-A +A

Openbare verkopen Overzicht rechtspraak

Publicatie
Auteur: 
Terryn, E.
Auteur: 
KEIRSBILCK, B
Tijdschrift: 
TPR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015-3/4
Pagina: 
1657
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

 

  • a. Artikel VI.80 WER (oud artikel 71 WMPC): principiële toelaatbaarheid van het gezamenlijk aanbod aan de consument
  • b. Artikel VI.81 WER (oud artikel 72 WMPC): verbod van gezamenlijk aanbod waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: wo, 24/08/2016 - 15:53
Laatst aangepast op: wo, 24/08/2016 - 15:53

Gezamenlijk aanbod Overzicht rechtspraak

Publicatie
Auteur: 
Terryn, E.
Auteur: 
KEIRSBILCK, B
Tijdschrift: 
TPR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015-3/4
Pagina: 
1657
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

 

  • a. Artikel VI.80 WER (oud artikel 71 WMPC): principiële toelaatbaarheid van het gezamenlijk aanbod aan de consument
  • b. Artikel VI.81 WER (oud artikel 72 WMPC): verbod van gezamenlijk aanbod waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: wo, 24/08/2016 - 15:48
Laatst aangepast op: wo, 24/08/2016 - 15:48

Buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten Overeenkomsten

Publicatie
Auteur: 
Terryn, E.
Auteur: 
KEIRSBILCK, B
Tijdschrift: 
TPR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015-3/4
Pagina: 
1657
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

Buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten
Inleiding (TERRYN, E.)
a. Toepassingsgebied
b. Informatieverplichtingen
c. Herroepingsrecht

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: wo, 24/08/2016 - 15:44
Laatst aangepast op: wo, 24/08/2016 - 15:44

Vergoeding van schade bij rampen in België en Nederland

Publicatie
Auteur: 
Hartlief T
Auteur: 
Faure M
Tijdschrift: 
TPR
Jaargang: 
2015-3/4
Pagina: 
991
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Inhoud

II. Theoretisch kader

A. Technologische risicoaansprakelijkheid: prikkels tot preventie

solvabiliteitsgaranties

spoed procedures

beperking van het aansprakelijkheidsrecht

B. Natuurrampen

overheid aansprakelijkheid

Firtst Party rampenverzekering potentieel

…. Maar ook problemen

… En ook toch oplossingen

C. Rol van de overheid

III vergoeding van schade veroorzaakt door technologische rampen in België

IV vergoeding van schade veroorzaakt door technologische rampen in Nederland

V vergoeding van schade veroorzaakt door natuurrampen in België

VI vergoeding van schade veroorzaakt door natuurrampen in Nederland

V. Vergelijkenende slotbedenking

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: wo, 24/08/2016 - 15:25
Laatst aangepast op: wo, 24/08/2016 - 15:25

De persoon achter de dader

Publicatie
Auteur: 
Nita Bakker
Uitgever: 
Universiteit van Amsterdam
Samenvatting

De relevantie van Rapportage Pro Justitia bij moord en doodslag door minderjarigen.

In dit artikel wordt gekeken naar de relevantie van het persoonlijkheidsonderzoek en de rapportage Pro Justitia bij minderjarigen die betrokken zijn geweest bij moord of doodslag. Er zijn 137 minderjarigen bij het onderzoek betrokken.

De onderzoeksmethodes zijn literatuuronderzoek en dataanalyse.

De dossiers van de betrokken minderjarigen zijn geanalyseerd aan de hand van een gestandaardiseerde vragenlijst en verwerkt in een bestand om statistische analyses uit te voeren. De bevindingen komen grotendeels overeen met eerder onderzoek. Het persoonlijkheidsonderzoek en de bijbehorende rapportage zijn zeer relevant voor zaken waarin een zwaar delict als moord of doodslag gepleegd is.

Toch wordt het niet altijd uitgevoerd bij deze zaken.

Wanneer het wel wordt uitgevoerd is de kwaliteit heel verschillend; er is te weinig uniformiteit en bevindingen worden te weinig onderbouwd.

Op sommige relevante vragen wordt geen antwoord verstrekt en belangrijke gegevens van betrokkenen worden niet altijd verschaft. Een oplossing zou kunnen zijn om een handleiding te maken voor het persoonlijkheidsonderzoek en de manier van rapporteren.
 

Inhoudstafel tekst: 

Lees de integrale publicatie via deze link

Abstract 5
Inleiding 6
1. Theoretisch kader 8
1.1 Persoonlijkheidsonderzoek en rapportage Pro Justitia 8
1.1.1 Aanvraag en opzet 8
1.1.2 Inhoud 10
1.1.3 Uitslag 12
1.1.4 Kritiek 14
1.1.5 Verbetering 15
1.2 Moord en Doodslag door minderjarigen 17
1.2.1 Operationalisatie 17
1.2.2 Nationaal en Internationaal 17
1.2.3 Onderverdeling 18
1.3 Afdoening 19
1.3.1 Sancties 19
1.3.2 PIJ 21
1.3.3 Minderjarigenstrafrecht en volwassenstrafrecht 21
2. Vraagstelling 24
2.1 Hoofdvraag 24
2.2 Deelvragen 24
3. Methode van onderzoek 25
3.1 Onderzoeksgroep 25
3.2 Procedure 25
4. Resultaten 27
4.1 Algemeen 27
4.1.1 Daders 27
4.1.2 Slachtoffers 29
4.1.3 Delict 30
4.2 Persoonlijkheidsonderzoek 31
4.2.1 Toerekeningsvatbaarheid 31
4.2.2 Advies sanctie 32
4.3 Afdoening 34
4.3.1 Vergelijking vonnis en toerekeningsvatbaarheid 34
4.3.2 Vergelijking vonnis en advies 34
4.3.3 Zwaardere straffen? 35
5. Conclusie 37
5.1 Inleiding 37
5.2 Deelvraag Moord en Doodslag 37
5.3 Deelvraag Persoonlijkheidsonderzoek 38
5.4 Deelvraag Afdoening 40
5.5 Hoofdvraag 42
6. Discussie 43
6.1 Aanbevelingen 43
6.2 Beperkingen van het onderzoek 45
6.3 Verder onderzoek 46
Literatuur 47
Bijlage 1: Subtypen Moord en Doodslag 51
Bijlage 2: Voorkomende stoornissen 53
Bijlage 3: Sancties 54
Bijlage 4: Standaardverslag rapportage Pro Justitia 55
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 20/08/2016 - 12:08
Laatst aangepast op: za, 20/08/2016 - 12:08

De omschrijving van de buitengewone kosten van een kind en de mogelijkheid tot forfaitaire bepaling van de bijdrage erin.

Publicatie
Auteur: 
Senaeve P
Tijdschrift: 
T.Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016/6
Pagina: 
152
Samenvatting

De bepalingen van de artikelen 203, §1, en 203bis, §1, §2 en §3, Burgerlijk Wetboek en van artikel 1321, §1, 2° en 3°, en §2, 1°, Gerechtelijk Wetboek sluiten niet uit dat de rechter in bijzondere omstandigheden ook de bijdrage in de buitengewone kosten forfaitair bepaalt.

Noot onder Cass. 19 november 2015, juridat

Cass. 19 november 2015, juridat

Nr. C.13.0335.N
T. C.,
eiseres,
toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 28 juni 2013 (nr. G.13.0062.N),

tegen
P. S.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne van 17 januari 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 19/08/2016 - 15:13
Laatst aangepast op: vr, 25/11/2016 - 19:03

Wet Financiële zekerheden:Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten

Afkondiging: 
woe, 15/12/2004
Tekst van de wetgeving: 

Wet Financiële zekerheden:Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten van 15/12/2004

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Deze wet heeft de omzetting tot doel van richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiële-zekerheidsovereenkomsten.

Onverminderd de wetgeving inzake consumentenbescherming, voert zij een specifieke regeling in voor de zakelijke zekerheden met betrekking tot financiële instrumenten of contanten, en voor de nettingovereenkomsten.

Wat de bepalingen van de hoofdstukken II tot X betreft, mag naar deze wet worden verwezen onder het opschrift "Wet betreffende de financiële zekerheden".

HOOFDSTUK II. - Definities.

Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1° "financieel instrument" : [2 de categorieën van instrumenten als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, ongeacht of deze verhandelbaar zijn op de kapitaalmarkt]2 , een recht op of ten aanzien van een dergelijk financieel instrument, met inbegrip van een recht van mede-eigendom, van onlichamelijke aard, dat wordt gevestigd op de universaliteit van financiële instrumenten van dezelfde aard in de zin van artikel 2, derde lid, van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten of van artikel 468, vijfde lid, van het Wetboek van vennootschappen of van artikel 3, eerste lid, van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetaire beleidsinstrumentarium, of een vordering ten aanzien van een dergelijk financieel instrument;

2° "contanten" : de rechten die voortvloeien uit op een rekening gecrediteerde gelden in ongeacht welke valuta, met uitzondering van chartaal geld, alsook soortgelijke vorderingen tot restitutie van geld;

3° "zakelijke-zekerheidsovereenkomsten" : de volgende overeenkomsten, alsook naar buitenlands recht gesloten soortgelijke overeenkomsten :

a) de pandovereenkomsten;

b) de overeenkomsten die leiden tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, inclusief cessieretrocessieovereenkomsten ("repo's");

4° "nettingovereenkomsten" : de overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking;

5° "insolventieprocedure" : het faillissement, [1 de gerechtelijke reorganisatie]1, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure die de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst van die realisatie onder, naargelang van het geval, de schuldeisers, de aandeelhouders, de vennoten of de leden behelst, alsook elke saneringsmaatregel die enigerlei optreden van Belgische of buitenlandse administratieve of rechterlijke instanties met zich brengt en die bestemd is om de financiële positie in stand te houden of te herstellen, en van dien aard is dat zij de bestaande rechten van derden aantast, inclusief onder meer elke maatregel die een opschorting van de betalingen, een opschorting van de uitvoeringsmaatregelen of een vermindering van de schuldvorderingen behelst;

6° "partijen" :

a) voor de overeenkomsten bedoeld in punt 3°, a), de pandhoudende schuldeiser, de pandgevende schuldenaar, de derde pandhouder of de derde pandgever;

b) voor de overeenkomsten bedoeld in punt 3°, b), de overdrager en de overnemer, de koper op termijn en de verkoper op termijn.

7° "wanprestatie" : elke wanprestatie alsook elke tussen de partijen van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van de gewaarborgde verbintenis overeengekomen of bij de wet bepaalde gebeurtenis op grond waarvan de begunstigde van een zakelijkezekerheidsovereenkomst gerechtigd is de zekerheid te realiseren;

8° "gelijkwaardige financiële instrumenten" : financiële instrumenten met dezelfde kenmerken en ter waarde van hetzelfde bedrag of financiële instrumenten die, bij overeenkomst, als dusdanig worden aanvaard;

9° "marge-opvraging" : de financiële instrumenten [2 , bankvorderingen]2 of contanten die als zekerheid worden verschaft of in het kader van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst worden overgedragen, en die bestemd zijn om, tijdens de duur van de overeenkomst, het overeengekomen evenwicht tussen de prestaties van de partijen of van de bij de gewaarborgde verbintenis betrokken partijen te bewaren, hetzij met betrekking tot één bepaalde transactie, hetzij met betrekking tot alle of een deel van hun transacties.

[2 10° "bankvorderingen" : de geldelijke vorderingen voortvloeiend uit een overeenkomst krachtens dewelke :

- een kredietinstelling, zoals gedefinieerd in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingenof een in artikel 2, § 1, 1°, van dezelfde wet bedoelde entiteit;

- een hypotheekonderneming in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;

- een persoon of een onderneming die kredieten toestaat bedoeld in artikel 1, 4°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;

- iedere andere buitenlandse rechtspersoon die in zijn land van oorsprong tot één van de hierboven bedoelde categorieën behoort;een lening of een krediet toestaat;]2

[2 11° publieke of financiële rechtspersoon" :

a) een kredietinstelling in de zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;

b) een beleggingsonderneming in de zin van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;

c) een verzekeringsonderneming in de zin van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;

d) een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van Deel III van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

e) een instelling voor collectieve belegging in de zin van Deel II van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

f) een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie en een clearing house in de zin van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;

g) een financiële instelling in de zin van deze wet;

h) een Belgische of buitenlandse rechtspersoon bedoeld in artikel 5 die in eigen naam, maar voor rekening van begunstigden van zekerheden optreedt;

i) een overheidsinstantie (exclusief ondernemingen met overheidsgarantie), inclusief instellingen behorend tot de overheidssector die belast zijn met of een rol spelen bij het beheer van de overheidsschuld en instellingen behorend tot de overheidssector die zijn gemachtigd om voor klanten rekeningen aan te houden;

j) de Nationale Bank van Belgïe, de Europese Centrale Bank, de Bank voor Internationale Betalingen, een multilaterale ontwikkelingsbank als bedoeld in deel 1, afdeling 4, van bijlage VI bij Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Investeringsbank;

k) iedere andere buitenlandse rechtspersoon die in zijn land van oorsprong tot één van de categorieën behoort bedoeld in artikel 1.2 a) tot en met d) van de Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 2 juni 2002 betreffende financiëlezekerheids-overeenkomsten;]2
[2 12° "financiële instelling" : een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of de uitoefening van één of meer werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot en met 12 van paragraaf 2 van artikel 3 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, waaronder met name :

a) een hypotheekonderneming in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;

b) een onderneming die consumentenkredieten verstrekt in de zin van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;

c) een onderneming gespecialiseerd in financieringshuur of "leasing" in de zin van het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967, tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur;

d) een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld in de zin van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, tot de beroepsmatige uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen.]2
----------
(1)<KB 2010-12-19/15, art. 43, 003; Inwerkingtreding : 03-02-2011>
(2)<W 2011-09-26/19, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

HOOFDSTUK III. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen.

Art. 4.§ 1. Deze wet is van toepassing op de zakelijke-zekerheidsovereenkomsten :

1° op financiële instrumenten die zijn overgemaakt aan de begunstigde van de zekerheid of aan de persoon die voor zijn rekening optreedt;

2° of op contanten die bij overeenkomst in pand zijn gegeven of zijn overgedragen ten gunste van de begunstigde van de zekerheid of aan de persoon die voor zijn rekening optreedt;

[1 3° of op bankvorderingen die bij overeenkomst in pand zijn gegeven of zijn overgedragen ten gunste van de begunstigde van de zekerheid of van de persoon die voor zijn rekening optreedt.]1

Voor de toepassing van het eerste lid, 1° [1 ...]1, volstaat het aan te tonen dat de als zekerheid verschafte activa daadwerkelijk zijn geleverd, overgedragen, gehouden, ingeschreven in een register of anderzijds gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of onder de controle komen van de begunstigde van de zekerheid of de persoon die voor rekening van die begunstigde optreedt.

De inbezitstelling van op rekening geboekte financiële instrumenten kan inzonderheid geschieden door de creditering van die instrumenten op een speciale rekening geopend op naam van de zekerheidsverschaffer of van de begunstigde van de zekerheid of van een derde pandhouder. Het feit dat de als zekerheid verschafte activa in de boeken van een bemiddelaar worden ingeschreven, belet die bemiddelaar niet om, met betrekking tot die activa, te handelen als een partij.

[1 voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, volstaat het dat de contanten of de bankvordering voldoende bepaald of bepaalbaar zijn op grond van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst.]1

§ 2. Deze wet is ook van toepassing op nettingovereenkomsten.

[1 § 3. De artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze wet kunnen in de hierna genoemde gevallen niet ingeroepen worden, tenzij de schuldeiser zich kan beroepen op een wanbetaling :

a) ongeacht de aard van schuldeisers, vanaf het verzoek tot of de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie van een andere persoon dan deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze wet, tijdens de duur van die procedure;

b) door een schuldeiser die een andere persoon is dan deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze wet, vanaf het verzoek tot of de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie van een publieke of financiële rechtspersoon, tijdens de duur van die procedure.

Het eerste lid is niet van toepassing :

a) wanneer een schuldeiser die zich op schuldvergelijking of schuldvernieuwing beroept op basis van een nettingovereenkomst zich niet eveneens beroept op een ontbindend beding, een ontbindende voorwaarde of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

b) bij de realisatie van een zakelijke zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat betreft enig beroep in dat kader op een nettingovereenkomst of de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

c) op zakelijke zekerheden, nettingovereenkomsten en ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, wanneer die zijn overeengekomen naar aanleiding van derivaten of andere financiële verrichtingen zoals omschreven door de Koning bij een met de Nationale Bank van België overlegd besluit. Bij de samenstelling van deze lijst van types van verrichtingen houdt de Koning rekening met het belang van de in het eerste lid geviseerde mechanismes voor de normale werking van de betrokken verrichtingen en voor de markten waarin deze worden aangewend en meer algemeen met de Belgische en internationale marktpraktijken.]1

[1 § 4. Wanneer de Koning een daad van beschikking vaststelt in de zin van artikel 26bis, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, van artikel 57bis, § 1, van wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen of van artikel 23bis, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, kunnen de artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze wet niet worden ingeroepen door andere medecontractanten dan deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze wet tenzij de medecontractanten zich kunnen beroepen op een wanbetaling.

