar lidstaat van herkomst en die haar activiteit in België uitoefent via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten zonder dat de ter zake door de toepasselijke Europese richtlijnen opgelegde formaliteiten zijn vervuld;

- wanneer de betrokken bemiddelaar een bemiddelaar inzake hypothecair krediet is als bedoeld in artikel VII. 183, § 2, en de ter zake door de toepasselijke Europese richtlijnen opgelegde formaliteiten niet zijn vervuld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 43, 028; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

Art. VII.210. [1 Zijn van rechtswege nietig :

1° de toevoeging of aanhechting van een ander contract dan bedoeld in de artikelen VII. 125 en VII. 126;

2° de verplichting effecten te verwerven in strijd met artikel VII. 137;

3° de verplichting tot betaling van premies of tot enig sparen, in strijd met artikel VII. 138.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.211. [1 Indien aan de verplichting vervat in artikel VII. 135, eerste lid, niet voldaan werd, zijn de rechten van de kredietgever en de verplichtingen van de consument beperkt tot het gedeelte van het kapitaal dat werkelijk in gereed geld of op girale wijze betaald werd.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.212. [1 Hij die ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet een wissel of een orderbriefje doet ondertekenen of een dergelijk handelspapier ter betaling voorlegt zonder de bepalingen van artikel VII. 139 na te leven, is ertoe gehouden de opgelopen rente van de kredietovereenkomst aan de consument terug te betalen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.213. [1 Wanneer, wegens het niet-naleven van artikel VII. 140 :

1° het niet mogelijk is de bedragen der aflossingsstortingen te bepalen, is de consument niet verplicht dergelijke stortingen te doen;

2° het niet mogelijk is de tijdstippen te bepalen waarop en de voorwaarden waaronder de periodieke lasten, de interesten of de wedersamenstellingsstortingen verschuldigd zijn, is de consument maar verplicht ze te betalen op de verjaardata van het krediet.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

Art. VII.214. [1 Wanneer, wegens het niet-naleven van artikel VII. 140, § 2, de verplichtingen die voortvloeien uit de toevoeging niet aangeduid zijn in het toegevoegd contract, verliest het deze hoedanigheid en is de consument niet verplicht tot enige wedersamenstelling. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>

HOOFDSTUK 4. - [1 Gemeenschappelijke bepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.215. [1 Na het verstrijken van een termijn van tien dagen te rekenen van de uitspraak, is de griffier van de rechtbank of van het hof ertoe gehouden de minister op de hoogte te brengen van elk vonnis of arrest dat toepassing maakt van één of meerdere burgerlijke of strafrechtelijke sancties.

De griffier is er eveneens toe gehouden de minister elk beroep tegen dergelijke beslissing onverwijld mee te delen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

TITEL 6. - [1 Buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.216.[1 Er wordt een buitengerechtelijke klachtenregeling inzake financiële diensten ingesteld met als doel geschillen tussen een betalingsdienstaanbieder, kredietgever of kredietbemiddelaar aan de ene kant, en een consument, aan de andere kant, te helpen oplossen door hierover advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar.

Deze ombudsdienst voor financiële diensten is een onafhankelijk orgaan dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel XVI.25 van het Wetboek van economisch recht.]1

[2 De betalingsdienstaanbieders zijn gehouden zich aan te sluiten bij deze ombudsdienst.]2
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>
(2)<W 2015-10-26/06, art. 44, 028; Inwerkingtreding : 30-10-2015>

TITEL 7. [1 Slotbepalingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.217. [1 De koninklijke besluiten welke worden vastgesteld op grond van de artikelen VII. 3, VII. 57 tot VII. 59, VII. 64, VII. 90, § 1, derde lid, VII. 94, VII. 95, VII. 86, § 3, tweede lid, VII. 101 en VII. 114, § 3 van dit boek worden door de minister voor advies voorgelegd aan de Raad voor het Verbruik. De minister bepaalt de termijn waarbinnen het advies wordt gegeven. Na deze termijn is het advies niet meer vereist.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.218. [1 Onverminderd de andere raadplegingsvereisten die door dit boek zijn opgelegd, oefent de Koning de bevoegdheden uit welke Hem zijn toegekend door de artikelen VII.118, VII.120 en VII.122 na raadpleging van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen VII. 148, VII. 149, VII. 153 en VII. 154 worden door de minister voor advies voorgelegd aan de Raad voor het Verbruik, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het Begeleidingscomité. De minister bepaalt de termijn binnen welke het advies wordt gegeven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.219. [1 De Koning oefent de bevoegdheden, Hem toegekend door de bepalingen van de artikelen VII. 3, VII. 64, VII. 86, § 3, tweede lid, VII. 90, § 1er, derde lid, VII. 94, VII. 95, VII. 101, VII. 120 tot VII. 122 uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers bevoegd voor Economie en Financiën, na raadpleging van de Bank. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>

Art. VII.220. [1 De besluiten tot uitvoering van titel 4, hoofdstuk 4, worden genomen op advies van de FSMA. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie W 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

Gecoördineerde actuele versie van de wet: 

De wet treedt in werking op 1 december 2016

Bespreking van de vernieuwingen in de wetgeving zie NKW2016, 360

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 28/05/2016 - 10:30
Laatst aangepast op: za, 28/05/2016 - 12:52

Individuele controle- en onderzoeksbevoegdheid van vennoten

Publicatie
Auteur: 
Van Haver
Tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016
Pagina: 
362
Samenvatting

Dit artikel beschrijft en analyseert de individuele controle- en onderzoeksbevoegdheid van vennoten. Vooreerst schetst de auteur het juridisch kader van de individuele controle- en onderzoeksbevoegdheid en vergelijkt deze met de bevoegdheden van de commissaris. In een tweede fase besteedt hij uitvoerig aandacht aan de grenzen van de controle- en onderzoeksbevoegdheid van vennoten.

cf. Wetboek van Vennootschappen:

Art. 165. Moet met toepassing van artikel 141 geen commissaris worden benoemd, dan is het bestuursorgaan er niettemin toe verplicht het verzoek van één of meer vennoten tot benoeming van een commissaris, belast met de taak bedoeld in artikel 142, voor te leggen aan het bevoegde orgaan.

Art. 166. Wordt geen commissaris benoemd, dan heeft, niettegenstaande enige andersluidende statutaire bepaling, iedere vennoot individueel de onderzoeks- en controlebevoegdheid van een commissaris. Hij kan zich (laten vertegenwoordigen of bijstaan door een accountant). <W 2002-08-02/41, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2002>

Art. 167. De vergoeding van de accountant bedoeld in artikel 166 komt ten laste van de vennootschap indien hij met haar toestemming werd benoemd of indien deze vergoeding door haar ten laste moet worden genomen krachtens een rechterlijke beslissing. In deze gevallen worden de opmerkingen van de accountant meegedeeld aan de vennootschap.
 

Inhoudstafel tekst: 


Bijzondere gevallen

Controlerecht stille vennoten

Art. 828. De stille vennoten hebben het recht tweemaal per jaar ter plaatse inzage te nemen van de boeken en bescheiden van de vennootschap.
Zij mogen schriftelijk vragen stellen omtrent het bestuur, waarop schriftelijk moet worden geantwoord.

Controleregeling CV

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 28/05/2016 - 10:11
Laatst aangepast op: za, 28/05/2016 - 10:11

Wet tot wijziging van diverse bepalingen wat de aanranding van de eerbaarheid en het voyeurisme betreft

Alternatieve naam: 
Voyeurisme-wet
Afkondiging: 
din, 08/12/1992
Publicatie: 
don, 18/03/1993

 In boek II, titel VII, hoofdstuk V, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 371/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 371/1. Met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar wordt gestraft hij die :
1° een persoon observeert of doet observeren of van hem een beeld- of geluidsopname maakt of doet maken,
- rechtstreeks of door middel van een technisch of ander hulpmiddel,
- zonder de toestemming van die persoon of buiten zijn medeweten,
- terwijl hij ontbloot is of een expliciete seksuele daad stelt, en
- terwijl hij zich in omstandigheden bevindt, waar hij in redelijkheid kan verwachten dat zijn persoonlijke levenssfeer niet zal worden geschonden;
2° de beeld- of geluidsopname van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt zonder diens toestemming of buiten diens medeweten toont, toegankelijk maakt of verspreidt, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan.
Worden deze feiten gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
Is de minderjarige geen volle zestien jaar oud, dan is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
Het voyeurisme bestaat, zodra er begin van uitvoering is.".
"Met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar wordt gestraft de aanranding van de eerbaarheid gepleegd op personen of met behulp van personen van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, met geweld, dwang, bedreiging, verrassing of list, of die mogelijk werd gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer.";

Tekst van de wetgeving: 

Roeland Vasser, Gluurders te kijk gezet: voyeurisme voortaan strafbaar, Juristenkrant 9 maart 2016 pagina 1

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/05/2016 - 17:29
Laatst aangepast op: vr, 27/05/2016 - 17:29

Potpourri II: een overzicht van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht

Publicatie
Auteur: 
Meese Joachim
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1563
Samenvatting

In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wijzigingen op het vlak van het strafprocesrecht. Met name worden de aanpassingen besproken die betrekking hebben op de verjaring van de strafvordering, de mini-instructie, het telefonie-onderzoek, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken, de invoering van een guilty plea, de aanpassingen aan de minnelijke schikking en de beperking van het onmiddellijk cassatieberoep.

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding
II. Wijzigingen aan de verjaring van de strafvordering
A. Wijzigingen aan art. 21 VTSv.
B. Uitstel van de aanvang bij een voortgezet zedenmisdrijf met verschillende minderjarige slachtoffers
C. Nieuwe schorsingsgrond
III. Uitbreiding van de mini-instructie
IV. Wijzigingen met betrekking tot privé- en telecommunicatie
A. Vormverzuimen niet langer voorgeschreven op straffe van nietigheid
B. Beperking van de weergave van de afgeluisterde gesprekken tot bepaalde passussen
C. Afschaffing van de rechtstreekse communicatie tussen onderzoeksrechter en telecomoperator
V. De invoering van conclusietermijnen in strafzaken
VI. Invoering van de guilty plea
VII. Aanpassingen aan de minnelijke schikking
VIII. Beperking van het onmiddellijk cassatieberoep
IX. Besluit

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 27/05/2016 - 13:35
Laatst aangepast op: za, 11/06/2016 - 14:48

De wet «Potpourri I» Wijzigingen van het burgerlijk procesrecht

Publicatie
Auteur: 
Allemeersch Benoit
Auteur: 
Voet Stefaan
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-206
Samenvatting

De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie is de eerste van een reeks Potpourriwetten. Alle rechtspractici van het procesrecht zullen vanaf 1 november 2015 met deze nieuwe regels geconfronteerd worden. Deze bespreking van de nieuwe regels uit het Gerechtelijk Wetboek spitst zich toe op de civiele justitie en bevat een aanzienlijk aantal maatregelen op het stuk van de gerechtelijke organisatie en de burgerlijke rechtspleging. De meest in het oog springende hervormingen zijn de veralgemening van de alleenrechtsprekende rechter, de structurering van de conclusie, de beperking van de rol van de rechter bij verstek, de afschaffing van het schorsend effect van het hoger beroep en de invoering van een nieuwe procedure van invordering van onbetwiste geldschulden.

 

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding
II. Veralgemening van de alleenrechtsprekende rechter
III. Advies van het openbaar ministerie in civiele zaken
IV. Kennisgeving aan advocaten
V. Structuur van de conclusie en inhoud van de vordering
A. Structuur van de conclusie
B. Inhoud van de vordering: voorwerp en onderwerp
VI. Procedurele nietigheden
VII. Onderzoeksmaatregelen
VIII. Beraad
IX. Vonnis en rechterlijke motiveringsplicht
A. De beperking van de antwoordplicht tot de syntheseconclusie
B. De beperking van de antwoordplicht tot de gestructureerde middelen
X. Gezag van gewijsde
XI. Taak van de rechter bij verstek
XII. Hoger beroep
A. Appellabiliteit van beslissingen alvorens recht te doen
XIII. Invordering van onbetwiste geldschulden
B. Fases
XIV. Slotbeschouwingen

• G. de Leval, J. Van Compernolle en F. Georges, «La loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile et portant des dispositions diverses en matière de justice», JT 2015, 786-789;
• P. Martens, «Requiem pour la collégialité» in J. Englebert en X. Taton (eds.), Le procès civil efficace. (...), Limal, Anthemis, 2015, 151-166; S. Rutten en B. Vanlerberghe, «De alleenzetelende rechter en de beperking van het optreden van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken» in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, 2016, 19-43;
• D. Scheers en P. Thiriar, o.c., 22-41. Tijdens de totstandkoming van de wet van 19 oktober 2015 werd kritiek geuit op de veralgemening van de alleenrechtsprekende rechter (zie o.a. J. Boon, «Alleenzetelende rechters: niet zaligmakend voor effectieve justitie», Juristenkrant 2015, nr. 308, p. 10;
• B. Luyten, «Pleidooi voor een collegiale rechtspraak», RW 2014-15, 1637-1638).
 

Bespreking door de uitgever:

De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie is de eerste van een reeks Potpourriwetten. De Potpourriwet I brengt in hoofdzaak heel wat wijzigingen aan inzake de burgerlijke rechtspleging. Eens te meer is het doel van de wetgever de procedures sneller en efficiënter te laten verlopen.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: ma, 23/05/2016 - 16:14
Laatst aangepast op: za, 18/06/2016 - 13:52

Justitie is failliet hoe ervaart de de publieke opinie dit in 2004

Titel van het boek: 
USTITIE ONDER DE LOEP. DE PUBLIEKE OPINIE TEN AANZIEN VAN JUSTITIE
Publicatie
Auteur: 
Wyseur
Auteur: 
Schoffelen
Auteur: 
Vervaeke
Auteur: 
Parmentier
Auteur: 
Goethals
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
841
Samenvatting

Hoe denken de inwoners van ons land over justitie? Dit is de vraag waarop dit publieke opinieonderzoek een antwoord tracht te geven. Dit artikel biedt de lezer een overzicht van de ontwikkeling, de eerste afname en de resultaten van de «justitiebarometer», een instrument dat de houding van de Belgische bevolking ten aanzien van justitie in kaart heeft gebracht. Tot slot wordt het nut van opinieonderzoeken met betrekking tot justitie in vraag gesteld en worden enkele aanbevelingen verwoord.

Inhoudstafel tekst: 

I. INLEIDING

Vaak – en vooral door journalisten – wordt beweerd dat de kritiek van de bevolking ten aanzien van het justitieel systeem scherp is, de kloof tussen de burger en justitie groot is en justitie moeilijk toegankelijk is. 2 De vraag is echter waarop men zich precies baseert om een oordeel over het functioneren van justitie – zoals in bovengenoemde kritieken – hard te maken. 3 Ook beleidsverantwoordelijken en politici baseren zich voor het doorvoeren van hervormingen binnen justitie op de zogenaamde wensen en verzuchtingen van de bevolking. 4

Hoewel er discussie bestaat over de mate waarin beleidsveranderingen moeten worden gebaseerd op wat de bevolking denkt (cf. infra), blijft het nuttig voor beleidsmakers en politici om een idee te hebben van de mening van de bevolking. Het inkrimpen van de belangrijkste spreekbuizen voor de bevolking, namelijk het maatschappelijk middenveld, in het debat rond justitie, 5 wijst des te meer op het belang van een instrument dat inzicht in de ideeën van de bevolking ten aanzien van justitie kan verschaffen.

Bijgevolg besliste de Programmatorische Overheidsdienst Wetenschapsbeleid (POD Wetenschapsbeleid) in 2000 een onderzoek te financieren met als doel een meetinstrument te ontwikkelen dat in de toekomst herhaaldelijk naar de houding van de burger ten aanzien van justitie in ons land zou kunnen peilen. Een herhaalde bevraging maakt het mogelijk na te gaan hoe de houding van de mensen ten aanzien van justitie in de loop der jaren verandert. De eerste afname vond plaats bij een representatieve staal van 3204 inwoners in de periode tussen september tot november 2002.

In wat volgt, zal kort het ontstaan van de eerste «justitiebarometer» in België worden beschreven. De ontwikkeling van het onderliggende theoretische model, de constructie van de vragenlijst, de keuze voor de surveymethode en de wijze waarop de vragenlijst werd afgenomen, werden reeds uitgediept en beargumenteerd in een publicatie. 6

Allereerst wordt een kort overzicht geboden van het onderzoek omtrent publieke opinie en justitie, waarna de stappen bij de ontwikkeling van het meetinstrument, de vragenlijst, worden weergeven. Het vierde deel vormt het hart van het artikel. Het bevat de resultaten van de peiling naar de houding van de burger in ons land. In het voorlaatste deel wordt het nut van opinieonderzoeken in vraag gesteld. Ten slotte worden enkele eerste beleidsaanbevelingen geformuleerd.

II. KORT OVERZICHT VAN HET BESTAANDE ONDERZOEK IN BELGIË

Eerder binnenlands onderzoek naar de houding van burgers ten aanzien van justitie blijkt zeer beperkt. We vermelden de belangrijkste. Het oudste onderzoek dat werd teruggevonden, is het werk van Goffin en Tsamadou, 7 waarin een steekproef van 375 personen werd bevraagd over verschillende aspecten van justitie (onder meer naar het imago van de strafrechtsbedeling en naar het imago van de magistraten). Voorts werd de algemene kennis van het recht bij de geïnterviewden nagegaan, alsook hun houding ten aanzien van het strafrechtelijk beleid. Uit de resultaten blijken de meningen over deze zaken te verschillen naargelang van de socio-economische achtergrond, de leeftijd en het opleidingsniveau van de respondenten.

Naar aanleiding van de zaak-Dutroux in 1996 werden tienduizenden brieven en petities van burgers – aan de minister van Justitie toegestuurd – geanalyseerd. 8 Uit dit onderzoek bleek dat de meningen van de burgers zeer uiteenlopend zijn. De belangrijkste thema‘s die naar voor kwamen zijn het disfunctioneren van de politiek en van het justitieel beleid in het bijzonder, de behoefte aan aanpassing van de rechtbanken en de attitude van de politiediensten.

In een beeldvormingsonderzoek van 2001 met betrekking tot justitie bij 252 studenten 9 werd gepeild naar het vertrouwen en de houding ten aanzien van het openbaar ministerie, advocaten, strafrechters en het strafrechtelijk beleid. Uit deze bevraging blijkt dat het vertrouwen in het gerecht eerder laag is, maar dat een meerderheid vindt dat justitie en meer specifiek de advocatuur en de rechters in het algemeen goed werk leveren (maar niemand van de bevraagde personen vond dat justitie heel goed werk leverde). Met betrekking tot het strafrechtelijk beleid wordt gepleit voor strengere straffen.

Ten slotte bracht M. Elchardus 10 het vertrouwen in de instellingen (onder meer justitie) in Vlaanderen in kaart tussen 1995 en 2000. Hiervoor werden de resultaten geanalyseerd van een zevental Vlaamse onderzoeken. Uit deze analyse besluit hij dat er van een vertrouwenscrisis in de instellingen kan worden gesproken. In vergelijking met het vertrouwen in het onderwijs en de politie, is het vertrouwen in het gerecht zeer laag. Ook blijkt duidelijk dat het vertrouwen op korte termijn fluctueert naar aanleiding van bepaalde maatschappelijke gebeurtenissen. Zo is tussen 1996 en 1997 het vertrouwen in het gerecht spectaculair gedaald naar aanleiding van de negatieve berichtgeving over het gerecht in de media. De gegevens uit dit onderzoek blijken niet typisch te zijn voor ons land, maar kunnen worden gekaderd in een tendens die zich in veel westerse landen voordoet. 11

III. METHODOLOGIE VAN HET GEVOERDE ONDERZOEK

In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de verschillende fasen bij de constructie van de justitiemonitor. Ten eerste werd een grondige literatuurstudie doorgevoerd, samen met de ontwikkeling van een conceptueel model, waarna een testfase werd geïmplementeerd. Vervolgens werd de vragenlijst nationaal afgenomen en werden de resultaten verwerkt.

Voor het ontwikkelen van een itempool van relevante vragen voor de meting van de houding van de bevolking ten aanzien van justitie, baseerden de onderzoekers zich op vier pijlers: het theoretische model, een screening van 28 onderzoeken uit binnen- en buitenland op relevante vragen, suggesties vanuit interviews en suggesties vanuit het begeleidingscomité. 12 Op grond van een theoretisch model werd gedurende vier maanden een literatuurstudie uitgevoerd. 13 In het model werden aspecten van de houding gedefinieerd en gedifferentieerd, werd justitie ontleed in al haar componenten, en de bepalende invloed van de kenmerken van de respondenten op de houding werd opgenomen en in het model gebracht. In de sociale psychologie wordt het begrip «houding» gedefinieerd als een geheel van neigingen, gevoelens, vooroordelen, vooropgezette noties, ideeën, bekommernissen, bedreigingen en overtuigingen aangaande een specifiek onderwerp, het attitudeobject genoemd. Bij een houding kan dan een cognitieve, een emotionele en een gedragscomponent worden onderscheiden. De survey die hier werd ontwikkeld, bevraagt evenwel in de eerste plaats opinies, dit wil zeggen verbale expressies van deze houding. Terwijl houding verwijst naar de eerder algemene oriëntaties, vormen opinies de verbale expressies van bepaalde particuliere aspecten van attitudes, die een gevoelen van afkeur of voorkeur uitdrukken. 14 De term justitie dekt een ruime lading die kan worden gevat door de volgende vier aspecten: 15 de instituties, de actoren, de procedures en het beleid. In het conceptueel model worden de opinies met betrekking tot deze verschillende aspecten van justitie nu gelinkt aan een reeks potentieel beïnvloedende factoren.

In de literatuur vinden we verschillende modellen terug met betrekking tot de factoren die de houding van de burger ten aanzien van justitie beïnvloeden: 16 persoonlijkheidsfactoren (bijvoorbeeld: het angstniveau van een persoon, het basisvertrouwen), sociodemografische achtergrondkenmerken (bijvoorbeeld: het beroep, het inkomen), kennis van justitie (kennis over haar vier aspecten), burgerrechtelijke en strafrechtelijke ervaringen met justitie, de media (bijvoorbeeld de soort krant die men leest) en politieke voorkeur (bijvoorbeeld op welke partij men heeft gestemd). Er dient te worden opgemerkt dat ook een combinatie van deze categorieën onderling de houding kan beïnvloeden. Er kan echter geen uitsluitsel worden geboden over een exclusieve richting van de relatie tussen elk van deze categorieën. In het conceptueel model werden sociodemografische kenmerken, kennis van en ervaringen met het rechtssysteem, media en politieke voorkeur als beïnvloedende variabelen opgenomen. Daar persoonlijkheidsfactoren moeten worden onderzocht via schalen, en de opname van deze schalen het instrument aanzienlijk zou verzwaren, werd besloten deze niet op te nemen in de bevraging.

Figuur 1. Theoretisch model

*I = instituties, A = actoren, P = procedures, B = beleid

Het theoretische model werd vervolgens als uitgangspunt gebruikt voor een bevraging van de houding van burgers ten aanzien van justitie door middel van focusgroepinterviews 17 en een bevraging van justitieel personeel door middel van «face to face»-interviews. 18 De testfase verliep vanaf maart tot en met juli 2001. De bevraging was bedoeld om na te gaan of het model de determinerende factoren bevatte enerzijds en om ideeën op te doen voor haalbare vragen en verwoordingen anderzijds. 19 Voorts werden buitenlandse studies geraadpleegd, 20 waaruit thema‘s werden gedistilleerd en opgenomen in de vragenlijst. Voorbeelden van deze thema‘s zijn rechtvaardigheid van beslissingen van justitie of vragen naar de houding ten aanzien van straffen. Dit alles leidde tot een databank van mogelijke vragen waaruit een voorlopige vragenlijstversie werd gedistilleerd en ter evaluatie werd voorgelegd aan het begeleidingscomité. Op basis van dit overleg werden nog een aantal opinievragen met betrekking tot nieuwe ontwikkelingen, zoals het snelrecht, toegevoegd, alsook een aantal ter discussie staande beleidsvragen, zoals het jeugdsanctierecht.

De vragenlijst bestond uit vier delen: een algemeen deel, een burgerrechtelijk deel, een strafrechtelijk deel en een deel inzake achtergrondkenmerken. In het algemene deel werden vragen geformuleerd die peilden naar het vertrouwen dat men heeft in justitie en andere instellingen (onderwijs, de kerk...), naar de tevredenheid met de werking van justitie in het algemeen (toegankelijkheid, garantie op eerlijk proces...), tevredenheid met procedures voor de rechtbank (taalgebruik, mogelijkheid tot vrijspraak in geval van procedurefouten...), en tevredenheid met het optreden van verschillende actoren (advocaten, rechters...). In het burgerrechtelijk deel werd onder meer gevraagd naar wat men denkt van het bevragen van kinderen in familiezaken, het aanduiden van deskundigen en het inschakelen van lekenrechters. In het strafrechtelijk deel werd onder andere gepeild naar de mening over het optreden van de parketmagistraten, de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de bestraffing van misdrijven. Voorts werd in het strafrechtelijk en het burgerrechtelijk deel ook gepeild naar persoonlijke ervaringen met strafrechtelijke en burgerrechtelijke dossiers. In het deel achtergrondkenmerken werden variabelen opgenomen die uit eerder onderzoek 21 een invloed bleken uit te oefenen op de opinie. Voorbeelden van dergelijke variabelen zijn leeftijd van de respondent, de nationaliteit van de respondent en van zijn ouders, scholingsniveau, tewerkstelling, burgerlijke staat, gezinssamenstelling, gezinsinkomen, levensbeschouwing en politieke voorkeur. Van de eerste versie van de vragenlijst werd een identieke Nederlandstalige en Franstalige versie opgesteld. Tenslotte werd de vragenlijst onderworpen aan een pretest, met als doel de routing van de vragenlijst alsook de bruikbaarheid van de vragenlijst voor telefonische afname te testen. Naar aanleiding van de bevindingen uit deze pretest werd de vragenlijst op enkele punten aangepast. Zo werden onder meer enkele items geschrapt wegens interpretatieproblemen en werden een aantal vragen gehergroepeerd. Dit resulteerde in een definitieve vragenlijst met in totaal 52 items, waarbij opnieuw de gelijkheid van de Nederlandstalige en Franstalige vragenlijst werd nagegaan.

Voor de afname van de gegevens werd gekozen voor de computer ondersteunende telefonische survey, mede omdat een herhaald meten (bijvoorbeeld iedere twee jaar) van de houding van de burger het doel is. De afname vond plaats in de periode van september tot november 2002.

De populatie bestond uit alle burgers ouder dan vijftien jaar, wonend in België. Om de steekproef samen te stellen werd gebruik gemaakt van de CD-rom Info-bel 2002. Uit een eerste lijst van 15.000 toevallig geselecteerde telefoonnummers werden de nummers van ondernemingen, handelszaken, openbare en private instellingen weggefilterd. Dit leidde tot de samenstelling van twee steekproeven, één voor Vlaanderen en één voor Wallonië en Brussel, beide met ongeveer 5000 adressen: Brussel en Wallonië 5.185 adressen; Vlaanderen 4.806 adressen. De potentiële respondenten op de lijst werden telefonisch benaderd tussen 26 augustus en 21 november 2002. Ingeval een telefoonnummer betrekking had op een gezin, werd het lid van het gezin dat ouder was dan vijftien jaar en dat het eerst jarig werd, uitgenodigd om de enquête te beantwoorden. Maximum vijf pogingen werden ondernomen om de respondent te bereiken. In totaal werden tijdens deze periode 20.361 telefonische oproepen gedaan, die resulteerden in 3204 enquêtes, 1602 in het Frans en 1602 in het Nederlands. Na cleaning van de gegevens bestaat er een representatief staal van 3204 inwoners van België, van wie 322 wonende te Brussel, 1595 te Vlaanderen en 1283 te Wallonië.

Om de validiteit en de representativiteit na te gaan, werd de verkregen steekproef op verschillende karakteristieken vergeleken met de populatiecijfers. Voor deze populatiecijfers, die betrekking hebben op de bevolking van ouder dan vijftien jaar, werd gebruik gemaakt van N.I.S.-data op datum van 1 januari 2002. Deze vergelijking liet een licht onevenwicht zien naar geslacht en leeftijd. Het percentage vrouwen in de steekproef ligt 2,4 % hoger dan in de populatie. De verdeling naar leeftijd liet een ondervertegenwoordiging zien van respondenten met een leeftijd van 20 tot 29 jaar, wat te wijten kan zijn aan het gsm-fenomeen: de personen die niet over een vaste telefoonlijn of enkel over een privé-nummer beschikten, konden niet worden gecontacteerd. Vooral jongeren bellen mobiel, en van deze telefoonpopulaties bestaat geen repertoire. Voorts toonde het lastenkohier een gelijk aantal Franstalige en Nederlandstalige respondenten, wat niet correspondeert met de structuur van de bevolking van het land. Daarom werden de steekproeven «gewogen», met de bedoeling te komen tot een «fictieve» populatie per provincie met evenveel Nederlandstalige als Franstalige inwoners.

Het verkregen databestand werd verwerkt via SPSS. In een eerste fase werden univariate analyses uitgevoerd. Van elk item werden frequentieverdelingen opgesteld en een aantal beschrijvende maten (minimumscore, maximumscore, gemiddelde en standaarddeviatie) berekend. Op grond van deze bevindingen werden in een tweede fase bivariate analyses uitgevoerd, waarbij twee variabelen (de verdeling op een item van de vragenlijst en een «beïnvloedende» variabele) met elkaar werden gekruist (x2-analyse) of waarbij de gemiddelden van twee of meer groepen (vb. de gemiddelde houding tegenover justitie van de groep mannen en de groep vrouwen) met elkaar werden vergeleken (t-toetsen en variantie-analyse). Daarbij werd een alfa-fout van 5 % gehanteerd. Indien significante verschillen werden vastgesteld, werden post-testen uitgevoerd, teneinde te kunnen bepalen welke (sub)groepen significant van elkaar verschillen. Het is belangrijk een goed begrip te hebben van het concept «significantie». Met significantie wordt immers niet bedoeld dat gevonden verschillen of samenhangen per se groot of belangrijk zijn. Bij inspectie van de data blijkt trouwens meestal dat, hoewel «significant verschillend», de vergeleken groepen erg weinig van elkaar afwijken. Significant betekent enkel dat de kans dat de onderzoeker onterecht zijn nulhypothese verwerpt (de nulhypothese gaat ervan uit dat beide groepen niet van elkaar verschillen, of dat beide variabelen niet samenhangen), klein is, en dus dat de onderzoeker relatief zeker is van zijn uitspraak. Meer diepgaande analyses (bijvoorbeeld multi-level analyses) behoorden niet tot deze onderzoeksopdracht.

IV. NATIONALE RESULTATEN VAN DE EERSTE JUSTITIEBAROMETER

De resultaten van de eerste peiling naar de houding van de burger ten aanzien van justitie in ons land worden hieronder beschreven. Het betreft immers de resultaten op nationaal niveau. Geïnteresseerden kunnen meer informatie over regionale resultaten vinden in het wetenschappelijke rapport van dit onderzoek. 22 Bij de beschrijving van de resultaten wordt telkens eerst de verdeling van de antwoorden op het item weergegeven. Nadien wordt beschreven welke «beïnvloedende» variabelen een (significante) invloed hebben op deze opinie, en op welke wijze deze invloed speelt. Allereerst worden de resultaten van het «algemene deel» voorgesteld. Dit betreft de resultaten over het vertrouwen in justitie in het algemeen, de vragen betreffende de werking van justitie en de actoren, en een aantal algemene bevindingen met betrekking tot afhandeling van een zaak en de procedures. De resultaten met betrekking tot het burgerrechtelijk deel en het strafrechtelijk deel worden meer specifiek voorgesteld in het onderdeel betreffende de «afhandeling van een zaak en de procedures» en het onderdeel «ervaring met justitie». Ten slotte volgt een bespreking van de resultaten in het deel inzake achtergrondkenmerken (cf. infra: conclusies).

A. Het vertrouwen in justitie – Algemeen

De volgende algemene vraag met betrekking tot vertrouwen in justitie werd aan de respondenten voorgelegd: «Kan u mij in het algemeen zeggen of u vertrouwen heeft in justitie»? Uit deze vraagstelling blijkt dat 42,6 % van de burgers in België wel of eerder wel vertrouwen heeft in justitie.

Figuur: "Hebt u vertrouwen in Justitie?"

In vergelijking met andere instituties bekleedt het Belgische gerecht een gedeelde vierde plaats in termen van vertrouwen bij de publieke opinie, na het onderwijs (waarbij 87,1 % van de burger zegt (eerder) vertrouwen te hebben), politie (69,6 %), het parlement (55,9 %). Op vlak van vertrouwen kan worden gezegd dat justitie, de Kerk (41 %) en de pers (40,8 %) samen de laagste positie innemen.

Figuur 2 toont aan dat de antwoorden betreffende justitie, pers en Kerk niet significant van elkaar verschillen (significantieniveau 0,95). Dit betekent dat justitie samen met de pers en de Kerk de vierde plaats bekleedt.

Figuur 2. Vergelijking van de gemiddelden: vertrouwen in instellingen 23

De algemene Belgische resultaten onthullen verschillen tussen het Vlaamse, het Waalse gewest en het Brusselse gewest. Respondenten uit Vlaanderen blijken positiever te staan ten aanzien van justitie dan de Waalse en Brusselse respondenten. De resultaten laten voorts zien dat het vertrouwen afneemt met de leeftijd, toeneemt met het inkomen en dat het vertrouwen in justitie groter is wanneer men betaald werk heeft. Vrouwen blijken minder vertrouwen te hebben in justitie dan mannen; en mensen die een ervaring hebben gehad met deze instelling (zowel strafrechtelijk als burgerrechtelijk) blijken minder vertrouwen te hebben dan mensen zonder ervaring. Het lezen van kwaliteitskranten of luisteren naar openbare radio en televisie blijkt een positieve invloed uit te oefenen op het vertrouwen in justitie.

B. De werking van justitie

De evaluatie van de werking van justitie werd bestudeerd aan de hand van zes thema‘s, namelijk (1) de informatie die justitie geeft over haar werking, (2) de tevredenheid over de werking van justitie, (3) de evolutie van de werking van justitie, (4) de toegankelijkheid van justitie, (5) de verwachting van een eerlijk proces en (6) de duidelijkheid van de juridische taal. Op de eerste vraag «of justitie voldoende informatie geeft over haar werking», antwoordt 75,5 % (eerder) negatief. Een negatief of eerder negatief antwoord werd, ten tweede, ook verkregen bij 50 % van de respondenten wanneer de tevredenheid over de werking van justitie werd bevraagd. Deze tevredenheid over de werking blijkt groter te zijn in Vlaanderen dan in Wallonië. Ten derde vindt 46,5 % dat er geen evolutie is opgetreden in de werking van justitie, 18,7 % is van oordeel dat de werking erop is achteruitgegaan, en 27,8 % is van oordeel dat de werking is verbeterd. Een vierde thema betreft toegankelijkheid. Van de Belgen vindt 56,3 % dat hij of zij (eerder) gemakkelijk een zaak voor justitie kan brengen, versus 37,5 % die dat niet vindt. Ten vijfde werd bij de burgers bevraagd of zij verwachten een eerlijk proces te krijgen, en hieruit blijkt dat 64,6 % van de Belgen (eerder) wel een eerlijk proces verwacht. Post hoc tests (Tukey) tonen aan dat variabelen, zoals onder andere leeftijd, regio en burgerlijke staat een significante invloed uitoefenen op deze variabele. Personen tussen 15 en 25 jaar hebben de meest positieve mening, de burgers uit de leeftijdsklasse ouder dan 46 jaar hebben de meest negatieve mening ten aanzien van dit onderwerp. Inwoners van Vlaanderen staan positiever tegenover dit onderwerp dan inwoners van Wallonië. Brussel neemt een middenpositie in. Met betrekking tot de variabele burgerlijke staat kan worden afgeleid dat alleenstaanden een positievere mening hebben dan personen die gescheiden zijn. Ten zesde vindt 72,4 % van de Belgen dat de juridische taal onvoldoende duidelijk is. Jongeren en oudere mensen vinden deze juridische taal begrijpelijker dan mensen uit de middelste leeftijdscategorieën (26-65 jaar). Enigszins verrassend constateren we dat mensen met een hoger opleidingsniveau of een hoger inkomen de taal minder duidelijk vinden dan mensen met een lager opleidingsniveau of een lager inkomen.

C. De justitiële actoren

De houding van de Belgische populatie ten aanzien van de actoren van justitie werd gepeild aan de hand van zes vragen. In het onderzoek werd een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende actoren: de advocaten, de rechters en de parketmagistraten. Voor elke actor wordt een vraag gesteld aangaande de dossierkennis en de gelijkheid van behandeling. De resultaten duiden aan dat advocaten en parketmagistraten het meeste vertrouwen genieten op vlak van dossierkennis (ongeveer 60 % van de mensen zijn (eerder) akkoord met deze stelling). Rechters genieten iets minder vertrouwen (ongeveer 50 % is (eerder) akkoord met deze stelling).

Figuur: Dossierkennis van de actoren van justitie

Op het vlak van gelijke behandeling tonen de resultaten aan dat advocaten veel minder het vertrouwen genieten van de Belgische burger dan de parketmagistraten en de rechters. Slechts 25 % van de respondenten heeft er vertrouwen in dat een advocaat alle cliënten op een gelijke manier zal behandelen. Rechters en vooral parketmagistraten genieten voor dit item iets meer vertrouwen dan advocaten. Van de bevraagde burgers vindt 36,8 % dat de rechter de burgers op een gelijke manier behandelt; 41,2 % heeft dat vertrouwen bij een parketmagistraat.

Figuur: Gelijke behandeling van de burgers door de actoren van justitie

Enkele andere vaststellingen betreffende dossierkennis bij deze justitiële actoren zijn belangrijk om te vermelden: Vlamingen vinden meer dan Walen dat de actoren dossierkennis hebben; personen zonder ervaring met justitie staan positiever ten aanzien van dit onderwerp dan personen met ervaring, net zoals mannen een positievere mening hebben dan vrouwen betreffende dossierkennis van de actoren. Ook wat gelijke behandeling betreft onthullen de resultaten dat Vlamingen meer akkoord zijn dan Walen, en ook hier speelt het hebben van ervaring dezelfde beïnvloedende rol. Gescheiden personen gaan het minst akkoord met deze stelling betreffende gelijke behandeling.

D. Afhandeling van een zaak en procedures

1° Algemeen

De volgende drie thema‘s werden behandeld: de duur van een rechtszaak, procedurefouten en de rechtvaardigheid van beslissingen. De eerste stelling was: «de afhandeling van een rechtszaak duurt in het algemeen te lang». Met deze stelling gaat 94,4 % van de respondenten akkoord of eerder akkoord. Van de overige respondenten gaat 3,4 % (eerder) niet akkoord (2,3 % van de respondenten antwoordden «weet niet»). Respondenten ouder dan 65 jaar gaan meer akkoord met dit punt. Jongeren tussen 15 en 25 jaar gaan het minst akkoord. Ook bleek dat de inwoners van Wallonië en Brussel meer akkoord gaan met de stelling dan de inwoners van Vlaanderen. Ten tweede werd aan de respondenten gevraagd of ze zich akkoord kunnen verklaren met de stelling dat personen worden vrijgesproken bij procedurefouten. De resultaten duiden aan dat 56,3 % zich (eerder) niet achter deze stelling kan scharen. Jongeren gaan in dit geval meer akkoord ten aanzien van deze vraag dan mensen van middelste leeftijdscategorieën (26-65 jaar). Ten slotte vindt 51,7 % van de respondenten dat de meeste beslissingen rechtvaardig zijn.

2° Burgerlijk recht

Enkele vragen behandelden het burgerrechtelijk deel. De burgers werden bevraagd over hun opinie ten aanzien van de inschakeling van experten. De resultaten laten zien dat de overgrote meerderheid positief staat ten aanzien van de inschakeling van experten, ook al wordt de duur van een proces hierdoor verlengd (positief en eerder positief: 88,7 %) of worden de kosten hierdoor hoger (positief of eerder positief: 75,1 %). Van de respondenten staat 77,2 % positief of eerder positief ten aanzien van de inschakeling van lekenrechters in een proces en 81,7 % staat (eerder) positief tegenover het bevragen van de mening van kinderen boven de twaalf jaar in familiezaken. Tevens is 91,3 % van de respondenten voorstander van burgerrechtelijke bemiddeling.

3° Strafrecht

Op strafrechtelijk vlak werd dieper ingegaan op de bestraffing van bepaalde misdrijven. Voor een serie van misdrijven werd aan de ondervraagde personen gevraagd of ze vonden dat deze «te streng bestraft», «voldoende streng bestraft» of «onvoldoende streng bestraft» werden. Het betreft volgende misdrijven: financiële delicten, seksuele delicten, verkeersdelicten, drugsdelicten, moord en georganiseerde criminaliteit. Algemeen kan worden gesteld dat de bevolking zich uitspreekt voor een strengere bestraffing, ongeacht het type van misdrijf. Onderstaand vindt de lezer de percentages van het aantal burgers dat heeft aangegeven dat het misdrijf onvoldoende streng werd bestraft: 93,4 % voor georganiseerde criminaliteit, 89,4 % voor de seksuele delicten, 80,3 % voor moord, 72,4 % voor drugdelicten, 65,8 % voor financiële delicten en 46,5 % voor verkeersdelicten.

Figuur: Worden deze misdrijven streng genoeg gestraft?

Respondenten uit Wallonië zijn strenger dan personen in Vlaanderen wat betreft georganiseerde criminaliteit, seksuele misdrijven, drugmisdrijven en financiële misdrijven, maar milder op het vlak van verkeersmisdrijven.

«Wat vindt u van alternatieve straffen» is ook een vraag die werd gesteld aan de steekproef van burgers. Van de bevraagde burgers is 79 % voorstander of eerder voorstander van alternatieve straffen. Ook strafrechtelijke bemiddeling wordt positief onthaald door de respondenten. Van de ondervraagde personen antwoorden 82,4 % (eerder) positief.

4° Specifieke strafrechtelijke thema‘s

Volgende specifieke strafrechtelijke thema‘s werden bevraagd omwille van de actuele relevantie voor het beleid: de aanpak van jeugddelinquentie, de voorwaardelijke invrijheidsstelling, spijtoptantenregeling, snelrecht en de volksjury.

Eén van de vragen in de survey betrof de jeugddelinquentie. Twee uitspraken over jonge delinquenten beneden achttien jaar werden de respondenten voorgelegd, waaronder enerzijds: «jongeren beneden de achttien jaar die een misdrijf hebben gepleegd, moeten worden opgesloten in een jeugdgevangenis» en anderzijds «jongeren beneden de achttien jaar die een misdrijf hebben gepleegd, moeten worden geplaatst in een instelling waar begeleiding centraal staat». De respondenten werd gevraagd hun voorkeur uit te spreken voor één van beide uitspraken. De antwoorden zijn als volgt verdeeld: 20,7 % van de ondervraagden kiest voor de eerste uitspraak en 75,9 % (drie vierde van de onderzoekspopulatie) is voorstander van de tweede uitspraak. De voorkeur voor een gesloten instelling met begeleiding is significant groter in Wallonië dan in Vlaanderen, stijgt naargelang het opleidingsniveau en het inkomen, is sterker bij mannen dan bij vrouwen en is sterker bij personen die betaald werk verrichten.

Figuur: Wat moet men doen met jeugddelinquenten (jonger dan 18 jaar)?

Op dezelfde manier werd de houding bevraagd met betrekking tot de gevangenisstraf, waarbij de stellingen «gevangenen moeten tot het einde van hun straf in de gevangenis blijven» en «gevangenen moeten vroeger kunnen worden vrijgelaten en een deel van hun straf onder toezicht, in de samenleving, verder ondergaan» werden voorgelegd. 52,5 percent kiest voor de eerste stelling en 40,3 % voor de tweede stelling. Van de respondenten heeft 7,2 % geen mening geuit. Voorts kan worden afgeleid dat de voorkeur voor het volledig uitzitten van de straf door gedetineerden significant groter is in Vlaanderen en in Wallonië dan in Brussel, vermindert met het opleidingsniveau en inkomen en sterker is bij vrouwen dan bij mannen. Ook blijkt dat personen die naar de commerciële tv-zenders kijken en populaire kranten lezen meer aanhanger zijn van «strafeinde».

Het onderwerp met betrekking tot spijtoptanten werd op de volgende manier aangeboden: «mensen die een misdrijf hebben gepleegd en die justitie helpen dit misdrijf op te lossen, moeten strafvermindering kunnen krijgen». Van de respondenten gaat 55,3 % (eerder) akkoord met deze stelling, 40,6 % verklaart zich (eerder) niet akkoord. In totaal is er eerder een voorkeur voor deze maatregel, al lijken de meningen erover toch sterk verdeeld.

Een dubbele vraag handelt over het snelrecht. Een eerste item wordt verwoord als: «het snelrecht is een goede zaak» waarbij 82,7 % van de respondenten zich akkoord of eerder akkoord verklaart met deze stelling, 14,1 % gaat (eerder) niet akkoord. Een tweede item, «het snelrecht leidt tot meer verkeerde beslissingen», geeft een ander beeld. Enerzijds verklaren 22,5 % van de respondenten zich «akkoord», en 19,9 % «eerder akkoord». Anderzijds verklaart 26,9 % zich «niet akkoord», en 16,8 % «eerder niet akkoord». Het aandeel personen «zonder mening» ligt bij deze vraag echter bijzonder hoog (13,9 %), wat een vertekening van het resultaat kan opleveren.

De bevraging over het gebruik van een volksjury toont aan dat 50 % van de ondervraagde personen «voorstander» is, 23,3 % is «eerder voorstander», terwijl 12,3 % «eerder tegenstander» en 11,7 % «tegenstander» blijken te zijn.

De respondenten van de survey werden ondervraagd over een reeks aspecten waarmee een rechter rekening moet houden bij het nemen van beslissingen: de aard van de feiten, de vroegere veroordelingen van de verdachte, de schade voor het slachtoffer, de ervaringen tijdens de jeugd van de verdachte, de geestelijke toestand van de verdachte, de sociale situatie van de verdachte en de mening van de bevolking. Voor elk van de elementen kan de respondent aangeven of hij zich (eerder) akkoord verklaart of (eerder) niet. De resultaten tonen aan dat de voornaamste bekommernis van de ondervraagde burgers is dat de rechter rekening houdt met de aard van de feiten (97,4 % gaat (eerder) akkoord) en de schade voor het slachtoffer (96,5 % gaat (eerder) akkoord); voorts vinden de respondenten dat de rechter de mening van de bevolking eerder niet in rekening moet nemen bij het nemen van zijn beslissing (42,2 % gaat (eerder) akkoord). Vroegere veroordelingen van de verdachte (89,8 % van de respondenten gaat (eerder) akkoord), de geestelijke toestand van de verdachte (80,8 % gaat (eerder) akkoord), de ervaringen tijdens de jeugd van de verdachte (69,6 % gaat (eerder) akkoord) en de sociale situatie van de verdachte (61,6 % gaat (eerder) akkoord) zijn ook aspecten waarmee de rechter (eerder) wel rekening moeten houden wanneer hij een vonnis velt.

Figuur: Moet de rechter rekening houden met de volgende parameters?

E. Ervaring met justitie

Zowel de burgerrechtelijke als strafrechtelijke ervaring met justitie werden bevraagd. Van de ondervraagden heeft 22 % de voorbije tien jaar contact gehad met justitie in het raam van een burgerrechtelijke zaak, en 6,6 % in het raam van een strafrechtelijke zaak. Deze personen werden bevraagd over de aard van de ervaring die ze hebben gehad aan de hand van twee vragen. De eerste vraag peilde naar de houding ten aanzien van het resultaat van de laatste zaak, waarbij de resultaten aantonen dat op burgerrechtelijk vlak 51 % een (eerder) positieve mening had. Op strafrechtelijk vlak had 36,3 % een (eerder) positieve mening. De tweede vraag peilde naar de wijze waarop de zaak werd behandeld. Van de personen met een burgerrechtelijke ervaring verklaarde 42,7 % zich tevreden of eerder tevreden, 57,3 % is ontevreden of eerder ontevreden. Van de personen met een strafrechtelijke ervaring verklaarden 36,6 % zich (eerder) tevreden, 63,5 % was (eerder) ontevreden.

F. Conclusies

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat een kleine meerderheid aangeeft in het algemeen (eerder) weinig vertrouwen te hebben in justitie. De respondenten wensen dat justitie beter presteert op het vlak van de werking van het gerechtelijk apparaat. Dit blijkt met name uit de antwoorden van de respondenten op de vragen met betrekking tot de snelheid van de behandeling van de zaken, de procedurefouten, en de tevredenheid van de respondenten die reeds een burgerrechtelijke en/of strafrechtelijke ervaring hebben (gehad). De resultaten wijzen evenwel ook uit dat respondenten (eerder) positief staan ten opzichte van de directe of indirecte medewerking van de bevolking aan de werking van het gerechtelijk apparaat. Het bovenstaande blijkt uit de positieve attitude van de respondenten ten aanzien van bemiddeling (zowel burgerrechtelijk als strafrechtelijk), ten aanzien van de benoeming van lekenrechters en ten aanzien van de volksjury. De analyse van de onderzoeksresultaten inzake de actoren van justitie lijkt erop te wijzen dat de respondenten relatief tevreden zijn over de wijze waarop deze actoren de gerechtelijke taken uitvoeren. Een meerderheid van de respondenten is van mening dat zowel advocaten als rechters of parketmagistraten over «voldoende» dossierkennis beschikken. Ondanks het feit dat een kleine meerderheid van de respondenten niet overtuigd is van een gelijke behandeling door rechters en advocaten, valt op dat een meerderheid van de respondenten aangeeft dat «de meeste beslissingen rechtvaardig zijn». Respondenten zijn van oordeel dat de rechter bij deze beslissingen rekening dient te houden met de aard van de feiten en de schade van het slachtoffer. Hetzelfde standpunt wordt ingenomen ten aanzien van de elementen die betrekking hebben op de persoon van de verdachte, namelijk vroegere veroordelingen, ervaringen tijdens de jeugd, de geestestoestand, en de sociale situatie. Met betrekking tot de enige «externe» parameter, de mening van de bevolking zelf, was een kleine meerderheid van de respondenten van oordeel dat de rechter dit element niet mee in rekening dient te brengen bij het nemen van een beslissing.

Bij de verwerking van de resultaten werden de vragen gelinkt aan verschillende socio-demografische variabelen. De analyses toonden aan dat het vaakst significante verbanden werden vastgesteld (meer dan 30) met de socio- demografische variabelen leeftijd, regio, betaald werk, politieke voorkeur, voorkeur voor commerciële of openbare media, en rechtsgebied. Met geslacht, inkomen, opleiding, burgerrechtelijke en/of strafrechtelijke ervaring, gezinssamenstelling, burgerlijke staat, en het volgen van het journaal en televisieprogramma‘s inzake justitie werden minder significante verbanden vastgesteld (tussen 20 en 30 significante verbanden). Met geloof en werken bij justitie werden tussen de 10 en 20 significante verbanden teruggevonden. Eén variabele oefende nooit een significante invloed uit, namelijk nationaliteit.

Tussen deze onafhankelijke variabelen onderling kunnen ongetwijfeld samenhangen worden teruggevonden. Zo kan een lage scholingsgraad bijvoorbeeld gepaard gaan met een lager inkomen of met het ontbreken van betaald werk. Ook kunnen leeftijd, gezinssamenstelling, burgerlijke staat, en zelfs de ervaring met justitie (ouder zijn verhoogt statistisch gezien de kans om te worden geconfronteerd met justitie, om weduwe/weduwnaar of uit de echt gescheiden te zijn, of om in een éénoudergezin te leven) onderling samenhangen.

V. HET NUT VAN OPINIEONDERZOEK IN VRAAG GESTELD

Wat kan men nu aanvangen met de resultaten van dit publieke opinieonderzoek? De internationale literatuur reveleert tegenstrijdige visies omtrent het nut van publieke opinie-onderzoek met betrekking tot justitie. Sommigen vinden het een onmisbaar instrument om te weten wat er leeft bij hun (doel)publiek, anderen vinden het een gevaar of op zijn minst een overbodige luxe als het over een algemeen goed gaat.

Toharia 24 betoogt dat tegenstanders van mening zijn dat het bevragen van de burger geen nut heeft. Binnen een parlementaire democratie ligt volgens de tegenstanders de verantwoordelijkheid voor het opstellen en uitvoeren van het (justitieel) beleid bij de volksvertegenwoordigers, die zich voldoende moeten informeren om met kennis van zaken beleidsbeslissingen te nemen. Omdat het justitieel systeem te complex is en te ver van de gemiddelde burger afstaat, kan de gemiddelde burger immers niet over deze kennis beschikken.

In deze discussie kan men zich afvragen wie men bedoelt als men het over de burger heeft. Er kan immers een onderscheid worden gemaakt tussen vier soorten van burgers of publieken («publics») die kunnen worden bevraagd. 25 Een eerste publiek bestaat uit de mensen die rechtstreeks beroepsmatig betrokken zijn bij het bevraagde object. Wanneer het object justitie is, zouden dit onder meer de rechters, de parketmagistraten en de griffiers kunnen zijn. Ten tweede zijn er de mensen die niet rechtstreeks beroepsmatig betrokken zijn maar zeker nog ruim geïnformeerd. Binnen het voorbeeld van justitie zijn dit advocaten, gerechtsjournalisten, beleidsmakers. Een derde groep zijn de «gebruikers» of de mensen die één of meer directe ervaringen hebben met justitie. Het vierde soort publiek bestaat ten slotte uit mensen die potentieel gebruiker zijn van het object maar er nog geen directe ervaring mee hebben. Deze laatste groep is de enige groep die niet over kennis over justitie beschikt die mede is totstandgekomen op basis van directe ervaringen. Het spreekt vanzelf dat zeker deze laatste groep niet dient te worden bevraagd vanuit het hierboven vermelde perspectief.

Voorstanders vinden echter dat het onmisbaar is te weten wat er leeft bij hun (doel)publiek. Een democratie houdt immers in dat alle burgers het recht hebben om hun mening over de overheidsinstellingen te uiten, ongeacht de ervaring die ze ermee hebben. Flanagan 26 gaat hierin verder en vindt zelfs dat de pleidooien over een democratie onzin zijn, tenzij de inzichten van het publiek een plaats krijgen binnen de beleidsvoering.

Sommige (beleids)mensen die een zekere terughoudendheid hebben ten aanzien van opinieonderzoek inzake overheidsinstellingen, vrezen dat de resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen worden misbruikt door politici. Deze vrees is niet geheel ten onrechte. Flanagan 27 meldt in dit verband dat: «Politicans use public opinion surveys in a manner that a drunk uses a lamppost, for support rather than illumination». De vraag die hier rijst, is of mogelijk misbruik opweegt tegen de beschikbaarheid van een extra bron van kennis om het beleid mede op te baseren en erover te communiceren.

Rekening houden met de mening van de bevolking (ongeacht de kennis terzake) betekent echter niet automatisch dat het beleid al de inzichten van het publiek blind moet volgen of bevragen (cf. supra). Zeker dient de «sociale legitimiteit» van justitie te worden bevraagd volgens de voorstanders. Op deze manier kan men nagaan of het justitieel systeem door de hele samenleving wordt gerespecteerd, of het gehoorzaamheid verdient, en of het geloofwaardig wordt gevonden. Concreet verwijst men hier naar vragen die betrekking hebben op de rechtvaardigheid, de toegankelijkheid of de eerlijkheid van en de gelijke behandeling door het justitieel systeem. Om deze vragen te beantwoorden, hoeft men geen specifieke kennis van justitie te hebben. Het gaat er immers om hoe justitie wordt ervaren, met andere woorden om het vertrouwen dat men stelt in justitie. 28 Inzicht in de sociale legitimiteit is belangrijk. Wanneer immers blijkt dat justitie vanuit de samenleving niet gelegitimeerd wordt, is het voor haar onmogelijk om haar functie op een effectieve wijze uit te oefenen. Deze zienswijze stemt overeen met de visie van Toharia. 29 Hij splitst de werking van justitie op in efficiëntie en effectiviteit aan de ene kant, en legitimiteit aan de andere kant. Justitie dient tijdig adequate oplossingen te bieden voor problemen die zich in de samenleving voordoen en deze ook succesvol te implementeren (efficiëntie en effectiviteit). Maar nog los daarvan blijft het fundamenteel dat justitie sociaal vertrouwen en geloof geniet van de burgers die de samenleving vormen. Om dit na te gaan, is het dan ook noodzakelijk om elk van de eerder genoemde groepen te bevragen.

In het licht van de korte schets omtrent de visies over het nut van publieke opinieonderzoek over justitie, moge duidelijk zijn dat de beleidsmakers alleen al door de financiering van het onderzoek een signaal geven interesse te betonen in de mening van haar burgers. De voorstelling van de resultaten tijdens een internationaal colloquium te Leuven in september 2003 leverde een vergelijkende context op. Het resultaat hiervan zal te lezen zijn in een boek dat weldra verschijnt.

VI. AANBEVELINGEN

Op middellange termijn stelt dit onderzoek zich voor ogen een wetenschappelijke basis te verschaffen die ten dienste kan staan van een evaluatie van justitie. Bovendien kunnen de resultaten als richtlijn dienen voor beleidsverantwoordelijken om beleidsrelevante, beleidsvoorbereidende en beleidsgerichte voorstellen te ontwikkelen ter hervorming en verbetering van de Belgische justitie.

Zoals reeds beklemtoond, dient voorzichtig te worden omgesprongen met onderzoek over de publieke opinie. Toharia 30 betoogt in dit licht dat «een opinieonderzoek zeker geen orakel is dat de bestaande waarheden openbaar maakt en oplossingen voor de problemen voorziet; het is veeleer een sociale thermometer, die een sociaal klimaat meet en op zoek gaat naar de houdingen van de bevolking». Met dit in het achterhoofd wordt in wat volgt, stilgestaan bij het voorliggend onderzoek. We formuleren enkele aanbevelingen die enerzijds slaan op het onderzoek zelf en anderzijds gericht zijn op het justitieel beleid.

A. Aanbevelingen ten behoeve van het publieke opinieonderzoek omtrent justitie

Allereerst dienen we er ons van bewust te zijn dat de verkregen resultaten het gevolg zijn van een momentopname en dat bepaalde gebeurtenissen een invloed kunnen hebben op (de houding van) het publiek. Fluctuaties in de resultaten van eerder uitgevoerd publieke opinieonderzoek bevestigen de mogelijkheid van dit soort beïnvloeding. 31 Bij de interpretatie van de bevindingen dient dit bijgevolg in rekening te worden genomen. Een analyse van kranten tijdens de periode van de afname kan hierbij een hulpmiddel zijn. Tijdens de dataverzameling van dit onderzoek hebben er zich geen ophefmakende zaken voorgedaan.

Bovendien is de eerste afname van de survey een «nulmeting». Een recurrente toepassing van de survey zal het mogelijk maken om aan de hand van de verkregen resultaten een aantal tendensen vast te stellen en meer diepgaande analyses uit te voeren. Om de resultaten van verschillende afnamen te vergelijken, is het noodzakelijk dat hetzelfde meetinstrument wordt gebruikt en volgens dezelfde methode wordt gewerkt.

Naast het feit dat huidig onderzoek momenteel enkel weergeeft hoe er over de Belgische justitie wordt gedacht, dient te worden vermeld dat kwantificerend onderzoek het niet altijd mogelijk maakt om gevonden houdingen en mogelijke verschillen in houding tussen groepen, te duiden en te verklaren. Bovendien kan men vanuit deze resultaten niet rechtstreeks beleidsopties distilleren om deze houding – waar opportuun – bij te sturen. Om deze problemen te ondervangen, werd een kwalitatief vervolgonderzoek opgezet. 32

Voorts kan het onderzoek worden aangewend als een behoeftenpeiling bij de verschillende «publieken van justitie». Daarbij wordt verwezen naar het onderscheid dat werd gemaakt door Toharia 33 tussen vier soorten van «publieken van justitie», namelijk de experten van justitie, die bestaan uit de professionele insiders (zoals rechters) en gerelateerde professionelen (zoals advocaten en gerechtsjournalisten) en de externen van justitie, die bestaan uit de actuele gebruikers en de potentiële gebruikers. Elk van deze publieken vertrekt vanuit een verschillende kennis en een verschillend belang. Zo zal de evaluatie van justitie door de zogenaamde experten berusten op een gedegen kennis van de materie. Daartegenover staat echter dat hun evaluatie mogelijk bevooroordeeld is vanuit een gevestigd belang of vanuit een emotioneel en ideologisch verlangen om de bestaande toestand te behouden. De experten zullen bovendien meer aandacht besteden aan justitie als functionele organisatie, terwijl de leken eerder denken vanuit justitie als dienstverlenend instituut. De inhoud van publieke opinieonderzoek is bijgevolg bepalend voor de waarde ervan. Opinieonderzoek dient zich niet louter te beperken tot de procedurele en technische aspecten van justitie, maar dient ook te peilen naar de graad van vertrouwen en de geloofwaardigheid van justitie in de ogen van de burger.