Het eerste lid is niet van toepassing :

a) wanneer een schuldeiser die zich op schuldvergelijking of schuldvernieuwing beroept op basis van een nettingovereenkomst zich niet eveneens beroept op een ontbindend beding, een ontbindende voorwaarde of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

b) bij de realisatie van een zakelijke zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat betreft enig beroep in dat kader op een nettingovereenkomst of de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

c) op zakelijke zekerheden, nettingovereenkomsten en ontbindende bedingen en voorwaarden en de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, wanneer die zijn overeengekomen naar aanleiding van derivaten of andere financiële verrichtingen zoals omschreven door de Koning bij een met de Nationale Bank van België overlegd besluit. Bij de samenstelling van deze lijst van types van verrichtingen houdt de Koning rekening met het belang van de in het eerste lid geviseerde mechanismes voor de normale werking van de betrokken verrichtingen en voor de markten waarin deze worden aangewend en meer algemeen met de Belgische en internationale marktpraktijken.]1
----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

Art. 4/1.[1 § 1. [2 Onverminderd titel III van de wet betreffende het hypothecair krediet, zijn de artikelen 5 en 92, derde lid, van de Hypotheekwet van 16 december 1851 niet van toepassing wanneer een bankvordering, gewaarborgd door een hypotheek of door een onroerend voorrecht, in pand wordt gegeven of wordt overgedragen bij overeenkomst overeenkomstig deze wet, en wanneer artikel 51 § 1 van de wet betreffende hypothecair krediet niet van toepassing is op dat pand of die overdracht]2. De schuldenaar die de schuldvordering in pand geeft of de cedent is ertoe gehouden op verzoek van een derde de nodige informatie met betrekking tot de identiteit van de pandhouder of van de overnemer te verstrekken.

§ 2. Onder voorbehoud van artikel 27 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet en artikel 74 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, kunnen de schuldenaars van een bankvordering die in pand werd gegeven of werd overgedragen schriftelijk of via elke andere juridisch evenwaardige weg verzaken aan :
- hun rechten op schuldvergelijking ten aanzien van de houders van de bankvorderingen en ten aanzien van de personen ten gunste van wie deze houder een inpandgeving, een overdracht of eender welke andere mobilisering van de als zekerheid verstrekte bankvordering heeft verricht;
- hun rechten voortspruitend uit eventuele regels over bankgeheim die, bij gebreke daaraan, ertoe zouden leiden dat de houder van de bankvordering verhinderd of beperkt is in zijn mogelijkheid inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de bankvordering of de schuldenaar teneinde de in waarborg gegeven bankvordering te gebruiken.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2011-09-26/19, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>
(2)<W 2012-08-03/23, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 03-09-2012>

Art. 5. De zakelijke-zekerheidsovereenkomsten die worden gesloten door een vertegenwoordiger van begunstigden van zakelijke zekerheden, die in eigen naam, maar voor rekening van die begunstigden optreedt, worden beschouwd als geldig en tegenstelbaar aan derden, inclusief aan de betrokken vertegenwoordiger, in zoverre de identiteit van de begunstigden van zakelijke zekerheden kan worden vastgesteld aan de hand van die overeenkomsten. De identiteit van die begunstigden van zakelijke zekerheden kan veranderen in de tijd, zonder dat dit de zakelijke zekerheid, inzonderheid de geldigheid, de tegenstelbaarheid en de rang ervan, aantast.

De vertegenwoordiger geniet alle rechten en prerogatieven die normaliter toekomen aan de begunstigden voor wier rekening hij optreedt.

HOOFDSTUK IV. - Bewijs.

Art. 6. Het sluiten van de in artikel 4 bedoelde zakelijke-zekerheidsovereenkomsten moet schriftelijk worden bewezen, inclusief op elektronische wijze en op elke andere duurzame drager, of via alle rechtsmiddelen die in commerciële aangelegenheden zijn toegestaan. Dit geldt eveneens voor de identificatie van de activa waarop de zakelijke-zekerheidsovereenkomst betrekking heeft en, wat de financiële instrumenten betreft, voor hun verschaffing.

HOOFDSTUK V. - Pand.

Afdeling I. - Voorwaarden voor de geldigheid en de tegenstelbaarheid van het pand.

Art. 7.§ 1. De verplichtingen waarvan sprake in de artikelen 1328 en 2074 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op het burgerlijk pand als bedoeld in artikel 4.

§ 2. [1 Op de marge-opvragingen en op de gelijkwaardige financiële instrumenten, contanten of bankvorderingen die, tijdens de duur van de overeenkomst, in de plaats worden gesteld van de activa die het oorspronkelijke pand vormen, is dezelfde regeling van toepassing als op de laatstgenoemde activa. In geval van bankvorderingen, tast het recht van de pandgever op het innen van de opbrengst de ten gunste van de begunstigde gestelde zekerheid niet aan.]1

TOEKOMSTIG RECHT

Art. 7. § 1. De verplichtingen waarvan sprake in [2 artikel 1328 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 61 van titel XVII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek]2 zijn niet van toepassing op het burgerlijk pand als bedoeld in artikel 4.

§ 2. [1 Op de marge-opvragingen en op de gelijkwaardige financiële instrumenten, contanten of bankvorderingen die, tijdens de duur van de overeenkomst, in de plaats worden gesteld van de activa die het oorspronkelijke pand vormen, is dezelfde regeling van toepassing als op de laatstgenoemde activa. In geval van bankvorderingen, tast het recht van de pandgever op het innen van de opbrengst de ten gunste van de begunstigde gestelde zekerheid niet aan.]1

----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>
(2)<W 2013-07-11/19, art. 97, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Afdeling II. - Realisatie.

Art. 8. § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, de financiële instrumenten waarop het pand betrekking heeft, binnen de kortst mogelijke termijn en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever. De opbrengst van de realisatie van die financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254. van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 2. Onverminderd § 1 en voorzover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt en zij daarvoor in de overeenkomst de regels hebben vastgesteld, inzonderheid voor de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om zich, bij wanprestatie en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, de in pand gegeven financiële instrumenten toe te eigenen, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever. Het bedrag dat voortvloeit uit de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 3. Paragrafen 1 en 2 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te controleren voor de realisatie van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten of de waardering van die financiële instrumenten of het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

Art. 9. § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever, het pand op de contanten, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren, door de in pand gegeven contanten, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek en met naleving van de door de partijen vastgestelde regels voor de waardering en de opeisbaarheid van die contanten, toe te rekenen op zijn schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten.

Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te controleren voor de waardering van de in pand gegeven contanten of van het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

Art. 9/1. [1 § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever, de bankvorderingen waarop het pand betrekking heeft, binnen de kortst mogelijke termijn en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren.
De opbrengst van de realisatie van die bankvorderingen wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 2. Onverminderd § 1 en voor zover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt en zij daarvoor in de overeenkomst de modaliteiten hebben vastgesteld, inzonderheid voor de waardering van de in pand gegeven bankvorderingen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om zich, bij wanprestatie, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, de in pand gegeven bankvorderingen toe te eigenen, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever. Het bedrag dat voortvloeit uit de waardering van de in pand gegeven bankvorderingen wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 3. §§ 1 en 2 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf een controle te doen van de voorwaarden voor de realisatie van de in pand gegeven bankvorderingen of van de waardering van die bankvorderingen of het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2011-09-26/19, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

Art. 10.§ 1. Behoudens andersluidende overeenkomst, heeft het voorrecht van de pandhoudende schuldeiser voorrang op het wettelijk voorrecht van de gekwalificeerde tussenpersonen en de [1 vereffeningsinstellingen]1 als bedoeld in artikel 31 van de wet van 2 augustus 2002, als die tussenpersonen of die instellingen ermee hebben ingestemd om dat pand op de financiële instrumenten waarop het wettelijk voorrecht betrekking heeft, te crediteren op een speciale rekening in hun boeken in de zin van artikel 4, § 1, of als zij de inpandgeving van contanten hebben erkend conform artikel 2075, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op het wettelijk voorrecht als bedoeld in artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.

TOEKOMSTIG RECHT

Art. 10. § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst, heeft het voorrecht van de pandhoudende schuldeiser voorrang op het wettelijk voorrecht van de gekwalificeerde tussenpersonen en de [1 vereffeningsinstellingen]1 als bedoeld in artikel 31 van de wet van 2 augustus 2002, als die tussenpersonen of die instellingen ermee hebben ingestemd om dat pand op de financiële instrumenten waarop het wettelijk voorrecht betrekking heeft, te crediteren op een speciale rekening in hun boeken in de zin van artikel 4, § 1, of als zij de inpandgeving van contanten hebben erkend [2 conform artikel 60, tweede lid, van titel XVII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek]2.

§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op het wettelijk voorrecht als bedoeld in artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.

----------
(1)<W 2014-04-25/64, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 07-06-2014>
(2)<W 2013-07-11/19, art. 97, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Afdeling III. - Recht om de in pand gegeven financiële instrumenten te gebruiken.

Art. 11. § 1. Voorzover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, mag de pandhoudende schuldeiser de in pand gegeven financiële instrumenten op om het even welke manier gebruiken, alsof hij er eigenaar van is, op voorwaarde dat hij die financiële instrumenten uiterlijk op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld, vervangt door financiële instrumenten die gelijkwaardig zijn aan de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten.

Het in het vorige lid bedoelde gebruik tast de rechten van de pandhoudende schuldeiser op het pand niet aan.

§ 2. Uiterlijk op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld vervangt de pandhoudende schuldeiser de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten door gelijkwaardige financiële instrumenten of, voor zover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, rekent hij de waarde van die financiële instrumenten toe op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser met naleving van de overeengekomen regels met betrekking tot de waardering van de in pand gegeven financiële instrumenten en van de gewaarborgde schuld. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

Op de aldus vervangen financiële instrumenten is dezelfde regeling van toepassing als op de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten, zonder dat zij als een nieuwe zekerheid kunnen worden beschouwd.

§ 3. Als de pandhoudende schuldeiser zijn verplichting niet nakomt om de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuldvordering te vervangen door gelijkwaardige financiële instrumenten, mag de schuldenaar, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, de waarde van de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten toerekenen op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser, met naleving van de overeengekomen regels voor de waardering van de in pand gegeven financiële instrumenten en van de gewaarborgde schuld. Bij gebrek aan dergelijke regels worden de in pand gegeven financiële instrumenten gewaardeerd onder verwijzing naar hun waarde op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld.

§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te
controleren voor de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten of van het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

HOOFDSTUK VI. - Eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid.

Art. 12.§ 1. [1 Artikel 1328 en de bepalingen van boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek evenals de bepalingen van boek I, titel VI van het Wetboek van koophandel zijn niet van toepassing op de eigendomsoverdrachten van financiële instrumenten, van contanten of van bankvorderingen die worden verricht om verbintenissen te waarborgen en die een verbintenis van de overnemer inhouden om de overgedragen financiële instrumenten, contanten of bankvorderingen, of gelijkwaardige instrumenten of waarden, terug over te dragen, behalve wanneer de gewaarborgde verbintenis helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd.

Hetzelfde geldt voor de marge-opvragingen en voor de substitutie, tijdens de duur van de overeenkomst, van de oorspronkelijk overgedragen activa door nieuwe financiële instrumenten, andere contanten of bankvorderingen.]1

§ 2. De in § 1 bedoelde eigendomsoverdrachten zijn geldig en aan derden tegenstelbaar, inclusief de prerogatieven die uit de eigendom voortvloeien en die inzonderheid de vervreemding van de activa waarop die overdrachten betrekking hebben, of de saldering van de desbetreffende schuldvorderingen mogelijk maken, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van één van de partijen bij deze overeenkomsten.

§ 3. Wanneer de gewaarborgde verbintenis helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, wordt het bedrag van de contanten [1 of van de bankvorderingen]1 of de waarde van de als zekerheid overgedragen financiële instrumenten, vastgesteld onder verwijzing naar de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de overnemer. Het eventuele saldo komt toe aan de overdrager.

§ 4. Dit artikel is niet van toepassing op de overeenkomsten die zijn gesloten tussen of met natuurlijke personen.
----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

HOOFDSTUK VII. - Cessie-retrocessieverrichtingen ("repo's").

Art. 13. § 1. Artikel 1328, de bepalingen van boek III, titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek en de bepalingen van boek I, titel VI, van het Wetboek van koophandel zijn niet van toepassing op de contante verkopen van financiële instrumenten, die tussen dezelfde partijen worden gesloten met gelijktijdige terugkoop op bepaalde of onbepaalde termijn van gelijkwaardige financiële instrumenten, ongeacht de overeengekomen prijs-, leverings- of looptijdvoorwaarden.

De marge-opvragingen worden geacht onder de prijsvoorwaarden te vallen die betrekking hebben op de cessie-retrocessieverrichtingen in de zin van deze bepaling.

De leveringsvoorwaarden in de zin van deze bepaling omvatten de vervanging, tijdens de duur van de overeenkomst, van de financiële instrumenten die oorspronkelijk ter uitvoering van de contante verkoop zijn geleverd, door nieuwe financiële instrumenten.

§ 2. Behoudens andersluidende overeenkomst, is de verkoper op termijn, bij niet-betaling op de vervaldag van de prijs van terugkoop op termijn, verplicht om de financiële instrumenten te realiseren tegen de voordeligste prijs en binnen de kortst mogelijke termijn, rekening houdend met het volume van de transacties.

De opbrengst van de realisatie van die financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de verkoper op termijn. Het eventuele saldo van de opbrengst van deze realisatie komt toe aan de koper op termijn.

De uitoefening van de rechten die deze paragraaf toekent aan de verkoper op termijn, wordt noch geschorst door een insolventieprocedure in hoofde van zijn tegenpartij, noch door een beslag dat wordt gelegd op één van zijn vermogensbestanddelen, noch door enig ander geval van samenloop dat plaatsvindt tussen zijn schuldeisers.

§ 3. Behoudens andersluidende overeenkomst, is de koper op termijn, bij niet-levering op de vervaldag van de financiële instrumenten teruggekocht op termijn, verplicht om op de markt gelijkwaardige financiële instrumenten te verwerven tegen de voordeligste prijs en binnen de kortst mogelijke termijn, rekening houdend met het volume van de transacties.

Indien de verwerving van dergelijke financiële instrumenten, op de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, tegen een lagere prijs geschiedt dan de voor de terugkoop op termijn overeengekomen prijs, komt het eventuele saldo toe aan de verkoper op termijn, na aftrek van de kosten en interesten die desgevallend aan de koper op termijn verschuldigd zijn.

De uitoefening van de rechten die deze paragraaf toekent aan de koper op termijn, wordt noch geschorst door een insolventieprocedure in hoofde van zijn tegenpartij, noch door een beslag dat wordt gelegd op één van zijn vermogensbestanddelen, noch door enig ander geval van samenloop dat plaatsvindt tussen zijn schuldeisers.

HOOFDSTUK VIII. - Nettingovereenkomsten.

Art. 14.[1 § 1.]1 De netting-overeenkomsten alsook de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, kunnen, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, niettegenstaande elke overdracht van de rechten waarop zij betrekking hebben, in het geval van de opening van een insolventieprocedure of in het geval van het beslag of enig ander geval van samenloop, aan de schuldeisers worden tegengesteld als de schuldvordering en de schuld waarop de schuldvernieuwing of -vergelijking moet worden toegepast, bestaan op het ogenblik waarop de insolventieprocedure, het beslag of een geval van samenloop plaatsvindt, ongeacht de datum van hun opeisbaarheid, hun doel of de valuta waarin zij zijn uitgedrukt.

[1 § 2. Paragraaf 1 van dit artikel is niet van toepassing op de nettingovereenkomsten, noch op de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, gesloten tussen of met natuurlijke personen die geen kooplieden zijn.

Paragraaf 1 van dit artikel blijft evenwel van toepassing op de nettingovereenkomsten en op de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, die werden gesloten op een ogenblik dat de natuurlijke persoon de hoedanigheid van koopman had, op voorwaarde dat de schuldvernieuwing of schuldvergelijking wordt ingeroepen voor minstens één verbintenis die is ontstaan op een ogenblik dat de natuurlijke persoon koopman was.