Voorliggend onderzoek heeft vooraf geen rekening gehouden met de opdeling in de vier soorten publieken. Wel werden de burgers bevraagd over hun mogelijke strafrechtelijke of burgerrechtelijke ervaringen met justitie en over hun mogelijke tewerkstelling binnen justitie. Aangezien de verschillende publieken antwoorden vanuit een verschillende behoefte, zou een doelbewuste opsplitsing van publieken een meerwaarde kunnen betekenen bij de verdere analyse en de interpretatie van de onderzoeksresultaten.

De noodzakelijkheid voor het bevragen van elk van de eerder genoemde groepen (publieken) ligt in het feit dat ook justitie sociaal vertrouwen en geloof dient te genieten van alle burgers die de samenleving vormen. Deze verschillende dimensies, namelijk efficiëntie en effectiviteit aan de ene kant en sociale legitimiteit aan de andere kant, werden ook eerder vermeld. 34 Op basis van de twee dimensies van justitie kunnen de houdingen ten aanzien van justitie in vier categorieën worden opgedeeld. Zo is het mogelijk dat (1) justitie als weinig efficiënt of effectief wordt gekenmerkt, maar toch een hoge legitimiteit geniet. Personen in deze categorie voelen zich voornamelijk teleurgesteld in de werking van het gerecht, maar blijven zich loyaal opstellen ten aanzien van het instituut. (2) Ook het omgekeerde is mogelijk, namelijk dat burgers menen dat de efficiëntie/effectiviteit van justitie heel hoog is, maar er niettemin weinig vertrouwen in hebben. Deze personen wankelen tussen kritiek en vervreemding. Daarnaast zijn er nog twee extreme posities: (3) degenen die justitie zowel als efficiënt/effectief als legitiem beoordelen; en (4) degenen die geen van beide aspecten vervuld zien, vervreemd zijn van justitie en er alles aan doen om er geen gebruik van te hoeven maken.

Huidig onderzoek bevatte reeds enkele vragen die de twee dimensies van justitie meten. Niettemin zou het bij een herhaling van de survey in de toekomst interessant zijn beide fundamentele dimensies expliciet te bevragen. Het onderscheid tussen efficiëntie/effectiviteit en legitimiteit is overigens ook zeer relevant voor beleidsverantwoordelijken. In tegenstelling tot wat meestal wordt voorgesteld, leidt een efficiënt/effectief werkende justitie immers niet noodzakelijk tot een hoger vertrouwen bij de bevolking.

B. Aanbevelingen ten behoeve van het justitieel beleid

Er werd reeds gewezen op de tegenstrijdige visies omtrent de waarde van het publieke opinieonderzoek en op de gevaren en de vrees voor de gevolgen van een populistisch beleid. We kunnen niet nalaten om hierop terug te komen en te beklemtonen dat de mening van de bevolking omtrent justitie, die in het algemeen gebaseerd is op lekenkennis, geen directe richtingaanwijzers voor beleidsvoorstellen omvat. Vaak resulteren publieke opinieonderzoeken immers in onduidelijke en zelfs elkaar tegensprekende houdingen. Publieke opinieonderzoek kan bijgevolg slechts als indirecte informatiebron en als oriënterend en diagnostisch instrument voor de planning inzake justitie fungeren. De resultaten van publieke opinieonderzoek kunnen in dit licht ideeën geven over de wijze waarop justitie gepercipieerd wordt in al haar aspecten. Ook de wijze waarop justitie wordt gepercipieerd door de verschillende publieken, geeft ons meer informatie. 35 J.J. Toharia haalt aan dat wanneer de experten van justitie, namelijk de professionelen en gerelateerde professionelen, positiever staan dan de externen, namelijk de actuele en potentiële gebruikers, men kan spreken van een communicatieprobleem binnen het instituut justitie. Justitie kan hier vervolgens op inspelen, waardoor ze een betere positie kan verkrijgen en haar imago kan verbeteren. Ook kan publieke opinieonderzoek bepaalde kwesties ophelderen en op deze manier bijvoorbeeld nagaan welke van verschillende beleidsalternatieven de voorkeur geniet en de diverse visies omtrent justitie inzichtelijk maken. 36 Het kan de grenzen aangeven waarbinnen het publiek vindt dat de overheid kan handelen. 37 Vaak wekken de resultaten van publieke opinieonderzoek verrassingen op voor de beleidsmakers, zowel in positieve als in negatieve zin. Wanneer de normen niet vooraf werden vastgesteld, wordt de beoordeling van de resultaten als goed of slecht bijzonder bemoeilijkt. Het vooraf opstellen van indicatoren en normen is echter evenmin een gemakkelijke opgave. Niettemin is dit de meest efficiënte manier om te bepalen waar men bijkomende inspanningen moet leveren, zonder dat deze bevraging aangeeft hoe men tewerk moet gaan om het resultaat op termijn te verbeteren. Des te meer is een recurrente afname van het meetinstrument onontbeerlijk. Slechts wanneer bepaalde tendensen en algemene patronen in de publieke opinie duidelijk zijn, kan met meer zekerheid worden beslist waarin men dient te investeren.

Ten slotte wil dit onderzoek uitnodigen tot een opendebatcultuur. De burger verwacht immers op de hoogte te blijven van het reilen en zeilen binnen justitie. Informatieverschaffing aan de burger komt ook publieke opinieonderzoek en bijgevolg justitiële beleidsverantwoordelijken ten goede. Op deze manier worden immers stereotiepe antwoorden tijdens surveys vermeden. 38 Daarnaast is het ook belangrijk om de signalen van de burger omtrent de werking en de perceptie van justitie op een georganiseerde manier te vatten. Vaak heeft justitiepersoneel een negatief vooroordeel dat er onder de bevolking een algemeen gebrek aan vertrouwen in het systeem heerst. Het is dus even noodzakelijk om justitiepersoneel te informeren over de publieke opinie als er noodzaak is de publieke opinie te informeren over justitie. 39 In dit licht is informatie inzake justitie een tweerichtingsverkeer.

Liesbeth WYSEUR

Jessica SCHOFFELEN

Geert VERVAEKE

Stephan PARMENTIER

Johan GOETHALS

Factulteit Rechtsgeleerdheid K.U.Leuven

1. Onderzoek in samenwerking met Universiteir van luik. Met dank aan R. Doutrelepont, G. Kellens, P. Biren, B. Cloet, M. Sintobin, T. Van Win, M. Vandekeere en M. Vanderhallen.

2. S. DE CLERCK, «Justitie dichterbij...in het justitiehuis? Toespraak van minister van Justitie Stefaan De Clerck tijdens een studiedag van de Koning Boudewijnstichting op 23 juni 1997», De orde van de dag. Criminaliteit en samenleving, 1998, 51-60.

3. S. PARMENTIER, De verwachtingen van de burgers ten aanzien van justitie. Een selecte inventaris van bestaand onderzoeksmateriaal in binnen- en buitenland, onuitgegeven, onderzoeksrapport K.U.Leuven, 1998, 13 p.

4. L. HUYSE en A. VERDOODT, «Naar nieuwe vormen van intermediatie tussen burgers en justitie», in B. VAN DONINCK, L. VAN DAELE en A. NAJI (red.), Het recht op het rechte pad?, Antwerpen, Maklu, 1999, 167-206.

5. L. HUYSE en A. VERDOODT(a), «Dertig jaar justitiebeleid. Kroniek van een aangekondigde crisis», Panopticon, 1999, 3-19.

6. M. SINTOBIN, M. VANDERHALLEN, G. VERVAEKE, S. PARMENTIER, J. GOETHALS, P. BIREN, R. DOUTRELEPONT, A. LEMAITRE, en G. KELLENS, «Constructie van de vragenlijst `Houding van de bevolking ten aanzien van justitie‘», Panopticon, 2004, 108-111.

7. P. GOFFIN en C. TSAMADOU en C.-S. VERSELE (red.), Opinions et attitudes à l‘égard de la justice, Brussel, Université Libre de Bruxelles, 1973, 146 p.

8. L. HUYSE et al., Een tweede witte mars. Brieven en petities voor de minister van Justitie, onuitgegeven, 1996, 5 p.

9. E. VERDUYCKT, De beeldvorming met betrekking tot justitie, dissertatie Katholieke Universiteit Leuven, onuitgegeven, 2002, 114 p.

10. M. ELCHARDUS en W. SMITH, «Vertrouwen. Het vertrouwen van de Vlamingen in de politiek, overheid en instellingen in tijden van affaires», in Vlaanderen gepeild!, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1998, 45-91.

11. S. PLEYSIER, G. VERVAEKE, en S. PARMENTIER, «Het vertrouwen in `de‘ instelling: enkele beschouwingen», Panopticon, 2000, 63-79.

12. M. SINTOBIN, M. VANDERHALLEN, G. VERVAEKE, et al, l.c.

13. R.W. FAGAN, «Knowledge and support for the criminal justice system», Criminal Justice Review, 1988, 27-33; M.L. HENDERSON, F.T. CULLEN, L. CAO et al., «The impact of race on perceptions of criminal justice», Journal of Criminal Justice 1997, 447-462; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE (red.), Americans View on Crime and Justice. A National Public Opinion Survey, Londen, Sage Publications, 1995, 219 p.; I. CRESPI, The public opinion process. How the people speak, London, Lawrence Erlbaum Associates, 1997, 190 p.

14. J. BILLIET en H. WAEGE (red.), Een samenleving onderzocht. Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, De Boeck, 2001, 251 p.

15. S. PARMENTIER, l.c.

16. J.J.M. VAN DIJK, «Publieke opinie en misdaad», Justitiële Verkenningen, 1978, 4-10; F. OCQUETEAU en C. PEREZ-DIAZ, «Public opinion, crime and criminal policies in France», Penal Issues: Research on crime and justice in France 1990, 7-9; R.W. FAGAN, ibid.; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE, ibid.; I. CRESPI, ibid.; HENDERSON, F.T. CULLEN, L. CAO et al, ibid.

17. D.L. MORGAN, The focus group guide book, Thousand Oaks, Sage, 1998.

18. S. KVALE, Interviews: an introduction to qualitative research interviewing, Thousand Oaks, Sage, 1996.

19. M. SINTOBIN, M. VANDERHALLEN, G. VERVAEKE, et al, l.c.

20. Y. BRILLON, «La confiance des Canadiens dans la justice pénale», Canadian Journal of Criminology, 1985, 271-288; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE, o.c.; H. GENN, Paths to justice: what people do and think about going to law, Oxford, Hart Publishing, University College London, The National Center for Social Research, Nuffield Foundation, 1999.

21. J.J.M. VAN DIJK, l.c.; F. OCQUETEAU en C. PEREZ-DIAZ, l.c.; R.W. FAGAN, l.c.; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE, o.c.; I. CRESPI, l.c.; HENDERSON, F.T. CULLEN, L. CAO et al, l.c.

22. Men kan zich hiervoor richten tot de Programmatorische Overheidsdienst Wetenschapsbeleid, www.belspo.be.

23. In figuur 2 betekenen lagere waarden dat men meer vertrouwen heeft. Voor justitie, pers en Kerk brengt de vergelijking van de gemiddelden geen statistisch significant verschil aan het licht.

24. J.J. TOHARIA, «Evaluation systems of justice through public opinion: Why, what, who, how and what for?», in E.G. JENSEN en E. THOMAS (red.), Beyond common knowledge: empirical approaches to the rule of law, Stanford, Stanford University Press, 2003, 1-39.

25. L. VAN CAMPENHOUDT en Y. CARTUYVELS, Justitie in vraag gesteld. Onderzoeksconcept omtrent de verwachtingen van de burgers ten aanzien van justitie, Brussel, Facultés Universitaires Saint-Louis, 2000, 134 p.; J.J. TOHARIA, ibid.

26. T.J. FLANAGAN, Public Opinion, Crime and Justice: An American Perspective, paper voorgesteld op de International Conference on Public Opinion and the Administration te Leuven, september 2003, 20 p.

27. T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE (red.), o.c.

28. T.J. FLANAGAN, 2003, l.c.

29. J.J. TOHARIA, l.c.

30. J.J. TOHARIA, l.c.

31. T.J. FLANAGAN, 2003, l.c.

32. Op 1 juli 2003 startte het kwalitatief onderzoek «De survey voorbij», met financiering van de FOD. Wetenschapsbeleid, en uitgevoerd door dezelfde onderzoeksequipes van de K.U.Leuven en de Universiteit Luik.

33. J.J. TOHARIA, l.c.

34. J.J. TOHARIA, l.c.

35. J.J. TOHARIA, l.c.

36. T.J. FLANAGAN, 2003, l.c.

37. J.J.M. VAN DIJK, l.c.; T.J. FLANAGAN, 2003, ibid.

38. J.J. TOHARIA, ibid.

39. J. ROBERTS en M. HOUGH (red.), Changing Attitudes to Punishment. Public Opinion, Crime and Justice, Cullompton, Willan Publishing, 2002, 223 p.

Bespreking van dit werk door de uitgever:

Hugo Lamon legt de geheimen van het gerecht bloot voor een breed publiek: “Omdat justitie té belangrijk is om het alleen maar aan juristen over te laten.”

Na de zaak Dutroux werden de politiediensten in ons land grondig hervormd. De politieke wereld wilde hetzelfde doen met justitie, maar dat is niet gelukt. Justitie lijkt wel een kwaaie tante die het moeilijk heeft om zich aan te passen aan de 21ste eeuw.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 21/05/2016 - 17:34
Laatst aangepast op: za, 21/05/2016 - 18:02

Witwassen en financiering van terrorisme

Publicatie
Auteur: 
Delrue Geert
Uitgever: 
Maklu
ISBN nummer: 
9789046606605
Samenvatting

Een belangrijk deel van dit werk is te lezen via deze link aangeboden door Google

Witwassen van gelden en kapitalen vormt een hardnekkig probleem en is een bedreiging voor het financieel-economisch gebeuren. Het doel is de illegaal verworven vermogensvoordelen terug in het legale circuit te brengen. Dit gebeurt via ingewikkelde (financiële) mechanismen, zonder een spoor na te laten van de illegale oorsprong.

Dit boek is een referentiewerk voor al wie betrokken is bij de bestrijding van het witwassen van kapitalen en financiering van terrorisme. Het beschrijft uitvoerig de werking van het systeem van witwassen, de typologieën en de methoden om atypische transacties tijdig te kunnen herkennen.

De derde editie behandelt onder meer:
recente wijzigingen aan de anti-witwaswet;

aanpassingen aan de fiscale wetgeving en het Strafwetboek (“fiscale fraude, al dan niet georganiseerd”);

een analyse van meer dan 500 jaarlijkse rapporten van meer dan 50 Financial Intelligence Units betreffende verschillende typologieën en witwasmethoden;

de nieuwe 40 internationale normen van de Financial Action Task Force (FATF) met betrekking tot het witwassen van kapitalen, de financiering van terrorisme en de proliferatie van massavernietigingswapens;

de vierde Europese anti-witwasrichtlijn.

Inhoudstafel tekst: 

 

 

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf

Inleiding

DEEL 1. JURIDISCHE OMSCHRIJVING

Hoofdstuk 1. Preventieve wetgeving

1.1. Nationale wetgeving

1.1.1. Wettelijke bepalingen

1.1.3. Verplichtingen

1.1.4. Beperking van de betalingen in contanten - cash-transacties

1.1.5. Gevolgen bij (niet-)naleving van de Witwaswet

1.1.6. Indicatoren - witwasknipperlichten

1.2. Europese wetgeving - vierde witwasrichtlijn

1.2.1. Algemeen

1.2.2. Vierde Europese anti-witwasrichtlijn

1.2.3. Internationale normen ter bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme en proliferatie van de FATF-FAG

Hoofdstuk 2. Repressieve wetgeving

2.1. Artikel 505 Sw.

2.1.1. Artikel 505, lid 1, 1 ° Sw.

2.1.2. Artikel 505, lid 1, 2° Sw., eerste witwasmisdrijf

2.1.3. Artikel 505, lid l, 3° Sw., tweede witwasmisdrijf

2.1.4. Artikel 505, lid 1, 4° Sw., derde witwasmisdrijf

2.1.5. Artikel 505, lid 2 Sw.

2.1.6. Artikel 505, lid 3 Sw.

2.1.7. Artikel 505, lid 8 Sw., poging

2.1.8. Artikel 505, lid 9 Sw.

2.2. Artikel 506 Sw. 2.3. Fiscale fraude

2.4. Inbeslagneming en verbeurdverklaring

2.4.1. Verbeurdverklaring

2.4.2. Inbeslagneming

2.4.3. Bevriezing

2.4.4. Neerlegging

2.4.5. Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring - COIV

DEEL 2. EMPIRISCHE OMSCHRIJVING

Hoofdstuk 1. De structuur van het witwassen

De injectie - placement

De opeenstapeling - layering

De integratie - integration

Witwassen 3de proef.indd 5

Hoofdstuk 2. Indicatoren - witwasknipperlichten

2.1. Algemeen

2.2. Financiële beroepen

2.3. Niet-financiële beroepen of DNFBP's

Hoofdstuk 3. Actoren

3.1. Nationaal

3.1.1. Cel voor Financiële Informatieverwerking- CFI

3.1.2. Procureur des Konings

3.1.3. Onderzoeksrechter

3.1.4. De federale en de lokale politie

3.1.5. Meldingsplichtigen en controle- en toezichthoudende overheden

3.1.6. Witwasser 194

3.1.7. Financial Services and Markets Authority - FSMA-Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten 194

3.1.8. Nationale Bank van België 197

3.1.9. Douane en Accijnzen 199

3.1.10. Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie -ADCB 199

3.2. Internationaal 201

3.2.1. Internationale 'Financial Intelligence Units' - FIU 201

3.2.2. Internationale samenwerkingsverbanden 203

3.2.3. De niet meewerkende landen en territoria 214

3.2.4. Belastingparadijzen 215

Hoofdstuk 4. Typologieën

4.1. Typologie naar gelang de witwasfase

4.1.1. Inbrengfase

4.1.2. Circulatiefase

219 220 220 221

4.1.3. Investeringsfase 226

4.2. Typologie naar gelang de onderliggende misdrijven 228

4.2.1. Hormonenhandel 228

4.2.2. Terrorisme en zeeroverij 231

4.2.3. Ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd 237

4.2.4. Nigeriaanse oplichting 240

4.2.5. Handel in verdovende middelen - drugshandel 242

4.2.6. Financiële misdrijven 243

4.2.7. Sociale fraude 243

4.2.8. Koppelbazen 249

4.2.9. Het verlenen van beleggingsdiensten zonder vergunning- onwettig openbaar aantrekken van spaargelden 251

4.2.10. Namaak, piraterij en valsemunterij 255

4.2.11. Illegale handel in organen en menselijke weefsels 262

4.2.12. Corruptie 264

4.2.13. Proliferatie en wapenhandel 271

4.2.14. Oplichting en financiële oplichting 275

4.2.15. Handel in gestolen auto's en auto-onderdelen 277

4.2.16. Mensenhandel, prostitutie en kinderpornografie

4.2.17. Illegale handel in cultuurgoederen, antiquiteiten en
kunstwerken

4.2.18. Misdrijven i.v.m. de staat van faillissement en bedrieglijk
onvermogen

4.2.19. Misbruik van vennootschapsgoederen

4.2.20. Diefstal

4.2.21. Nightshops en telefoonwinkels

4.2.22. Cybercrime - Internetfraude - Identiteitsfraude

4.2.23. Handel in bloeddiamanten - conflictdiamanten

4.2.24. Kapitaal afkomstig uit manipulatie van aandelenkoersen - beursdelicten - misbruik van voorkennis

4.2.25. Fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap

4.2.26. Milieumisdrijven en illegale handel in bedreigde diersoorten en plantensoorten

4.2.27. Internationaal georganiseerde misdrijven

4.2.28. Hypotheekfraude

4.2.29. Kredietkaartenfraude

4.2.30. Kasgeldvennootschappen

4.3. Typologie naar gelang de categorie van meldingsplichtige

4.3.1. Advocaten

4.3.2. Banken

4.3.3. Beursvennootschappen

4.3.4. Verzekeringsondernemingen

4.3.5. Wisselkantoren en Money remittance kantoren

4.3.6. Kredietkaartmaatschappijen

4.3.7. Vastgoedmakelaars

4.3.8. Notarissen

4.3.9. Gerechtsdeurwaarders

4.3.10. Accountants

4.3.11. Erkende boekhouders - fiscalisten

4.3.12. Casino's

4.3.13. Diamanthandelaren

4.3.14. Bedrijfsrevisoren

4.4. Typologie naar analyse van vonnissen en arresten

4.5. Typologie naar gelang de modus operandi

4.5.1. Gebruik van verrichtingen in contanten - smurfing - bulk cash smuggling

4.5.2. Gebruik van doorsluisrekeningen

4.5.3. Gebruik van stromannen

4.5.4. Gebruik van trusts en advocatenkantoren

4.5.5. Gebruik van verrichtingen met internationale transfers

4.5.6. Gebruik van verenigingen zonder winstoogmerk en NGO's

4.5.7. Gebruik van verrichtingen in verband met de verzekeringssector

4.5.8. Gebruik van verrichtingen betreffende investeringen in (buitenlandse) vennootschappen 374

4.5.9. Gebruik van investeringen in de vastgoedsector en hypotheekfraude 374

4.5.10. Gebruik van de tussenkomst van niet-financiële beroepen 380

4.5.11. Gebruik van investeringen in waardevolle goederen - asset conversion 383

4.5.12. Gebruik van ondergronds bankieren - Hawala-bankieren 384

4.5.13. Gebruik van tussenpersonen - money mules 390

4.5.14. Gebruik van de oprichting van (internationale) vennootschapsstructuren en opzetten van (internationale) juridische en financiële constructies. 394

4.5.15. Gebruik van activiteiten in verband met internationale handel 396

4.5.16. Gebruik van kapitaalverhogingen - omzetting van schuld op rekening-courant in aandelen - witwassen van geld in verband met het misbruik van vennootschapsgoederen 400

4.5.17. Gebruik van leningen op afbetaling of hypothecaire leningen en valse facturen 400

4.5.18. Gebruik van cash-generatoren - business recycling 402

4.5.19. Gebruik van frauduleuze vennootschapsconstructies met verdachte kapitaalsverhogingen 404

4.5.20. Gebruik van schermvennootschappen of 'front companies' 405

4.5.21. Gebruik van slapende vennootschappen of 'shelf companies' 410

4.5.22. Gebruik van money transfer of money remittance kantoren. 412

4.5.23. Gebruik van financiële instellingen 413

4.5.24. Gebruik van geldkoeriers - grensoverschrijdend vervoer van contanten 414

4.5.25. Gebruik van de effectensector 415

4.5.26. Gebruik van de vrijhandelszones en freeports 417

4.5.27. Gebruik van nieuwe betaalmiddelen 419

4.5.28. Gebruik van escrow-rekeningen 421

4.5.29. Gebruik van goudzuiveringsfabrieken 422

4.5.30. Gebruik van rekeningen bij weddingsschapskantoren - betting accounts 422

4.5.31. Gebruik van valse en vervalste identiteitsdocumenten en andere valse en vervalste documenten

4.5.32. Gebruik van off-shore kredietkaarten en debetkaarten

4.5.33. Gebruik van de back-to-back-constructie of loan-backconstructie

4.5.34. Gebruik van Internet, ICT of cyber-laundering

4.6. Typologie naar gelang de strategie

4.6.1. Verhullingsstrategie

4.6.2. Vermijdingsstrategie

Hoofdstuk 5. Beroepsverenigingen en toezichthoudende overheden van meldingsplichtigen 432

5.1. Financial Services and Markets Authority- FSMA 433

5.2. Belgische Federatie van de Financiële Sector - Febelfin 5.3. Assuralia

5.4. Beroepsinstituut voor Vastgoedmakelaars - BIV

5.5. Beroepsvereniging van bewakingsondernemingen vzw- BVBO 5.6. Nationale Kamer van Notarissen

5.7. Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders

5.8. Instituut voor Bedrijfsrevisoren - IBR

5.9. Instituut voor accountants en belastingconsulenten - IAB

5.10. Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten - BIBF 5.11. Hoge Raad voor de Economische Beroepen - HREB

5.12. Kansspelcommissie

5.13. Vlaamse beroepsvereniging van advocaten – OVB

5.14. Belgische leasingvereniging - BLV-ABL

5.15. Antwerp World Diamond Centre private stichting -AWDC - Belgische Vereniging van Handelaars in geslepen diamant – BVGD

5.16. Beroepsvereniging van het krediet - BVK

5.17. Koninklijke Confederatie der Landmeters-Experten - KCLE

3. POLITIONEEL ONDERZOEK

Hoofdstuk 1. Start van het onderzoek

1.1. Analyse van de aangifte van de CFI

1.1.1. Aangifte met bijgevoegde stavingsstukken

1.1.2. Aangifte met onvolledige stavingsstukken of ontbrekende stavingsstukken

1.2. Analyse van de beschikbare gegevens

1.2.1. Vermogensanalyse bij een bestaand onderzoek met achterliggend basismisdrijf

1.2.2. Vermogensanalyse zonder basismisdrijf

1.3. Onderzoeksschema

1.4. Praktisch

1.4.1. Indicatoren -witwasknipperlichten

1.4.2. Materiële en morele constitutieve elementen

1.5. Inbeslagneming en neerlegging van stavingsstukken 1.6. Ambtshalve vaststelling van feiten van witwassen

Hoofdstuk 2. Verder verloop van het onderzoek

2.1. Identificatie en juridische personalia van de protagonisten

2.1.1. Identificatie van de protagonisten

2.1.2. Juridische personalia van de protagonisten

2.2. Opvragen diverse gegevens betreffende het vermogen van de verdachte

2.2.1. Casino's

2.2.2. Gebruikte voertuigen

2.2.3. Nationale Bank van België

2.2.4. Gerechtsdeurwaarders

2.2.5. Verzekeringsmaatschappijen

 

2.2.6. Banken

2.2.7. Beursvennootschappen

2.2.8. Vennootschappen voor vermogensbeheer

2.2.9. Kredietkaartmaatschappijen

2.2.10. Wisselkantoren - agentschappen voor geldtransfer (money transfer of money remittance)

2.2.11. Verzekeringsmaatschappijen

2.2.12. Federale Overheidsdienst Financiën

2.2.13. Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - RSZ

2.3. Opvragen inlichtingen bij derden

2.4. Opvragen inlichtingen via het internet

2.5. Verhoor van de verdachte

2.6. Verhoor van getuigen

2.7. Confrontatie

2.8. Huiszoeking

2.9. Procedure inbeslagneming onroerende goederen

2.10. Herverhoor van de verdachte

2.11. Synthese van de ingewonnen informatie 2.12. Eindverhoor van de verdachte

BIJLAGEN

Bijlage 1

Bijlage 2

Bijlage 3

Bijlage 4

Bijlage 5

Bijlage 6

Bijlage 7

Bijlage 8

Bijlage 9 :

Bijlage 10:

Bijlage 11:

Bijlage 12:

Bijlage 13:

Bijlage 14:

Bijlage 15:

Bijlage 16:

Bibliografie Trefwoordenlijst De auteur

Meldingsformulier Nuttige adressen Nuttige websites

Thesaurus: Engels/ Nederlands/ Frans Internationale regelgeving

Veertig gereviseerde en gecoördineerde FATF-normen Europese regelgeving

Witwaswet - Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (gecoördineerde tekst) Wetten - Koninklijke Besluiten - Ministeriële Besluiten Parlementaire Vragen en Antwoorden, Kamer en Senaat Arresten van het Europees Hof van Justitie

Arresten van het Grondwettelijk Hof

Arresten van het Hof van Cassatie

Adviezen van de Raad van State

Circulaires FSMA

Lijst van gebruikte afkortingen

 

 

Woord vooraf

De initiële bedoeling van de eerste uitgave van dit boek was om een praktisch instrument aan te bieden aan de justitiële en politionele partners bij de bestrijding
van financieel-economische misdrijven. Uiteindelijk is de derde uitgave uitgegroeid tot een referentiewerk voor al wie betrokken is bij de bestrijding van het witwassen van kapitalen en financiering van terrorisme.

Witwassen is een hardnekkig probleem en vormt een bedreiging voor het financieel economisch gebeuren.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 21/05/2016 - 11:47
Laatst aangepast op: za, 21/05/2016 - 11:47

Enkele sociaalrechterlijke gevolgen van het faillissement in het licht van de nieuwe faillissementswet

Titel van het boek: 
Mercuriale rede uitgesproken door substituut-generaal A. Lievens op de plechtige openingszitting van het Arbeidshof te Gent op 1 september 2004
Publicatie
Auteur: 
Lievens
Samenvatting

Met de arresten van 19 april 2004 en 24 juni 2004 heeft het Hof van Cassatie inhoudelijk het standpunt ingenomen dat de diverse wettelijke en conventionele hinderpalen tot het ontslaan van diverse categorieën van werknemers, het soepel uitvoeren van het werk van de curatoren in de weg staat. Naast deze orgelpunten worden een aantal gevolgen van het faillissement besproken voor de arbeidsovereenkomsten, de nieuwe verplichtingen opgelegd aan de gefailleerde en de curator, de prioritaire afhandeling van de belangen van de werknemers en een aantal sociaalrechtelijke aspecten wat de gefailleerde zelfstandige betreft.

Inhoudstafel tekst: 
I. INLEIDING
1. Het faillissement is een vorm van gemeenschappelijk uitvoerend beslag met het oog op de gelijke behandeling van de schuldeisers van een gefailleerde handelaar en wordt in het Belgisch rechtssysteem beschouwd als de eindfase van de ontwikkeling van een onderneming. Het beoogt het vereffenen van de onderneming die niet meer in staat is zich te handhaven. 1
Met de eerste Faillissementswet van 18 april 1851 had de faillietverklaring als voornamelijk oogmerk de belangen veilig te stellen van de kredietverleners en leveranciers, en allerminst de belangen van de onderneming zelf, laat staan die van de werknemers of de onfortuinlijke gefailleerde zelfstandige.
 
Als onderneming wordt ten dezen niet de handelaar, natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming uitbaat bedoeld, maar wel de onderneming in haar meest ruime maatschappelijke betekenis, als een resultante van verschillende componenten en belangengroepen, waarbij de component `mensen‘ bestaat uit de kapitaalverstrekkers, de eigenaars, de werknemers en de bedrijfsleiders; een onderneming, niet louter bedoeld als entiteit om winst op te brengen voor het geïnvesteerd kapitaal, maar als een onderneming van burgers die als zodanig een sociale en economische rol te vervullen heeft. 2
 
2. Meestal naar aanleiding van een economische recessie of een sociaal drama toonde de wetgever vanaf het begin van de twintigste eeuw meer aandacht voor de economische en sociaal-maatschappelijke dimensie van de onderneming en werden er initiatieven genomen om, in het belang daarvan, het voortbestaan van de door het faillissement van zijn uitbater bedreigde onderneming te vrijwaren. Tal van inspanningen werden toegespitst op de voorkoming van het faillissement.
 
De noodzaak tot het zoeken naar oplossingen ter voorkoming van faillissementen teneinde het voortbestaan van leefbare ondernemingen te verzekeren, doet zich dan ook bijzonder gevoelen in periodes van economische crisis. 3 Aldus is het K.B. nr. 11 van 15 oktober 1934 over het gecontroleerd beheer, dat slechts een zeer beperkt succes kende, tot standgekomen naar aanleiding van de economische recessie van de jaren dertig. 4 Het ontwerp van wet betreffende het beheer met bijstand, begin jaren zeventig, die een aan de onderneming opgedrongen bijstand vooropstelde, kaderde dan weer in de toenmalige laagconjunctuur en was het rechtstreekse gevolg van sociale onlusten, namelijk de bedrijfsbezetting en productie in eigen beheer door de werknemers, in 1975- 1976 bij Prestige-Tessenderlo. 5
 
In tegenstelling tot het K.B. van 1934 stond, in plaats van het nationaal economisch belang, bij het wetsontwerp van de jaren zeventig betreffende het beheer met bijstand, het recht op arbeid en de tewerkstelling centraal en kon de toepassing ervan worden opgedrongen aan de ondernemer- werkgever.
 
De initiatieven met betrekking tot het gecontroleerd beheer van de ondernemingen onderscheiden zich van de wetten op het gerechtelijk akkoord, die werden gecoördineerd bij het later meermaals gewijzigde Regentsbesluit van 25 september 1946, doordat niet de handelaar centraal wordt gesteld, maar wel zijn onderneming, waarbij enerzijds de belangen van de kredietverstrekkers en de gewone schuldeisers van de handelaar worden achteruitgesteld, en anderzijds de goede trouw van de handelaar van ondergeschikt belang is.
 
De procedure van het gerechtelijk akkoord beoogt niet het behoud van de onderneming, maar de bescherming van de ongelukkige handelaar. Het K.B. van 1934 en het wetsontwerp betreffende het beheer met bijstand zijn er precies gekomen omdat de procedure van het uitstel van betaling en gerechtelijk akkoord niet bevredigend waren om ondernemingen in moeilijkheden alsnog te redden en vooral de onderneming en het recht op arbeid centraal te stellen. Al deze bepalingen hebben het behoud van de onderneming tot doel, met instandhouding van de natuurlijke of rechtspersoon die ze uitbaat.
 
3. Pas begin jaren zestig van de twintigste eeuw werd een aanvang genomen met een regeling van de sociaalrechtelijke gevolgen van het definitief verdwijnen van een onderneming, namelijk met de Sluitingswetten, 6 zonder dat daarbij echter specifiek de gevolgen van het faillissement zelf werden beoogd.
 
De oude Faillissementswet zelf voorzag evenmin in enige specifieke regeling, laat staan bescherming van de sociaalrechtelijke belangen van de werknemers. Bij de nieuwe Faillissementswet van 8 augustus 1997 7 daarentegen en vooral dan met de Reparatiewet ervan van 8 april 2003, werd er uitdrukkelijk wel aandacht besteed aan de sociale en sociaalrechtelijke aspecten van het faillissement. 8
 
Opmerkelijk is dat, zoals de voornoemde wetgevende initiatieven tot het in stand houden van de onderneming en haar eigenaar, ook hier een economisch en sociaal drama aanleiding is geweest tot het opnemen van sociale bepalingen in de Faillissementswet, namelijk het faillisse ment van de NV SABENA. Het hoofdstuk IV van de Programmawet van 8 april 2003 werd er zelfs uitdrukkelijk naar genoemd als de «Uitvoering van het sociaal luik van de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie over het faillissement van Sabena».
 
Het is de bedoeling met deze uiteenzetting een aantal van de sociaalrechtelijke gevolgen van het faillissement te bespreken in het licht van de nieuwe Faillissementswet.
 
II. DE RECHTSTOESTAND VAN DE WERKNEMER NA HET FAILLIETVERKLAREND VONNIS
 
A. De gevolgen van het faillietverklarend vonnis
 
4. Het faillissementsvonnis heeft in de regel geen rechtstreekse gevolgen voor de verplichtingen van de gefailleerde of voor de door hem gesloten, tot de boedel behorende 9 lopende overeenkomsten. 10
 
Bovendien is het faillissement, krachtens artikel 26 tweede lid van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, op zichzelf niet aan te nemen als een geval van overmacht dat een einde zou maken aan de verplichtingen van de partijen. 11 Dit doet geen afbreuk aan het feit dat de arbeidsovereenkomst eventueel kan worden beëindigd op grond van overmacht, namelijk wegens een feit dat overmacht uitmaakt en dat zelf aan de oorsprong van het faillissement ligt, zoals een brand. 12 In tegenstelling tot wat vroeger ooit werd aangenomen, 13 impliceert de afwezigheid van werkverschaffing op zichzelf evenmin de verbreking van de arbeidsovereenkomst.
 
5. Doordat hij, behoudens bepaalde uitzonderingen, de handelsverrichtingen van de gefailleerde niet mag voortzetten, kan de curator het overeengekomen werk niet meer verschaffen aan de werknemers 14 en zal hij dus normaliter de verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst niet kunnen nakomen.
 
Daarom is hij in principe verplicht vanaf zijn aanstelling de bestaande arbeidsovereenkomsten te beëindigen en de opzegging van de werknemers te betekenen.
 
B. Beslissing van de curator
 
6. Het behoort tot de beheerstaken van de curator om te beslissen of de lopende overeenkomsten, waaronder de arbeidsovereenkomsten, al dan niet verder worden uitgevoerd. 15 16 Indien hij beslist de arbeidsovereenkomsten verder uit te voeren wordt hij niet zelf werkgever, 17 maar handelt hij in zekere zin als orgaan van de (gefailleerde) werkgever. 18
 
Voor een strafgerecht kan de curator de gefailleerde rechtspersoon, in zijn hoedanigheid van bugerrechtelijk aansprakelijke partij, vertegenwoordigen 19 als «gerechtelijk lasthebber», zoals het Hof van Cassatie de hoedanigheid van de curator omschrijft, 20 of als orgaan zoals aangenomen in bepaalde rechtsleer.
 
Weliswaar heeft het Hof van Beroep te Gent in een recent arrest van 17 juni 2004 geoordeeld dat de curator niet te beschouwen is als een «vertegenwoordiger» (van de gefailleerde vennootschap). 21 Ik meen evenwel dat enkel indien de gefailleerde vennootschap zelf wordt gedagvaard op grond van haar eigen strafrechtelijke aansprakelijkheid, gelet op de nieuwe wettelijke bepalingen desbetreffend, de curator de vennootschap niet kan vertegenwoordigen, in welk geval de uitspraak wel aan hem of haar en dus aan de massa van het faillissement tegenstelbaar kan worden verklaard.
 
De voortzetting van de arbeidsovereenkomsten kan, in het kader van de vereffeningwerkzaamheden, om verschillende redenen worden overwogen, namelijk om de handelsverrichtingen voorlopig voort te zetten en/of om de onderneming in werking te kunnen overdragen. 22
 
Het is evenwel ook mogelijk dat de curator de werknemers na het faillissement een regelmatige opzegging geeft en hen na afloop van de opzeggingstermijn laat gaan, of nog, hen na afdanking onmiddellijk opnieuw in dienst neemt met een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd. 23
 
7. Hij zal deze keuze onverwijld na zijn aanstelling moeten maken. De werknemers zullen in de regel ook eisen dat de curator standpunt inneemt en hen de nodige sociale documenten overhandigt.24 Het optierecht van de curator om de lopende overeenkomsten niet verder uit te voeren wordt verantwoord door de noodwendigheden van de procedure, namelijk ervoor te zorgen dat het passief niet verder oploopt, de wederpartij de gelegenheid te geven haar schadeclaim in het faillissement in te dienen en aan de (fysieke) debiteur de mogelijkheid te bieden hiervoor kwijtschelding te krijgen bij een verschoonbaarverklaring, 25 met andere woorden om te vermijden dat de wederzijdse verplichtingen en/of schulden zouden oplopen en opdat er een eindafrekening zou kunnen worden gemaakt.
 
Bij de Nieuwe Faillissementswet werd deze verplichting uitdrukkelijk opgenomen in artikel 46, eerste lid.
 
Art. 46 Nieuwe Faillissementswet, van 8 augustus 1997, luidt als volgt: «Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren.
 
Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement.
 
De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn; de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel.»
 
Nieuw is bovendien dat, bij het stilzitten van de curator (wat zich weliswaar zelden zal voordoen), de werknemers, zoals andere medecontractanten trouwens, niet lijdzaam dienen af te wachten om een procedure in te leiden om de verbreking van de arbeidsovereenkomst wegens het niet- aanbieden van werk te laten vaststellen.
 
Krachtens art. 46, tweede lid eerste zin, nieuwe Faillissementswet, kan de wederpartij van de gefailleerde de curator aanmanen om de beslissing tot het al dan niet verder uitvoeren van de lopende overeenkomsten, binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curator geen beslissing neemt, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curator te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn.
 
De wettekst gebruikt het woord «verbroken» en niet «ontbonden» zoals in het oorspronkelijk ontwerp, om, wat de arbeidsovereenkomsten betreft, te vermijden dat zou worden aangenomen dat de werkgever de overeenkomst niet heeft verbroken en geen verbrekingsvergoeding zou verschuldigd zijn. Aldus wordt beoogd dat de beëindiging van de overeenkomst door «stilzwijgen» van de curator geacht wordt een impliciete beslissing van zijnentwege te zijn, die het recht op verbrekings- of opzeggingsvergoedingen doet ontstaan. 26 In de rechtsleer wordt voorts betoogd dat de wetgever idealiter de term «beëindigen» in plaats van «verbreken» had gekozen om zodoende aan te sluiten bij art. 39 Arbeidsovereenkomstenwet, dat de basis vormt van het recht van de werknemer op een opzeggingsvergoeding. 27
 
8. Blijkens de parlementaire voorbereiding zou de termijn van vijftien dagen beginnen te lopen vanaf de datum van de ontvangst van de aangetekende brief of van het deurwaardersexploot tot aanmaning. 28 Aangezien de wettekst evenwel geen formaliteit bevat voor de aanmaning, kan dit ook op elke andere wijze, in de mate uiteraard dat de wederpartij bewijst dat hij de curator heeft aangemaand en wanneer.
 
9. Zoals bepaalde rechtsleer, met betrekking tot de lopende overeenkomsten in het algemeen, aanneemt dat de curator zijn optierecht, niet alleen uitdrukkelijk maar tevens stilzwijgend kan uitoefenen, 29 kan uit het gedrag van de curator wel degelijk ook worden afgeleid dat hij de arbeidsovereenkomst wenst voort te zetten.
 
Tijdens de parlementaire voorbereiding van het wetsontwerp betreffende het gerechtelijk akkoord en het ontwerp van Faillissementswet, heeft de minister van Justitie naar aanleiding van de bespreking van een voorgesteld amendement in de Senaat, weliswaar verklaard dat door de werknemers te vragen verder te komen werken, de curator zich impliciet niet aan de overeenkomst zou houden en geen standpunt zou innemen. Hij zegt evenwel verder zelf dat, indien men de overeenkomst heeft uitgevoerd, men beslist heeft ze voort te zetten en het de overeenkomst is die wordt toegepast, met inbegrip van de daarin bepaalde ontbindingsregels. 30
 
Door het effectief opdragen van arbeid aan de werknemers voert de curator de arbeidsovereenkomst uit en beslist hij stilzwijgend de arbeidsovereenkomsten voort te zetten.
 
Dit betekent evenwel niet dat uit elke effectieve uitvoering van arbeid na de datum van het faillissement een stilzwijgende uitoefening van het optierecht kan worden afgeleid. Indien de werknemers de arbeid voortzetten zonder daartoe toelating of opdracht te hebben verkregen van de curator (bijvoorbeeld in geval van bedrijfsbezetting en productie in eigen beheer door de werknemers), kan hieruit uiteraard geen stilzwijgende beslissing van de curator worden afgeleid. Er zijn ook andere feitelijke omstandigheden denkbaar, waarbij dit evenmin kan worden aangenomen. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien de curator op de dag van het faillissement een werknemer die zich met een wagen van de gefailleerde in het buitenland bevindt, toelaat (niet opdraagt) zich met die wagen terug naar huis te begeven.
 
Van de andere kant is er geen situatie denkbaar waarbij een stilzwijgende beslissing van de curator tot het niet voortzetten en dus beëindigen van de arbeidsovereenkomst zou kunnen worden aangenomen (een mondelinge opzegging en/of loutere afgifte van een formulier C4, impliceert, daargelaten de bewijsproblematiek, een uitdrukkelijke beslissing van de curator). Precies ook daarom wordt de werknemer de mogelijkheid gegeven om de curator aan te manen zijn beslissing te nemen.
 
C. Toestand vanaf het faillietverklarend vonnis tot, en in afwachting van, de beslissing van de curator
 
10. Vooraleer de curator zijn beslissing heeft genomen of de termijn van art. 46 nieuwe Faillissementswet is verstreken, gelden de gewone arbeidsrechtelijke regelen, 31 zodat de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst onveranderd blijven bestaan.
 
Loon is de tegenprestatie van de arbeid die ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt verricht, en de werknemer heeft, behoudens afwijkende wettelijke of contractuele regeling, geen aanspraak op loon voor de periode gedurende welke hij, zelfs door toedoen van de werkgever, geen arbeid heeft verricht. 32 
 
Daarom kunnen de werknemers van de gefailleerde in de tussenperiode vanaf de datum van het faillissement, in de veronderstelling dat aan de werknemers geen arbeid meer wordt aangeboden, tot het ogenblik dat de curator beslist de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten, of tot de arbeidsovereenkomst wordt verondersteld te zijn verbroken door de curator, geen aanspraak maken op loon, evenmin als zij dat zouden kunnen indien de werkgever zelf niet aan zijn verplichting tot werkverschaffing voldoet.
 
Door het verschaffen van werk zou de curator, zoals hierboven reeds gezegd, trouwens stilzwijgend hebben beslist de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren.
 
Wel zou de werknemer uiteraard aanspraak kunnen maken op een schadevergoeding gelijk aan het gederfde loon, met dien verstande dat hij de contractuele tekortkoming van de werkgever in de persoon van de curator dient aan te tonen, 33 zodat hij in dat geval en in afwachting van een, al dan niet (bij voornoemde aanmaning) gedwongen beslissing van de curator, genoodzaakt zal zijn zich dagelijks op het werk aan te melden.
 
Zolang de curator de voornoemde optie niet heeft genomen (of de arbeidsovereenkomst niet op een andere wijze werd beëindigd), kan de werknemer in beginsel evenmin aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen, omdat hij nog niet volledig werkloos is. 34 Krachtens art. 27 van het K.B. van 25 november 1991 betreffende de werkloosheidsreglementering is de volledig werkloze immers de werkloze die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst.
 
Indien blijkt dat de curator niet onmiddellijk na het faillissement de werknemers ontslaat, heeft de werknemer er, in de meeste gevallen, dan ook belang bij gebruik te maken van de mogelijkheid tot aanmaning van de curator. Dit geldt ongeacht de mogelijkheid om langs gerechtelijke weg de verbreking van de arbeidsovereenkomst te laten uitspreken ten laste van de werkgever wegens contractbreuk (niet betalen van loon en/of het niet aanbieden van werk), wat in de praktijk slechts een theoretische optie zal zijn.
 
D. Toestand indien de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet
 
11. Krachtens art. 46 tweede lid, tweede zin, nieuwe Faillissementswet, wordt de schuldvordering bestaande uit de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de werknemer wegens de niet-uitvoering (van de arbeidsovereenkomst) opgenomen in de boedel.
 
Hieruit volgt dat het deel van de schuldvordering dat betrekking heeft op de periode gelegen tussen enerzijds het faillietverklarend vonnis en anderzijds hetzij de beslissing van de curator tot niet-voortzetting, hetzij de verbreking van de arbeidsovereenkomst, voortvloeiend uit het verstrijken van voornoemde termijn van vijftien dagen, hetzelfde lot zal volgen als de schulden die gebaseerd zijn op de geleverde prestaties tot aan het declaratieve vonnis, die steeds schulden in de boedel zijn.
 
Dat geldt zowel voor het loon voor prestaties van na het faillietverklarend vonnis die niet in opdracht of met akkoord van de curator zijn geleverd, als voor eventuele schadevergoeding wegens het niet aanbieden van werk, voor de verbrekingsvergoeding (zie verder) en voor alle andere aanverwante rechten.
 
Ter herinnering: schulden in de boedel of de massa zijn de schulden van de gefailleerde die opgenomen worden in het passief van het faillissement en, met respect voor de bepalingen die de voorrechten regelen, in samenloop komen met alle andere schulden, het zijn de schulden die ontstaan zijn vóór of ter gelegenheid van het faillissement; schulden van de boedel of de massa zijn schulden die prioritair moeten worden betaald door de curator, als schulden die na het faillissement door zijn beheer zijn ontstaan; de curator zal er zich dus voor hoeden om schulden van de boedel te maken indien hij over onvoldoende activa beschikt om die te vergoeden. 35 
 
Een schuld komt ten laste van de boedel wanneer de curator qualitate qua verbintenissen heeft aangegaan voor het beheer van die boedel, onder meer door de handelsbedrijvigheid van de gefailleerde voort te zetten of de door hem gesloten overeenkomsten uit te voeren, om een behoorlijk beheer van het faillissement te waarborgen. De boedel moet in die omstandigheden de verbintenissen uit dat beheer nakomen en de lasten ervan dragen. 36
 
E. Toestand indien de arbeidsovereenkomst wel wordt voortgezet
 
12. Door bepaalde rechtsleer wordt, naar mijn oordeel ten onrechte, aangenomen en betreurd dat door een verkeerde redactie van art. 90 nieuwe Faillissementswet, 37 niet alleen de opzeggingsvergoeding, maar ook het loon voor de periode van na het faillietverklarend vonnis zou moeten worden aangenomen als een schuld in de boedel. 38
 
Zoals de minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding heeft verklaard, regelt art. 90, nieuwe Faillissementswet, de aard van de schuldvorderingen van de werknemers. Het bepaalt dat dit geen schuldvorderingen zijn van de boedel maar wel in de boedel, tenzij art. 46 zou worden toegepast. In antwoord op de vraag van een commissielid, wie in deze omstandigheden nog voor de failliete boedel zal willen werken, beklemtoonde de Minister dat de artikelen 90 en 46 van de nieuwe Faillissementswet in hun onderlinge samenhang moeten worden gelezen. Het voorgestelde systeem bestaat erin dat zolang de curator zich niet heeft uitgesproken over de voortzetting van de activiteiten van de onderneming, alle eventuele vergoedingen of achterstallige lonen van de werknemers, schuldvorderingen in de boedel zijn. Zodra de curator zich uitspreekt over de voortzetting, worden de vergoedingen en lonen (lees: voor prestaties vanaf het faillietverklarend vonnis) schuldvorderingen van de boedel. 39
 
Uiteraard zal men moeilijk werknemers vinden die tegen loon willen werken dat niet ten laste komtvan de boedel, maar dat probleem rijst ook niet. Indien de curator de werknemer werk opdraagt, beslist hij immers impliciet de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren.
 
13. Kiest de curator voor de uitvoering van de overeenkomst, dan zijn de rechten verkregen door de werknemer naar aanleiding van de uitvoering na het faillissement, die betrekking hebben op prestaties na het faillissement, schulden van de boedel die prioritair worden terugbetaald, 40 wat thans uitdrukkelijk wordt bepaald in het derde lid van art. 46 nieuwe Faillissementswet. 41 Dit betekent dat, voor de periode tussen het faillietverklarend vonnis en de beslissing van de curator, de werknemer, voor het loon 42 waarop hij aanspraak kan maken voor de gepresteerde arbeid (wat zich, gelet op de mogelijkheid voor de curator om stilzwijgend een beslissing te nemen, slechts uitzonderlijk zal voordoen), of de eventuele schadeloosstelling wegens het onrechtmatig niet aanbieden van werk, een schuldvordering heeft in de massa indien de curator de arbeidsovereenkomst niet verder uitvoert, maar dat dit een schuldvordering van de massa wordt, indien de curator beslist tot het verder uitvoeren van de arbeidsovereenkomst (voorzover de curator deze schuld is aangegaan met het oog op de vereffening van de boedel). 43
 
Indien de door de curator ontslagen werknemer later opnieuw door hem wordt aangeworven, zal het loon voor zijn nieuwe arbeidsprestaties vanzelfsprekend eveneens worden aangenomen als een schuld van de boedel. 44
 
F. De verbrekingsvergoeding
 
14. Er bestaat geen twijfel over dat, indien de curator beslist de arbeidsovereenkomst gesloten door de gefailleerde niet verder uit te voeren, de verbrekingsvergoeding een schuld in de boedel is.
 
Er bestond 45 en bestaat 46 geen eensgezindheid in de rechtsleer over het antwoord op de vraag of de verbrekingsvergoeding, in geval van een voortzetting van de arbeidsovereenkomst, als een schuld van of in de boedel moet worden aangenomen.
 
Het Hof van Cassatie heeft, nog onder gelding van de oude Faillissementswet, beslist dat, indien de curator beslist de arbeidsovereenkomsten voort te zetten, de opzeggingsvergoeding die zou voortvloeien uit de opzegging van de overeenkomst na de voortzetting, dan beschouwd zal worden als een schuld van de boedel. 47 
 
Dit arrest is gebaseerd op onder meer de overweging dat in art. 561 oude Faillissementswet (thans art. 99 nieuwe Faillissementswet) wordt bepaald dat het actief wordt uitgedeeld zoals aldaar wordt aangegeven, na aftrek van onder meer de kosten en uitgaven voor het beheer van het faillissement. Onverminderd de mogelijkheid geboden aan de curator om binnen redelijke grenzen van tijd zijn optierecht uit te oefenen betreffende het behoud van de lopende overeenkomsten, beheert de curator, die na de faillietverklaring beslist de handelsbedrijvigheid van de gefailleerde voort te zetten en de arbeidsovereenkomsten verder uit te voeren, zodoende de boedel, zodat de schulden die uit die overeenkomsten ontstaan en in het bijzonder de schulden die het gevolg zijn van de opzegging van die overeenkomsten, boedelschulden zijn. 48
 
Bepaalde rechtsleer stelt dit standpunt evenwel opnieuw in vraag onder het nieuwe recht, omdat art. 46, derde lid, nieuwe Faillissementswet een duidelijk onderscheid zou maken tussen de prestaties geleverd vóór en na faillisse ment, wat volgens die rechtsleer lijkt te wijzen op een omslag pro rataover de verschillende periodes, terwijl, zoals steeds bij boedelschulden, een beperkende uitlegging dient voorop te staan. 49 Die rechtsleer lijkt dus aan te nemen dat de verbrekingsvergoeding pro rata zou moeten worden verdeeld als een schuld in of van de boedel, naargelang van de duur van de tewerkstelling vóór en na het faillietverklarend vonnis.
 
Ik meen evenwel dat die redenering niet kan worden aangenomen. Het uitdrukkelijk voortzetten van de arbeidsovereenkomst impliceert in beginsel immers dat de curator alle rechten en verplichtingen daaraan verbonden overneemt, dus ook die welke verband houden met het beëindigen van die overeenkomst.
 
Uit het bepaalde van art. 46, derde lid, nieuwe Faillissementswet, dat voorschrijft dat indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, de medecontractant recht heeft, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement, volgt enkel dat het betalen van het loon voor prestaties geleverd vóór het faillietverklarend vonnis, van dat recht uitdrukkelijk wordt uitgesloten.
 
Het cassatiearrest van 2 mei 1997 blijft dus wel degelijk nog toepasselijk onder de gelding van de nieuwe Faillissementswet. Dit neemt niet weg dat een wettelijke regeling kan worden gerechtvaardigd om, naargelang van het geval, een verdeling pro rata van de opzeggingsvergoeding mogelijk te maken, waarbij het voorstel en schema aangenomen in een recente bijdrage door de auteurs A. Zenner en I. Verougstraete 50 richtinggevend kunnen zijn.
 
G. Prestaties tijdens de opzeggingsperiode
1
5. Aangezien de arbeidsovereenkomst niet wordt beeindigd door het faillissementsvonnis, kan de curator die onmiddellijk na zijn ambtsaanvaarding het personeel opzegt, eisen dat de werknemer zijn opzeggingstermijn uitdoet, d.w.z. prestaties levert tijdens de opzeggingsperiode, 51 in de mate uiteraard, dat de curator ook het loon betaalt en voldoet aan de verplichtingen van de werkgever tijdens deze periode. 52 
 
Ook al heeft de curator de opzegging gegeven, dan impliceert dit evenwel opnieuw dat de curator heeft beslist de arbeidsovereenkomst uit te voeren, ook al is dat in het raam van de beëindiging ervan. Hieruit volgt dat het loon tijdens deze periode prioritair als schuld van de boedel zal moeten worden betaald.
 
De curator zal trouwens alle kosten en verplichtingen van de werkgever verbonden aan die tewerkstelling dienen te respecteren en te voldoen. Hij zal er onder andere ook voor zorgen dat alle verplichte verzekeringscontracten, zoals de arbeidsongevallenverzekering en bepaalde aansprakelijkheidsverzekeringen, naast alle andere aan te raden verzekeringsovereenkomsten, zoals de brandverzekering, verder worden uitgevoerd, of ze in voorkomend geval zelf sluiten.
 
H. Voortzetting van arbeidsovereenkomst of sluiten van nieuwe overeenkomst
 
16. De curator kan, zonder de exploitatie en met name de handelsverrichtingen voort te zetten, beslissen enkele werknemers in dienst te houden of opnieuw in dienst te nemen, in het licht van de vereffeningsbehoeften van het faillissement 53 en/of om bewarende maatregelen te nemen.
 
Zoals uit bovenstaande uiteenzetting blijkt wordt door de rechtsleer terecht geoordeeld dat het voor de curator bijzonder onpraktisch en onveilig kan zijn de arbeidsovereenkomsten gesloten door de gefailleerde, verder uit te voeren.
 
De curator zal er in het algemeen dan ook de voorkeur aan geven om onverwijld na zijn ambtsaanvaarding, alle personeelsleden onmiddellijk of op zeer korte termijn te ontslaan.
Desnoods zal hij later die werknemers van wie de aanwezigheid noodzakelijk is voor de voorlopige voortzetting van de activiteiten of voor de vereffeningsverrichtingen van het faillissement, een nieuwe arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk aanbieden, met daarin voorwaarden aangepast aan de specifieke faillissementssituatie.
 
Enkel het loon voor wat werd gepresteerd in het raam van die nieuwe overeenkomst, zal dan een schuld van de massa vormen. 54
 
Deze werkwijze was tot voor kort evenwel niet vanzelfsprekend wat de beschermde werknemers betreft, die niet kunnen worden ontslagen behoudens de voorafgaande raadpleging van bepaalde organen. Naast de werknemers, beschermd door de Bijzondere Ontslagregelingswet van 19 maart 1991, dienen nog onder meer de syndicale afgevaardigden en de preventieadviseurs te worden onderscheiden.
 
III. PROCEDURES VOORAFGAAND AAN HET ONTSLAG VAN BESCHERMDE WERKNEMERS NA FAILLISSEMENT
 
A. De Bijzondere Ontslagregelingswet van 19 maart 1991
 
17. De wetgever heeft in de wetten van 20 september 1945 (houdende organisatie van het bedrijfsleven) en 10 juni 1952 (betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen) en bij de thans geldende Bijzondere Ontslagregelingswet van 19 maart 1991, ten voordele van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de gezondheids- en veiligheidscomités en van de niet- verkozen kandidaten, een functionele positieve discriminatie ingevoerd. 55
 
Deze regeling heeft tot doel, enerzijds de werknemers, personeelsafgevaardigden, de gelegenheid te geven hun opdracht in de onderneming uit te oefenen en, anderzijds, de volledige vrijheid van de werknemers te waarborgen om zich kandidaat te stellen om die opdracht uit te oefenen. Die wettelijke bescherming is in het algemeen belang ingevoerd en raakt daarom de openbare orde. 56
 
Met de beperking van de ontslagmogelijkheden tot economische of technische reden, bestond het doel van de wetgever er steeds in iedere voor de beschermde werknemer nadelige discriminatie te voorkomen. 57
 
B. Probleemstelling
 
18. Tot voor kort bleef de voorafgaande raadpleging van het paritair comité, zoals opgelegd door art. 3, § 1, eerste lid, van de wet van 19 maart 1991 op straffe van aanzienlijke beschermingsvergoedingen, verplicht na het faillietverklarend vonnis, omdat er geen enkele uitzondering op de verplichtingen voor de werkgever is bepaald in die wet en het fallietverklarend vonnis krachtens art. 26 Arbeidsovereenkomstenwet niet kan worden ingeroepen als overmacht die een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst. 58
 
Het is duidelijk dat dit de curator voor enorme problemen stelt of stelde, die zeer moeilijk verenigbaar zijn met zijn principiële opdracht tot verdeling van de opbrengst van de activa op basis van principiële gelijkheid.
 