Het eerste lid van deze paragraaf doet geen afbreuk aan het recht van toerekening op de gewaarborgde schuldvordering in het kader van de realisatie van een zakelijke zekerheidsovereenkomst.]1
----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

Gecoördineerde actuele versie van de wet: 
Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 29/06/2016 - 17:11
Laatst aangepast op: wo, 29/06/2016 - 17:11

Burgerlijk bewjsrecht

Publicatie
Auteur: 
Allemeersch
Auteur: 
Samoy
Auteur: 
Vandenbussche
Tijdschrift: 
TPR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015-2
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE,W. (Inleiding)
Titel I. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE,W. (Begrippen en basisbeginselen)
Titel II. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Het voorwerp van de bewijsvoering)
Titel III. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Ongeoorloofd bewijs)
Titel IV. De bewijslast
Hoofdstuk 1. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Interpretatie van de basisregel)
Hoofdstuk 2. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Concrete toepassing van de basisregel)
Hoofdstuk 3. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Uitzonderingen op de basisregel)
Titel V. De bewijsmiddelen
Hoofdstuk I. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Het schriftelijk bewijs)
Hoofdstuk II. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Het getuigenbewijs)
Hoofdstuk III. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (De vermoedens)
Hoofdstuk IV. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (De bekentenis)
Hoofdstuk IV. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (De eed)
Titel VI. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Art. 1341 BW: de voorrang van het geschrift)
Titel VII. ALLEMEERSCH, B., SAMOY, I., VANDENBUSSCHE, W. (Bewijsovereenkomsten en -bedingen)

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: ma, 13/06/2016 - 13:14
Laatst aangepast op: ma, 13/06/2016 - 13:14

De Potpourri II-wet en de veralgemeende correctionaliseerbaarheid: een prefabbouwwerk met onstabiele fundamenten

Publicatie
Auteur: 
Van Den Steen Leentje
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1604
Samenvatting

«Potpourri II»-maakt de correctionele rechtbank bevoegd voor alle wanbedrijven en misdaden correctionele rechtbank.

Dit kan evenwel niet met een pennentrek en vergde diverse aanpassingen van wetsbepalingen aangepast, onder meer:

• inzake de herhaling,

• de poging

• de verjaring van de strafvordering.

Het hof van assisen werd niet afgeschaft en zal gebruikt worden voor die misdrijven van een schrikkelijken aard en die eraan worden toevertrouwd.

De auteur wijst op zovele onvolledig en onwerkzaam bepalingen, dan wel bepalingen die of staan op gespannen voet met art. 10, 11 en 150 Gw.
 

Inhoudstafel tekst: 

I. Achtergrond

II. De veralgemeende correctionalisering van misdaden

A. De aanpassingen aan art. 80 Sw. en art. 25 Sw.

1° De invoering van een nieuwe categorie van criminele vrijheidsstraffen

2° De strafmaat na het aannemen van verzachtende omstandigheden door het hof van assisen

3° De strafmaat na correctionalisering

4° De invloed van de wetswijzigingen op de poging tot misdaad

B. De herhaling in het kader van de veralgemeende correctionalisering

C. De verjaring van de straf en van de strafvordering

D. De samenloop

III. Andere wijzigingen

IV. Procedurele aspecten

V. De inwerkingtreding van deze artikelen

VI. Besluit

Bronverwijzingen

• F. Deruyck, «Over de correctionalisering van misdaden: pleidooi voor een «intelligent design»» in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 124-125, nr. 4).

• K. Defoort, «De wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen: enkele veranderingen in de praktijk», T.Strafr. 2010, 17-25.

• Justitieplan van minister Geens,132, te consulteren op http://www.koengeens.be/justitieplan.

• C.J. Vanhoudt en W. Calewaert, Belgisch strafrecht, II, Gent, Story-Scientia, 1968, p. 267, nrs. 536-540.

• J. Rozie, «De werking van verzachtende omstandigheden in strafzaken doorgelicht», NC 2013, p. 2-3, nrs. 3-4.

• J.H.S.-G. Nypels, Le code pénal belge interprété, I, t. 1, Brussel, Bruylant, 1867, 167.

• F. Deruyck, o.c., in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, p. 124-131, nrs. 4-15.

• Cass. 24 april 2001, Arr.Cass. 2001, 707, conclusie advocaat-generaal T. Werquin.

• R. Declercq, «Verzachtende omstandigheden en correctionalisatie», T.Strafr. 2009, 247; C.J. Vanhoudt en W. Calewaert, II, o.c., p. 474, nrs. 892-901.

• M. Nolet De Brauwere, «Après la réforme de la Cour d’assises –Pour une abrogation de la correctionalisation», JT 2011, 391

• Cass. 28 mei 1997, Arr.Cass. 1997, 243; Cass. 24 april 2001, Arr.Cass. 2001, 707, conclusie advocaat-generaal T. Werquin;

• Cass. 5 februari 2003, Arr.Cass. 2003, 327; 21 F. Deruyck, o.c., in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, p. 129-132, nrs. 12-16; R. Declercq, «Het hof van assisen veroordeeld» in Om deze redenen. Liber Amicorum Armand Vandeplas, Gent, Mys & Breesch, 1994, 91-113.

• Memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 112-115.

• P. Hartoch, «Over de effecten van een (niet-)correctionalisering en de voeging van stukken door de voorzitter van het hof van assisen» (noot onder Cass. 17 februari 2015), T.Strafr. 2015, p. 246, nr. 2.

• Cass. 18 oktober 1971, Arr.Cass. 1972, 176;

• J. Rozie, «Hof van assisen en correctionalisering na Potpourri II: kunst- en vliegwerk of dankbare ingreep van de wetgever?», NC 2016, p. 100, nr. 19.

• Raad van State, Advies nr. 57 792/1/V van 23 september 2015, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 273, nr. 23.

• A. Masset en D. Vandermeersch, «La loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme du cour d’assises: première lecture critique», JT 2010, 222-223, voetnoot 18; D. Dillenbourg, «La réforme de la cour d’assises et ses incidences sur les juridictions correctionnelles», RDP 2010, 404-405.

• Memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 6.

• GwH 15 december 2011, nr. 2011/193, NJW 2012, 105-107, noot C. Conings, T.Strafr. 2012, 149, noot F. Schuermans;

• GwH 22 december 2011, nr. 2011/199; zie ook:

• D. De Beco en C. Guillain, «Commentaire des arrêts de la Cour constitutionnelle des 15 et 22 décembre 2011 à propos de la loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme de la cour d’assises», RDP 2012, 671-691.

• Gent 4 februari 2013, TGR 2014, 59.

• A. De Sloovere, «Artikel 56 van het Strafwetboek opnieuw onder vuur», RABG 2015, 476-479;

• J. Rozie, «Recidive bij straftoemeting en strafuitvoering: een wet van communicerende vaten?» (noot onder GwH 18 december 2014, nr. 185/2014), NC 2015, p. 186, nr. 9;

• M. Bouhon, «La récidive en matière de libération conditionnelle: le compte à rebours est lancé!», JT 2015, 282-283.

• GwH 18 december 2014, nr. 185/2014, JT 2015, 279, noot M. Bouhon, NC 2015, 182, noot J. Rozie, RABG 2015, 465, noot A. De Sloovere, RW 2014-15, 1014.

• F. Schuermans noot in T.Strafr. 2012, 151)

• T. Decaigny, «Ongrondwettigheid wettelijke herhaling: wetgever aan zet», Juristenkrant 2015, afl. 303, 1 en 3.

• Memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer DOC 54, nr. 1418/001, p. 7.

• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 110, nr. 193; R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 134, nr. 217.

• Enkel art. 377quater Sw. is een wanbedrijf; de overige in art. 21 eerste lid, 2o, tweede streepje V.T.Sv. opgesomde bepalingen zijn misdaden.

• Zie: C. Van Deuren, «Eén plus één is niet altijd twee. De regels van de samenloop besproken, vergeleken en empirisch onderzocht», NC 2012, 358 e.v.

• R. Declercq, o.c., T.Strafr. 2009, 250-251; zie tevens: J. Rubbrecht, «De correctionalisatie van misdaden», RW 1937-38, 609.

• W. Ganshof Van Der Meersch, «Un projet de réforme de la compétence de la cour d’assises en matière de droit commun (1937)», RDP 1939, 1415; de verwijzingen vermeld in Raad van State, Advies nr 57 792/1/V van 23 september 2015, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 268, nr. 12.

• J. Du Jardin, «Motivering van vonnissen en arresten in strafzaken» in Artikelsgewijze commentaar Strafrecht en Strafvordering, Mechelen, Kluwer, 2008, losbl, 60.

• A. Monsieurs, «De zwaarte van de straf volgens het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens», NC 2008, p. 228, nr. 14; E. Maes, «Is een effectieve straf altijd zwaarder dan een straf met uitstel? De invloed van bestraffingsmodaliteiten op de relatieve zwaarte van straffen» (noot onder Cass. 13 mei 2015), T.Strafr. 2015, p. 252 e.v., nrs. 4 e.v.

• A. Masset en D. Vandermeersch, «La loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme du cour d’assises: première lecture critique», JT 2010, 223.

• M. Colette, «Verruimde correctionalisatie van onvrijwillige doodslag bij diefstal sluit retroactieve toepassing strengere correctionele straffen niet uit» (noot onder Cass. 14 juni 2011), T.Strafr. 2012, 85-90.

• GwH 5 oktober 2005, nr. 153/2005.

•Cass. 7 februari 2012, NC 2013, 59, conclusie advocaat-generaal P. Duinslaeger; Cass. 9 februari 2011, Arr.Cass., 2011, 439, Pas. 2011, 458.

• Juristenkrant 2015/315, 10-11, «Moorden correctionaliseren is een garantie voor gerechtelijke dwalingen»

• Juristenkrant 2015/319, 8-9, «Potpourri II? Dan nog liever twee jaar wachten op echte hervorming»;

• S. Van Overbeke, «Assisen in de potpourri: een aperitief voor het galgenmaal?», RW 2015-16, 602.
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 11/06/2016 - 15:59
Laatst aangepast op: za, 11/06/2016 - 15:59

Wetboek van de Belgische Nationaliteit. Rechtspraak onder de wet van 4 december 2012

Publicatie
Auteur: 
Laura DESCHUYTENEER
Auteur: 
Mieke VAN DE PUTTE
Auteur: 
Jinske VERHELLEN
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Samenvatting

Op 1 januari 2013 is de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken, in werking getreden. Twaalf jaar na de «snel-Belg»-wet zorgt deze wet voor een metamorfose van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit. Onderstaande bijdrage geeft een overzicht van rechtspraak onder de wet van 4 december 2012. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de toekenning, de verkrijging, het verlies en de herkrijging van de Belgische nationaliteit.

Inhoudstafel tekst: 

 I. Inleiding

II. Toekenning van de Belgische nationaliteit

A. Onderscheid tussen de toekenning en de verkrijging van de Belgische nationaliteit

B. Op grond van afstamming

C. Op grond van geboorte in België

1° Staatlozen en vondelingen: art. 10 WBN

2° Tweede en derde generatie kinderen: art. 11 WBN

D. Gezamenlijk gevolg van een akte van verkrijging: art. 12 WBN

III. Verkrijging van de Belgische nationaliteit

A. De nationaliteitsverklaring

1° Verschillende hypothesen van nationaliteitsverkrijging

2° De inhoud van de integratiecriteria en de toegelaten bewijsmiddelen

a) Taalkennis

b) Maatschappelijke integratie

Bewijs door diploma of getuigschrift

Bewijs door

c) Economische participatie

3° De procedure van de nationaliteitsverklaring en het toezichtsmechanisme

a) De procedure

b) Gewichtige feiten

Art. 1, § 2, 4° WBN bepaalt dat met name gewichtige feiten zijn:

1. het feit zich te bevinden in een van de gevallen op grond waarvan de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit kan worden uitgesproken;

2. het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd;

3. het feit dat de identiteit of hoofdverblijfplaats onmogelijk kan worden gecontroleerd of dat de identiteit niet kan worden gewaarborgd;

4. het feit dat aan de aanvrager, vanwege eender welke vorm van sociale 75 of fiscale fraude, 76door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan.

De vervallenverklaring

Onmogelijkheid identiteitscontrole –

Bedrog –

Art. 2 van het KB van 14 januari 2013 vult aan met volgende feiten:

1° elke strafrechtelijke veroordeling voor een effectieve gevangenisstraf die voorkomt in het strafregister, tenzij er eerherstel werd bekomen;

2° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1° en waarvoor bij het parket een opsporingsonderzoek werd geopend in het jaar voorafgaand aan de verklaring of het verzoek en dat nog hangende is 83 ;

3° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1° en waarvoor een gerechtelijk onderzoek nog hangende is 84 ;

4° het feit van zich over te leveren aan enige activiteit die de fundamentele belangen van de Staat bedreigt of kan bedreigen 85 ;

5o het feit, vastgesteld door rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, dat de betrokken persoon zijn titel van wettelijk verblijf heeft verkregen door schijnhuwelijk of gedwongen huwelijk of schijnsamenwoning of gedwongen wettelijke samenwoning.

Gevangenisstraf –

Opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek – Het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek moet, zoals uitdrukkelijk bepaald in het koninklijk besluit, hangende zijn. Wanneer het onderzoek leidt tot een seponering, vrijspraak of een veroordeling die niet te kwalificeren valt als een gewichtig feit eigen aan de persoon zoals bepaald in het koninklijk besluit, is het dossier niet langer hangende. 89 In dat geval kan de betrokkene opnieuw een verklaring of een verzoek indienen. 90

Strafbemiddeling – Strafbemiddeling kan volgens de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen ook niet in aanmerking worden genomen als gewichtig feit. 91 In casu ging het om een strafbemiddeling voor intrafamiliaal geweld.

Verkeersovertredingen –

Slagen en verwondingen aan het kind –

Schijnhuwelijk

Onvoldoende taalkennis –

B. De naturalisatie

IV. Algemene problemen bij een nationaliteitsaanvraag of -verklaring

A. Geen geboorteakte

B. Wettelijk verblijf en hoofdverblijfplaats

1° Twee verschillende begrippen

2° Ononderbroken karakter van wettelijk verblijf en hoofdverblijf

C. De naam

V. Verlies van de Belgische nationaliteit

A. Verlies van de Belgische nationaliteit door een vrijwillige handeling

B. De vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit

1° Art. 23 WBN

Art. 23 WBN bepaalt dat burgers van de Belgische nationaliteit vervallen verklaard kunnen worden: 1° indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie, het plegen van valsheid in geschrifte en/of het gebruik van valse of vervalste stukken, door identiteitsfraude of fraude bij het verkrijgen van het recht op verblijf; 2° indien zij ernstig tekortkomen aan hun verplichtingen als Belgische burger.

2° Art. 23/1 WBN

3° Art. 23/2 WBN

4° Fraus omnia corrumpit als grond tot verlies van de Belgische nationaliteit

VI. Herkrijging van de Belgische nationaliteit

VII. Conclusie

Bronverwijzingen.

• C. Aerts, Het Wetboek van de Belgische nationaliteit hervormd, Mechelen, Kluwer, 2013;

•B. Renauld, «Le code de la nationalité, version 2013», Rev.dr.étr. 2012, nr. 170, p. 553-566;

• D. de Jonghe en M. Doutrepont, «Le Code de la nationalité belge, version 2013 – De «Sois Belge et intègre-toi» à «Intègre-toi et sois Belge»...», JT 2013, 313-319, 329-338 en 353-359;

• M. Van De Putte, en J. Clement, «De «Betere Belg»-wet», T.Vreemd. 2013, afl. 1, 6-18;

• M. Van De Putte en J. Clement, «De metamorfose van het Wetboek van de Belgische nationaliteit na de «Betere Belg»-wet» in Migratie- en Migrantenrecht, deel 16, Brugge, die Keure, 219-252.

• Arbitragehof 14 mei 2003, nr. 61/2003 (prejudiciële vraag), AA 2003, 779, BS 8 oktober 2003, Rev.dr.étr. 2003, 244.

• Rb. Luik 12 maart 2013, Rev.dr.étr. 2013, 94, RTDF 2014, 347.

• Rb. Luik 18 oktober 2013, nr. 13/1547/A, Rev.dr.étr. 2014, 265.

• Famrb. Brussel 10 november 2015, nr. 14/3830/A, Newsletter ADDE 2015, december, afl. 115, 6; www.adde.be.

• GwH 24 april 2008, nr. 73/2008.

• Rb. Waals-Brabant 18 juli 2014, nr. 14/51/B, Rev.dr.étr. 2014, 429.

• Rb. Brussel 14 april 1999, Rev.dr.étr. 1999, 249, J.dr.jeun. 1999, afl. 192, 44, noot B. Van Keirsblick.

• 19 Rb. Luik 3 september 2013, Rev.dr.étr. 2013, 498.

• D. de Jonghe en M. Doutrepont, «Le Code de la nationalité belge, version 2013 – De « Sois Belge et intègre-toi » à « Intègre-toi et sois Belge »... (deuxième partie)», JT 2013, 330-333.

• Antwerpen (afd. Antwerpen) 22 januari 2015, nr. 14/1127/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Leuven 3 maart 2014, nr. 14/1637, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. West-Vlaanderen (afd. Brugge) 8 april 2014, nr. 2014/8991, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak: zie ook: Rb. West-Vlaanderen (afd. Brugge) 21 december 2015, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Gent 24 december 2015, Tijdschrift@ipr.be 2016/1, 67.

• F. Swennen, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 119, nr. 180.

• 37 Rb. Luik 19 september 2014, nr. 14/1202/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Gent 9 januari 2014, RW 2014-15, 510.

• Rb. Mechelen 18 februari 2014, nr. 13/731/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Leuven 17 maart 2014, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Luik 19 september 2014, nr. 14/1202/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• S. Ganty en C. Apers, «Parcours d’intégration: ceci n’est pas de l’intégration! – Surréalisme à la belge en matière d’acquisition de la nationalité par déclaration», Newsletter ADDE 2015, november, afl. 114, 2-5, www.adde.be.

• S. Ganty en C. Apers, o.c., Newsletter ADDE 2014, november 2015, afl. 114, 2-5, www.adde.be.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 12 maart 2015, nr. 13/4135/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

56 Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 8 januari 2015, nr. 13/3764/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Leuven 31 maart 2014, nr. 13/910/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• M. Van de putte en J. Clement, o.c., in Migratie en Migrantenrecht, 16, 238-239; D. de Jonghe en M. Doutrepont, o.c., JT 2013, 333-337.

• Rb. Mechelen 18 februari 2014, nr. 13/1057/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Cass. 28 januari 2016, C.14.0237.N/4.

• Art. 15, § 4 WBN.

• Cass. 28 januari 2016, C.14.0237.N/4.

• Antwerpen 29 april 2015, nr. 2014/EV/40, P&B 2015, 109.

• M. Van de Putte en J. Clement, «Gewichtige feiten als beletsel voor nationaliteitsverkrijging», T.Vreemd. 2011, 347-349.

• Gent 14 januari 2016, nr. 2015/AR/1044, Tijdschrift@ipr.be 2016/1, 44;

• Gent 16 januari 2014, RW 2014-15, 1516; Rb. Gent 9 januari 2014, RW 2014-15, 510.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 22 januari 2015, nr. 14/1048/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak;

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 8 januari 2015, nr. 13/3162/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 22 januari 2015, nr. 14/1048/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak;

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 8 januari 2015, nr. 13/3162/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak;

• C. Aerts, «Commentaar bij art. 23 WBN» in Comm.Pers., Mechelen, Kluwer, 2012, losbl., 23-8.

• Rb. Luik 14 maart 2014, nr. 13/1710/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Bergen 10 februari 2014, nr. 2014/587, onuitg.

• Rb. West-Vlaanderen (afd. Brugge) 26 oktober 2015, nr. 15/371/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 8 januari 2015, nr. 13/3162/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 8 januari 2015, nr. 13/3162/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 8 januari 2015, nr. 13/3162/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. West-Vlaanderen (afd. Brugge) 26 oktober 2015, nr. 15/371/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Gent 14 januari 2016, nr. 2014/AR/1518, Tijdschrift@ipr.be 2016/1, 51.

• Rb. Gent 9 januari 2014, RW 2014-15, 510.

• Rb. Henegouwen (afd. Bergen) 28 mei 2014, nr. 14/106/B, Rev.dr.étr. 2014, 274.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 22 januari 2015, nr. 14/942/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 22 januari 2015, nr. 14/1048/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Brussel 29 januari 2015, nr. 2014/QR/12, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Henegouwen 30 april 2015, nr. 14/736/B, Rev.dr.étr. 2015, 258.

• Rb. Antwerpen 11 december 2014, AR 13/3051/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Gent 16 januari 2014, RW 2014-15, 1514.

• Gent 14 januari 2016, nr. 2015/AR/1044, Tijdschrift@ipr.be 2016/1, 45.

• Gent 14 januari 2016, nr. 2014/AR/1210, Tijdschrift@ipr.be 2016/1, 56-57).

• Rb. Gent 9 januari 2014, RW 2014-15, 512.

• Arbitragehof 7 november 1996, nr. 61/96 en 24 juni 1998, nr. 75/98 .

• J. Vande Lanotte, G. Goedertier, Y. Haeck, J. Goossens en T. De Pelsmaeker, Handboek Belgisch

• GwH 22 mei 2014, nr. 82/2014.

• Luik 24 maart 2014, nr. 2014/2279, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Luik 14 maart 2014, nr. 14/89/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Luik 14 maart 2014, nr. 13/1617/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 12 maart 2015, nr. 14/194/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• C. Apers, «Quand l’effet déclaratif du droit de séjour «naturalise» le séjour sous AI!», Newsletter ADDE 2016, februari, afl. 117, 2-4, www.adde.be.

• Gent 11 december 2014, RW 2015-16, 232;

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 12 maart 2015, nr. 14/194/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Antwerpen (afd. Antwerpen) 11 juni 2015, AR 14/4364/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 21 april 2016, AR 16/202/B, onuitg.

• Rb. Leuven 17 maart 2014, nr. 13/1156/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister voor onbeperkte duur.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 11 december 2015, AR 13/2489/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 20 november 2015, AR 15/2837/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Cass. 24 september 2010, T.Vreemd. 2011, nr. 1, 22:

• Rb. Luik 6 juni 2014, nr. 14/612/B, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Rb. Waals-Brabant 6 juni 2014, nr. 14/4005, Newsletter ADDE 2014, september, afl. 101, 8, www.adde.be.

• RvS 29 oktober 2010, nr. 208.587.

• Rb. Henegouwen (afd. Bergen) 29 september 2014, nr. 2014/229/B, Newsletter ADDE 2014, november, afl. 103, 6; http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• C. Apers, o.c., Newsletter ADDE 2016, februari, afl. 117, 2-4, www.adde.be.

• J. Verhellen, Het Belgisch Wetboek IPR in familiezaken. Wetgevende doelstellingen getoetst aan de praktijk, Brugge, die Keure, 2012, 374 e.v.

• J. Verhellen, «Nieuwe nationaliteitswet wijzigt het Wetboek IPR», Tijdschrift@ipr.be 2012/4, 49.

• Brussel 11 april 2013, nr. 2011/AR/1433, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• GwH 14 mei 2009, nr. 85/2009, overweging B.7.

• Gent 11 december 2008, nr. 2008/AR/828, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Gent 4 juni 2009, nr. 2008/AR/2471, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Antwerpen 17 november 2010, nr. 2009/AR/3058, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Brussel 26 januari 2009, AR 2009/628, T.Vreemd. 2010, 31, noot C. Aerts.

• Brussel 7 januari 2010, 2007/AR/1453, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• GwH 17 september 2015, nr. 122/2015.

• Brussel 5 februari 2009, T.Vreemd. 2012, 59, noot M. Van de Putte en C. Clement.

• Cass. 14 september 2010, Pas. 2010, 2258.

• M. Van de Putte en C. Clement, «De «Betere Belg»-wet», T.Vreemd. 2013, 17.

• 179 GwH 17 september 2015, nr. 122/2015.

• GwH 17 september 2015, nr. 122/2015.

• X, «Afreizen naar het buitenland voor terrorisme», NJW 2015, 626.

• P Wautelet, «Priver les djihadistes de leur nationalité belge: les garde-fous à respecter», JT 2015, 183-184.

• Cass. 23 januari 2015, RW 2015-16, 181, noot L. Deschuyteneer en E. Mehmeti;

• E. De Bock, «Nietigverklaring van een schijnhuwelijk leidt tot verlies Belgische nationaliteit», Juristenkrant 2015, afl. 304, 3;

• P. Wautelet, «Nationalité, mariage et simulation: un cocktail dangereux pour la sécurité juridique», Rev.dr.étr. 2015, 17-25.

• Rb. Antwerpen 18 oktober 2011, nr. 11/1545/A, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Antwerpen 28 november 2012, nr. 2011/AR/3413, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Gent 12 november 2009, nr. 2009/AR/1028, http://kruispuntmi.be/vreemdelingenrecht/rechtspraak:

• Rb. Brussel 15 november 2005, RW 2005-06, 1430, noot A. Huygens, T.Vreemd. 2006, 184-185.

• A. Lenaerts, «Fraus omnia corrumpit: autonome rechtsfiguur of miskend correctiemechanisme?», RW 2013-14, p. 377-378, nr. 10.

• Famrb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 27 mei 2015, nr. 14/564/A http://kruispuntmi.be/ vreemdelingenrecht/rechtspraak.

• Cass. 21 april 2011, Pas. 2011, 1099.

BELGISCHE NATIONALITEIT
 
Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Nog dit: 
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE
 

4 DECEMBER 2012. - Wet tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken (1)

 