Door art. 46 van de nieuwe Faillissementswet wordt de curator nog voor een bijkomende moeilijkheid geplaatst, omdat hij gedwongen kan worden te opteren voor het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst van de beschermde werknemers, binnen een termijn van vijftien dagen, 59 waarbinnen hij onmogelijk een beslissing van het paritair comité kan verkrijgen.
H
et is voor de curator bovendien niet eenvoudig zich onmiddellijk correct te informeren aangaande de identiteit van de eventuele beschermden, bijvoorbeeld wat de niet verkozen kandidaten betreft.60
 
C. Evolutie van de rechtspraak van het Hof van Cassatie
 
19. Sinds 1986 61 heeft het Hof van Cassatie evenwel steeds geoordeeld dat de voorafgaande raadpleging van het paritair comité (in 1986 nog in het raam van de artikelen 1bis, § 2, van de wet van 10 juni 1952 en 21, § 2, van de wet van 20 september 1948), geen zin meer heeft en derhalve is opgeheven, wanneer de werkgever, de curator van het faillissement of de vereffenaar van het gerechtelijk akkoord ingevolge een rechterlijke beslissing verplicht is alle werknemers gelijkelijk en terzelfder tijd of binnen een zeer korte termijn te ontslaan, zodat discriminatie is uitgesloten. 62
 
In tegenstelling tot vroegere rechtspraak, 63 neemt het Hof van Cassatie sedert 1999 aan dat het faillissementsvonnis zelf in beginsel of in de regel het onmiddellijk stopzetten van alle handelsverrichtingen impliceert of oplegt, 64 oordelende dat de mogelijkheid om, in bijzondere omstandigheden, de handelsverrichtingen toch voort te zetten, niet betekent dat het faillissementsvonnis zijn wezenlijke aard van rechterlijke beslissing die de stopzetting van de handelsactiviteit oplegt, verliest. 65
 
Dat een vonnis van faillietverklaring in beginsel het onmiddellijk stopzetten van iedere activiteit van de onderneming impliceert, vloeit voort uit het feit dat de gefailleerde krachtens art. 16 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (het vroegere art. 444 van het Wetboek van Koophandel, Faillissementswet van 18 april 1851) vanaf dat ogenblik van rechtswege het beheer over al zijn goederen verliest. 66 
 
Sinds 1999 wordt dus aangenomen dat de onmogelijkheid tot voortzetting van de activiteiten of de onmiddellijke stopzetting van de activiteiten niet uitdrukkelijk dient te worden vastgesteld of bevolen in dat vonnis.
 
Het Hof van Cassatie redeneert verder dat, aangezien definitief vaststaat dat de werknemers de overeengekomen arbeidsprestaties niet meer zullen leveren en de curator evenmin de overeengekomen arbeidsprestaties zal kunnen opdragen aan de werknemers, de curator verplicht is vanaf zijn aanstelling de bestaande arbeidsovereenkomsten te beëindigen. 67 
 
Indien in dat geval alle werknemers gelijktijdig of binnen korte termijn dienen te worden ontslagen, dient de curator aan het paritair comité geen erkenning te vragen van de economische of dringende reden alvorens tot ontslag van de beschermde werknemer over te gaan en is de beschermde werknemer niet gerechtigd op de bijzondere beschermingsvergoeding. 68 
 
Het Arbitragehof heeft zich impliciet aangesloten bij de interpretatie van het Hof van Cassatie verwoord in voornoemd arrest van 25 juni 2001, door in zijn arrest nr. 58/ 2002 van 28 maart 2002 te beslissen dat art. 3, § 1, van de wet van 19 maart 1991 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de curator van een faillissement die het personeel collectief ontslaat ten gevolge van een vonnis van faillietverklaring, er niet toe verplicht het paritair comité te raadplegen om de economische redenen die het ontslag verantwoorden, te laten erkennen.
 
Diezelfde bepaling schendt die artikelen wel, indien het in die zin wordt geinterpreteerd dat het de curator van een faillissement, die het personeel collectief wil ontslaan ten gevolge van een vonnis van faillietverklaring, ertoe verplicht het paritair comité te raadplegen om de economische redenen die dat ontslag verantwoorden, te laten erkennen.
 
Het Arbitragehof oordeelt onder meer (overweging B.9.1) dat men niet hoeft te vrezen voor represaillemaatregelen van de curator wanneer deze overgaat tot het collectief ontslag van de werknemers, zonder een onderscheid te maken tussen de werknemers die een mandaat van personeelsvertegenwoordiger uitoefenen of zich daartoe kandidaat hebben gesteld, en de andere werknemers (zie ook overweging B.10). 69
 
Dit betekent evenwel a contrario, dat, indien en zolang niet definitief vaststaat dat de werknemers de overeengekomen arbeidsprestaties niet meer zullen leveren en de curator evenmin de overeengekomen arbeidsprestaties zal kunnen opdragen aan de werknemers, hij (nog) niet verplicht kan zijn alle werknemers gelijkelijk en terzelfder tijd te ontslaan en er wel represaillemaatregelen en discriminatie mogelijk blijven.
 
A fortiori is dit het geval indien de curator de handelsactiviteiten reeds effectief voortzet, al dan niet gemachtigd door de rechtbank van koophandel. In dat geval dient hij de bij wet van 19 maart 1991 vastgelegde procedure integraal te respecteren. 70
 
Bovendien liet het Hof van Cassatie nog de deur open voor tal van uitzonderingssituaties door een aantal voorwaarden te formuleren en door aan te nemen dat het faillissementsvonnis in de regel of in beginsel het onmiddellijk stopzetten van alle handelsverrichtingen impliceert.
 
De volledige en gewone voortzetting van de exploitatie is weliswaar normaliter uitzonderlijk en zal enkel in aanmerking worden genomen wanneer blijkt dat zich een onmiddellijke overname of een overname op zeer korte termijn aankondigt met sterke en ernstige kansen op slagen. 71 
 
Daarom leek bij faillissement de raadpleging van het paritair comité inderdaad de uitzondering en de vrijstelling van raadpleging de regel te worden, 72 maar er waren nog tal van situaties denkbaar waarin kon worden aangenomen dat de curator de bewuste procedure toch nog diende te raadplegen, waarbij tevens betwisting kan ontstaan over de duur en het einde van die verplichting.
 
Dit is het geval wanneer de curator, al dan niet met machtiging van de rechtbank, de activiteiten van de gefailleerde voortzet, bijvoorbeeld om een bepaald werk of product of levering te kunnen afwerken of om de onderneming in werking te kunnen overdragen. 73 Een dergelijke overdracht kan worden bekrachtigd door de rechtbank overeenkomstig art. 75, § 4, nieuwe Faillissementswet.74 
 
Zo heeft het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, overeenkomstig de toen toepasselijke cassatierechtspraak trouwens terecht, nog in een arrest van 4 december 2002 geoordeeld dat indien het voortzetten van de activiteiten wel mogelijk zou zijn, de curator er belang bij heeft om tijdig de vastgestelde procedure te volgen en te vragen de bescherming op te heffen. In deze gevallen bestaat immers de mogelijkheid wel dat de beschermde werknemers worden gediscrimineerd. 75
 
D. Het arrest van 19 april 2004 76
 
20. Het Hof van Cassatie heeft de redengeving van zijn rechtspraak ondertussen evenwel nog verder doorgetrokken bij arrest van 19 april 2004. Uit de motiveringen van dit arrest volgt duidelijk dat de procedure van de Ontslagregelingswet in alle gevallen buiten werking wordt gesteld met ingang van de datum van het faillissementsvonnis.
 
Het Hof heeft aangenomen dat uit het faillissementsvonnis volgt dat de economische reden tot het ontslaan van alle werknemers, ook van de beschermde werknemers, vaststaat, en dat het ontslag door de curator van alle werknemers tengevolge van het faillissement, hetzij onmiddellijk na het faillissement, hetzij geleidelijk aan naargelang van de vereisten van de vereffening, in de regel niet discriminatoir is.
 
Verder wordt verduidelijkt dat de omstandigheid dat de vereffening van het faillissement het noodzakelijk maakt dat bepaalde werknemers nog in dienst worden gehouden dientengevolge niet impliceert dat de erkenning van de technische of economische reden nog aan het paritair comité moet worden gevraagd vooraleer tot ontslag van de beschermde werknemer te kunnen overgaan. Het Hof van Cassatie voegt hier nog aan toe dat dit geldt, onverminderd het recht van de beschermde werknemer om tegen zijn ontslag op te komen indien de curator hierbij discriminerend zou zijn opgetreden.
 
Uit deze laatste zin volgt naar mijn oordeel dat de curator deze rechtspraak niet kan aanwenden om alle bepalingen van de Ontslagregelingswet naast zich neer te leggen.
 
De beschermde werknemer kan nog tegen zijn ontslag opkomen indien hij daarbij bewijst dat hij wordt gediscrimineerd, zonder zich evenwel te kunnen baseren op het niet respecteren van de procedure van de Ontslagregelingswet.
 
In tegenstelling tot voorheen, 77 zal de curator dus, zelfs indien hij een beschermd werknemer wil ontslaan tijdens de periode dat de activiteit voorlopig wordt voortgezet, de in de wet van 19 maart 1991 vastgelegde procedure niet meer dienen te respecteren.
 
Het Arbeidshof van Antwerpen, afdeling Hasselt, had in zijn arrest van 9 april 2003, waartegen de voorziening bij voornoemd arrest van 19 april 2004 werd verworpen, aangenomen dat de brugpensioenregeling en de tewerkstelling via uitzendarbeid van andere werknemers, geen relevantie heeft, en dat de curatoren terecht de procedure van de wet van 19 maart 1991 niet hebben toegepast voor het blijkbaar daaraan voorafgaand ontslag van een beschermde werknemer. 78
 
Bij arrest van 25 april 2003 kwam het Arbeidshof te Brussel reeds tot dezelfde gevolgtrekking door te oordelen dat het afwerken van bepaalde lopende bestellingen of dringende werken, met dertig opnieuw in dienst genomen werknemers (van de driehonderd ontslagen werknemers), gelijk staat met bewarende maatregelen om dreigende waardevermindering te voorkomen in het belang van de schuldeisers.
 
Het Arbeidshof te Brussel nam voorts aan dat aldus toch vaststaat dat de curatoren de handelsverrichtingen niet hebben voortgezet en dat ze in deze concrete omstandigheden waarin discriminatie tussen de werknemers uitgesloten is, er niet toe gehouden waren het paritair comité te raadplegen, alvorens de beschermde werknemers te ontslaan. 79
 
Bij het onuitgegeven arrest van 7 juni 2004 (A.R. 323/02) heeft het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, tweede kamer, het standpunt aangenomen bij het Cassatiearrest van 19 april 2004, recentelijk toegepast in een casus, waarbij de eerste werkdag na het faillietverklarend vonnis de toelating werd gevraagd en verkregen om de activiteiten voorlopig voort te zetten. Er werd daarbij geen beroep gedaan op de ontslagen beschermde werknemer, die de dag van het faillissement zelf samen met alle andere werknemers was ontslagen door de curatoren.
 
 
E. De leden van de Europese ondernemingsraad, syndicale afgevaardigden en de preventieadviseurs
 
21. Het voornoemd cassatiearrest van 19 april 2004 kan op dezelfde wijze worden toegepast op de categorieën beschermde werknemers die de bijzondere ontslagregeling bepaald in de wet van 19 maart 1991 genieten krachtens art. 9 van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.
 
Het betreft namelijk de werknemersvertegenwoordigers in de bijzondere onder- handelingsgroepen en in de Europese ondernemingsraden, alsook de werknemers-vertegenwoordigers die hun taak vervullen in het raam van procedures ter informatie en raadpleging die in voorkomend geval in de plaats komen van een Europese ondernemingsraad, en hun vervangers.
 
Hetzelfde geldt voor de leden van de vakbondsafvaardiging die, krachtens art. 52 van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, dezelfde bescherming genieten, indien ze bij gebrek aan het oprichten van een comité, ermee belast zijn de opdrachten van de comités uit te oefenen. In dit geval dient de werkgever trouwens een dubbele procedure te volgen. 80
 
22. Het Arbeidshof te Gent heeft in het voornoemde arrest van 7 juni 2004 (A.R. 323/02) terecht aangenomen dat dezelfde overwegingen die gelden voor de werknemers beschermd bij de Bijzondere Ontslagregelingswet – mutatis mutandis – ook van toepassing zijn op het ontslag van de syndicale afgevaardigden.
 
De conventionele bescherming en de procedure die is bepaald voor desyndicale afgevaardigden in de C.A.O. nr. 5 van 24 mei 1971 betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging van het personeel der ondernemingen (B.S. van 1 juli 1971, p. 8338), en de toepassingsmodaliteiten ervan die op het vlak van de paritaire comités of subcomités zijn geregeld, zijn immers op dezelfde principes gebaseerd als de Ontslagbeschermingswet van 19 maart 1991. 8182 Art. 18, eerste zin, C.A.O. nr. 5 bepaalt immers dat de leden van de syndicale afvaardiging niet mogen worden afgedankt om redenen die eigen zijn aan de uitoefening van hun mandaat.
 
Hieruit volgt dat ook de aan het ontslag van een syndicale afgevaardigde voorafgaande procedure, ingesteld bij C.A.O. nr. 5 en de sectorale C.A.O.‘s, tot doel heeft elke discriminatie van de syndicale afgevaardigde uit te sluiten.
 
23. Wat de preventieadviseurs betreft, is de situatie iets genuanceerder.
 
De vroegere diensthoofden VGV genoten, in tegenstelling tot de arbeidsgeneesheren, die beschermd waren bij de wet van 28 december 1977 (opgeheven door art. 22 van de wet van 20 december 2002) enkel een functiebescherming en niet een ontslagbescherming. 83
 
Sinds het in werking treden van de wet op de bescherming van de preventieadviseurs van 20 december 2002 (hoofdstuk II, artikelen 4 tot 11) (B.S. 20 januari 2003) genieten de preventieadviseurs (de vroegere diensthoofden VGV en de arbeidsgeneesheren) naast een functiebescherming tevens een ontslagbescherming.
 
De procedure bepaald in de wet van 20 december 2002 is grotendeels geïnspireerd op de bepalingen van de wet van 19 maart 1991 en de wet van 28 december 1977, 84 en heeft tot doel de preventieadviseur een bescherming te bieden waardoor hij in volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever en de werknemer zijn functie kan uitoefenen.
 
Zijn overeenkomst kan slechts worden beëindigd of hij kan slechts uit zijn functie worden verwijderd om redenen die vreemd zijn aan zijn onafhankelijkheid of wanneer blijkt dat hij onbekwaam is om zijn opdrachten uit te oefenen. 85
 
De uitzondering van art. 4, 3�, van de wet van 20 december 2002, het collectief ontslag waarop de procedures vastgesteld krachtens hoofdstuk VIII (lees VII – blijkbaar een schrijffout opgenomen in de wet van 20 december 2002) van de wet van 13 februari 1998 (de Renaultwet) van toepassing zijn, is te dezen zelf niet van toepassing, omdat krachtens art. 65 van de wet van 13 februari 1998 het collectief ontslag dat plaatsgrijpt in het raam van een procedure van, onder meer, een faillissement van de toepassing van dat hoofdstuk VII wordt uitgesloten.
 
Niet alleen voorziet art. 4, 2�, van de wet van 20 december 2002, zelf in de «sluiting van de onderneming» als uitzonderingsgrond voor de toepassing van de procedure, maar bovendien kan ook voor de preventieadviseurs het arrest van 19 april 2004 perfect worden toegepast.
 
IV. WERKZEKERHEIDSBEDINGEN – HET ARREST VAN 24 JUNI 2004 86
 
24. Naast de informatie- en raadplegingsprocedure inzake collectief ontslag, geregeld in de zogenaamde Renaultwet 87 duiken in het arbeidsrecht meer en meer regelingen op waarbij de werkgever ertoe gehouden is voorafgaand aan de individuele of collectieve ontslagbeslissing, een informatie- of raadplegingsprocedure na te leven of bepaalde alternatieve maatregelen te nemen om ontslag te vermijden, 88 en waarbij soms ook sancties zijn bepaald.
 
De geldigheid van dergelijke voorafgaande informatie- en/of overlegprocedures vormt in de praktijk in de regel geen bron van betwisting. 89
 
De wet van 13 februari 1998 voorziet in Hoofdstuk VII (Renaultwet) in een gelijksoortige informatie- en raadplegingsprocedure inzake collectief ontslag (waarvan, krachtens art. 66 § 1, de modaliteiten, onder bepaalde voorwaarden, dienen te worden voorgeschreven door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad) met een daaraan verbonden sanctie. In art. 65 van die wet wordt het collectief ontslag dat plaatsgrijpt in het raam van een procedure van faillissement of van gerechtelijk akkoord door boedelafstand evenwel uitgesloten van de toepassing van de bepalingen van deze wet.
 
Bepaalde sectorale C.A.O.‘s die gelijksoortige regelingen invoeren, voorzien niet alleen niet in een dergelijke uitsluiting, maar bepalen zelfs uitdrukkelijk dat de regeling van toepassing is in geval van faillissement. Zo voorziet de bij C.A.O. van 19 april 1999 geregelde werkzekerheidsregeling in de metaalsector 90 niet alleen in een verplichte vrij complexe overlegprocedure voor een beperkt collectief ontslag, maar tevens in een bijkomende opzeggingsvergoeding indien de procedure niet wordt nageleefd, gelijk aan het loon verschuldigd voor de opzeggingstermijn, 91 en de paragraaf 5 van art. 2.1. ervan zegt uitdrukkelijk dat deze bepalingen ook in geval van «faling en/of sluiting» van toepassing zijn.
 
Aangezien de werkzekerheidsbedingen niet tot doel hebben discriminatie uit te sluiten van beschermde werknemers, maar wel de vastheid van betrekking van de werknemers te waarborgen, zonder meer, kan te dezen niet worden aangenomen dat de procedure zou worden opgeheven naar analogie met de rechtspraak die van toepassing is op de wet van 19 maart 1991.
 
Het Arbeidshof te Gent heeft in een arrest van 10 januari 2003 dan ook terecht geoordeeld dat de rechtspraak die betrekking heeft op de vrijstelling van de curator om het paritair comité te raadplegen alvorens een beschermd werknemer te ontslaan, te dezen niet relevant is. Het Arbeidshof redeneert dan verder dat die regeling bij faillissement gewoon moet worden toegepast omdat niet kan worden voorbijgegaan aan de duidelijke wil van de contracterende partijen, die de bijzondere ontslagvergoeding hebben bedongen. 92
 
Het Hof van Cassatie heeft evenwel in een zeer recent arrest van 24 juni 2004 aangenomen dat een faillissementsvonnis in de regel uitsluit dat de curator verplicht zou worden ten aanzien van de werknemers specifieke, bij een collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen, maatregelen te nemen met het oog op het behoud van de werkgelegenheid en een inlichting- en overlegprocedure in dit verband na te leven, die bijkomende beperkingen oplegt aan de wijze waarop de wet bepaalt dat de curator zijn opdracht moet vervullen.
 
Dergelijke maatregelen en procedure in geval van faillissement kunnen, aldus het Hof van Cassatie, niet bijdragen tot de beoogde werkzekerheid en zijn in strijd met de dwingende wetsbepalingen die omschrijven op welke wijze de curator de boedel moet beheren.
 
Terwijl het Hof van Cassatie, om te besluiten tot de vrijstelling van de verplichting een bepaald orgaan te raadplegen voor het ontslag van een beschermd werknemer, zich inhoudelijk baseert op de overweging dat ingevolge het faillissement discriminatie is uitgesloten, baseert het zich, om tot hetzelfde resultaat te komen wat de conventionele werkzekerheidsbedingen betreft, op enerzijds de overweging dat ingevolge het faillissement het beoogde doel van behoud van werkzekerheid niet kan worden bereikt, en anderzijds op de overweging dat de beoogde procedure indruist tegen de wijze waarop krachtens de wet de curator zijn opdracht moet vervullen.
 
De bepalingen van de C.A.O. die voorschrijft dat het principe van werkzekerheid, de sanctie en de definitie van het meervoudig ontslag ook van toepassing zijn in het geval van faillissement, kunnen daarom niet worden toegepast. Door die bepaling wel toe te passen worden de artikelen 16, 46 en 47 van de Faillissements-wet van 8 augustus 1997 geschonden. 93
 
Uit het geheel van deze rechtspraak blijkt duidelijk de bedoeling de curator zo veel mogelijk te bevrijden van belastende procedures om de werknemers te ontslaan, en zijn opdracht, zoals omschreven in art. 46 Faillissementswet, om onverwijld te beslissen de lopende overeenkomsten al dan niet verder uit te voeren, niet te bemoeilijken.
 
V. INFORMATIE VAN DE WERKNEMERS DOOR DE WERKGEVER VAN DE STAKING VAN BETALEN
 
25. Het recht op informatie van de werknemers wordt in het algemeen, in het raam van de arbeid, gewaarborgd bij art. 23, derde lid, 1� van de Grondwet.
 
De nieuwe Faillissementswet heeft een aantal nieuwe verplichtingen tot informatie van de werknemers ingevoerd, zowel voor de werkgever die in staat van faillissement verkeert als voor de curator. 94
 
26. In art. 9 van de nieuwe Faillissementswet werd een cascade georganiseerd van vervangende communicatiekanalen, 95 in volgorde waarvan de werkgever de werknemers mededeling dient te doen van de aangifte van de staking van betalen.
 
Art. 9, tweede lid, nieuwe Faillissementswet luidt als volgt:
«Uiterlijk op het moment van het opmaken door de griffier van de akte van de aangifte van de koopman dat hij heeft opgehouden te betalen, moeten de aangifte, alsmede de gegevens tot staving van de staat van faillissement worden meegedeeld aan de ondernemingsraad of, indien er geen is, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, indien er geen is, de vakbondsafvaardiging ingeval er een is opgericht of, indien er geen is, een werknemersafvaardiging. Deze aangifte en deze gegevens worden daar besproken.»
 
27. Het begrip werknemersafvaardiging is volstrekt nieuw; geen enkele andere wettelijke bepaling kent dit begrip. Blijkens de parlementaire voorbereiding van de Wet Gerechtelijk Akkoord gaat het om een aantal werknemers aan wie informeel machtiging werd verleend om de gemeenschappelijke belangen te behartigen. Het gaat om diegenen die als woordvoerders van de werknemers naar voor worden geschoven en het kan, gezien de informele aard van deze afvaardiging, ook gaan om het geheel van de werknemers. Volgens bepaalde rechtsleer neemt het voorgaande niet weg dat de werkgever zijn informatieplicht vervult door eventueel zelf een delegatie van werknemers uit te kiezen, of nog wanneer een delegatie van werknemers zich als gesprekspartner bij de werkgever aandient, die – in beide gevallen – niet noodzakelijk representatief is voor het personeel of door het personeel gesteund wordt. 96 
 
28. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, worden met de«bespreking» in de ondernemingsraad, geen onderhandelingen bedoeld en mag die voorafgaande formaliteit geen rem zijn op het indienen van de faillissementsaangifte. 97 
 
Dit betekent dat, in de mate dat de verplichting tot informatie van de ondernemingsraad van de aangifte van de staking van betalingen, impliciet wordt opgelegd door andere aan de wet ondergeschikte normen, dit aldus moet worden geïnterpreteerd dat deze informatie de aangifte op de griffie van de rechtbank van koophandel niet mag vertragen, zelfs indien in een voorafgaande informatie wordt voorzien. Met dergelijke normen worden onder meer bedoeld art. 25 van het K.B. van 27 november 1973 en artikel 11 van de C.A.O. nr. 9.
 
29. In die zin kan de aangifte van de staking van betalingen immers worden aangenomen als eengebeurtenis of een interne beslissing die een belangrijke weerslag kan hebben op de onderneming, waarvan de voorafgaande mededeling, zo mogelijk, aan de ondernemingsraad, wordt verplicht gesteld door art. 25 van het K.B. van 27 november 1973 houdende reglementering van de economische en financiële inlichtingen te verstrekken aan de ondernemingsraden (B.S. 28 november 1973).
 
Krachtens art. 37 van het K.B. van 27 november 1973 worden de overtredingen van de bepalingen van dit K.B. van 27 november 1973 bestraft overeenkomstig de bepalingen van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Het Hof van Beroep te Bergen heeft in een strafzaak bij arrest van 28 juni 1990 aangenomen dat de tekst van art. 25, 2�, van het K.B. van 27 november 1973 erop wijst dat enkel de materiële onmogelijkheid om de ondernemingsraad bijeen te roepen vóór de uitvoering van interne beslissingen die een belangrijke weerslag op de onderneming kunnen hebben, de werkgever kan vrijstellen van de verplichting om deze beslissingen, vóór hun uitvoering mede te delen, met dien verstande dat zij hoe dan ook nadien moeten worden medegedeeld. De betrokkene werd strafrechtelijk gedagvaard, omdat hij de ondernemingsraad niet vooraf had ingelicht van de aangifte van het faillissement. 98
 
In de mate waarin een faillissementsaangifte kan leiden tot sluiting van de onderneming, zou eventueel ook nog een informatie- en consultatieplicht kunnen bestaan op grond van art. 11 van de C.A.O. nr. 9 van 9 maart 1972, houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden. 99Krachtens voormeld art. 11 C.A.O. nr. 9 zal in geval van onder meer sluiting, waaromtrent de onderneming onderhandelingen voert, de ondernemingsraad, daaromtrent te gelegener tijd en vóór enige bekendmaking worden ingelicht; hij zal vooraf daadwerkelijk worden geraadpleegd, onder meer over de weerslag op de vooruitzichten inzake de tewerkstelling van het personeel, de organisatie van het werk en het tewerkstellingsbeleid in het algemeen.
 
30. In de rechtsleer wordt bovendien terecht betoogd dat de nieuwe Faillissementswet als lex specialis geacht kan worden voorrang te moeten krijgen op voormeld K.B. en voormelde C.A.O. Zodoende zou de werkgever die pas op het ogenblik van de faillissementsaanvraag de ondernemingsraad op de hoogte brengt, niet geacht kunnen worden voormeld K.B. en eventuele voormelde C.A.O. te schenden. 100
 
VI. INFORMATIE VAN DE WERKNEMERS DOOR DE CURATOR
 
A. Voortzetting van de activiteiten en sociaal overleg
 
31. Art. 47 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 heeft aan de regeling die was opgenomen in art. 475 van de oude Faillissementswet, opdat de rechtbank de voorlopige, gehele of gedeeltelijke voortzetting van de handelsverrichtingen zou kunnen bevelen, naast de verduidelijking dat de toelating het voorwerp dient uit te maken van een afzonderlijk vonnis, het vereiste van sociaal overleg toegevoegd.
 
Deze verplichting vormt één van de belangrijkste vernieuwingen van de wet van 8 augustus 1997 met betrekking tot het sociaal recht. 101
Art. 47 nieuwe Faillissementswet luidt als volgt:
 
«Indien het belang van de schuldeisers daaraan niet in de weg staat, kan de rechtbank, op verzoek van de curators of van iedere belanghebbende, op verslag van de rechter- commissaris en na de curators en de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad te hebben gehoord of, indien er geen is, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, indien er geen is, de vakbondsafvaardiging ingeval er een is opgericht of, indien er geen is, een werknemersafvaardiging, machtiging verlenen opdat de handelsverrichtingen van de gefailleerde voorlopig, geheel of gedeeltelijk, worden voortgezet door de curators of, onder hun toezicht, door de gefailleerde of door een derde.
 
Op verzoek van de curators of van iedere belanghebbende en op verslag van de rechter-commissaris, kan de rechtbank die maatregel te allen tijde wijzigen of herroepen.
 
«De curators kunnen dadelijk na het faillissementsvonnis en na overleg met de representatieve organisatieve vakbonden of, bij gebreke hiervan, met het aanwezige personeel in het belang van de boedel en in afwachting van de uitspraak van de rechtbank (van koophandel) met toepassing van het eerste lid, toestaan dat de handelsverrichtingen worden voortgezet.»
 
Dit houdt in dat de machtiging door de rechtbank pas kan worden verleend nadat de werknemersvertegenwoordiging werd gehoord. Er is in eenzelfde hiërarchie van te horen werknemersvertegenwoordigingen voorzien als in art. 9 nieuwe Faillissementswet voor het kennis geven van de aangifte van de staking van betalen.
 
Indien de curatoren, krachtens art. 47, tweede lid, nieuwe Faillissementswet, dadelijk na het faillissementsvonnis de handelsverrichtingen voortzetten, in afwachting van de uitspraak van de rechtbank van koophandel op een verzoek tot voorlopige voortzetting, 102 kunnen zij dit ook slechts na een weliswaar minder hiërarchisch omschreven sociaal overleg, namelijk na overleg met de representatieve organisatieve vakbonden of, bij gebreke hiervan, met het aanwezige personeel.
 
In de rechtsleer wordt dit verschil betreurd. Er wordt op gewezen dat aldus, wat betreft de voortzetting van de handelsverrichtingen vooraleer een beslissing werd genomen door de rechtbank, de vertegenwoordigers van de werkgever niet worden gehoord en het horen van de vakbondsafvaardiging problemen zou veroorzaken voor de curatoren indien er in de onderneming geen «representatieve vakbondsafvaardigingen» zijn.
 
Hierdoor zal hij verplicht zijn overleg te plegen met het volledige personeel, met inbegrip van het directiepersoneel dat verbonden is door een arbeidsovereenkomst, 103 terwijl het in het sociaal recht weinig gebruikelijk is om aan de vakbonden als zodanig een rol toe te vertrouwen inzake overleg binnen de onderneming. 104
 
Het kan voor de curatoren onduidelijk zijn wie de wetgever nu eigenlijk als gesprekspartner heeft willen aanduiden: de werknemersvertegenwoordigers in de ondernemingsraad of het comité, de vakbondsafvaardiging of de gewestelijke secretarissen van de vakbonden. 105
 
Deze door de rechtsleer aangeklaagde beperkingen wegen, naar mijn oordeel, niet op tegen de nadelen wanneer een even zware procedure als die voor de beslissing van de rechtbank zou worden opgelegd aan de curator, voor wie de procedure sowieso reeds aanmerkelijk wordt verzwaard. De formele verplichting opgelegd aan de rechtbank uitbreiden tot de curator wat betreft de eerste fase van de voortzetting van de handelsverrichtingen is onwerkbaar.
 
Bovendien onderstelt die voortzetting dat de rechtbank de werknemersvertegenwoordiging nog dient te horen om tot het verder voorlopig voortzetten van de handelsverrichtingen te beslissen.
 
Men dient daarbij trouwens nog in aanmerking te nemen dat de curator op zeer korte termijn, soms binnen enkele uren, de beslissing tot voortzetting van de handelsverrichtingen, in afwachting van de beslissing van de rechtbank dient te nemen, waarbij hij ook tal van potentiële moeilijkheden, zoals hierboven uiteengezet met betrekking tot onder meer de beschermde werknemers, in aanmerking dient te nemen.
 
Het is duidelijk de bedoeling dat de curator tijdens deze eerste fase slechts onderworpen zou zijn aan een zeer beperkt en pragmatisch bepaald sociaal overleg. Zo impliceert de verwijzing naar hetaanwezige personeel, bij afwezigheid van de representatieve vakbonden, precies dat enkel met de effectief in de onderneming aanwezige personen rekening moet worden gehouden, 106 wat het «pragmatisch» oogmerk van de wetgever, die duidelijk heeft willen vermijden dat de curator tijd zou verliezen, illustreert.
 
Met de representatieve werknemersorganisaties dient geen contact te worden genomen indien zij binnen de onderneming niet officieel vertegenwoordigd zijn in een vakbondsafvaardiging, preventiecomité of ondernemingsraad. 107
 
B. Informatie bij overname van activa in de zin van de C.A.O. nr. 32bis
 
32. Eveneens nieuw, maar dan niet geregeld in de nieuwe Faillissementswet, maar in de C.A.O. nr. 32quinquies van 13 maart 2002, is de verplichting voor de curator tot informatie van de werknemers (bij ontstentenis van werknemersvertegenwoordigers) in geval van overname van een onderneming en/of van activa bij faillissement.
 
Bij C.A.O. nr. 32quinquies van 13 maart 2002 (N.A.R.), algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 14 maart 2002 (B.S. 29 maart 2002) wordt, met ingang van 8 april 2002, in de C.A.O. nr. 32biseen nieuw hoofdstuk IV betreffende de informatie van de werknemers ingelast, waarbij art. 15bisbepaalt dat in de ondernemingen waar noch een ondernemingsraad, noch een vakbondsafvaardiging bestaat, de betrokken werknemers vooraf in kennis moeten worden gesteld van onder meer, in geval van faillissement, de datum of de voorgenomen datum van de overname van activa, bedoeld in Hoofdstuk III van onderhavige C.A.O. (nr. 32bis), de redenen van de overgang of van de overname van activa, de juridische, economische en sociale gevolgen van de overgang of van de overname van activa voor de werknemers, en de ten aanzien van de werknemers overwogen maatregelen.
 
In tegenstelling tot wat de commentaar bij deze bepaling van de C.A.O. nr. 32quinquies zou kunnen doen geloven, wordt niet dezelfde uitdrukkelijke informatie geregeld in de C.A.O. nr. 9 van 9 maart 1972 en de C.A.O. nr. 5 van 24 mei 1971 wat betreft respectievelijk de werknemersvertegenwoordigers en de syndicale afgevaardigden. Dezelfde verplichtingen volgen evenwel uit de in art. 11 van de C.A.O. nr. 9 en art. 14 van de C.A.O. nr. 5 algemeen gestelde voorafgaande informatieverplichtingen.
 
VII. HET VOORRECHT VAN ARTIKEL 19, 3�BIS, HYPOTHEEKWET EN ARTIKEL 90 NIEUWE FAILLISSEMENTSWET
 
33. Door bepaalde rechtsleer wordt betoogd dat de wetgever, door in art. 90 van de nieuwe Faillissementswet uitdrukkelijk te verwijzen naar het eerste lid van art. 2 van de Loonbeschermingswet, kennelijk, zij het ongewild, een aanzienlijke verruiming bewerkstelligt van het voorrecht van de werknemers.
 
Door uitdrukkelijk uitsluitend te verwijzen naar het eerste lid spelen de uitsluitingen bepaald in art. 2, derde lid, niet, zodat het loonbegrip ook de uitkeringen van de wettelijke takken van de sociale zekerheid omvat (waaronder bijvoorbeeld brugpensioenvergoedingen, aanvullende pensioenuitkeringen, aanvullende werkloosheidsuitkeringen, enz.).
 
Hoewel uit de parlementaire voorbereiding niet kan worden afgeleid dat het in de bedoeling heeft gelegen van de wetgever om het voorrecht van de werknemers te verruimen, dient te worden vastgesteld dat de voorliggende wettekst toch argumenten oplevert voor de werknemers om daarop aanspraak te maken. 108 Art. 19, 3� bis, Hypotheekwet verwijst zelf immers naar art. 2 van de wet van 12 april 1965 zonder meer, zodat ook de uitsluitingen bepaald in art. 2, tweede lid, van de wet van 12 april 1965, van toepassing zijn.
 
Niet alleen uit de parlementaire voorbereidingsstukken van de nieuwe Faillissementswet in haar oorspronkelijke versie blijkt dat het niet de bedoeling was het voorrecht uit te breiden (de minister van Justitie verklaart uitdrukkelijk dat het niet om een voorrecht gaat in de zin van art. 19, 3� bis, Hypotheekwet, maar dat art. 90 enkel de aard van de schuldvordering regelt) 109 , maar dit blijkt ook uit art. 64 van de Programmawet van 8 april 2003 (B.S. 17 april 2003, p. 19436).
 
Art. 64 (Programmawet 8 april 2003) wijzigt de wetgeving die van toepassing is op de voorrechten (met ingang van 27 april 2003) zodat de aanvullende vergoedingen voor het brugpensioen (toegekend krachtens C.A.O. nr. 17 of een C.A.O. gesloten in het paritair comité, paritair subcomité of in de onderneming) worden opgenomen in de bevoorrechte schuldvorderingen, bedoeld in art. 19, 3� bis, Hypotheekwet, omdat het conventioneel brugpensioen niet wordt beschouwd als loon, overeenkomstig art. 2, in fine, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, en zodoende niet het voorwerp is bedoeld in art. 19, 3� bis, van de Hypotheekwet. Deze aanvullende vergoeding bij brugpensioen zal niet veranderen van aard, maar zal, op hetzelfde niveau als de lonen, bij de bevoorrechte schuldvorderingen worden gevoegd. 110
 
Indien uit art. 90 nieuwe Faillissementswet reeds zou volgen dat het voorrecht van art. 19, 3� bis, Hypotheekwet wordt uitgebreid tot de vergoedingen die worden uitgesloten van het begrip loon bij het tweede lid van art. 2 van de wet van 12 april 1965, dan was het ook niet nodig om voornoemde bepaling toe te voegen aan art. 19, 3� bis, Hypotheekwet.
 
VIII. SOCIALE DOCUMENTEN TE OVERHANDIGEN DOOR DE GEFAILLEERDE
 
34. Naast de bijkomende informatieverplichtingen, werden er een aantal nieuwigheden ingevoerd in de nieuwe Faillissementswet, en dan vooral haar reparatiewetten, met betrekking tot de afgifte van sociale documenten door zowel de gefailleerde als de curator.
 
Krachtens art. 10 eerste lid van de nieuwe Faillissementswet moet de koopman indien hij aangifte doet van het feit dat hij heeft opgehouden te betalen, bij zijn aangifte een aantal stukken voegen. In dit artikel was oorspronkelijk geen sprake van enig sociaal document.
 
Art. 10, eerste lid, van de nieuwe Faillissementswet werd evenwel aangevuld door art. 6 van de (eerste reparatie-)wet van 4 september 2002 (B.S. 21 september 2002, p. 42928), met onder meer een 3�, luidende:
 
«3� het personeelsregister, de gegevens met betrekking tot het sociaal secretariaat, de sociale kassen waarbij het bedrijf aangesloten is en de identiteit van de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk, en van de leden van de vakbondsafvaardiging, indien de koopman personeel tewerkstelt of heeft tewerkgesteld gedurende de laatste achttien maanden.»
 
Bij art. 59 van de Programmawet van 8 april 2003 werd deze bepaling nog uitgebreid, door de woorden «de individuele rekening voorzien in artikel 4 § 1, 2� van het K.B. nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten» in te voegen, tussen de woorden «het personeelsregister» en «de gegevens met betrekking tot het sociaal secretariaat».
 
Aangezien sinds 1 januari 2003 de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling veralgemeend van toepassing is (Dimona), 111 en vanaf die datum het bijhouden of opmaken van een (algemeen) personeelsregister (en naargelang van het geval een speciaal personeelsregister of individueel document) niet meer verplicht is (behoudens bepaalde uitzonderingen), ligt een aanvulling van art. 10 nieuwe Faillissementswet voor de hand.
 
Het lijkt immers aangewezen dat bij de aangifte van de staking van betalingen tevens de door de R.S.Z. aan de werkgever toegekende code wordt meegedeeld, die raadpleging mogelijk maakt van het elektronisch personeelsregister en toegang verleent tot de overige noodzakelijke identificatiegegevens. Voor de werknemers voor wie een Dimona wordt opgesteld wordt automatisch een algemeen en elektronisch raadpleegbaar personeelsregister gegenereerd (geïndividualiseerde toegang via de portaalsite van de sociale zekerheid: www.sociale-zekerheid.be). 112
 
 Aangezien voor wie thans vrijgesteld is van het bijhouden van een personeelsregister, het oude personeelsregister wel nog gedurende vijf jaar moet worden bewaard, te rekenen vanaf de datum van de inschrijving van de laatste verplichte vermelding 113 krachtens art. 25 van het K.B. van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten, blijft ook de voornoemde verplichting van de gefailleerde in die zin nog tijdelijk bestaan.
 
Het doel van deze bepaling is dat het mededelen van de individuele rekening de curator een beter inzicht zal geven in het faillissement, om het aantal werknemers en hun toestand in de onderneming vast te stellen 114 en in het bijzonder in de loonlast van de gefailleerde onderneming. 115 In de mate dat de wetgever van oordeel was dat de curator veel beter geplaatst is dan de werknemer zelf om de schuldvordering van de werknemers te begroten, is dit uiteraard in de veronderstelling dat de curator ook beschikt over de nodige documenten.
 
Deze bepalingen sluiten dan ook logisch aan bij de bedoeling van de wetgever om de curator ertoe aan te zetten meer en prioritair aandacht te besteden aan de schuldvorderingen van de werknemers, een andere nieuwigheid ingevoerd door de reparatiewetten van de nieuwe Faillissementswet (zie verder sub X), al wijst de praktijk uit dat dit de documenten zijn die elke curator steeds prioritair opvraagt aan de gefailleerde.
 
 IX. SOCIALE DOCUMENTEN TE OVERHANDIGEN DOOR DE CURATOR
 
35. Aan de curator werden op zijn beurt dan weer een aantal nieuwe verplichtingen opgelegd inzake de overhandiging van sociale documenten aan de werknemers.
 
36. Hoewel de curator op het ogenblik van het faillissement noch de werkgever van de ontslagen werknemer is, noch zijn gemachtigde of lasthebber, is hij er toch toe gehouden aan de werknemer alle documenten te overhandigen die een werkgever bij het einde van de dienstbetrekking moet bezorgen. 116 Het betreft hoofdzakelijk de volgende documenten:
1� het arbeidsattest;
2� de afrekening van de laatste betalingen;
3� de individuele rekening van het lopende jaar;
4� het werkloosheidsattest (C4);
5� de fiche van de belastbare inkomsten (fiscale strook 281.10);
6� het vakantie-attest;
7� de bijdragebon voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering (voor de overblijvende uitzonderingsgevallen, gelet op de overgang van de bijdragebon naar het elektronische tijdperk vanaf 1 januari 1995: in de privé-sector betreft de herinvoering van de bijdragebon alleen de industriële leerlingen (codes 35, 39 en 439) en bepaalde leerlingen en stagiairs (codes 22, 26, 27, 82, 482, 486), (87 en 487), 117 en bovendien de formulieren BC 901 A ten behoeve van de aanspraken van de werknemers op de tussenkomst van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers (hierna: het Fonds).
 
Na aanvaarding van de schuldvorderingen van de werknemers, zullen de vakbonden de formulieren BC 901 A, die dienen te worden bezorgd aan het Fonds, ter ondertekening opsturen naar de curator.
De vragenlijsten die daarnaast voorheen door het Fonds, aan de curator werden verzonden, 118 worden door de controleurs van het Fonds thans ofwel ingevuld ter plaatse op het kantoor van de curator 119 of aan de curator daartoe ter hand gesteld.
 
37. Tot de invoering van de nieuwe Faillissementswet, vloeide de verplichting voor de curator tot aflevering van de sociale bescheiden niet voort uit de wettelijke bepalingen, noch uit de opdracht die aan de curator is gegeven als vertegenwoordiger van de gefailleerde, maar werd deze taak aangenomen als behorend tot de gewone beheersdaden die de curator mag stellen en in het algemeen belang zou moeten stellen.
 
Onrechtstreeks werd hij wel reeds verplicht om een aantal sociale bescheiden af te leveren, omdat de wetgeving inzake sluiting van ondernemingen ook de curatoren strafbaar stelt voor de niet-naleving van een aantal verplichtingen die uit deze wetgeving voortvloeien (art. 27 van de wet 28 juni 1966, artikelen 6 en 13 van de wet van 30 juni 1967). 120Aldus legt ook artikel 17 van de Wet van 28 juni 1966 de curator de verplichting op, in geval van stopzetting van een activiteit ingevolge faillissement, bepaalde inlichtingen vastgesteld bij K.B. van 20 september 1967 te verstrekken aan het Fonds in geval van sluiting van de onderneming.
 
38. De nieuwe Faillissementswet van 8 augustus 1997 heeft hierin verandering gebracht door in art. 73, vierde lid, te bepalen dat de sluiting wegens ontoereikend actief slechts kan worden uitgesproken wanneer wordt vastgesteld dat de curatoren het mogelijke hebben gedaan om de werknemers de wettelijk bepaalde sociale bescheiden uit te reiken.
 
Het komt vaak voor dat de achtergebleven dossiers zich in zo‘n wanorde bevinden dat het voor de curator niet meer mogelijk is die sociale documenten met zekerheid op te maken. Hij zal dan in het algemeen proberen bepaalde sociale documenten op te stellen of in te vullen om de werknemers ter hulp te komen, 121 maar indien de curator niet beschikt over de nodige gegevens, is het niet aan hem om de nalatigheden en verzuimen van de werkgever te herstellen.
 
Rechtspraak oordeelde voordien reeds dat aan de curator slechts binnen de strikte grenzen van zijn gerechtelijk mandaat de patronale rechten en plichten zijn toebedeeld. 122
 
Zoals uit de parlementaire voorbereidingsstukken van de nieuwe Faillissementswet blijkt, dient de verplichting tot het afleveren van de sociale documenten dan ook binnen redelijke grenzen te worden geïnterpreteerd. De curator zal in voorkomend geval moeten aantonen dat hij gehandeld heeft zoals redelijkerwijs van hem kon worden verwacht, gelet onder meer op de informatie waarover hij kan beschikken. 123 124
 
Deze bepaling werd ingevoerd ingevolge een regeringsamendement, met als verantwoording dat in de rechtsleer wordt aangenomen dat de curator niet gelijk te stellen is met de werkgever, 125 maar wel, krachtens zijn algemene beheersopdracht, met de werkgever kan worden geassimileerd en daarom bepaalde verplichtingen van de werkgever dient te vervullen. Er wordt dan echter weer aan toegevoegd dat, voorzover mogelijk (indien ze daartoe over de nodige gegevens beschikken) de curatoren in de praktijk doorgaans zeer spoedig de bedoelde sociale bescheiden afleveren. 126
 
X. PRIORITAIRE AFHANDELING VAN DE SCHULDVORDERINGEN VAN DE WERKNEMERS
 
39. De curator werd door de nieuwe Faillissementswet niet alleen belast met nieuwe informatieverplichtingen ten opzichte van de werknemer, maar bovendien werd hem door de Reparatiewet van 8 april 2003, in het licht van het ongenoegen dat was ontstaan naar aanleiding van het faillissement van de NV Sabena, de verplichting opgelegd om zeer snel actief en prioritair mee te werken aan het vaststellen van de behandeling van de schuldvorderingen en de bespoediging van de behandeling van de aanvragen bij en de uitbetaling door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. Deze verplichtingen werden ingevoerd door wijziging van de artikelen 40, 67 en 68 nieuwe Faillissementswet. 127
 
Krachtens art. 40 van de Faillissementswet, gewijzigd door de wet van 4 september 2002, zoals aangevuld door art. 60 van de Programmawet van 8 april 2003, «werken de curatoren actief en prioritair mee aan het vaststellen van het bedrag van de aangegeven schuldvorderingen van de werknemers van de gefailleerde onderneming, volgens de bepalingen voorzien bij de artikelen 67, tweede lid, en 68 eerste lid en vierde lid».
 
Krachtens art. 67 van de Faillissementswet, als aangevuld door de Programmawet van 8 april 2003, «hebben de curatoren, uiterlijk drie dagen voor de zitting bepaald voor het afsluiten van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, de verplichting om aan elke werknemer die een schuldvordering indiende een advies te overhandigen met kennisgeving van de redenen van betwisting van het principe van de ingediende schuldvordering of een gemotiveerd voorstel te doen tot vaststelling van het totale of provisionele bedrag van de verschuldigde som. Het advies of voorstel wordt geviseerd door de rechter- commissaris».
 
Krachtens art. 68, eerste lid van de Faillissementswet, als aangevuld bij de Programmawet van 8 april 2003, wordt, behalve bij andersluidend bericht van de betrokken werknemer, uiterlijk op de zitting bepaald voor het afsluiten van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, het voorstel tot vaststelling van het totale of provisionele bedrag van de schuldvordering als bepaald in art. 67 tweede lid, aangenomen voor het deel opgenomen in het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen.
 
Krachtens art. 68, vijfde lid, van de Faillissementswet, zoals toegevoegd bij de Programmawet van 8 april 2003, worden de schuldvorderingen van de werknemers van de gefailleerde, aangenomen in hun geheel of provisioneel, onmiddellijk door de curatoren bezorgd aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.
 
Blijkens de parlementaire voorbereidingsstukken van de Programmawet van 8 april 2003 bestaat de ratio legis van de wetswijzigingen erin de curatoren niet alleen aan te sporen maar zelfs te dwingen om actief en prioritair te werken aan het behandelen van de schuldvorderingen van de werknemers, en hen daarbij behulpzaam te zijn. 128 
 
Zo zal de curator, nadat hij de aangifte van schuldvordering heeft ontvangen van de betrokken werknemer en voorzover deze aanvaardbaar is in haar beginsel, aan de werknemer een voorstel dienen te doen van minimale provisionele schuldvordering, en dit vóór de zitting bepaald voor het sluiten van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, dit bovendien onder controle van de rechter-commissaris en de rechtbank opdat het voorstel niet systematisch beperkt zou worden tot de symbolische euro. 129
 
De techniek van het provisioneel opnemen van een schuldvordering is niet nieuw. Het verplicht opleggen van het begroten en eventueel aanvaarden van een provisionele schuldvordering is het wel. 130
 
In de rechtsleer wordt er nog op gewezen dat de wetgever bepaalt dat onder de termijn van drie dagen (bepaald in art. 67 van de Faillissementswet), drie werkbare dagen, dient te worden verstaan. Wat men precies bedoelt met drie werkbare dagen wordt niet aangegeven.
 
Indien men de termijnen in het raam van de aangifte en van de verificatie van de schuldvorderingen van naderbij bekijkt, krijgt men navolgend beeld: de termijn voor aangifte van de schuldvorderingen bedraagt maximum dertig dagen na het vonnis van faillietverklaring; de datum voor de sluiting van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen kan worden vastgesteld ten hoogste dertig dagen na het verstrijken van de termijn van aangifte van de schuldvorderingen; de curatoren beschikken derhalve over een maximum termijn van 57 dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring. Deze termijn zal in de praktijk echter een stuk korter zijn aangezien de aangifte door de werknemers niet onmiddellijk zal gebeuren.
 
De vraag rijst dan ook wel degelijk of in de praktijk, in bepaalde faillissementen (in het bijzonder van ondernemingen met veel werknemers), de termijnen niet bijzonder krap zullen worden. Zeker indien de rechter-commissaris het advies of het voorstel nog dient te viseren. 131
 
De wetgever is van oordeel dat de werknemer niet de mogelijkheid heeft om gemakkelijk het bedrag van zijn schuldvordering precies in te schatten en dat de curator, door zijn contact met het sociaal secretariaat en door de informatie uit het personeelsregister en de individuele rekening (vandaar de bijkomende verplichtingen opgenomen in art. 10 nieuwe Faillissementswet), veel beter geplaatst is om vast te stellen of de schuldvordering aanvaardbaar is en om die vordering voor elke werknemer te begroten. Hierbij worden echter wel de werknemers beoogd die niet bij een vakbond zijn aangesloten, en daarom een advocaat zouden moeten raadplegen om hun schuldvordering te evalueren. 132
 
Dat de vereiste van een spoedige afhandeling van de belangen van de werknemers maatschappelijk gevoelig ligt, blijkt onder meer uit de nasleep van het faillissement van de NV Sabena. 133
 
XI. HET LOT VAN DE GEFAILLEERDE
 
A. Het (Vlaams) herplaatsingsfonds
 
40. Ik ben deze uiteenzetting aangevangen met de vaststelling dat onder het regime van de oude Faillissementswet en zeker tot de eerste initiatieven werden genomen tussen de twee wereldoorlogen, het Belgische rechtssysteem bij de afwikkeling van het faillissement nauwelijks oog had voor het belang van de onderneming als sociaal-maatschappelijk gegeven en de benadeelde werknemers. Maar ook het lot van de onfortuinlijke zelfstandige ondernemers werd duidelijk achteruit gesteld.
 
Ook daarin is ondertussen enige verandering gekomen.
Allereerst kan erop worden gewezen dat, in de mate dat de gefailleerde zelfstandige of zijn helper zich willen inschakelen in de arbeidsmarkt als werknemer, ze als gelijkgestelde de voordelen kunnen genieten in het raam van het Herplaatsingsfonds, 134 opgericht bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij decreet van 18 mei 1999, en wel krachtens art. 3, § 2, tweede zin van dat decreet en art. 2 van het Besluit van de Vlaamse regering van 12 september 2003 (voorheen: Besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 dat het heeft vervangen).
 
Het Herplaatsingsfonds werd opgericht bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij decreet van 18 mei 1999 houdende oprichting van een Herplaatsingsfonds, en heeft tot opdracht de herplaatsing te bevorderen van werknemers die werkloos zijn gesteld ingevolge onder meer een faillissement van een onderneming. Het fonds staat in voor de betaling van de kosten die aan de activiteiten inzake herplaatsing verbonden zijn.
 
De aanvraag tot tegemoetkoming dient bij het fonds te worden ingediend door onder meer de curator, mede ondertekend door de representatieve werknemersorganisaties die vertegenwoordigd waren in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een ondernemingsraad, de syndicale afvaardiging voor de categorie van personen waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd of bij ontstentenis van een ondernemingsraad en een syndicale afvaardiging, de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het Subregionale Tewerkstellingscomité of in het bevoegde paritair comité. Het decreet van 18 mei 1999 (B.S. 24 september 1999) werd gewijzigd bij decreet van 14 maart 2003 (B.S. 3 april 2003).
 
Het decreet van 18 mei 1999 werd uitgevoerd bij Besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 tot uitvoering van het Decreet van 18 mei 1999 houdende oprichting van een Herplaatsingsfonds (B.S. 29 juli 2000)(zelf opgeheven en vervangen bij Besluit van 12 september 2003, B.S. 23 oktober 2003). Zo werd in het raam van het Her plaatsingsfonds aan de curatele van het faillissement van de NV Sabena, bij Besluit van de Vlaamse regering van 22 maart 2002 (B.S. 1 juni 2002) een tegemoetkoming toegekend van maximaal 6.282.842,94 euro.
 
Een zelfde regeling is er vooralsnog niet voorzien in het Franstalig en Duitstalig landsgedeelte.
 
B. Humanisering van het faillissement en een eerste aanzet naar de verbetering van de sociale zekerheid voor de gefailleerde werkloze zelfstandige
 
41. Ook in het raam van de nieuwe Faillissementswet werd het lot van de onfortuinlijke gefailleerde niet vergeten.
 
>Een van de doelstellingen van de nieuwe Faillissementswet en de nieuwe wet op het gerechtelijk akkoord bestaat er in de procedure voor de gefailleerde te humaniseren, gelet op de drama‘s die faillissementen vooral bij de kleine zelfstandigen teweegbrengen. 135 
 
Daarom werd enerzijds een nieuwe betekenis gegeven aan de verschoonbaarheid van de gefailleerde door hem te ontlasten van al zijn schulden en hem de gelegenheid te geven met een schone lei te beginnen, en werd anderzijds, in de dynamiek van de voorbereiding van de nieuwe Faillissementswet, bij de genaamde faillissementsverzekering, ingevoerd bij het K.B. van 18 november 1996, 136 een nieuwe tak toegevoegd aan het statuut van de zelfstandige, waardoor de gefailleerde naast de voortgezette verzekering een tijdelijke maandelijkse uitkering kan verkrijgen.
 
42. Kenmerkend voor beide regelingen (en voor het stelsel van de voortgezette verzekering dat de voorloper is van de faillissementsverzekering) is dat ze als een gunst worden aangenomen, terwijl wat de verschoonbaarheid betreft, daarenboven het aannemen van de goede trouw uitdrukkelijk wordt vereist.
Beide stelsels stellen als voorwaarde dat de gefailleerde geen strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen in het raam van het faillissement (met mogelijkheid tot terugvordering), wat de faillissementsverzekering betreft, op grond van de artikelen 489, 489bis en 489ter Sw. (art. 8 K.B. van 18 november 1996, gewijzigd bij de wet van 24 januari 2002, voorheen: «veroordeling wegens bankbreuk»), wat de oorspronkelijke voortgezette verzekering betreft, wegens het bedrieglijk karakter van het faillissement (art. 3, § 3, tweede lid van het K.B. van 7 april 1995 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de sociale zekerheid der zelfstandigen) en,oorspronkelijk, wat de verschoonbaarheid betreft, op grond van art. 489ter Sw. (het ondertussen vernietigde art. 81, 2�, nieuwe Faillissementswet).
 
43. Opmerkelijk is dat in het raam van de collectieve schuldenregeling hetzelfde vereiste wordt gesteld door art. 1675/13, § 4, Ger. W. opdat de rechter kwijtschelding zou kunnen verlenen aan een gefailleerde voor de schulden die overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken krachtens de oude Faillissementswet.
 
Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de gefailleerde die werd veroordeeld wegens eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk. De oorspronkelijke beperking in de tijd werd ingevolge het arrest van het Arbitragehof nr. 23/ 2001 van 1 maart 2001 (B.S. 5 mei 2001, p. 14834), uit deze bepaling weggelaten bij art. 5 van de wet van 19 april 2002, B.S. 7 juni 2002.
 
Deze bepaling vormt aldus een uitzondering op art. 1675/ 13, § 3, Ger. W. waarin wordt bepaald dat de rechter geen kwijtschelding kan verlenen voor onder meer de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement. 137 Het is duidelijk dat de uitzondering van artikel 1675/13, § 4, Ger. W. is bedoeld voor de personen wier faillissement werd gesloten verklaard vóór het in werking treden van de nieuwe Faillissementswet en daarom niet de voordelen van de verschoonbaarheid hebben kunnen genieten, ingevoerd met de nieuwe Faillissementswet. 138
 
44. Deze voorwaarde, althans wat de verschoonbaarheid betreft, werd ondertussen door het Arbitragehof op de helling gezet. Bij arresten van 22 januari 2003 en 3 april 2003 werd aangenomen dat art. 81 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het een in de tijd onbeperkte, absolute en automatische uitsluiting van verschoonbaarheid tot gevolg heeft van gefailleerden die zijn veroordeeld wegens gelijk welk in art. 81, nieuwe Faillissementswet opgesomd misdrijf. 139 
 
Art. 81, 2� Faillissementswet van 8 augustus 1997 werd om die reden uiteindelijk vernietigd bij arrest van 11 februari 2004. 140Daarom zal de verschoonbaarheid van een gefailleerde enkel worden onderzocht in het licht van de voorwaarden opgenomen in art. 80, tweede lid, nieuwe Faillissementswet (de goede trouw). 141Wegens de aanpassingen van de artikelen van de nieuwe Faillissementswet 142 en de arresten van het Arbitragehof met betrekking tot de strafrechtelijke veroordeling, wordt door de rechtsleer in vraag gesteld of de voorwaarde van de goede trouw in de praktijk nog stand houdt en of de verschoonbaarheid nog wel een gunst is. De mogelijkheid bestaat dat bepaalde rechters zeer soepel zullen zijn. Het komt thans louter de rechter toe om te beoordelen of een persoon in concreto nog een voldoende betrouwbare handelspartij zou zijn. Enkel indien dit niet het geval is, dient een verschoonbaarverklaring te worden geweigerd. 143
 
Bovendien kan, wegens de vernietiging van art. 81, 2�, nieuwe Faillissementswet, tevens de bestaansreden in vraag worden gesteld van de tweede zin van art. 1675/13, § 4, Ger. W. (zie hierboven nr. 43).
 
Ondertussen werden ook art. 81, 1�, en art. 82, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 vernietigd bij arrest van het Arbitragehof nr. 114/2004 van 30 juni 2004, B.S. 22 juli 2004. De gevolgen van deze vernietigde bepalingen werden evenwel gehandhaafd totdat de nieuwe bepalingen in werking treden en uiterlijk tot 31 juli 2005; zie ook nog Arbitragehof nr. 78/2004 van 12 mei 2004, B.S. 30 augustus 2004.
 
C. De verschoonbaarheid van de gefailleerde 144
 
45. Wanneer een vennootschap failliet wordt verklaard, is zij na de vereffening ontbonden (wat thans ook uitdrukkelijk wordt bepaald in art. 83 van de Faillissementswet, als gewijzigd bij de eerste Reparatiewet van 4 september 2002 (B.S. 21 september 2002, p. 42928) en gaat de schuldvordering van de werknemer teniet.
 