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit
Art. 2. Artikel 1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
« § 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° hoofdverblijfplaats : de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;
2° vreemdelingenwet : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
3° regularisatiewet : de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk;
4° gewichtige feiten eigen aan de persoon zijn, met name :
a) het feit zich te bevinden in een van de gevallen bedoeld in artikel 23 of 23/1;
b) het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd;
c) het feit dat de identiteit of hoofdverblijfplaats onmogelijk kan worden gecontroleerd of de identiteit niet kan worden gewaarborgd;
d) het feit dat aan de aanvrager, omwille van eender welke vorm van sociale of fiscale fraude, door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan.
5° bewijs van kennis van één van de drie landstalen : minimale kennis van één van de drie landstalen die gelijk is aan het niveau A2 van het Europees Referentiekader voor Talen. Dit bewijs dient te worden geleverd aan de hand van de bewijsmiddelen bepaald in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
6° werkdag : de werkdag zoals bedoeld in artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek;
7° arbeidsdag : de arbeidsdagen en de met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen in de zin van artikel 37 en 38 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, met dien verstande dat de in het buitenland verrichte arbeid en de in het buitenland gelijkgestelde dagen niet worden meegerekend. Ingeval de vreemdeling in de referentieperiode van vijf jaar enerzijds als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en anderzijds, als zelfstandige in hoofdberoep heeft gewerkt, wordt ieder als zelfstandige in hoofdberoep gewerkt kwartaal voor 78 arbeidsdagen in rekening gebracht. Deeltijdse arbeid, die in uren wordt uitgedrukt, wordt in aanmerking genomen volgens de formule die wordt gebruikt met toepassing van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de ministeriële besluiten die daaraan uitvoering geven;
8° sociale fraude : iedere inbreuk op een sociale wetgeving;
9° fiscale fraude : iedere inbreuk op de fiscale wetboeken of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten die wordt begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
De lijst van gewichtige feiten eigen aan de persoon die in het 4° bedoeld worden, kan aangevuld worden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Art. 3. Artikel 5, § 1, van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 6 augustus 1993 en hersteld bij de wet van 1 maart 2000, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
« De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Buitenlandse zaken, een lijst van landen waarvoor de in het eerste lid bedoelde onmogelijkheid of zware moeilijkheden worden aanvaard. ».
Art. 4. Artikel 7bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 7bis. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek inzake verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit, moet de vreemdeling zijn hoofdverblijfplaats in België hebben gevestigd op grond van een wettelijk verblijf, en dit zowel op het ogenblik van het indienen van zijn verzoek of verklaring als gedurende de onmiddellijk hieraan voorafgaande periode. Zowel het wettelijk verblijf als het hoofdverblijf dienen ononderbroken te zijn.
§ 2. Onder wettelijk verblijf wordt verstaan :
1° wat het ogenblik van de indiening van zijn verzoek of verklaring betreft : toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of om er zich te vestigen op basis van de vreemdelingenwet;
2° wat de voorafgaande periode betreft : toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet of de regularisatiewet.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, welke documenten in aanmerking komen als bewijs van het in het eerste lid bedoelde verblijf.
§ 3. In de gevallen bepaald in dit Wetboek wordt het ononderbroken karakter van het verblijf bedoeld in § 2 niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van hoogstens zes maanden, voor zover deze afwezigheden in totaal de duur van een vijfde van de in dit Wetboek vereiste termijnen voor verkrijging van de nationaliteit niet overschrijden. ».
Art. 5. In hoofdstuk II van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling 3 aangevuld met de woorden « of als gezamenlijk gevolg van een akte van verkrijging » en wordt het opschrift van afdeling 4 opgeheven.
Art. 6. Artikel 11 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 juni 1991, wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 11. § 1. Volgende kinderen zijn Belg op grond van geboorte in België :
1° het kind in België geboren, voor zover minstens één van de ouders :
a) zelf in België is geboren;
b) en gedurende vijf jaar in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de geboorte van het kind zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad;
2° het kind in België geboren en geadopteerd door een vreemdeling, voor zover de adoptant:
a) zelf in België is geboren;
b) en gedurende vijf jaar in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de dag waarop de adoptie uitwerking heeft, zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad.
Indien de afstamming ten aanzien van de ouder bedoeld in het eerste lid, 1°, pas wordt vastgesteld na de datum van het vonnis of arrest dat de adoptie homologeert of uitspreekt, dan wordt de Belgische nationaliteit slechts toegekend aan het kind indien de afstamming wordt vastgesteld ten aanzien van de adoptant of diens echtgenoot.
De persoon aan wie de Belgische nationaliteit is toegekend krachtens het eerste lid, 1°, behoudt die nationaliteit indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is op het ogenblik dat zijn afstamming niet langer vaststaat. Indien hij de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt noch ontvoogd is, dan kunnen de handelingen die verricht werden toen de afstamming nog vaststond en waarvoor de staat van Belg vereist was, niet betwist worden enkel en alleen omdat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Dit is eveneens het geval voor de rechten die vóór deze datum verkregen zijn.
De Belgische nationaliteit toegekend krachtens het eerste lid, 2°, wordt toegekend vanaf de dag waarop de adoptie uitwerking heeft, tenzij het kind op die dag de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft of ontvoogd is.
§ 2. Is Belg ingevolge een verklaring afgelegd door de ouders of adoptanten, het kind in België geboren en dat sinds zijn geboorte zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en dit voor zover de ouders of de adoptanten :
a) een verklaring afleggen voor het kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt;
b) en gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad;
c) en minstens een van hen op het ogenblik van de verklaring toegelaten of gemachtigd is om voor onbeperkte duur in België te verblijven.
De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt door beide ouders gezamenlijk afgelegd wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van beiden vaststaat. Bij adoptie door twee personen wordt deze verklaring door de twee adoptanten gezamenlijk afgelegd. De verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant :
a) overleden is;
b) of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven;
c) of afwezig is verklaard;
d) of zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt.
De verklaring door één ouder of adoptant volstaat eveneens indien :
a) de afstamming van het kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat;
b) of als het kind slechts door één persoon is geadopteerd, tenzij de adoptant de echtgenoot is van de ouder, in welk geval de verklaring door beide belanghebbenden wordt afgelegd.
De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt afgelegd overeenkomstig artikel 15. ».
Art. 7. Artikel 11bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 juni 1991 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt opgeheven.
Art. 8. Artikel 12 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 12. Aan een kind dat de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt of niet ontvoogd is vóór die leeftijd, wordt de Belgische nationaliteit toegekend in geval van vrijwillige verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit door een ouder of een adoptant die het gezag over het kind uitoefent, op voorwaarde dat dat kind zijn hoofdverblijfplaats in België heeft. ».
Art. 9. Artikel 12bis van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 12bis. § 1. Kunnen de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig artikel 15 :
1° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en in België geboren is en er sedert zijn geboorte wettelijk verblijft;
2° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar wettelijk verblijf in België heeft;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en zijn maatschappelijke integratie bewijst door :
- hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs;
- hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd;
- hetzij een inburgeringscursus te hebben gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat;
- hetzij gedurende de voorbije vijf jaar onafgebroken als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep te hebben gewerkt;
e) en zijn economische participatie bewijst door :
- hetzij als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gedurende de voorbije vijf jaar minimaal 468 arbeidsdagen te hebben gewerkt;
- hetzij in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep de voorbije vijf jaar gedurende minstens zes kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald;
De duur van de opleiding gevolgd tijdens de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek bedoeld in 2°, d), eerste en/of tweede streepje, wordt in mindering gebracht van de duur van de vereiste beroepsactiviteit van minstens 468 dagen of van de duur van de zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep.
3° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar wettelijk verblijf in België heeft;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en gehuwd is met een Belg, indien de echtgenoten gedurende ten minste drie jaar in België hebben samengeleefd, of de ouder is van een Belgisch minderjarig of niet-ontvoogd minderjarig kind;
e) en zijn maatschappelijke integratie bewijst door :
- hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs;
- hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd en in de voorbije vijf jaar als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gewerkt te hebben gedurende ten minste 234 arbeidsdagen of in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep gedurende minstens drie kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald;
- hetzij een inburgeringscursus te hebben gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat;
4° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar wettelijk verblijf in België heeft;
c) en het bewijs levert omwille van een handicap of invaliditeit geen betrekking of economische activiteit te kunnen uitoefenen of de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
5° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en tien jaar wettelijk verblijf in België heeft;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en het bewijs levert van zijn deelname aan het leven van zijn onthaalgemeenschap. Dit bewijs kan door alle rechtsmiddelen geleverd worden, en bevat elementen waaruit blijkt dat de aanvrager deelneemt aan het economische en/of socioculturele leven van die onthaalgemeenschap.
§ 2. Indien de maatschappelijke integratie bedoeld in § 1, 2°, d, en § 1, 3°, e, bewezen wordt aan de hand van een inburgeringscursus waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid die niet dezelfde bevoegde overheid is als deze waar de aanvrager zijn hoofdverblijfplaats heeft op het tijdstip van de aanvraag, en dit omdat de aanvrager vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, 2°, b, en § 1, 3°, b, van hoofdverblijfplaats is veranderd om zich te vestigen op het grondgebied van een andere bevoegde overheid, dient de aanvrager ook het bewijs te leveren van de kennis van de taal die de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats vraagt in het kader van de inburgeringscursus. Dit bewijs dient geleverd te worden op dezelfde manier als het bewijs van de kennis van één van de drie landstalen.
§ 3. De verklaring bevat voorafgaand aan de handtekening van de vreemdeling de volgende, door de vreemdeling met de hand geschreven vermelding : « Ik verklaar Belgisch staatsburger te willen worden en de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te zullen naleven. ».
Art. 10. Artikel 13 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 1 maart 2000, met inbegrip van het opschrift van afdeling 2 van hoofdstuk III, wordt opgeheven.
Art. 11. Artikel 14 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, wordt opgeheven.
Art. 12. Artikel 15 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 15. § 1. De vreemdeling legt de verklaring af voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn hoofdverblijfplaats.
Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van de vreemdeling niet identiek is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze in alle registers en documenten gelijk is gemaakt.
Indien de vreemdeling geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de vreemdeling voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat de vreemdeling een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand onderzoekt de volledigheid van de verklaring binnen dertig werkdagen na de aflegging van de verklaring.
Indien een verklaring onvolledig is, biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid om binnen twee maanden het verzuim te herstellen. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft in een formulier zoals vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan welke stukken in de verklaring ontbreken.
Indien van de gelegenheid om het verzuim te herstellen geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Als de aanvraag volledig en ontvankelijk is, en het registratierecht vermeld in artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, werd voldaan, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af, hetzij binnen vijfendertig werkdagen na de af egging van de verklaring indien de verklaring meteen volledig werd bevonden, hetzij binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de vreemdeling werd verleend om het verzuim te herstellen.
Wordt de aanvraag onvolledig beschouwd, dan wordt hiervan kennis gegeven bij aangetekende brief binnen vijfendertig werkdagen na de af egging van de verklaring, dan wel binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de vreemdeling wordt verleend om het verzuim te herstellen. De niet-tijdige betaling van het registratierecht kan evenwel niet worden geregulariseerd.
Indien het ontvangstbewijs niet tijdig is betekend of indien niet tijdig is meegedeeld dat de verklaring onvolledig is, wordt de aanvraag geacht volledig te zijn. Tegen de uitdrukkelijke onontvankelijk verklaring staat een beroep tot nietigverklaring open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals bepaald in artikel 14, § 1, van de Wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij het verzoek moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden, en dat het dossier als volledig wordt bevonden als bedoeld in het eerste lid.
De ambtenaar zendt een afschrift van het volledige dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de af evering van het ontvangstbewijs. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.
Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat.
§ 3. De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in § 2 bedoelde ontvangstbewijs, een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn.
Als bij miskenning van § 2, achtste lid, de verklaring zoals bedoeld in § 1 laattijdig wordt overgezonden in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand, te rekenen van de overzending van het dossier aan de procureur des Konings.
Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, zendt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De verklaring wordt onmiddellijk ingeschreven en vermeld overeenkomstig artikel 22, § 4.
Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overzending van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt de verklaring ambtshalve ingeschreven en vermeld overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overzending bedoeld in § 2, achtste lid, heeft er echter geen inschrijving plaats en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de belanghebbende daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Van de inschrijving wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de belanghebbende.
De verklaring heeft gevolg vanaf de inschrijving.
§ 4. Het negatieve advies van de procureur des Konings moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij een aangetekende brief aan de belanghebbende betekend door toedoen van de procureur des Konings.
§ 5. De belanghebbende kan bij een aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier aan de rechtbank van eerste aanleg over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van de informatie bedoeld in :
- paragraaf 3, vierde lid, laatste zin;
- het negatieve advies bedoeld in § 3.
De rechtbank van eerste aanleg doet, na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met redenen omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van :
- het niet inschrijven van de verklaring, zoals bedoeld in § 3, vierde lid, laatste zin;
- het negatieve advies bedoeld in § 3.
De beslissing wordt aan de belanghebbende ter kennis gebracht door de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De belanghebbende en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing, bij een aan het hof van beroep gericht verzoekschrift. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen en de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen.
De dagvaardingen en kennisgevingen geschieden langs administratieve weg.
Het beschikkende gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, wordt door toedoen van het openbaar ministerie aan de ambtenaar van de burgerlijke stand gezonden.
De verklaring wordt onmiddellijk ingeschreven en vermeld overeenkomstig artikel 22, § 4.
§ 6. Bij ontstentenis van de bij artikel 11, § 2, tweede lid, vereiste toestemming van een van de ouders of adoptanten, kan de verklaring niettemin door de andere ouder of adoptant worden afgelegd, voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind. Deze zendt ze onmiddellijk over aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings maakt hiervan onverwijld akte op.
Op advies van de procureur des Konings en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen, doet de rechtbank van eerste aanleg uitspraak over de inwilliging van de verklaring. Zij willigt ze in indien zij de weigering tot toestemming een misbruik acht te zijn en indien de verklaring geen ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen. De beslissing wordt met redenen omkleed.
Door toedoen van de procureur des Konings worden de ouders of de adoptanten in kennis gesteld van de beslissing. De ouders of adoptanten, alsook de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing, bij verzoekschrift gericht aan het hof van beroep. Dit hof doet uitspraak na advies van de procureur-generaal en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen.
De dagvaardingen en kennisgevingen geschieden langs administratieve weg.
Het beschikkende gedeelte van de beslissing tot inwilliging die in kracht van gewijsde is gegaan, vermeldt de volledige identiteit van het kind; het wordt op verzoek van het openbaar ministerie overgeschreven in het register, vermeld in artikel 25, van de hoofdverblijfplaats van het kind.
De verklaring heeft gevolg vanaf de overschrijving. ».
Art. 13. Artikel 16 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 1 maart 2000, wordt, met inbegrip van het opschrift van afdeling 3 van hoofdstuk III, opgeheven.
Art. 14. Artikel 17 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 1 maart 2000, met inbegrip van het opschrift van afdeling 4 van hoofdstuk III, wordt opgeheven.
Art. 15. Afdeling 5 van hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek wordt vernummerd als 2.
Art. 16. Artikel 19 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 1 maart 2000 en 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 19. § 1. Om de naturalisatie te kunnen aanvragen, moet de belanghebbende :
1° de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;
2° wettelijk verblijven in België;
3° en aan België buitengewone verdiensten hebben bewezen of kunnen bewijzen op het wetenschappelijk, sportief, of sociocultureel vlak en daardoor een bijzondere bijdrage kunnen leveren voor de internationale uitstraling van België;
4° en met redenen omkleden waarom het voor hem zo goed als onmogelijk is om de Belgische nationaliteit te verkrijgen door het af eggen van een nationaliteitsverklaring overeenkomstig artikel 12bis.
Om zich te kunnen beroepen op buitengewone verdiensten, moet de belanghebbende op straffe van onontvankelijkheid volgende elementen kunnen aantonen :
1° in het geval van buitengewone verdiensten op wetenschappelijk vlak : een doctoraatstitel;
2° in het geval van buitengewone verdiensten op sportief vlak : het halen van de internationale selectiecriteria of de door het BOIC opgelegde criteria van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen, of zich in het geval bevinden dat de federatie van de betrokken sporttak van oordeel is dat hij of zij een meerwaarde kan betekenen voor België in het kader van de voorronde of het eindtoernooi van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen;
3° In het geval van buitengewone verdiensten op sociocultureel vlak : de eindselectie van een internationale cultuurwedstrijd gehaald hebben of internationaal geprezen worden omwille van zijn verdiensten op cultureel vlak of omwille van zijn sociale en maatschappelijke inzet.
§ 2. De naturalisatie kan eveneens worden aangevraagd door de vreemdeling die de leeftijd van achttien jaar heeft en de hoedanigheid heeft van staatloze in België krachtens de er vigerende internationale overeenkomsten, en sedert ten minste twee jaar wettelijk verblijf heeft in België. ».
Art. 17. Artikel 21 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 april 1995 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998 en 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 21. § 1. Het verzoek om naturalisatie wordt gericht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de belanghebbende zijn hoofdverblijfplaats heeft of aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De aanvraagformulieren, waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald op voordracht van de minister van Justitie, kunnen worden bekomen bij ieder gemeentebestuur.
De Koning bepaalt, op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij het verzoek moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 19. De verzoeker kan alle bijkomende documenten, die hij nuttig acht ter staving van zijn aanvraag, bij zijn verzoek voegen.
Het aanvraagformulier wordt door de aanvrager ondertekend. De handtekening wordt voorafgegaan door de volgende, door de aanvrager met de hand geschreven vermelding :
« Ik verklaar Belgisch staatsburger te willen worden en de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te zullen naleven ».
§ 2. Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van de vreemdeling niet identiek is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, dan wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze in alle registers en documenten gelijk is gemaakt.
Indien de vreemdeling geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de Kamer van volksvertegenwoordigers de vreemdeling voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat de vreemdeling een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de Kamer van volksvertegenwoordigers levert een ontvangstbewijs van het naturalisatieverzoek af wanneer het dossier volledig werd bevonden en het registratierecht bepaald bij artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, werd voldaan.
§ 4. Het verzoek om naturalisatie vervalt wanneer na de indiening ervan de belanghebbende ophoudt wettelijk in België te verblijven, of zijn hoofdverblijf in België te hebben.
§ 5. Indien het verzoek tot naturalisatie gericht is aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, zendt deze dit verzoek, alsook de stukken bedoeld in § 1, derde lid, die hem zijn toegezonden, over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van het verzoek.
De Kamer van volksvertegenwoordigers levert aan de belanghebbende een ontvangstbewijs af dat bevestigt dat het aanvraagdossier volledig is. Uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de neerlegging van het verzoek tot naturalisatie, wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdverblijfplaats van de verzoeker, aan de dienst Vreemdelingenzaken en aan de Veiligheid van de Staat, met het oog op het verstrekken van een advies binnen een termijn van vier maanden met betrekking tot de in artikel 19 gestelde vereisten en de in artikel 15, § 3, bedoelde omstandigheden, alsook met betrekking tot ieder gegeven waarover de Kamer wenst te worden ingelicht. De procureur des Konings, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat geven hiervan onverwijld ontvangstmelding.
Indien de overzending van het naturalisatieverzoek door de Kamer van volksvertegenwoordigers niet gebeurt binnen de in het tweede lid voorgeschreven termijn en indien ze plaatsheeft in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand te rekenen van de overzending aan de drie instanties bedoeld in het tweede lid.
Het advies wordt geacht gunstig te zijn indien geen opmerkingen gemaakt zijn door het parket, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat binnen een termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het derde lid, te rekenen van de indiening van een volledig aanvraagdossier bij de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De Kamer van volksvertegenwoordigers beslist over het verlenen van de naturalisatie op de wijze bepaald in haar reglement. Integratie en kennis van één van de drie landstalen zijn hierbij belangrijke elementen die worden uitgewerkt door de commissie voor de Naturalisaties in haar reglement.
§ 6. De akte van naturalisatie aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en bekrachtigd door de Koning op voordracht van de minister van Justitie wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze akte heeft uitwerking te rekenen van de dag van die bekendmaking. ».
Art. 18. In artikel 22 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 wordt het 2° aangevuld met de volgende zin : « indien deze verkrijging of herkrijging niet onmiddellijk volgt op de verklaring van afstand en bovendien tot gevolg heeft dat de belanghebbende daardoor staatloos wordt, heeft deze verklaring slechts rechtsgevolgen op het ogenblik van de daadwerkelijke verkrijging of herkrijging van de vreemde nationaliteit; »;
2° in § 1 worden in het 7° de woorden « artikel 23 » vervangen door de woorden « artikelen 23 en 23/1 »;
3° in § 4, eerste zin, worden de woorden « de belanghebbende » vervangen door de woorden « degene die de verklaring aflegt »;
4° in § 4 wordt de zin « Bovendien worden deze verklaringen vermeld op de kant van de geboorteakte die in België is gemaakt of overgeschreven. » opgeheven.
Art. 19. Artikel 23, § 1, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
« 1° indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie, het plegen van valsheid in geschrifte en/of het gebruik van valse of vervalste stukken, door identiteitsfraude of fraude bij het verkrijgen van het recht op verblijf; ».
Art. 20. In hoofdstuk IV van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 23/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 23/1. § 1. De vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit kan op vordering van het openbaar ministerie door de rechter worden uitgesproken ten aanzien van Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder die Belg was op de dag van hun geboorte en van Belgen wier

nationaliteit niet werd toegekend op grond van artikel 11, § 1, eerste lid, 1° en 2° :
1° indien zij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor een misdrijf vermeld in de artikelen 101 tot 112, 113 tot 120bis, 120quater, 120sexies, 120octies, 121 tot 123, 123ter, 123quater, tweede lid, 124 tot 34, 136bis, 136ter, 136quater, 136quinquies, 136sexies en 136septies, 137, 138, 139, 140, 141, 331bis, 433quinquies tot 433octies, 477 tot 477sexies en 488bis van het Strafwetboek en de artikelen 77bis, 77ter, 77quater en 77quinquies van de vreemdelingenwet, voor zover zij de hen ten laste gelegde feiten hebben gepleegd binnen tien jaar vanaf de dag waarop zij de Belgische nationaliteit hebben verworven, met uitzondering van de misdrijven bedoeld in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater van het Strafwetboek;
2° indien zij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor het plegen van een misdrijf waarvan het plegen kennelijk werd vergemakkelijkt door het bezit van de Belgische nationaliteit, voor zover zij het misdrijf hebben gepleegd binnen vijf jaar vanaf de dag waarop zij de Belgische nationaliteit hebben verworven;
3° indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen door huwelijk krachtens artikel 12bis, 3°, en indien dit huwelijk is nietig verklaard wegens schijnhuwelijk zoals omschreven in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 201 en 202 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. De rechter spreekt de vervallenverklaring niet uit, indien dit tot gevolg zou hebben dat de betrokkene staatloos zou worden, tenzij de nationaliteit verkregen werd ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie of door verzwijging van enig relevant feit. In dat geval kent de rechter een redelijke termijn toe, tijdens dewelke de belanghebbende kan proberen om de nationaliteit van zijn land van herkomst te herkrijgen.
§ 3. Wanneer het vonnis waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het beschikkende gedeelte ervan, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende, in het register bedoeld in artikel 25 overgeschreven door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats in België van de belanghebbende of, bij gebreke hiervan, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel.
De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de overschrijving.
§ 4. Hij die krachtens dit artikel van de staat van Belg vervallen is verklaard, kan alleen door naturalisatie opnieuw Belg worden. ».
Art. 21. In artikel 24 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd bij de wet van 1 maart 2000, worden de woorden « dat hij gedurende de twaalf maanden die aan de verklaring voorafgaan zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad » vervangen door de woorden « dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft op grond van een ononderbroken wettelijk verblijf sedert ten minste twaalf maanden en dat hij op het ogenblik van de verklaring toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur. »;
2° in het tweede lid, vervangen bij de wet van 22 december 1998, worden de woorden « indien deze laatste voorwaarde niet is vervuld of » opgeheven.
Art. 22. In artikel 25 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 1 maart 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden « de artikelen 12bis, 13 tot 17 en 24 » vervangen door de woorden « de artikelen 12bis, 15 en 24 »;
2° het tweede en het derde lid worden opgeheven.

HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Art. 23. In titel I van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wordt het opschrift van hoofdstuk XVIII vervangen door wat volgt :
« HOOFDSTUK XVIII. - Speciaal recht op de nationaliteit, de adelbrieven en vergunningen tot verandering van naam of van voornamen ».
Art. 24. In artikel 237 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1998, worden de woorden « de nationaliteit, en » ingevoegd tussen de woorden « geheven op » en de woorden « de adelbrieven ».
Art. 25. In hetzelfde Wetboek wordt afdeling I, dat het artikel 238 zal omvatten, hersteld in de volgende lezing :
« Afdeling I. - Nationaliteit
Art. 238. Er wordt een recht geheven op de procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit, die worden bepaald bij hoofdstuk III van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.
Het recht bedraagt 150 euro.
Het recht moet gekweten worden vóór de indiening van het verzoek of vóór de aflegging van de verklaring. ».
Art. 26. Artikel 249 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 1987 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 1998 en het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een § 4, luidende :
« § 4. Het recht is niet verschuldigd ingeval van een verandering van naam of voornaam als bedoeld in de artikelen 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. ».

HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 27. In artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, wordt het 22° vervangen door wat volgt :
« 22° van de verklaringen als bedoeld in de artikelen 11, § 2, en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van verklaringen of verzoeken op grond van de artikelen 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek; ».
Art. 28. Artikel 604 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
« Onverminderd de in het artikel 23/1, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bedoelde gevallen, neemt het hof van beroep kennis van rechtsvorderingen tot vervallenverklaring van de nationaliteit. ».
Art. 29. In artikel 628, 9°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 maart 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden « artikel 11bis » worden vervangen door de woorden « artikel 11, § 2, »;
2° de woorden « wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 12bis of om verklaringen op grond van de artikelen 15 tot 17, 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek » worden vervangen door de woorden « wanneer het gaat om een verklaring als bedoeld in artikel 12bis of om verklaringen of verzoeken op grond van de artikelen 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek; ».

HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Wetboek van internationaal privaatrecht
Art. 30. In artikel 36 van het Wetboek van internationaal privaatrecht wordt het tweede lid aangevuld met de woorden « of indien deze een verzoek heeft gedaan op grond van de artikelen 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. ».
Art. 31. In artikel 38 van hetzelfde Wetboek wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
« De vrijwillige verandering van naam of voornaam in het kader van de verkrijging van de Belgische nationaliteit, zoals bedoeld in de artikelen 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, wordt beheerst door het Belgisch recht. ».

HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
Art. 32. § 1. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2013, met uitzondering van de artikelen 18 tot 22, die in werking treden de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
§ 2. Voor de verzoeken en verklaringen ingediend voor 1 januari 2013, blijven de voordien vigerende bepalingen van toepassing. De artikelen 22, 23, 23/1, 24 en 25 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals gewijzigd door de artikelen 18 tot 22 van deze wet, zijn evenwel onmiddellijk van toepassing op alle aanhangige verzoeken en verklaringen.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 4 december 2012.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
_______
Nota
(1) Zitting 2010-2011.
Kamer van volksvertegenwoordigers.
Stukken. - Wetsvoorstel van Mevr. Van Cauter c.s., 53-0476 - Nr. 1. - Amendementen, 53-0476 - Nr. 2 tot 10. - Advies van de Raad van State, 53-0476 - Nr. 11. - Amendementen, 53-0476 - Nr. 12.
Zitting 2011-2012.
Stukken. - Amendementen, 53-0476 - Nr. 13 en 14. - Verslag, 53-0476 - Nr. 15. - Tekst aangenomen door de commissie, 53-0476 - Nr. 16.
Zitting 2012-2013.
Stukken. - Amendementen, 53-0476 - Nr. 17. - Aanvullend verslag namens de commissie, 53-0476 - Nr. 18. - Tekst aangenomen door de commissie, 53-0476 - Nr. 19. - Amendementen, 53-0476 - Nr. 20. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, 53-0476 - Nr. 21.
Integraal verslag. - 24 en 25 oktober 2012.
Senaat.
Documenten. - Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat, 5-1827 - Nr. 1.


 

FEDERALE OVERHEIDSDIENST BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING EN FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE
 

17 JANUARI 2013. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de lijst van landen waar het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst

VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Wij hebben de eer U hierbij een ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen dat een lijst vastlegt van landen waar het verkrijgen van een akte van de burgerlijke stand voor nationaliteitsdossiers erg moeilijk of onmogelijk is.
Voor landen die op deze lijst voorkomen, kan zonder bijkomend bewijs, de procedure tot vervanging van de in het buitenland opgemaakte geboorteakte toegepast worden. De betrokkene moet geen bijkomend bewijs leveren dat er in de geboorteplaats geen akten beschikbaar zijn of enkel mits zware moeilijkheden kunnen verkregen worden.
Voor landen die niet op deze lijst voorkomen, zal de betrokkene - indien hij zijn geboorteakte wil vervangen door een akte van bekendheid - steeds moeten bewijzen dat er inderdaad een onmogelijkheid is of zware moeilijkheid bestaat om deze akte in de geboorteplaats te verkrijgen of een naar lokaal recht vervangend document te verkrijgen of nog via een lokale procedure een ontbrekende of verloren gegane akte te laten hermaken.
De lijst wordt in een bijlage aan het besluit opgenomen. Uiteraard zal deze bijlage aan wijzigingen onderhevig zijn. Op dat ogenblik zal, na overleg binnen de Ministerraad, op voorstel van de Minister van buitenlandse zaken een nieuwe bijlage voorgesteld worden.
Wijzingen kunnen te maken hebben met natuurrampen of oorlogen waardoor lokale diensten gedurende lange tijd niet meer functioneren. Het is uiteraard ook mogelijk dat landen van de lijst verdwijnen indien de lokale omstandigheden aanzienlijk verbeteren.
De huidige lijst is gebaseerd op de ervaring van de administratie van buitenlandse zaken die dagelijks met de problematiek geconfronteerd wordt.
Wij hebben de eer te zijn,
Sire,
van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige
en trouwe dienaars,
De Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken,
D. REYNDERS
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

17 JANUARI 2013. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de lijst van landen waar het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op het Wetboek van de Belgische nationaliteit, inzonderheid op artikel 5, gewijzigd bij de wet van 4 december 2012;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 7 november 2012;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid ingegeven door het feit dat de wet van 4 december 2012 in werking treedt op 1 januari 2013, dat deze wet niet kan toegepast worden indien niet is bepaald in welke landen het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst, zodat het dringend geboden is dat de reglementaire bepalingen van dit besluit samen met de wet in werking kunnen treden;
Gelet op het advies 52/589/2 van de Raad van State, gegeven op 27 december 2012 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Justitie, en op voordracht van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. De lijst van landen waar het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst, wordt vastgesteld volgens de bijlage bij dit besluit.
Art. 2. De minister bevoegd voor Buitenlandse zaken en de minister bevoegd voor Justitie zijn, ieder voor wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 17 januari 2013.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken,
D. REYNDERS
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Bijlage
Lijst van landen waar het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst :
Afghanistan
Angola (enkel enclave Cabinda)
Somalië
Zuid-Soedan
Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 17 januari 2013 tot vaststelling van tot vaststelling van de lijst van landen waar het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken,
D. REYNDERS
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM




 

FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE
 

14 JANUARI 2013. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken

 

VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
De wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken wijzigt grondig de procedure van verwerving van de Belgische nationaliteit.
In dit opzicht heeft deze wet in de artikelen 2, 3, 4, 12 en 17 Uwe Majesteit gemachtigd reglementaire bepalingen uit te vaardigen.
De wettelijke bepalingen waaraan in het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit uitvoering wordt gegeven, hebben betrekking op de volgende gebieden :

HOOFDSTUK I. - Bewijs van de kennis van één van de drie landstalen (art. 1)
1. Inleiding
Het Wetboek van de Belgische nationaliteit maakt voortaan de toegang tot de Belgische nationaliteit afhankelijk van het bewijs van de kennis van één van de drie officiële landstalen. 
Overeenkomstig artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit is het niveau A2 van het Europees Referentiekader voor talen het wettelijk vereiste niveau. 
In de commentaren van de wet (Gedr. St., Kamer, 53 0476/13, blz. 19) wordt het niveau A2 van het Europees Referentiekader voor talen als volgt uiteengezet :
« Ik kan zinnen en de meest frequente woorden begrijpen die betrekking hebben op gebieden die voornamelijk van direct persoonlijk belang zijn (bijv. basisinformatie over mijzelf en familie, winkelen, plaatselijke geografie, werk). Ik kan de belangrijkste punten in korte, duidelijke eenvoudige boodschappen en aankondigingen volgen.
Ik kan korte eenvoudige teksten lezen. Ik kan specifieke voorspelbare informatie vinden in eenvoudige, alledaagse teksten zoals advertenties, menu's en dienstregelingen en ik kan korte, eenvoudige, persoonlijke brieven begrijpen.
Ik kan communiceren over eenvoudige en alledaagse taken die een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie over vertrouwde onderwerpen en activiteiten betreffen. Ik kan zeer korte sociale gesprekken hanteren, zelfs terwijl ik gewoonlijk niet voldoende begrijp om het gesprek zelfstandig gaande te houden.
Ik kan een reeks uitdrukkingen en zinnen gebruiken om in eenvoudige bewoordingen mijn familie en andere mensen, leefomstandigheden, mijn opleiding en mijn huidige of meest recente baan te beschrijven.
Ik kan korte, eenvoudige notities en boodschappen die betrekking hebben op directe behoeften opschrijven. Ik kan een zeer eenvoudige persoonlijke brief schrijven, bijvoorbeeld om iemand voor iets te bedanken. » 
2. De specifieke bewijsmiddelen betreffende de sociale integratie
Om een praktische toepassing toe te laten van deze vereiste door de burgerlijke stand, zal een bewijs van maatschappelijke integratie, zoals een onderwijsdiploma, opleidingsgetuigschrift of inburgeringscursus als een bewijs van taalkennis aanvaard worden (cf. Commentaren van de wet, Gedr. St., Kamer, 53 0476/13, blz. 25).
Daaruit volgt dat het bewijs van taalinburgering gewoonlijk zal geleverd worden telkens als de vreemdeling aantoont dat hij voldoet aan de maatschappelijke integratie, als bedoeld in artikel 12bis, § 1, 2°, d), en artikel 12bis, § 1, 3°, e) van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.
a. Een diploma of een getuigschrift
1. Van een kandidaat-Belg die bijvoorbeeld een getuigschrift van hoger secundair onderwijs voorlegt dat is uitgereikt door een inrichting voor secundair onderwijs wordt ambtshalve aangenomen dat hij het wettelijk vereiste taalniveau beheerst. Het diploma of getuigschrift moet uiteraard zijn verkregen op het einde van een opleiding in één van de drie landstalen. Aldus wordt met een diploma of een getuigschrift van een onderwijsinrichting waarvan de belangrijkste onderwijstaal Engels is, niet het bewijs geleverd van de kennis van één van de officiële landstalen (cf. Commentaren van de wet, Gedr. St., Kamer, Doc 53 0476/10, blz. 22).
2. Meer in het bijzonder inzake het hoger onderwijs was de Bologna-hervorming het begin van een omvangrijk vernieuwingsproces, zowel op het vlak van de structuur als de kwaliteit van alle studierichtingen van het hoger onderwijs. De student heeft thans toegang tot een zeer gevarieerd aanbod van opleidingen, zowel voltijds als deeltijds, of in avondonderwijs, zodat een opleidingsjaar in werkelijkheid zeer uiteenlopend kan zijn. Met de Bologna-akkoorden werd echter een creditsysteem, ECTS (European Credit Transfer System), ingevoerd dat berust op het beginsel dat een persoon die voltijds studeert een werkvolume van 60 credits heeft tijdens een academiejaar. Erop gelet dat een academiejaar 60 ECTS-credits telt, is het bijgevolg vereist om 60 ECTS-credits te hebben behaald maar ook om geslaagd te zijn in de betrokken vakken, met dien verstande dat de 60 ECTS-credits betrekking moeten hebben op lessen gegeven in één van de drie officiële landstalen. 
3. Tenslotte kan de kandidaat-Belg zich eveneens beroepen op een diploma van secundair of hoger onderwijs behaald op het grondgebied van de Europese Unie als bewijs van de kennis van één van de drie landstalen, voor zover :
- dat zijn diploma erkend is door één van de Gemeenschappen. Wat betreft de erkenning van vreemde diploma's van hoger onderwijs dient onder meer verwezen te worden naar de « NARIC »- centra; dit zijn nationale informatiecentra inzake academische erkenning, die opgericht zijn in 1984 door de Europese Commissie en die ermee belast zijn informatie te verschaffen aan meer bepaald de particulieren alsmede aan de terzake bevoegde diensten van de bevoegde Gemeenschappen;
- dat zijn diploma het bewijs kan leveren van de minimale kennis van één van de drie landstalen gelijkwaardig aan het niveau A2 van het Europees Referentiekader voor talen.
b. de uitoefening van een beroepsactiviteit in België gedurende verscheidene jaren
Bovendien vormt het gegeven dat de vreemdeling die gedurende verschillende jaren professioneel actief is geweest in België ontegenzeglijk een ernstig bewijs van het beheersen van het vereiste taalniveau, inzonderheid rekening houdend met de toepasselijke wetgeving inzake het gebruik der talen in sociale relaties in ondernemingen die ertoe strekken de taal van de plaats van de exploitatiezetel van de vennootschap op te leggen.
c. Het volgen van een integratietraject
Ook de onthaal- en integratietrajecten van de nieuwkomers waarvan de opleidingsprogramma's taallessen omvatten, moeten worden vermeld. Deze onthaal- en integratielessen worden aanvaard als bewijs van taalkennis, op voorwaarde dat zij het door de federale wetgever in het kader van het verkrijgen van de Belgische nationaliteit opgelegde A2-niveau respecteren. 
d. Het volgen van een beroepsopleiding
Ook van de vreemdeling die bewijst een beroepsopleiding te hebben gevolgd - van minimum 400 uur, inzonderheid georganiseerd door de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding, zoals de VDAB, Bruxelles Formation, Actiris, de FOREm en het Arbeitsamt - wordt aangenomen één van de drie landstalen te beheersen op het wettelijk vereiste niveau. 
3. De bewijsmiddelen die van toepassing zijn op de vreemdelingen die niet onderworpen zijn aan de voorwaarde van maatschappelijke integratie
Bovenop de bewijsmiddelen die specifiek zijn voor de maatschappelijke integratie, kan de vreemdeling bedoeld in artikel 12bis, § 1, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit - voor zover hij niet onderworpen is aan de voorwaarde van maatschappelijke integratie - eveneens de minimumkennis van één van de drie landstalen overeenstemmend met niveau A2 bewijzen aan de hand van de overlegging van een van de volgende documenten : 
- een taalcertificaat afgegeven door SELOR;
- een attest voor het slagen voor één van de drie landstalen afgegeven door de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding (de VDAB, Bruxelles Formation, Actiris, de FOREm, het Arbeitsamt);
- een attest voor het slagen voor één van de drie landstalen afgegeven door een instelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap. 
Met betrekking tot dit laatste punt kan men bij wijze van voorbeeld vermelden - op voorwaarde dat zij het niveau A2 respecteren : de attesten voor het slagen voor een taalcursus van de onderwijsinstellingen voor sociale promotie, de attesten voor het slagen voor examens voor het voldoende beheersen van één van de drie landstalen georganiseerd door bepaalde instellingen voor hoger onderwijs met het oog op toegang tot de studies van de eerste cyclus, de attesten voor het slagen betreffende het aanbod van levende talen, over het algemeen voorgesteld in de vorm van avondonderwijs bestemd voor een zeer ruim publiek, door bepaalde instellingen voor hoger onderwijs enz.

HOOFDSTUK II. - Bepaling van gewichtige feiten eigen aan de persoon (art. 2) 
De wet van 4 december 2012 heeft artikel 1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit aangevuld met een tweede paragraaf, waarin een aantal begrippen worden verduidelijkt die belangrijk zijn voor de toepassing van de nationaliteitswetgeving zoals het begrip « gewichtige feiten eigen aan de persoon ».
Het begrip « gewichtige feiten eigen aan de persoon » komt ter sprake in artikel 15, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals gewijzigd door de wet van 4 december 2012 waar de procedure beschreven staat die gevolgd wordt bij een nationaliteitsverklaring. 
Hierbij kan de procureur des Konings een advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit, met dien verstande dat het bestaan van gewichtige feiten eigen aan de persoon een beletsel vormt om de Belgische nationaliteit te verkrijgen. 
Verder verwijzen het eveneens door voornoemde wet van 4 december 2012 gewijzigde artikel 21, § 5, tweede lid, en artikel 24 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit naar voornoemd artikel 15, § 3. De gewichtige feiten eigen aan de persoon spelen op die manier eveneens een rol bij de beoordeling van het verzoek om naturalisatie en de herkrijging van de Belgische nationaliteit.
In het nieuwe artikel 1, § 2, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit heeft de wetgever zelf reeds een aantal feiten gekwalificeerd als een gewichtig feit eigen aan de persoon. 
De wetgever heeft hiermee niet op een strikte wijze het aantal gevallen van gewichtige feiten willen omschrijven, maar heeft reeds een bepaalde invulling van het begrip willen vooropstellen. 
Deze zijn :
- het feit zich te bevinden in een van de gevallen die betrekking hebben op de vervallenverklaring van de nationaliteit;
- het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd;
- het feit dat de identiteit of hoofdverblijfplaats onmogelijk kan worden gecontroleerd of de identiteit niet kan worden gewaarborgd;
- het feit dat aan de aanvrager, omwille van eender welke vorm van sociale of fiscale fraude, door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 1, § 2, tweede lid, van het Wetboek bepaalt dat de lijst van de gewichtige feiten eigen aan de persoon, aangevuld kan worden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De lijst bevat een aantal gevallen die op zich een gewichtig feit eigen aan de persoon uitmaken en die eventueel aanleiding zullen kunnen geven tot een negatief advies voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit.
Elke strafrechtelijke veroordeling tot een effectieve gevangenisstraf die voorkomt in het strafregister vormt een gewichtig feit eigen aan de persoon, tenzij er eerherstel werd bekomen.
Feiten die kunnen leiden tot een veroordeling zoals bedoeld hierboven vormen een gewichtig feit eigen aan de persoon wanneer er een opsporingsonderzoek tegen de betrokkene in het jaar voorafgaand aan de verklaring of het verzoek werd geopend en voor zover dat opsporingsonderzoek nog altijd hangende is.
Feiten die kunnen leiden tot een veroordeling zoals bedoeld hierboven, vormen eveneens een gewichtig feit eigen aan de persoon wanneer er een hangend gerechtelijk onderzoek tegen de betrokkene bestaat.
Teneinde rekening te houden met het op 27 december 2012 verleende advies van de Raad van State, past het te verduidelijken dat de keuze om de gevallen bedoeld in de punten 2° en 3° van artikel 2 van dit besluit te aanzien als gewichtige feiten eigen aan de persoon in de lijn ligt van de huidige praktijk van de Nederlandstalige en Franstalige procureurs des Konings op het vlak van nationaliteit, waarbij voor de beoordeling van het begrip « gewichtige feiten eigen aan de persoon » wordt gekeken naar de moraliteit van de kandidaat-Belg evenals naar zijn respect voor de Belgische wetten en normen die in bepaalde gevallen een beletsel vormen voor het verwerven van de Belgische nationaliteit.
Lopende strafonderzoeken die kunnen resulteren in een strafrechtelijke veroordeling die wordt gekwalificeerd als een gewichtig feit eigen aan de persoon kunnen bijgevolg ook aanleiding geven tot een negatief advies. Het kan immers moeilijk verantwoord worden dat iemand de Belgische nationaliteit kan verkrijgen wanneer er lastens hem een gerechtelijk onderzoek of een opsporingsonderzoek loopt en dit onderzoek kan uitmonden in een veroordeling die kan gekwalificeerd worden als een gewichtig feit eigen aan de persoon.
In geval van een opsporingsonderzoek is als bijkomende voorwaarde bepaald dat dit onderzoek maximaal één jaar oud is en nog steeds hangende is. In dit geval betreft het immers doorgaans onderzoeken naar misdrijven zonder bijkomende complexiteit, die binnen een korte termijn moeten kunnen afgehandeld worden. Hierdoor wordt verhinderd dat een opsporingsonderzoek oneigenlijk lang zou kunnen aanslepen, en daardoor de kandidaat-vreemdeling blijvend zou kunnen verhinderen om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, wat zou neerkomen op een disproportionele toepassing van het concept « gewichtig feit eigen aan de persoon ».
Bovendien, indien het onderzoek leidt tot een seponering, een vrijspraak, of een veroordeling die niet kwalificeert als een gewichtig feit eigen aan de persoon zoals hierboven, dan is het dossier niet meer hangende, en kan de betrokkene opnieuw een verklaring of verzoek indienen.
Het feit dat de aanvrager activiteiten heeft die de fundamentele belangen van de Staat bedreigen of zouden kunnen bedreigen, wordt aanzien als een gewichtig feit eigen aan de persoon. Er wordt hierbij uitdrukkelijk verwezen naar de omschrijving die door de artikelen 7 en 8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst worden gegeven aan het soort activiteit dat wordt bedoeld. 
Elke aanwijzing dat een kandidaat-Belg betrokken is in aangelegenheden waarbij de fundamentele waarden en belangen van de Belgische rechtsstaat bedreigd worden, dient ernstig genomen te worden. Wanneer later zou blijken dat de betrokken persoon door gerechtelijke instanties vrijgesproken wordt, staat het hem vrij om een nieuwe nationaliteitsaanvraag in te dienen. 
Het feit dat de aanvrager zijn wettelijke verblijfstitel heeft verkregen door een schijnhuwelijk, gedwongen huwelijk, schijnsamenwoonst of gedwongen wettelijke samenwoning, die vastgesteld werd door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, vormt eveneens een gewichtig feit. 

HOOFDSTUK III. - Bepaling van de verblijfsdocumenten die in aanmerking komen voor de vaststelling van het wettelijk verblijf (artikelen 3 en 4)
1. Algemene opmerkingen 
Zoals het opschrift aangeeft, wordt met de wet beoogd de verwerving van de nationaliteit te objectiveren en migratieneutraal te maken. Van de verwerving van de Belgische nationaliteit kan slechts sprake zijn op het moment dat de verblijfsstatus van de betrokkene op het grondgebied is gestabiliseerd. In geen geval mag de nationaliteit een middel zijn om een verblijfstitel te bekomen of om het administratief statuut van de vreemdeling te consolideren. 
Artikel 4 van voornoemde wet vervangt artikel 7bis, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit als volgt :
« § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek inzake verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit, moet de vreemdeling zijn hoofdverblijfplaats in België hebben gevestigd op grond van een wettelijk verblijf, en dit zowel op het ogenblik van het indienen van zijn verzoek of verklaring als gedurende de onmiddellijk hieraan voorafgaande periode. Zowel het wettelijk verblijf als het hoofdverblijf dienen ononderbroken te zijn.
§ 2. Onder wettelijk verblijf wordt verstaan :
1° wat het ogenblik van de indiening van zijn verzoek of verklaring betreft : toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of om er zich te vestigen op basis van de vreemdelingenwet;
2° wat de voorafgaande periode betreft : toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet of de regularisatiewet. » 
2. Artikelsgewijze Commentaar 
Artikel 3
Op het moment van de indiening van zijn verzoek of van zijn verklaring moet de vreemdeling toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of om er zich te vestigen.
De onderdanen van een derde land die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk zijn in het bezit van een verblijfstitel « B. bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister » (« B-kaart »). Diegene die gemachtigd wordt om er zich te vestigen is in het bezit van een verblijfstitel « C. identiteitskaart voor vreemdeling » (« C-kaart »).
Aangezien artikel 16, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de status van langdurig ingezetene « gelijkstelt » aan de vestiging, moet er rekening worden gehouden met deze verblijfsstatus, die gematerialiseerd wordt door een « EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene » (« D-kaart »).
Wat de burgers van de Europese Unie en hun familieleden betreft, moet er rekening worden gehouden met elk opeenvolgend verblijf van meer dan drie maanden.
Het verblijfsrecht van de burgers van de Unie en van hun familieleden is geregeld door de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. Aangezien geen enkele reglementaire tekst het verblijf beperkt, kan dit verblijf niet als van beperkte duur bestempeld worden en moet het bijgevolg in aanmerking genomen worden.
De burgers van de Unie die over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden in het Rijk beschikken, zijn in het bezit van een « verklaring van inschrijving ». Deze verklaring bestaat zowel in papieren vorm (« bijlage 8 ») als in elektronische vorm (« E-kaart »). De familieleden van een burger van de Unie die over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden beschikken, zijn in het bezit van een « verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » (« F-kaart »).
Het duurzaam verblijf moet eveneens in aanmerking worden genomen, aangezien het om een « versterking » van het verblijf van meer dan drie maanden gaat, die na een verblijf van drie of vijf jaar op het grondgebied van het Rijk bekomen wordt. Dit duurzaam verblijf is immers verwant met de machtiging tot vestiging van de onderdanen van derde landen.
De burgers van de Unie die over een duurzaam verblijf in het Rijk beschikken, zijn in het bezit van een « document ter staving van duurzaam verblijf ». Dit document bestaat zowel in papieren vorm (« bijlage 8bis ») als in elektronische vorm (« E+-kaart »). De familieleden van een burger van de Unie die deze duurzame verblijfsstatus in het Rijk bekomen hebben, zijn in het bezit van een « duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » (« F+-kaart »).
Artikel 4
Wat de periode die aan het verzoek of de verklaring voorafgaat betreft, moet de vreemdeling toegelaten of gemachtigd zijn geweest tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, of gemachtigd zijn geweest om er zich te vestigen.
In tegenstelling tot het moment van de indiening van het verzoek of de verklaring moet er eveneens rekening worden gehouden met het beperkt verblijf van meer dan drie maanden, dat aangetoond wordt door de afgifte van een « A. bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister B tijdelijk verblijf » (« A-kaart »).
De « H. europese blauwe kaart » (« H Bkaart ») moet eveneens in aanmerking worden genomen. De vernieuwing van de machtiging tot verblijf die toegekend wordt aan de hooggekwalificeerde werknemers is onderworpen aan de machtiging van de minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, of die van zijn gemachtigde (Dienst Vreemdelingenzaken).
Er moet ook rekening gehouden worden met de verblijfsdocumenten die overeenkomstig de « bijlage 15 » van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 opgesteld worden.
De bijlage 15 wordt met name afgegeven aan de vreemdelingen die, alhoewel ze toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf of om zich te vestigen, om praktische redenen (termijn voor het uitvoeren van het onderzoek van de woonplaats) niet kunnen worden ingeschreven in de bevolkingsregisters, of, om technische redenen (termijn voor het aanmaken van de verblijfstitels), niet in het bezit kunnen worden gesteld van de verblijfstitel waarop ze recht hebben.

HOOFDSTUK IV. - Bepaling van de stavingsstukken die bij de aanvraag of de verklaring moeten worden gevoegd en bepaling van de inhoud van het aanvraagformulier inzake naturalisatie en van het formulier inzake de kennisgeving van de ontbrekende stukken (artikelen 5 tot 11)
1. Algemene opmerkingen
De lijst van stavingsstukken werd inzonderheid opgesteld op grond van de praktische ervaring van de administratie van justitie en van de ambtenaren van de burgerlijke stand.
De invoering in het Wetboek van de Belgische nationaliteit van nieuwe criteria voor de toegang tot de nationaliteit, inzonderheid de voorwaarden inzake maatschappelijke integratie en economische participatie heeft het bovendien noodzakelijk gemaakt de informatie afkomstig van openbare diensten met gezag in het betrokken domein, zoals bijvoorbeeld de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg of de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, in aanmerking te nemen.
2. Artikelsgewijze bespreking 
Artikelen 5 tot 10
De wet versterkt de rol van de ambtenaar van de burgerlijke stand in de actieve procedures van verkrijging van de Belgische nationaliteit ingediend door meerderjarige personen. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet voortaan de volledigheid van de nationaliteitsverklaring onderzoeken. Hij kan, in voorkomend geval, de voor hem afgelegde verklaring onontvankelijk verklaren indien de betrokkene zijn dossier niet heeft vervolledigd binnen de hem daarvoor toegekende termijn.
Teneinde de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid te bieden deze opdracht correct te vervullen, is in het ontwerp van koninklijk besluit nader bepaald welke noodzakelijke documenten bij de nationaliteitsverklaring moeten worden gevoegd.
Artikel 11
In dit artikel wordt de inhoud bepaald van het formulier dat aan de persoon die een verklaring aflegt ter kennis wordt gebracht wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand vaststelt dat de documenten ter ondersteuning van zijn verklaring niet volledig zijn. In dit geval deelt de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de persoon die een verklaring aflegt mee welke documenten ontbreken, zulks door middel van het formulier dat als bijlage gaat bij het besluit in ontwerp. 
Het lijkt nuttig nader te bepalen dat de betaling van het registratierecht niet is opgenomen in het formulier inzake de kennisgeving van de ontbrekende stukken. De betaling van het registratierecht kan, in tegenstelling tot de akten en stavingsstukken vermeld in het ontwerp van koninklijk besluit, nooit later worden geregulariseerd overeenkomstig artikel 15, § 2, vijfde lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit dat in het volgende voorziet : "Wordt de aanvraag onvolledig beschouwd, dan wordt hiervan kennis gegeven bij aangetekende brief binnen vijfendertig werkdagen na de aflegging van de verklaring, dan wel binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de vreemdeling wordt verleend om het verzuim te herstellen. De niet-tijdige betaling van het registratierecht kan evenwel niet worden geregulariseerd. » 

HOOFDSTUK V. - Vaststelling van de akten en stavingsstukken die bij het verzoek tot naturalisatie moeten worden gevoegd en van de inhoud van het formulier van het naturalisatieverzoek (artikelen 12 en 13)
Teneinde de ambtenaar van de burgerlijke stand en de griffier van de Kamer van volksvertegenwoordigers de mogelijkheid te bieden na te gaan of het naturalisatieverzoek volledig is, is in het ontwerp van koninklijk besluit nader bepaald welke noodzakelijke documenten bij de naturalisatieaanvraag moeten worden gevoegd en is de inhoud van het aanvraagformulier inzake naturalisatie bepaald.