Dit is niet zo bij faillissement van een natuurlijke persoon: na de sluiting van het faillissement blijft deze persoon uiteraard bestaan. Het is nog altijd mogelijk om het saldo van de schuldvordering op te eisen wanneer hij solvabel wordt. 145
 
Met de nieuwe Faillissementswet heeft de wetgever hierin verandering willen brengen, door aan «de verschoonbaarheid van de gefailleerde» opnieuw inhoud te geven, namelijk door aan te nemen dat de verschoonbaarverklaring de schulden van de gefailleerde doet tenietgaan (tot de eerste Reparatiewet: enkel stellende dat de gefailleerde niet kan worden vervolgd) en door de natuurlijke personen, die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde, van hun verplichtingen te ontslaan.
 
Door deze toepassing van de «fresh start-doctrine» wordt een gefailleerde niet noodzakelijk tot in lengte van dagen achtervolgd met de financiële last van zijn faillissement. Het geven van de mogelijkheid aan de gefailleerde om met een schone lei te beginnen, kadert in de humanisering van de nieuwe procedure. Verschoonbaarheid is een gunst voor wie in de toekomst als een betrouwbare handelspartner kan worden beschouwd. 146 De verschoonbaarheid doet, behoudens bepaalde uitzonderingen, de schulden van de gefailleerde teniet en ontslaat de natuurlijke personen die zich om niet borg hebben gesteld van hun verplichtingen. 147
 
De verschoonbaarheidsverklaring van de gefailleerde natuurlijke persoon (voorheen bepaald bij art. 533, vierde lid, oude Faillissementswet), wordt thans geregeld bij de artikelen 73, 80 tot 83 nieuwe Faillissementswet, zoals vervangen en gewijzigd bij de Reparatiewet van 4 september 2002 (B.S. 21 september 2002, p. 42928), waarbij, naast het expliciet uitbreiden van de vrijstelling tot bepaalde borgen, de mogelijkheid tot verschoonbaarheid van de rechtspersonen ongedaan werd gemaakt. 148 149
 
De rechtbank zal een verklaring van verschoonbaarheid afleveren wanneer de gefailleerde het slachtoffer is geweest van externe omstandigheden of indien hij naar de toekomst toe de nodige waarborgen kan bieden voor een beter beheer.
 
De verschoonbaarverklaring heeft onder meer ook tot gevolg dat het saldo van de schuldvordering van de werknemer dat niet gedekt zou zijn door een dividend of door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, niet van de gefailleerde geëist zal kunnen worden 150 of nog, dat de schuldvordering van een werknemer, of elke andere schuldeiser, die heeft nagelaten een schuldvordering in te dienen in het passief van het faillissement, definitief verloren is.
 
D. «De faillissementsverzekering»
 
46. De zelfstandigen die bona fide failliet zijn gegaan, alsmede de werkende vennoten van failliet verklaarde handelsvennootschappen hebben sinds 1 juli 1995 de mogelijkheid om gedurende vier kwartalen een voortgezette verzekering te genieten, 151 zonder betaling van bijdragen tijdens die periode.
Dit stelsel had evenwel weinig succes, omdat de meeste zelfstandigen, die voor de «gratis» voortgezette verzekering in aanmerking konden komen, de sociale bijdragen (voor de periode voorafgaand aan het faillissement), waarvan de uitbetaling van de gezinsbijslagen en de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen afhangt, niet betaalden. 152
 
47. Daarom werd, ter vervanging van de voornoemde voortgezette verzekering, de zogenaamde «faillissementsverzekering» ingevoerd. De faillissementsverzekering is niet aan te merken als een «verzekering» in de strikte betekenis van het woord, zoals de naam verkeerdelijk doet vermoeden, maar creëert een nieuw stelsel binnen het sociaal statuut der zelfstandigen. 153
 
Naast de reeds bestaande takken van het statuut van de zelfstandige van de familiale uitkering, de uitkering inzake rust- en overlevingspensioenen en de uitkeringen in geval van ziekte of invaliditeit, werd aldus ook uitdrukkelijk een nieuwe tak onder de benaming «de uitkeringen van de sociale verzekering in geval van faillissement», toegevoegd aan art. 1 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bij art. 11 van het K.B. van 18 november 1996, B.S. 22 januari 1997 (in werkingtreding op 1 juli 1997).
 
De «faillissementsverzekering» werd ingevoerd bij K.B. van 18 november 1996, houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (B.S. 13 december 1996, p. 31161).
 
Krachtens art. 29 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de pensioenstelsels kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, zonder de leefbaarheid van het sociaal statuut der zelfstandigen in het gedrang te brengen, alle nuttige maatregelen nemen om een sociale verzekering in te voeren voor gefailleerde zelfstandigen en ermee gelijkgestelde personen, zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten van een handelsvennootschap die failliet werd verklaard.
 
Het K.B. van 18 november 1996 werd bekrachtigd met uitwerking vanaf de datum van zijn inwerkingtreding, ingevolge art. 17, 3�, van de wet van 13 juni 1997 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van twee wetten van 26 juli 1996 (B.S. 19 juni 1997) en gewijzigd door de Wet van 22 februari 1998 en 24 januari 2002 (B.S. 16 februari 2002).
 
Het K.B. van 18 november 1996 werd uitgevoerd bij K.B. van 6 juli 1997 (op zijn beurt uitgevoerd bij M.B. van 23 juli 1997 – model inlichtingsformulier, B.S. 2 augustus 1997, naderhand vervangen bij M.B. van 7 april 1999, B.S. 15 mei 1999) en bij K.B. van 14 januari 1999 (B.S. 24 februari 1999), gewijzigd bij K.B. van 7 september 2003 (B.S. 1 oktober 2003).
 
48. Het K.B. van 18 november 1996 strekt ertoe een stelsel van sociale verzekering in te voeren ten behoeve van gefailleerde zelfstandigen, zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten van handelsvennootschappen die failliet werden verklaard en opent voor de gegadigden een aantaltijdelijke rechten inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, sector van de geneeskundige verzorging, en inzake de gezinsbijslagen. Bovendien, en dat is de belangrijkste vernieuwing, wordt een geïndexeerde uitkering ingevoerd, die ten hoogste gedurende twee maanden zal kunnen worden genoten (vanaf 1 januari 2001: bedragen variërend van 386,86 euro tot 773,73 euro, gebonden aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) naargelang van de periode en naargelang de betrokkene al dan niet een persoon ten laste heeft: zie art. 7 van het K.B. van 18 november 1996 en art. 2 van het K.B. van 7 september 2003, B.S.1 oktober 2003).
 
Deze uitkering moet het inkomen van de gefailleerde zelfstandigen en van de zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten van gefailleerde handelsvennootschappen vervangen vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het faillietverklarend vonnis of op het vonnis van ontbinding van het akkoord tussen de schuldeisers en de gefailleerde schuldenaar. Ten slotte wordt nog bepaald dat de genoemde personen gedurende hun beroepsloopbaan slechts éénmaal dit stelsel van sociale verzekering kunnen genieten. 154
 
Bij de wet van 24 januari 2002 tot wijziging van het K.B. van 18 november 1996 (B.S. 16 februari 2002) werden de toekenningsvoorwaarden eenvoudiger en soepeler gemaakt (er werd een onderscheid aangebracht tussen enerzijds de toekenningsvoorwaarden voor het recht op geneeskundige verzorging en op gezinsbijslag en anderzijds die voor het recht op de financiële uitkering), en het recht op de uit kering werd uitgebreid van twee tot zes maanden, met een lagere uitkering vanaf de derde maand. 155 Personen die een faillissementsverzekering genieten worden gedurende vier kwartalen beschouwd als rechthebbende op een geneeskundige verzorging en gezinsbijslag. 156
 
49. Kenmerkend aan dit stelsel is dat een van de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de rechten opgenomen in het stelsel erin bestaat dat tijdens het jaar dat aan de faillietverklaring of de stopzetting van de zelfstandige activiteit voorafgaat, de voor een zelfstandig hoofdberoep bepaalde bijdragen verschuldigd geweest zijn, maar dat niet vereist is dat de bijdragen ook effectief betaald zijn. 
 
Het stelsel van de faillissementsverzekering is voorts residuair, aangezien de betrokkenen er enkel aanspraak kunnen op maken wanneer ze op geen andere manier sociaal verzekerd zijn. 157
 
50. Naar aanleiding van het idee, begin november 2003, gelanceerd door de toenmalige Minister-President Bart Somers, om startende ondernemers een minimumloon te garanderen, zodat ze minder terugschrikken voor de risico‘s die een eigen zaak inhouden, heeft de ondertussen eveneens toenmalig gedelegeerd bestuurder van de zelfstandigenorganisatie Unizo, Kris Peeters, verklaard, dat er meer behoefte is aan werkloosheidsvergoeding voor de mislukte ondernemers als hun zaak over de kop gaat, dan aan een minimumloon. 158 
 
Door de uitkering opgenomen in de faillissementsverzekering werd voordien reeds in zekere mate tegemoetgekomen aan deze verzuchting. Bepaalde rechtsleer is zelfs van oordeel dat dit stelsel later misschien een aanloop kan zijn naar de werkloosheidsuitkering. 159 
 
XII. NAWOORD EN VOORSTEL TOT AANPASSING VAN DE FAILLISSEMENTSWET
 
51. De nieuwe Faillissementswet wordt gekenmerkt door een steeds betere bescherming van de belangen van voornamelijk de werknemers, maar daartegenover staat dat de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de curator, die met dat doel worden opgelegd door de nieuwe Faillissementswet, aanmerkelijk werden verzwaard.
 
De toename van de verplichtingen van de curator is trouwens niet alleen op het sociaalrechtelijke vlak te situeren. Zo werd hem door art. 19 van de Herstelwet van 4 september 2002 (B.S. 21 september 2002), de plicht opgelegd een aanvangsbalans op te stellen indien die ontbreekt.
 
Het is dan ook niet meer dan normaal dat de curator ook in de praktijk de mogelijkheid wordt geboden om aan die wensen op een soepele en realistische wijze tegemoet te komen, en dat hij zou worden ontheven van tal van andere zinloos geworden, maar risicovolle taken en verplichtingen.
 
Hoewel bepaalde rechtsleer dezelfde mening niet is toegedaan, 160 ben ik van oordeel dat de voordelen van het behouden van de bescherming opgenomen in de wet van 19 maart 1991 en de C.A.O. nr. 5, na faillissement, niet in verhouding staan tot de nadelen die eruit voortvloeien. De beschermingsregelingen kunnen bovendien worden misbruikt door beschermde werknemers, soms ten nadele van de belangen van de overige werknemers.
 
De bescherming kan het totstandkomen van een passend sociaal plan en de eventuele onderhandelingen daartoe tussen de overheid, de curator en de werknemers en hun vakbonden, bemoeilijken. Het voortzetten van de handelsactiviteiten kan onder meer gemotiveerd zijn om de sociale vrede te bewaren, en gebeuren onder voorwaarden overeengekomen met de werknemers.
 
Allereerst is de nieuwe Faillissementswet (in tegenstelling tot de nieuwe wet op het gerechtelijk akkoord, waarbij voorrang wordt gegeven aan preventie), meer nog dan vroeger, strikter georiënteerd op het onherroepelijk uit de markt halen van ondernemingen zonder continuïteitsperspectieven. 161
 
De nieuwe wetgeving maakt het faillissement en het gerechtelijk akkoord complementair. 162
 
Anderzijds gaan de bepalingen van Hoofdstuk III van de C.A.O. nr. 32bis ervan uit dat een overnemer van een gefailleerde onderneming, door het actief over te nemen en vervolgens bepaalde werknemers opnieuw in dienst te nemen, de keuze heeft welke werknemers hij in dienst neemt. Dit werd aldus aangenomen om geen overnemers af te schrikken.
 
De bescherming kan bijgevolg enkel nog betrekking hebben op en van belang zijn voor de periode waarin de curator de handelsverrichtingen eventueel voortzet. Bovendien worden de belangen van de werknemers tijdens die periode bijkomend beschermd door de nieuwe bepalingen die een sociaal overleg verplicht stellen alvorens de handelsverrichtingen voorlopig worden voortgezet. Het is trouwens ook de facto bijzonder moeilijk voor de curatoren om een handelsactiviteit voort te zetten, zonder de volledige medewerking van de werknemers.
 
We kunnen dan ook niet anders dan de motiveringen van de cassatiearresten van 19 april 2004 en 24 juni 2004 toejuichen.
In een arrest dat reeds dateert van 4 december 2002, 163 werd er door de afdeling Brugge van de derde Kamer van Uw Hof terecht op gewezen dat het beter ware geweest indien de wetgever in het raam van de nieuwe Faillissementswet onmiddellijk duidelijkheid had geschapen inzake de gevolgen van het faillissement voor het ontslag van de beschermde werknemers.
 
Dit was nochtans ook de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever. Het tweede lid van art. 46 van het oorspronkelijke ontwerp van Faillissementswet (juli 1992) 164 luidde als volgt: «De curators zijn niet gehouden tot raadpleging van enig orgaan voorafgaand aan het ontslag van de werknemers die een wettelijke of reglementaire bescherming genieten als verkozen of niet-verkozen kandidaat bij de ondernemingsraad of het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, of als vakbondsafgevaardigde». Deze bepaling werd evenwel geschrapt ingevolge een amendement nr. 97 van de regering. 165
 
Uit de parlementaire voorbereidingsstukken blijkt dat dit is gebeurd omdat het nemen van een wetgevend initiatief ter zake zeer delicaat ligt en omdat de wetgeving inzake de ontslagbescherming en die inzake de Faillissementswetgeving elk hun eigen aspiraties hebben.
 
Het amendement nr. 97 van de regering wordt verantwoord met het standpunt dat het niet raadzaam blijkt de arbeidsovereenkomsten anders te behandelen dan de overige overeenkomsten (waarvoor de regeling in art. 45 is opgenomen). 166
 
De schrapping van voormelde bepaling in het ontwerp van Faillissementswet impliceert dat de curator principieel gehouden blijft de voorafgaande procedure tot erkenning van de economische of technische reden voor het ontslag van beschermde werknemers, als geregeld in de wet van 19 maart 1991, na te leven. 167
 
De minister van Justitie heeft in zijn toelichting aan de Kamer op 29 november 1996 toen reeds de vraag gesteld of in faillissementszaken, bij sluiting van de onderneming waarbij ontslag per definitie niet-discriminatoir is, men niet beter afstapt van de schema‘s bepaald in de wet van 19 maart 1991, omdat men anders onvermijdelijk in zeker opzicht een tegenovergestelde discriminatie creëert.
 
Omdat de wetgeving inzake de ontslagbescherming van personeelsafgevaardigden en de faillissementswet elk hun eigen aspiraties hebben en op grond van door het Hof van Cassatie ontwikkelde beginselen (datum van de toelichting van de Minister: 29 november 1996), is, aldus de minister van Justitie, inzake het ontslag van de beschermde werknemers een delicaat evenwicht gevonden. Bovendien argumenteert de Minister dat het initiatief genomen in het vroegere art. 46 van het oorspronkelijke ontwerp en het kritische advies hierop van de Nationale Arbeidsraad (advies nr. 1053 van 6 april 1993) hebben aangetoond dat een wetgevend initiatief terzake zeer moeilijk ligt. De vrees zou bestaan dat het evenwicht wordt verstoord of dat wordt geraakt aan de fundamenten van desbetreffende wetgevingen. 168
 
Aangezien naar mijn oordeel uit de arresten van het Hof van Cassatie van 19 april 2004 en 24 juni 2004 duidelijk volgt dat de curator in geen enkel geval nog een bepaald orgaan zal dienen te raadplegen alvorens een werknemer te ontslaan, kan de wetgeving het best ook in die zin worden aangepast.
Het is raadzaam om de uitzonderingsbepaling zoals destijds opgenomen in het oorspronkelijk wetsontwerp van de Faillissementswet in 1992, toch nog in te voegen in de Faillissementswet, uitgebreid met niet alleen de regeling voor de preventieadviseur en de leden van onder meer de Europese ondernemingsraad, maar tevens met elk orgaan waarvan de raadpleging voorafgaandelijk aan het ontslag van een werknemer verplicht wordt gesteld op grond van om het even welke wettelijke, reglementaire of conventionele bepaling.
 
Bij die gelegenheid kan ook art. 10 van de Faillissementswet worden aangevuld met de verplichting voor de gefailleerde om de door de R.S.Z. aan de werkgever toegekende code die toegang verschaft tot het elektronisch personeelsregister en de overige noodzakelijke identificatiegegevens, mede te delen bij de aangifte van de staking van betalen, en kan anderzijds een specifieke regeling worden ingevoegd om de verdeling van de opzeggingsvergoeding als schuld in of van de boedel te pro rata te bepalen in het geval de curator de arbeidsovereenkomst voortzet.
 
1. H. GEINGER, «Het Faillissement», R.W. 1979-80, (2351), 2352.
2. Vgl. Hand. Senaat 1996-97, 20 juni 1997, nr. 1-498/11, 18; zie tevens de definitie geformuleerd door: W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XIII Handels- en Economisch recht, I, Ondernemingsrecht, Antwerpen/Amsterdam, Standaard, 1975, p. 28, nr. 3, en C. VAN BUGGENHOUT, «Kanttekeningen bij de wetten betreffende het gerechtelijk akkoord en het faillissement», R.W. 1997-98, 449; voor een studie met betrekking tot het groeiend besef, reeds in de eerste helft van de twintigste eeuw, dat het doel van een onderneming meer is dan dit winstbejag: A. DE BERSAQUES, noot onder Kh. Antwerpen 17 juli 1958, R.C.J.B. 1959, (359), 370, nr. 10.
3. H. GEINGER, o.c.R.W. 1979-80, 2351, 2352, 2378.
4. K.B. nr. 11 van 15 oktober 1934, over het gecontroleerd beheer ter uitvoering van de Herstelwet van 31 juli 1934, waarbij aan de Koning bepaalde machten werden toegekend met het oog op het economisch en financieel herstel en de vermindering van de openbare lasten, Verzameling der Wetten en Koninklijke Besluiten, 1934, 2143 (Verslag), 2149 (K.B.); B.S. 15-16 oktober 1934, nr. 288- 289, bleef van kracht tot 31 december 1935, en had, blijkens het Verslag aan de Koning, tot doel het faillissement of een akkoord te vermijden en de onderneming onder de controle te plaatsen van een magistraat. Art. 1 van dat K.B. bepaalde dat de koopman het voordeel van het gecontroleerd beheer kan aanvragen, met het oog op hetzij de reorganisatie van zijn zaken, hetzij de behoorlijke tegeldemaking van zijn actief.
5. The Prestige Group Limited was een multinational die, na een tijdlang een aantal voordelen van de Staat te hebben genoten, het bedrijf in Tessenderlo sloot, zonder dat het verlieslatend was (L. DE SCHRIJVER, «Recht op arbeid meer dan een Prestige-zaak»R.W. 1976-77, (1346), 1358). Art. 1, § 1, van het ontwerp van wet betreffende het beheer met bijstand bepaalde dat een onderneming voor een procedure tot beheer met bijstand in aanmerking komt, indien zij zich in een zodanige financiële toestand bevindt dat zij dreigt te verdwijnen. Opmerkelijk is nog dat in art. 1, § 1, derde lid, 1�, van het ontwerp werd bepaald dat deze procedure alleen toegepast wordt indien het verdwijnen van de onderneming ernstige schade kan veroorzaken aan de economie van het land of van een streek. De procedure kon krachtens art. 2 van het ontwerp van wet worden ingesteld niet alleen op verzoek van de «onderneming» zelf, maar tevens op verzoek van de Minister tot wiens bevoegdheid economische zaken of streekeconomie behoren, de ondernemingsraad, de syndicale afvaardiging, en elke schuldeiser of groep van schuldeisers die ten minste een derde van de schuldenlast vertegenwoordigt. Bij het gewijzigde ontwerp, overgezonden door de Kamer aan de Senaat, werd hier nog de mogelijkheid voor de rechtbank van koophandel om ambtshalve op te treden aan toegevoegd (Parl. St. Kamer 1975-76, nr. 937/1, wetsontwerp, en Parl. St. Senaat 1976-77, nr. 1030/1, ontwerp van wet betreffende het beheer met bijstand).
6. Het Sluitingsfonds werd in 1966 in de eerste plaats opgericht om de betaling van de zogenaamdesluitingsvergoedingen te waarborgen (J. HERMAN, «De werknemer en het faillissement van zijn werkgever», Or.1983, (7), 11). De verschillende sluitingswetten worden gecoördineerd bij de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen (B.S. 9 augustus 2002), waarvan de datum van inwerkingtreding evenwel nog dient te worden bepaald.
7. Wet 8 augustus 1997, B.S. 28 oktober 1997, 28562, inwerkingtreding op 1 januari 1998, krachtens art. 1 van het K.B. van 25 november 1997, B.S. 4 december 1997. Ze werd gewijzigd bij K.B. van 20 juli 2000 (B.S. 30 augustus 2000), bij wet van 4 september 2002 (B.S. 21 september 2002), en vervolgens bij de Programmawet van 8 april 2003 (B.S. 17 april 2003, 19436, 19445). De nieuwe wet betreffende het gerechtelijk akkoord werd gepubliceerd in hetzelfde B.S. van 28 oktober 1997 op blz. 28550 e.v.
8. De nieuwe Faillissementswet en de nieuwe wet op het gerechtelijk akkoord zijn het resultaat van bijna vijftien jaar discussie en parlementaire voorbereiding (Ch.-A. LEUNEN, «Lopende overeenkomsten en het vernieuwde recht van de onderneming in moeilijkheden», T.P.R. 1998, (475), 476). Het initiatief om een nieuwe Faillissementswet op te stellen ging uit van de regering, die in 1987 binnen het departement van Justitie een werkgroep oprichtte, geleid door de heer Krings, emeritus procureur-generaal bij het Hof van Cassatie (Parl. St.Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 2).
9. E. DIRIX, «Faillissement en lopende overeenkomsten», R.W. 2003-04, 201, 203.
10. I. VEROUGSTRAETE, Manuel du curateur de faillite, Brussel Swinnen, 1987, 147; Y. DUMON, «La faillite et le concordat judiciaire. La réforme de 1997», J.T. 1997, (785), 796; E. DIRIX, «Faillissement en lopende overeenkomsten», R.W. 2003-04, (201), 202; Ch.-A. LEUNEN, o.c.T.P.R. 1998, (475), 496; L. ELIAERTS, «Faillissement en het ontslag van de beschermde werknemers», R.W. 2001-02, (905), 906; Cass. 24 juni 2004,R.A.B.G, 2004, 832.
11. Cass. 24 februari 1992, R.W., 1992-93, 157, J.T.T. 1992, 437, wat betreft de beschermde werknemers.
12. J. HERMAN, o.c.Or. 1983, 7-8; K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, «De nieuwe wetten inzake faillissement en gerechtelijk akkoord en het arbeidsrecht», in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, Antwerpen, Kluwer, 1998, p. 243, nr. 8.
13. GUST J.Y. VERHEGGE, «Enkele sociaalrechtelijke problemen als gevolg van een faillietverklaring», Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Arbeidshof op 2 september 1983, R.W. 1983-84, (1442), 1454; R. SWENNEN, Sociaalrechtelijke problemen bij faling, Dossier: Bedrijfssluitings- en arbeidsconflictenrecht, Brugge, Die Keure, 1988, 74.
14. Vgl. Cass. 24 februari 1992, R.W. 1992-93, 157, J.T.T. 1992, 437; Cass. 25 juni 2001, J.T.T. 2001, 362, R.W.2001-02, 485; Cass. 14 oktober 2002, J.T.T. 2003, 109.
15. A. CLOQUET, Les concordats et la faillite, in Les Novelles, IV, Droit Commercial, Brussel, Larcier, 1975, nr. 1447; C. WANTIEZ, «Les principales dispositions sociales des lois relatives au concordat judiciaire et à la faillite», J.T.T. 1997, (457), 463; A. ZENNER en L. JANSSENS, «Faillites et droit social», J.T.T. 1986, (229), 230.
16. Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 11.
17. GUST J.Y. VERHEGGE, «Enkele sociaalrechtelijke problemen als gevolg van een faillietverklaring», Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Arbeidshof op 2 september 1983, R.W. 1983-84, (1442), 1454.
18. Vgl. L. ELIAERTS, o.c.R.W. 2001-02, 905, 907; C. VAN BUGGENHOUT, o.c.R.W. 1997-98, 462.
19. Gent (3e kamer), 4 november 1977, A.R. nr. 37.203, onuitgegeven.
20. Cass. 2 mei 1994, Arr. Cass. 1994, 438; Cass. 16 februari 1995, Arr. Cass. 1995, 181; zie ook: Cass. 8 januari 1997, Arr. Cass. 1997, 41; Cass. 7 mei 1980, Arr. Cass. 1979-80, 1114.
21. Gent (3e kamer), 17 juni 2004, A.R. 94073, onuitgegeven.
22. I. VEROUGSTRAETE, o.c., Swinnen, 1987, 152.
23. J. HERMAN, o.c.Or. 1983, 8.
24. I. VEROUGSTRAETE, o.c., 150.
25. E. DIRIX, o.c.R.W. 2003-04, 201, 211.
26. Parl. St., Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 138, 139, 140 – zie ook de voetnoten.
27. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.) Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, p. 244, nr. 9, voetnoot 13; K. RASSCHAERT en F. VEYS, «Nieuwe faillissementswet en wet gerechtelijk akkoord», Or. 1997, 199, voetnoot (4).
28. Hand., Senaat 1996-97, nr. 1-498/11, p. 123.
29. Ch.-A. LEUNEN, o.c.T.P.R. 1998, 475; A. ZENNER en I. VEROUGSTRAETE, «Voortzetting van lopende overeenkomsten door de curators, verbrekingsvergoedingen en boedelschulden», T.B.H. 2004, (517), 518.
30. Hand., Senaat, 1996-97, nr. 1-498/11, p. 123.
31. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, p. 245, nr. 11.
32. Cass. 24 december 1979, R.W. 1980-81, 410; Cass. 16 maart 1992, R.W. 1992-93, 401; Cass. 26 april 1993,R.W., 1993-94, 507.
33. Arbh. Gent, (afd. Brugge), A.R. 2002/066, 4 december 2002, onuitgegeven.
34. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, p. 146, nr.11; K. RASSCHAERT en F. VEYS, o.c.Or. 1997, 200.
35. Vgl. J. HERMAN, o.c.Or. 1983, 9.
36. Cass. 16 juni 1988, Arr. Cass. 1987-88, 1357, nr. 642 – drie arresten; Cass. 2 mei 1997, R.W. 1997-98, 503.
37. Art. 90 nieuwe Faillissementswet luidt als volgt: «Voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, worden het loon, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, van die wet, en de in het loon begrepen vergoedingen die aan dezelfde personen verschuldigd zijn wegens beëindiging van hun dienstbetrekking, ongeacht of die beëindiging voor of na die faillietverklaring plaats heeft, onder de bevoorrechte schuldvorderingen opgenomen met dezelfde rang en ten belope van dezelfde bedragen als het voorrecht dat aan dezelfde personen wordt toegekend bij artikel 19, 3�bis, van de Hypotheekwet van 16 december 1851».
38. C. VAN BUGGENHOUT, o.c.R.W. 1997-98, 462.
39. Hand., Senaat 1996-97, nr. 1-498/11, p. 151 en 152.
40. Hand., Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 138; I. VEROUGSTRAETE, o.c., 151.
41. Hand., Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 12 – commentaar bij art. 44, dat art. 46 is geworden.
42. C. WANTIEZ, o.c.J.T.T. 1997, 464; Y. DUMON & F. LAGASSE, Faillissement, gerechtelijk akkoord en arbeidsrecht in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, Sociaal Dossier, A.V.I., ced. samsom, 30 maart 2000, p. 21.
43. Ch.-A. LEUNEN, o.c.T.P.R. 1998, 496.
44. Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, p. 21.
45. I. VEROUGSTRAETE, o.c., 152.
46. B. VANDER MEULEN en D. VERCRUYSSE, Praktische gids voor faillissementscuratoren, Mechelen, Kluwer, 2003, 155.
47. Cass. 2 mei 1997, R.W. 1997-98, 503; Ch.-A. LEUNEN, o.c., T.P.R. 1998, 502.
48. Zie ook Antwerpen, 20 maart 2001, R.W. 2002-03, 349.
49. E. DIRIX, o.c.R.W. 2003-04, 210.
50. A. ZENNER en I. VEROUGSTRAETE, o.c.T.B.H., 2004, 523.
51. B. VANDER MEULEN en D. VERCRUYSSE, o.c., 155.
52. A. CLOQUET, o.c.Les Novelles, IV, Droit Commercial, nr. 2247.
53. Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, p. 20.
54. B. VANDER MEULEN en D. VERCRUYSSE, o.c., 28; C. WANTIEZ, o.c., J.T.T. 1997, 457, 464; Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, p. 20; K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, p. 245, nr.10.
55. Arbh. Gent, (afd. Gent) (2e kamer), 17 maart 1999, A.R. 273/ 98, onuitgegeven. Voor een uitgebreide uiteenzetting betreffende de toepassing van de wet 19 maart 1991, zie L. ELIAERTS, Beschermde werknemers, Ondernemingsraad en Comité voor preventie en bescherming op het werk, Brussel, Larcier, 2002.
56. Cass. 4 september 1995, Arr. Cass. 1995, 740.
57. Arbh. Gent, (afd. Gent) (2e kamer), 13 januari 1997, A.R. 225/ 96, onuitgegeven.
58. Cass. 24 februari 1992, R.W. 1992-93, 157, J.T.T. 1992, 437.
59. Vgl. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, p. 247 en 248, nr. 14.
60. C. WANTIEZ, o.c.J.T.T. 1997, 464.
61. Zie voor een overzicht van de gewijzigde rechtspraak voor de periode van vóór 1986, met betrekking tot de toepassing van de wet van 21 september 1948 en de wet van 2 juni 1952: Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., inSchorsingen van de arbeidsovereenkomst, p. 46, e.v.; G. HÉLIN, noot onder Cass. 25 juni 2001, J.T.T. 2001, 362,Ors. 2003, nr. 3, p. 22; V. VANNES, «Le curateur de faillite et le licenciement des travailleurs protégés», J.T.T.1990, 385 e.v.
62. Cass. 13 oktober 1986, J.T.T. 1987, 99.
63. Cass. 15 februari 1988, Pas. 1988, I, 706; Cass. 15 juni 1992, R.W. 1992-93, 779; Cass. 14 maart 1994, R.W. 1994-95, 782, J.T.T. 1994, 285; Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, p. 51 en 54; Arbh. Gent, (afd.Gent) (2e Kamer), 13 januari 1997, T.G.R. 1997, 91, bij welke rechtspraak de wetgever zich, blijkens de parlementaire voorbereiding van de Ontslagbeschermingswet van 19 maart 1991, aansloot, met als argument dat er dan ook geen reden was om de wetgeving op dit punt te wijzigen: Hand. Senaat 1990-91, nr. 1105-2, 42; P. SMEDTS, «Drie jaar toepassing van de Bijzondere Ontslagregelingswet van 19 maart 1991, deel II: Ontslag om economische of technische redenen» Or. 1994, 6-7, 146; G. DEMANET, «La protection des délégués du personnel et des candidats délégués aux conseils d‘entreprise et aux comités de sécurité, d‘hygiène et d‘embellissement des lieux de travail», J.T.T. 1995, deel I, p.1 en deel II, p.17, meer bepaald: p. 19- 20.
64. Cass. 22 februari 1999, Arr. Cass. 1999, nr. 103, p. 246, J.L.M.B., 2000, 180, met noot P. CAVENAILE, R.W.1999-2000, 769, met noot J.R. RAUWS.
65. Cass. 25 juni 2001, J.T.T. 2001, 362, Ors. 2003 nr. 3, p. 22, met noot G. HÉLIN, R.W. 2001-02, 485, met noot W. RAUWS; Cass. 14 oktober 2002, R.A.B.G. 2003, 217, met noot B. LIETAERT; Jaarverslag van het Hof van Cassatie van België, 2000-01, 161.
66. Arbitragehof nr. 58/2002 van 28 maart 2002, B.S. 1 juni 2002, p. 24360 (overweging B.3.2).
67. Cass. 25 juni 2001, J.T.T. 2001, 362, Ors. 2003 nr. 3, p. 22, met noot G. HÉLIN, R.W. 2001-02, 485, met noot W. RAUWS.
68. B. LIETAERT, noot onder Cass. 14 oktober 2002, R.A.B.G. 2003, 217.
69. Arbitragehof nr. 58/2002 van 28 maart 2002, overweging B.10, B.S. 1 juni 2002, p. 24360, J.T.T. 2002, 329.
70. Vgl. G. HÉLIN, noot onder Cass. 25 juni 2001, Ors. 2003 nr. 3, p. 22; W. RAUWS, noot onder Cass. 25 juni 2001, R.W. 2001-02, 485 en vgl. B. NYSSEN, Faillissement en bescherming vervolg en slot..., A.V.I. Arbeidsovereenkomsten, nr. 266, 26 september 2002, ced. samsom, 11, 13.
71. Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst.
72. L. PELTZER, Aanhangigmaking bij het paritair comité om bij faillissement tot ontslag te kunnen overgaan van beschermde werknemers: toelichting van het Hof van Cassatie, in A.V.I. Arbeidsovereenkomsten, ced. samsom, nr. 256, p. 21-24; M. DE VOS en P. HUMBLET, «Bloemlezing arbeidsrecht: juli 2000-juli 2001» (deel 2), Or. 2002, 98.
73. Zie voor een aantal toepassingen:
Overdracht van activa tijdens de voortzetting met het in dienst nemen van bepaalde zelfde werknemers: Cass. 22 februari 1999, Arr. Cass. 1999, 246, J.L.M.B., 2000, 180, met noot P. CAVENAILE, R.W. 1999-2000, 769, met noot J.R. RAUWS; L. ELIAERTS, o.c.R.W. 2001-02, 912. Overdracht van activa tijdens de voortzetting met overname van de arbeidsovereenkomsten (waarvoor de toestemming van de werknemers nodig is): Cass. 26 mei 1961, Pas. 1961, I, 1030; L. ELIAERTS, o.c.R.W. 2001-02, 905-915; B. VANDER MEULEN en D. VERCRUYSSE, o.c., 31. Het bereiken van het einde van de periode van voortzetting: Cass. 22 februari 1999, Arr. Cass. 1999: 246, J.L.M.B., 2000, 180, met noot P. CAVENAILE, R.W. 1999-2000, 769, met noot J.R. RAUWS; Arbh. Gent (afd. Brugge), A.R. 2002/066, 4 december 2002, onuitgegeven. Afwijzing van het verzoek tot tijdelijke voortzetting: L. ELIAERTS, o.c.R.W. 2001-02, 905-915. Volstrekte uitsluiting van de mogelijkheid tot voortzetting: Arbrb. Brussel 31 mei 2001, J.T.T. 2001, 369, geciteerd door o.m. L. ELIAERTS, o.c.R.W. 2001-02, 905, 911. Een feitelijke voortzetting zonder machtiging: Parl. St. Senaat 1990-91, nr. 1105-2, p. 42; ontwerp van wet van 19 maart 1991; vgl. Arbh. Gent (afd. Gent), 7 december 1998, A.R. nrs. 523/96 en A.R. 524/96, onuitg.: afwerking van een schip door de gefailleerde NV Boelwerf; L. ELIAERTS, o.c.R.W. 2001-02, 905, 911.
74. De bescherming van de werknemers die bij de overdrager van een onderneming of bij de gefailleerde wiens activa worden overgenomen, zijn tewerkgesteld, wordt geregeld bij C.A.O. nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die worden overgenomen bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 25 juli 1985 (B.S. 9 augustus 1985, p. 11527) (ter vervanging van de C.A.O. nr. 32 van 28 februari 1978), zelf gewijzigd bij C.A.O. nr. 32ter van 2 december 1986 (K.B. 19 januari 1987, B.S. 28 januari 1987, p. 1185), C.A.O. nr. 32quater van 19 december 1989 (K.B. 6 maart 1990, B.S. 21 maart 1990, p. 5114), C.A.O. nr. 32quinquies van 13 maart 2002 (K.B. 14 maart 2002, B.S. 29 maart 2002, tweede uitgave p. 13382). Deze C.A.O. is de implementatie van de richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, richtlijn 98/ 50/EG van de Raad van 29 juni 1998 tot wijziging van die richtlijn, gecodificeerd in Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001, PB.L., nr. 82, 22 maart 2001, p. 16 (zie onder meer: A. ZENNER en L. JANSSENS, o.c.J.T.T. 1986, 229, 234; C. BAYART, «Outsourcing en overdracht van onderneming – Rechtspraak Hof van Justitie», Or. 2002, 6). De bepalingen van (het Hoofdstuk III van) de C.A.O. nr. 32bis dienen in verband te worden gebracht met de bepalingen van de wet van 12 april 1985 waarbij het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers wordt belast met de uitbetaling van een overbruggingsvergoeding. Zowel de wet van 12 april 1985 als de C.A.O. nr. 32bis geven immers gevolg aan het advies nr. 657 (van 9 juli 1980)(1351/698-I) van de Nationale Arbeidsraad om de toestand te regelen van de werknemers die tengevolge van onder meer faillietverklaring worden ontslagen en door de overnemer van de onderneming opnieuw in dienst worden genomen. (Cass. 5 mei 1997, R.W. 1997- 98, 1075); B. PATERNOSTRE, Overgang van de onderneming inPersoneel, loon en Sociale Wetten, ced.samsom, losbl.werk, 3.27.1/3, 79; R. SWENNEN, «Het sluitingsfonds en de problematiek van het faillissement», in Actuele problemen van Sociaal Recht, Postuniversitaire cyclus W. DELVA, 1986-87, Gent, 1987, 235 en in T.P.R. 1987, 235. De regeling opgenomen in de wet van 12 april 1985, wordt opgenomen in de wet van 26 juni 2002 (B.S. 9 augustus 2002, 34537, err. B.S. 4 december 2002, p. 54485) die de verschillende sluitingswetten coördineert maar waarvan de datum van inwerkingtreding nog moet worden bepaald.
75. Arbh. Gent (afd. Brugge), A.R. 2002/066, 4 december 2002, onuitgegeven.
76. Cass. 19 april 2004, T.B.H. 2004, 543; R.W. 2004-05, 258, met noot I. BOONE.
77. G. HELIN, noot onder Cass. 25 juni 2001, Ors. 2003, 3, p. 22; W. RAUWS, noot onder Cass. 25 juni 2001,R.W. 2001-02, 485 en vgl. Jaarverslag van het Hof van Cassatie van België, 2000-01, 161 en inzonderheid bladzijde 162, eerste regel.
78. Arbh. Antwerpen (afd. Hasselt) A.R. 2000/366, 9 april 2003, onuitgegeven.
79. Arbh. Brussel, (3e kamer), 25 april 2003, A.R. 42.233, onuitgegeven, na verwijzing door Cass. 25 juni 2001, het arrest van Arbh. Gent, (afd. Brugge), 24 november 1998, (7e kamer), A.R. 97/245, vernietigend.
80. L. ELIAERTS, «Bescherming van de vakbondsafvaardiging belast met de opdrachten van het C.P.B.W.»,Soc.Kron., 2002, 2.
81. De C.A.O. nr. 5 van 24 mei 1971 (die wel werd geregistreerd en gepubliceerd – B.S. 1 juli 1971, 8338, maar niet algemeen verbindend werd verklaard) trekt de krijtlijnen van de wijze waarop de vakbondsafvaardiging gestalte moet krijgen. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is echter niet veel meer dan een denkraam dat op sectoraal vlak moet worden geconcretiseerd (P. HUMBLET en J. VANTHOURNOUT, «Oprichting en samenstelling van de vakbondsafvaardiging», Or. 2004/2, 35, voor een overzicht van de sectorale C.A.O. in verband met het statuut van de vakbondsafvaardiging dat afwijkt van de interprofessionele regeling, zie O. VANACHTER «Statuut van de vakbondsafgevaardigden», in CLAEYS en VANROBAYS B.V.B.A., O. VANACHTER (red.) Einde van de arbeidsovereenkomst, in Aanwerven,Tewerkstellen,Ontslaan, IV, 402 en zie tevens L. ELIAERTS, o.c.Soc.Kron., 2002, 1.
82. Dezelfde redenering werd voorheen reeds impliciet toegepast: Arbh. Gent, (afd. Brugge), 4 december 2002, A.R. 2002/066, onuitg.
83. Cass. 6 januari 2003, R.A.B.G. 2003/5, 248, met noot F. HEYMANS, R.W. 2002-03, 1424, met noot W. RAUWS, en zie Arbh.Gent, (afd. Brugge), 24 september 2001, R.W. 2002-03, 987 met conclusie (lees: advies) van substituut-generaal A. LIEVENS en met noot W. RAUWS.
84. P. BRASSEUR, «Tous les conseillers en prévention enfin protégés!», Ors. 2003, nr. 12, p. 14, 15.
85. Parl. St. Kamer, nr. 50 2032/001, 24 september 2002, Samenvatting bij het wetsontwerp betreffende de bescherming van de preventieadviseurs, p. 3.
86. Met werkzekerheidsbedingen worden in het raam van deze uiteenzetting, bedoeld de bedingen in de individuele arbeidsovereenkomst of de individueel normatieve bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst, uit hoofde waarvan individuele werknemers een vastheid van betrekking wordt geboden door, zonder deze volledig uit te sluiten, de macht van de werkgever om tot eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan, te beperken of tijdelijk uit te sluiten. Daarbij dienen de bedingen waarbij de ontslagmogelijkheid van de werkgever tijdelijk wordt uitgesloten of beperkt te worden onderscheiden van de bedingen opgenomen in collectieve arbeidsovereenkomsten die de uitoefening van de ontslagmacht van de werkgever onderwerpen aan zekere informatie- en/of overlegprocedures die vooraf dienen te worden nageleefd of waarbij de werkgever zich ertoe verbindt alternatieve maatregelen te nemen alvorens ontslagmaatregelen te nemen, zoals de invoering van de beurtwerkloosheid (K. RASSCHAERT, «Beperking van de ontslagmacht van de werkgever door werkzekerheidsbedingen: afdwinging bij gebrek aan expliciete sanctieregeling», J.T.T. 1996, (381), 383; vgl. de definitie en omschrijving aangenomen door M. RIGAUX, «Werkzekerheidsbedingen in collectieve arbeidsovereenkomsten», in Actuele problemen van het arbeidsrecht 4, Antwerpen, Maklu, 1993, (441), 447). Zie voor de toetsing van die bedingen aan art. 7 Arbeidsovereenkomstenwet en de openbare orde, onder meer: K. RASSCHAERT, o.c., J.T.T., 1996, 381.
87. Hoofdstuk VII van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling,B.S. 19 februari 1998, ingevoerd ingevolge de aankondiging begin 1997 van de sluiting van het Belgische filiaal van een grote Europese autoconstructeur: Parl. St. Kamer, 1997-98, nr.1269/4-97/98, p. 13.
88. K. RASSCHAERT, o.c.J.T.T. 1996, 381.
89. M. RIGAUX, o.c., in Actuele problemen van het arbeidsrecht 4, 493; K. RASSCHAERT, o.c.J.T.T. 1996, 387.
90. Art. 2.1. van de C.A.O. van 19 april 1999 betreffende het nationaal akkoord 1999-2000, gesloten in het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 29 januari 2002 (B.S. 25 mei 2002) geldig tot en met 31 december 2000, waarvan de geldigheidsduur evenwel tot 31 maart 2001 werd verlengd door de C.A.O. van 18 december 2000, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 4 februari 2002 (B.S. 20 april 2002).
91. Die opzeggingstermijn op zich is thans, na bevestiging in een op ondernemingsvlak gesloten C.A.O., geregeld bij K.B. van 8 december 2003 tot vaststelling van de opzeggingstermijnen in de ondernemingen die ressorteren onder het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw (P.C.111), B.S. 8 januari 2004.
92. Arbh. Gent (afd. Gent), A.R. 150/02, 10 januari 2003, onuitgegeven (verbroken door Cass. van 24 juni 2004, S.03.0110.N).
93. Cass. 24 juni 2004, S.03.0110.N, onuitgegeven.
94. De regeling van de informatieplicht ten opzichte van de werknemers in geval van faillissement is te onderscheiden van de bepalingen die de informatie regelen in geval van sluiting van een onderneming, gepaard gaande met een collectief ontslag, of bij herstructureringen; zie onder meer art. 15 van de wet van 20 september 1948, C.A.O. nr. 9 van 9 maart 1972, C.A.O. nr. 10 van 8 mei 1973, gewijzigd bij C.A.O. nr. 10bis, uitgevoerd bij C.A.O. 10ter van 25 maart 1976 , C.A.O. nr. 10quater en C.A.O. nr. 10quinquies en C.A.O. nr. 24 van 2 oktober 1976, K.B. van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag of nog: art. 4 van de K.B van 20 september 1967 tot uitvoering van de artikelen 3, vierde lid, 5, 15 tweede lid en 17 van de wet van 28 juni 1966 en de «Renaultwet» van 13 februari 1998, B.S. 19 februari 1998. En zie voor een recent gedetailleerd overzicht: M. GOLDFAYS en M.-N. VANDERHOVEN, «L‘information des travailleurs (I)», Ors. 2004 (en niet 2003 – drukfout onderaan de betreffende bladzijden), 2, 3. 
Noot: 
Terwijl de Renaultwet van 13 februari 1998 uitdrukkelijk de toepassing ervan uitsluit in geval van faillissement, ontbreekt deze uitsluiting in de C.A.O. nr. 24 en het K.B. van 24 mei 1976 (zie daarover B. VAN SCHOEBEKE en E. MATHYS, Collectief ontslag en sluiting van onderneming, Brussel, Larcier, 2003, 56 en 57).
95. K. RASSCHAERT en F. VEYS, o.c.Or. 1997, 197.
96. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, 240; K. RASSCHAERT en F. VEYS, o.c.Or. 1997, 197.
97. Parl. St. Senaat 1996-97, nr. 1-498/11, p. 100; een amendement dat ertoe moest leiden uitdrukkelijk in de wet op te nemen dat de raadpleging van de werknemers voorafgaandelijk aan de faillissementsaangifte zou plaatsvinden, werd precies daarom niet aangenomen (Parl. St. Senaat 1996-97, nr. 1-498/11, p. 207) (K. RASSCHAERT, F. FEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, 241).
98. J.-C. BODSON, noot onder Bergen, 28 juni 1990, Soc.Kron. 1990, 383.
99. Algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 12 september 1972, B.S. 25 november 1972.
100. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, 241 en 242; K. RASSCHAERT en F. VEYS, o.c.Or. 1997, 198.
101. Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, 15.
102. De voorlopige voortzetting impliceert een vraag tot machtiging, in afwachting van het gevolg dat eraan wordt gegeven: Hand., Kamer, 1995-96, nr. 329/17, p. 12.
103. C. WANTIEZ, o.c.J.T.T. 1997, 462; Y. DUMON & F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, 15.
104. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, 242.
105. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, 242-243; K. RASSCHAERT, F. VEYS, o.c., Or. 1997, 198.
106. Parl. St. Senaat 1996-97, nr. 1-498/11, p. 124.
107. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, 242-243; K. RASSCHAERT en F. VEYS, o.c., Or. 1997, 198.
108. K. RASSCHAERT, F. VEYS, H. VAN HOOGENBEMT, o.c., in H. BRAECKMANS, E. DIRIX, E. WYMEERSCH (red.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, p. 248-249, nr. 15; K. RASSCHAERT en F. VEYS, o.c.Or. 1997, 201.
109. Hand. Senaat, 1996-1997, nr. 1-498/11, p. 151, 152.
110. Parl. St. Kamer, ontwerp van Programmawet, Doc. 50 2343/ 001, p. 27 (bespreekt art. 63, dat art. 64 is geworden); B. WINDEY, «Faillissement, gevolgen – Rechten van schuldeisers – werknemers – nieuwe verplichtingen curator – Programmawet van 8 april 2003», T.B.H. 2003, (555), 556; zie ook: E. CARLIER «De vordering tot betaling van het loon: een bevoorrechte schuldvordering» (noot onder Kh. Leuven, 20 juni 2002),R.A.B.G. 2003, (1209), 1211.
111. Zie K.B. nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten; K.B. van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten; K.B. van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, overeenkomstig artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels,B.S. 20 november 2002, Programmawet I van 24 december 2002, Hoofdstuk 16 «Onmiddellijke aangifte bij tewerkstelling (Dimona)» – artikelen 204 tot 208, B.S. 31 december 2002; wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, B.S. 5 februari 2003; K.B. van 25 februari 2003 tot wijziging van het K.B. van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten, B.S. 5 maart 2003.
112. I. JEHAES en M. DAUPHIN, DIMONA – vereenvoudiging sociale documenten – Administratieve boetes, inSociaal Recht Nieuwsbrief, ced. samsom, Jaargang 1, nr. 1049, 3.
113. I. JEHAES en M. DAUPHIN, ibid.
114. Ontwerp van Programmawet, Parl. St. Kamer, Doc.50 2343, p. 27.
115. B. WINDEY, o.c.T.B.H. 2003, 555.
116. J. HERMAN, o.c.Or. 1983, 8; I. VEROUGSTRAETE, o.c., 151.
117. Y. DUMON & F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, 77.
118. I. VEROUGSTRAETE, o.c., 151.
119. B. VANDER MEULEN, D. VERCRUYSSE, o.c., 225.
120. GUST J.Y. VERHEGGE, o.c.R.W. 1983-84, 1454.
121. Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, 78.
122. Arbh. Brussel 13 september 1989 J.T.T. 1990, 361; P. COPPENS, F. T‘KINT, «Examen de jurisprudence, 1984 à 1990, Les Faillites, les concordats et les privilèges», R.C.J.B. 1991, p. 325, nr. 19.
123. Hand. Kamer, 1996-97, nr. 329/17 – 95/96, 148.
124. C. WANTIEZ, o.c.J.T.T. 1997, 457, 465 en Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, 79.
125. GUST J.Y. VERHEGGE, o.c.R.W. 1983-84, 1454 e.v.; A. ZENNER, L. JANSSENS, «Faillites et droit social», J.T.T. 1986, 229 (en niet 292).
126. Amendement nr. 124, Parl. St. Kamer, 1995-96, nr. 330/12, p. 6.
127. De wijzigingen van de artikelen 40, 67 en 68 hebben het voorwerp uitgemaakt van een verzoek tot vernietiging bij het Arbitragehof. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen bij arrest van 22 juli 2003 nr. 107/03, (B.S. 24 november 2003, p. 65460) en het verzoekschrift tot vernietiging bij arrest van 19 mei 2004, nr. 91/04 (B.S. 29 juni 2004, p. 52917).
128. Parl. St., Kamer, Doc. 50, 2343/001, 25; Parl. St. Kamer, 2002- 03, Doc.50-2343/017, p. 10-11; B. WINDEY,o.c.T.B.H. 2003, 555.
129. Parl. St. Kamer Doc.50, 2343/001, p. 26.
130. Parl. St. Kamer, Doc.50, 2343/001, p. 26.
131. B. WINDEY, o.c.T.B.H. 2003, 556.
132. Parl. St. Kamer, 2002-03, Doc. 50- 2343/001, p. 25, 26.
133. Vr. en Antw. Kamer, 2003-04, 27 januari 2004, CRIV 51 COM 139, p. 6 e.v.
134. F. PIRARD, «Het Vlaams Herplaatsingsfonds – Financiering outplacement – Verruiming opdracht en algemene wijzigingen», Sociaal Recht, Nieuwsbrief, ced. samsom, nr. 1078, 27 november 2003, p. 3.
135. Hand. Senaat 1996-97, nr. 1-498/11, p. 19, 20.
136. K.B. van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (B.S. 13 december 1996, p. 31161).
137. De opgeworpen schending van het gelijkheidsbeginsel doordat de wetgever de rechter niet toestaat de kwijtschelding toe te kennen voor de schulden van een gefailleerde die blijven bestaan na de sluiting van het faillissement, werd verworpen bij arrest van het Arbitragehof van 12 mei 2004, nr. 83/04, omdat een kwijtschelding reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een bespreking in het raam van de verschoonbaarheid (zie website Arbitragehof en J.L.M.B. 2004, 1040).
138. Het verzoek tot vernietiging bij het Arbitragehof wegens het ontbreken van terugwerkende kracht van de mogelijkheid tot verschoonbaarverklaring, werd verworpen bij arrest van 5 mei 2004, nr. 68/04, B.S. 21 mei 2004.
139. Arbitragehof nr. 11/2003, 22 januari 2003, R.A.B.G. 2003, 1175; Arbitragehof nr. 39/2003, 3 april 2003, B.S. 5 juni 2003, p. 30689.
140. N. DEVOS, noot onder Arbitragehof nr. 28/2004, 11 februari 2004, B.S. 27 februari 2004, R.A.B.G. 2004, 388.
141. Omzendbrief van het College van Procureurs-generaal COL 10/2003, 23 juli 2003, 7, http://just.fgov.be – omzendbrieven.
142. De zinsnede «kan niet vervolgd worden door zijn schuldeisers» werd vervangen door de woorden «de schulden gaan teniet», bij de eerste Reparatiewet van 4 september 2002, omdat enerzijds het Hof van Cassatie bij arrest van 16 november 2001 had aangenomen dat de borg zich niet op de verschoonbaarheid van de gefailleerde kan beroepen omdat (tot de voornoemde aanpassing) de schulden niet tenietgaan (Cass. 16 november 2001, C11430F, website F.O.D), terwijl dit anderzijds door het Arbitragehof werd aangenomen als een schending van het gelijkheidsbeginsel (C. LEBON, noot onder Arbitragehof, 28 maart 2002, R.W. 2002-03, 457).
143. I.V., »Overbodige verschoonbaarheid» (noot onder Kh. Brussel, 23 september 2003), T.B.H., 2004, 82, en N. DEVOS, noot onder Arbitragehof 11 februari 2004, nr. 28/2004, R.A.B.G. 2004, 388.
144. Zie voor een uitgebreid overzicht, met betrekking tot de bepalingen inzake de verschoonbaarheid, A. DE WILDE, «Reparatiewet Faillissement», R.W. 2002-03, (561), 569 en Ch.-A. LEUNEN, o.c., T.P.R. 1998, 504; zie ook: M. VANMEENEN en M. DE THEIJE, «Roeien met de gegeven riemen: Een praktische benadering van de verschoonbaarheid», R.W. 2003-04, 1552.
145. J. HERMAN, o.c.Or. 1983, 7 en 11.
146. Hand. Senaat, 1996-1997, nr. 1-498/11, p. 11, 12 en 19; gemeenschappelijke omzendbrief van het College van Procureurs- generaal COL. 06/98, 25 juni 1998, 28, http://just.fgov.be – omzendbrieven; Parl. St. Kamer, 1996-97, nr. 329/17-95/96, p. 12.
147. Omzendbrief COL. 10/2003 van het College van Procureurs- generaal, 23 juli 2003, 8, http://just.fgov.be – omzendbrieven.
148. Brussel, 4 februari 2003, R.W. 2003-04, 590.
149. Zie wat de ongewilde gevolgen van de vrijstelling voor de borgen betreft, ten opzichte van de door de banken te verlenen kredieten o.m.: C. LEBON, «Het Arbitragehof en de Reparatiewet Faillissement op hetzelfde spoor: borg en echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde bevrijd» (noot onder Arbitragehof 28 maart 2002), R.W. 2002-03, 458 en G.-A. DAL, «L‘excusabilité dans la loi du 4 septembre 2002: réparation ou bricolage?», J.T.T. 2003, (633), 637; zie ook voor het verleden: Arbitragehof 12 mei 2004, nr. 78/2004, J.L.M.B.2004,1032).
150. Y. DUMON en F. LAGASSE, o.c., in Schorsingen van de arbeidsovereenkomst, 22 en 23.
151. Hand.. Kamer, 1995-96, nr. 607/9-95/96, p. 251, K.B. van 7 april 1995 (B.S. 18 mei 1995) zoals van kracht tot 1 juli 1997, en verder voor de personen, wier faillissement werd uitgesproken vóór 1 juli 1997; M. GOLDFAYS, ««Assurance sociale» et travailleurs indépendants faillis», Chronique Législative, J.T.T. 1997, 317.
152. Officieuze coördinatie van de teksten, losbladig, R.S.V.Z., Commentaar bij de Sociale Faillissementsverzekering, CFAIL.2.
153. M. GOLDFAYS, o.c.J.T.T. 1997, 317; Officieuze coördinatie van de teksten, losbladig, R.S.V.Z., Commentaar bij de Sociale Faillissementsverzekering, CFAIL.3.
154. Advies van de Raad van State voor het K.B. 18 november 1996, B.S. 13 december 1996, p. 31164.
155. Officieuze coördinatie van de teksten, losbladig, R.S.V.Z., Commentaar bij de Sociale Faillissementsverzekering, CFAIL.10.
156. Officieuze coördinatie van de teksten, losbladig, R.S.V.Z., Commentaar bij de Sociale Faillissementsverzekering CFAIL.12; art. 6 van het K.B. van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van zelfstandigen, art. 4, 5�, van het K.B. van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de gecoördineerde Ziektewet van 14 juli 1994 tot onder meer de zelfstandigen wordt verruimd.
157. Officieuze coördinatie van de teksten, losbladig, R.S.V.Z., Commentaar bij de Sociale Faillissementsverzekering, CFAIL.4 en 5.
158. Nieuwsblad, 21 november 2003, 4, W.W.I.
159. M. GOLDFAYS, o.c.J.T.T. 1997, 317.
160. M. VAN PUTTEN, «Het ontslag van beschermde werknemers in geval van faillissement», Or. 2002, 133 en 145.
161. Gemeenschappelijke omzendbrief van het College van Procureurs-generaal COL. 06/98, van 25 juni 1998, 1, 3 en 20, http://just.fgov.be – omzendbrieven, onder verwijzing naar I. VEROUGSTRAETE, «De nieuwe wetten op het faillissement en het akkoord», Cah.jur. 1997/1, 1; Ch.-A. LEUNEN, o.c.T.P.R. 1998, 476.
162. Hand. Senaat 1996-97, nr. 1-498/11, p. 19; Parl. St. Kamer, 1996-97, nr. 329/17-95/96, 3.
163. Arbh. Gent, (afd. Brugge) (3e kamer), 4 december 2002, A.R. 2002/066, onuitgegeven.
164. Parl. St.Kamer B.Z. 1991-92, nr. 631/1-91/92, p. 23, 24, 26 en 133; Hand. Kamer, 1994-95, nr. 631/13 – 91/92,52 e.v., www.dekamer.be – wetsontwerpen, zittingsperiode 48.
165. C. WANTIEZ, o.c.J.T.T. 1997, 463.
166. Parl. St. Kamer, 1994-95, nr. 631/11 – 91/92 (B.Z.) 2, www.dekamer.be – wetsontwerpen, zittingsperiode 48.
167. Hand. Kamer, 1996-97, nr. 329/17-95/96, p. 141 en 142.
168. Dit standpunt lijkt nochtans verwonderlijk, aangezien noch uit dat advies nr. 1053 (dat aansluit op het advies nr. 1036 van 28 juli 1992) noch uit de bijlagen ervan blijkt dat dit evenwicht zou worden verstoord. Er wordt immers enkel opgemerkt dat de (toen bekende) rechtspraak van het Hof van Cassatie enkel betrekking heeft op de ondertussen bij wet van 19 maart 1991 vervangen beschermingsbepalingen, meer niet (advies N.A.R. nr. 1053 van 6 april 1993, 11 en bijlage 2, 9). De Nationale Raad heeft echter wel in het algemeen geoordeeld dat de faillissementsprocedure essentieel een handelsrechtelijke aangelegenheid is, reden waarom de Raad meent dat de desbetreffende wetgeving niet het geëigende kader vormt voor de voornoemde materies (de beëindiging of voortzetting van de arbeidsovereenkomsten en de afdanking van de werknemersvertegenwoordigers, waarvoor de curator, blijkens het ontwerp, geen orgaan hoeft te raadplegen) (advies blz. 9) (zie ook: L. ELIAERTS, o.c.R.W.2001-02, 907).

 

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 20/05/2016 - 18:36
Laatst aangepast op: vr, 20/05/2016 - 18:36
Inhoud syndiceren

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.