HOOFDSTUK VI. - Administratieve vereenvoudiging (artikel 14)
Bepaalde gegevens zijn beschikbaar in het Rijksregister wanneer de persoon waarop ze betrekking hebben, ingeschreven is in het Rijksregister. Het kan niet verantwoord worden om deze gegevens te vragen aan de persoon die een naturalisatieverzoek heeft ingediend of een nationaliteitsverklaring heeft afgelegd. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de Commissie naturalisatie heeft toegang tot bepaalde van deze gegevens en kan ze zich verschaffen.
Deze bepaling voorziet erin dat de gegevens die voorkomen in het rijksregister juist zijn tot bewijs van het tegendeel. Het kan inderdaad gebeuren dat ingevolge een gebeurtenis op het vlak van de burgerlijke stand die plaatshad na het naturalisatieverzoek of de nationaliteitsverklaring, bijvoorbeeld een huwelijk, het gelijkluidend afschrift van een in het buitenland opgestelde akte van de burgerlijke stand aantoont dat de in het rijksregister voorkomende gegevens niet correct zijn.
Tenslotte bepaalt dit artikel dat indien de akte van de burgerlijke stand opgemaakt of overgeschreven is door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van het naturalisatieverzoek of de nationaliteitsverklaring, de betrokkene eveneens ervan vrijgesteld is een gelijkvormig afschrift van de deze akte te verschaffen. In dit geval voegt de ambtenaar van de burgerlijke stand een gelijkvormig afschrift van de betrokken akte aan het dossier toe. Begrijpelijkerwijze is deze paragraaf niet van toepassing indien het naturalisatieverzoek ingediend wordt bij de Commissie Naturalisaties.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige
en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

ADVIES 52.588/2 VAN 27 DECEMBER 2012 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
Op 18 december 2012 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Justitie verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken'.
Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 27 december 2012. De kamer was samengesteld uit Yves Kreins, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, en Bernadette Vigneron, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Laurence Vancrayebeck, auditeur.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 27 december 2012.
Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, en vervangen bij de wet van 2 april 2003, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van spoedeisende karakter ervan.
De brief met de adviesaanvraag luidt als volgt :
« Gelet op de dringende noodzakelijkheid ingegeven door het feit dat de wet van 4 december 2012 in werking treedt op 1 januari 2013, dat deze wet niet kan toegepast worden indien niet is bepaald hoe het bewijs van de kennis van één van de landstalen moet worden geleverd, welke feiten moeten gekwalificeerd worden als gewichtige feiten eigen aan de persoon, welke verblijfsdocumenten in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van het wettelijk verblijf in hoofde van de aanvrager, welke akten en stavingstukken bij de nationaliteitsverklaring moeten worden gevoegd, met welk formulier door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis moet worden gegeven van de ontbrekende stukken evenals met welk formulier een verzoek tot naturalisatie moet worden ingediend, zodat het dringend geboden is dat de reglementaire bepalingen van dit besluit samen met de wet in werking kunnen treden ».
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het vervangen is bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Rechtsgrond
Bijzondere opmerkingen
Aanhef
1. De wet van 15 december 1980 'betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen' vormt niet de rechtsgrond van het ontworpen besluit. De vermelding ervan in de aanhef dient dan ook te vervallen.
2. Wat betreft de verwijzing naar artikel 15, § 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, behoort meer in het bijzonder melding te worden gemaakt van het tweede en zevende lid van deze bepaling.
Dispositief
Artikel 2
1. Het ontworpen artikel 2 ontleent zijn rechtsgrond aan artikel 1, § 2, tweede lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het gewijzigd is bij de wet van 4 december 2012. Die bepaling luidt als volgt :
« De lijst van gewichtige feiten eigen aan de persoon die in het 4° bedoeld worden, kan aangevuld worden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ».
Het ontworpen artikel 2 stelt derhalve een lijst vast van feiten die beschouwd moeten worden als « gewichtige feiten eigen aan de persoon ». In die lijst worden inzonderheid de volgende gevallen vermeld :
« 1° elke strafrechtelijke veroordeling voor een effectieve gevangenisstraf die voorkomt in het strafregister, tenzij er eerherstel werd bekomen;
2° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1° en waarvoor bij het parket een opsporingsonderzoek werd geopend in het jaar voorafgaand aan de verklaring of het verzoek en dat nog hangende is;
3° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1° en waarvoor een gerechtelijk onderzoek nog hangende is ».
De vraag rijst of de ontworpen punten 2° en 3°, wegens de algemeenheid van de gebezigde bewoordingen (« elk feit dat kan leiden tot »), niet onevenredig zijn met het begrip « gewichtige feiten eigen aan de persoon » als bedoeld in het Wetboek van de Belgische nationaliteit, daar verwezen wordt naar situaties waarin er nog geen veroordeling is geweest.
Het verslag aan de Koning moet worden aangevuld met een gepaste verantwoording, inzonderheid wat betreft punt 2° waarin sprake is van een opsporingsonderzoek dat geopend is en nog steeds hangende is.
2. In punt 5° is er sprake van « schijnsamenwoonst of gedwongen wettelijke samenwoning ». De aandacht van de steller van het ontwerp wordt gevestigd op het feit dat de wettekst waarin die begrippen worden gebezigd zich nog steeds in het stadium van wetsontwerp bevindt.
Bijlagen
Elk van de bijlagen moet voorafgegaan worden door een opschrift waarin vermeld wordt dat het gaat om de « bijlage (...) bij het koninklijk besluit van (...) tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken ».
Aan het eind van de bijlagen moet eveneens het volgende worden vermeld : « Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van (...) tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken ».
_______
Nota's
(1) Zie advies 52.283/AV, gegeven op 26 en 27 november 2012, over een voorontwerp van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Strafwetboek, het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 31 december 1851 betreffende de consulaten en de consulaire rechtsmacht met het oog op de strijd tegen de schijnhuwelijken en de schijnwettelijke samenwoningen'.
(2-3) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab 'Wetgevingstechniek', aanbevelingen 172 en 174 en formule F 4-8-1.



 
14 JANUARI 2013. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet het Wetboek van de Belgische nationaliteit zoals gewijzigd bij de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken, inzonderheid artikel 1, § 2, eerste lid, 4° en 5°, en tweede lid, artikel 7bis, § 2, tweede lid, artikel 15, § 2, tweede en zevende lid en artikel 21, § 1;
Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
Gelet op het koninklijk besluit van 13 december 1995 tot bepaling van de inhoud van het aanvraagformulier inzake naturalisatie en de bij het verzoek om naturalisatie en bij de nationaliteitsverklaring te voegen akten en stavingsstukken en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de naturalisatieprocedure en van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juni 1999 wat betreft de bijlage en bij het koninklijk besluit van 4 oktober 2000;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 december 2012;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid ingegeven door het feit dat de wet van 4 december 2012 in werking treedt op 1 januari 2013, dat deze wet niet kan toegepast worden indien niet is bepaald hoe het bewijs van de kennis van één van de landstalen moet worden geleverd, welke feiten moeten gekwalificeerd worden als gewichtige feiten eigen aan de persoon, welke verblijfsdocumenten in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van het wettelijk verblijf in hoofde van de aanvrager, welke akten en stavingsstukken bij de nationaliteitsverklaring en bij het verzoek tot naturalisatie moeten worden gevoegd, met welk formulier door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis moet worden gegeven van de ontbrekende stukken evenals met welk formulier een verzoek tot naturalisatie moet worden ingediend, zodat het dringend geboden is dat de reglementaire bepalingen van dit besluit samen met de wet in werking kunnen treden;
Gelet op het advies 52.588/2 van de Raad van State, gegeven op 27 december 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Justitie en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK I. - Het bewijs van de kennis van één van de drie landstalen
Artikel 1. De documenten die in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van de minimale kennis van één van de drie landstalen in de zin van artikel 1, § 2, 5° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zijn : 
1° ofwel een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of van de Koninklijke Militaire School, behaald in één van de drie landstalen en dat minstens van het niveau van het hoger secundair onderwijs is;
2° ofwel een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling in de Europese Unie voor zover het diploma door de bevoegde Gemeenschap erkend is als gelijkwaardig, dat minstens van het niveau is van hoger secundair onderwijs, en dat betrekking heeft op kennis van één van de drie landstalen op het niveau krachtens artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit;
3° ofwel een document waaruit blijkt dat een beroepsopleiding werd gevolgd van minimum 400 uur, die erkend wordt door een bevoegde overheid;
4° ofwel een document waaruit blijkt dat een inburgeringscursus werd gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van de hoofdverblijfplaats van de betrokkene op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat;
5° ofwel documenten waaruit blijkt dat de betrokkene gedurende de voorbije vijf jaar onafgebroken als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep heeft gewerkt. Daartoe legt de aanvrager de volgende documenten voor :
a) indien de betrokkene werknemer in de privésector is of is geweest, legt hij documenten voor die "individuele rekeningen" worden genoemd, afgegeven door de werkgever;
b) indien de betrokkene bezoldigd werknemer in overheidsdienst is of is geweest, legt hij een attest of attesten voor, afgegeven door de bevoegde dienst van de overheid;
c) indien de betrokkene statutair ambtenaar in overheidsdienst is of is geweest, legt hij het bewijs van zijn definitieve benoeming voor vergezeld van een attest of attesten, afgegeven door de bevoegde dienst van de overheid;
d) indien de betrokkene een beroepsactiviteit als zelfstandige in hoofdberoep uitoefent of heeft uitgeoefend, legt hij het bewijs voor van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen vergezeld van het bewijs van betaling van de sociale kwartaalbetalingen tijdens de wettelijke vereiste periode;
6° ofwel een attest voor het slagen voor één van de drie landstalen waaruit een taalniveau blijkt dat overeenstemt met het taalniveau dat is vereist krachtens artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en dat wordt afgegeven door een instelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
7° ofwel een taalcertificaat met betrekking tot de kennis van één van de drie landstalen afgegeven door het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR) waaruit een taalniveau blijkt dat overeenstemt met het taalniveau dat is vereist krachtens artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit;
8° ofwel een attest voor het slagen voor één van de drie landstalen waaruit een taalniveau blijkt dat overeenstemt met het taalniveau dat is vereist krachtens artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en dat wordt afgegeven door de gewestelijke diensten voor beroepsopleiding en arbeidsbemiddeling.

HOOFDSTUK II. - Bepaling van de gewichtige feiten eigen aan de persoon
Art. 2. Vormen een gewichtig feit eigen aan de persoon : 
1° elke strafrechtelijke veroordeling voor een effectieve gevangenisstraf die voorkomt in het strafregister, tenzij er eerherstel werd bekomen;
2° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1° en waarvoor bij het parket een opsporingsonderzoek werd geopend in het jaar voorafgaand aan de verklaring of het verzoek en dat nog hangende is; 
3° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1° en waarvoor een gerechtelijk onderzoek nog hangende is; 
4° het feit van zich over te leveren aan enige activiteit die de fundamentele belangen van de Staat bedreigt of kan bedreigen zoals omschreven in de artikelen 7 en 8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst; 
5° het feit, vastgesteld door gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, dat de betrokken persoon zijn titel van wettelijk verblijf heeft verkregen door schijnhuwelijk of gedwongen huwelijk of schijnsamenwoonst of gedwongen wettelijke samenwoning.

HOOFDSTUK III. - Bewijs van het wettelijk verblijf
Art. 3. De verblijfsdocumenten die in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zijn :
1° de verblijfstitel « B. het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister », opgesteld overeenkomstig de bijlage 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de verblijfstitel « C. identiteitskaart voor vreemdeling », opgesteld overeenkomstig de bijlage 7 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
3° de « EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene », opgesteld overeenkomstig de bijlage 7bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
4° de « verklaring van inschrijving », opgesteld overeenkomstig de bijlage 8 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5° het « document ter staving van duurzaam verblijf », opgesteld volgens de bijlage 8bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
6° de « verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie », opgesteld overeenkomstig de bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
7° de « duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie », opgesteld overeenkomstig de bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art. 4. De verblijfsdocumenten die in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zijn :
1° de verblijfstitel « A. het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister B-tijdelijk verblijf », opgesteld overeenkomstig de bijlage 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de verblijfstitel « B. het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister », opgesteld overeenkomstig de bijlage 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
3° de « H. Europese blauwe kaart », opgesteld overeenkomstig de bijlage 6bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
4° de « C. identiteitskaart voor vreemdeling », opgesteld overeenkomstig de bijlage 7 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5° de « EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene », opgesteld overeenkomstig de bijlage 7bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
6° de « verklaring van inschrijving », opgesteld overeenkomstig de bijlage 8 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
7° het « document ter staving van duurzaam verblijf », opgesteld overeenkomstig de bijlage 8bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
8° de « verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie », opgesteld overeenkomstig de bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
9° de « duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie », opgesteld overeenkomstig de bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
10° het document opgesteld overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, voor zover het in de volgende gevallen afgegeven werd :
a. indien de Burgemeester of diens gemachtigde zich in de onmogelijkheid bevindt de vreemdeling onmiddellijk in de bevolkingsregisters in te schrijven, of indien hij zich in de onmogelijkheid bevindt het verblijfsdocument waarop hij recht te kunnen afgeven;
b. indien de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, of diens gemachtigde, geen beslissing kan nemen inzake de aanvraag voor vernieuwing van de voorlopige machtiging tot verblijf die door de vreemdeling werd ingediend vóór het verstrijken van zijn huidige machtiging tot verblijf.

HOOFDSTUK IV. - Bepaling van de akten en stavingsstukken die bij de verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit moeten worden gevoegd en tot vaststelling van de inhoud van het formulier van kennisgeving van de ontbrekende stukken
Art. 5. De akten en stavingsstukken die bij de nationaliteitsverklaring moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zijn :
1° een van de volgende documenten :
a) een eensluidend afschrift van de akte van geboorte van de betrokkene, waarvoor naargelang van het geval de formaliteiten van legalisatie en vertaling moeten zijn vervuld en in voorkomend geval, indien de aanvrager een erkende vluchteling of staatloze is, een getuigschrift van geboorte afgegeven door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overeenkomstig artikel 57/6, 8°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 
b) voor de landen vermeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2013 tot vaststelling van de lijst van de landen waar het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst, een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van geboorte; 
c) in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich een eensluidend afschrift van de akte waarvan sprake in punt a) te verschaffen, een akte van bekendheid zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en gehomologeerd overeenkomstig artikel 5, § 3, van hetzelfde Wetboek;
d) in geval van onmogelijkheid om zich de akte van bekendheid waarvan sprake in punt c) te verschaffen, een beëdigde verklaring afgelegd overeenkomstig artikel 5, § 4, van hetzelfde Wetboek; 
2° de kwijting afgegeven door de ontvanger der registratie waaruit de betaling van het toepasselijke registratierecht blijkt;
3° een verblijfsdocument bedoeld in artikel 3 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit op het tijdstip van de neerlegging van de verklaring;
4° voor degene die een mandataris heeft aangewezen om in zijn plaats de formaliteiten met betrekking tot de nationaliteitsverklaring te vervullen : de aan deze mandataris gegeven bijzondere en authentieke volmacht;
5° voor de persoon die onbekwaam is uit hoofde van zijn geestestoestand : het bewijs dat de persoon die hem vertegenwoordigt zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn voorlopige bewindvoerder is.
Art. 6. Naast de in artikel 5 bedoelde documenten, dienen de volgende akten en stavingsstukken bij de nationaliteitsverklaring te worden gevoegd om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden voorzien in artikel 12bis, § 1, 1°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit :
1° een getuigschrift van verblijfplaats met overzicht van de adressen en verblijfplaatsen van de betrokkene als bewijs van een onafgebroken hoofdverblijf in België sedert zijn geboorte;
2° een verblijfsdocument bedoeld in artikel 4 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf sedert zijn geboorte in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.
Art. 7. Naast de in artikel 5 bedoelde documenten, dienen de volgende akten en stavingsstukken bij de nationaliteitsverklaring te worden gevoegd om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden voorzien in artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit :
1° een getuigschrift van verblijfplaats met overzicht van de adressen en verblijfplaatsen van de betrokkene als bewijs van een onafgebroken hoofdverblijf in België tijdens de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
2° een verblijfsdocument bedoeld in artikel 4 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit tijdens de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
3° het bewijs van de kennis van één van de drie landstalen volgens een van de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 1 van dit besluit;
4° het bewijs van maatschappelijke integratie, dat enkel op de volgende wijze kan worden geleverd : 
a) ofwel door een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of van de Koninklijke Militaire School, behaald in één van de drie landstalen dat minstens van het niveau van het hoger secundair onderwijs is;
b) ofwel door een document waaruit blijkt dat een beroepsopleiding werd gevolgd van minimum 400 uur die erkend wordt door een bevoegde overheid;
c) ofwel door een document waaruit blijkt dat een inburgeringscursus werd gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van de hoofdverblijfplaats van de betrokkene op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat;
d) ofwel door documenten waaruit blijkt dat de betrokkene gedurende de voorbije vijf jaar onafgebroken als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep heeft gewerkt. Daartoe legt de betrokkene de volgende documenten voor : 
- indien de betrokkene werknemer in de privésector is of is geweest, legt hij documenten voor die "individuele rekeningen" worden genoemd, afgegeven door de werkgever;
- indien de betrokkene bezoldigd werknemer in overheidsdienst is of is geweest, legt hij een attest of attesten voor, afgegeven door de bevoegde dienst van de overheid;
- indien de betrokkene statutair ambtenaar in overheidsdienst is of is geweest, legt hij het bewijs van zijn definitieve benoeming voor vergezeld van een attest of attesten afgegeven door de bevoegde dienst van de overheid;
- indien de betrokkene een beroepsactiviteit als zelfstandige in hoofdberoep uitoefent of heeft uitgeoefend, legt hij het bewijs voor van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen vergezeld van het bewijs van betaling van de sociale kwartaalbetalingen tijdens de wettelijk vereiste periode; 
5° het bewijs van economische participatie kan enkel met de volgende bewijsmiddelen worden geleverd :
a) indien de betrokkene werknemer in de privésector is of is geweest, legt hij een individuele rekening of rekeningen afgegeven door de werkgever, waaruit blijkt dat gedurende de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring minimaal 468 arbeidsdagen werden verricht;
b) indien de betrokkene bezoldigd werknemer in overheidsdienst is of is geweest, legt hij een attest of attesten afgegeven door de bevoegde dienst van de overheid, waaruit blijkt dat gedurende de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring minimaal 468 arbeidsdagen werden verricht;
c) indien de betrokkene statutair ambtenaar in overheidsdienst is of is geweest, legt hij het bewijs van zijn definitieve benoeming voor vergezeld van een attest of attesten afgegeven door de bevoegde dienst van de overheid waaruit blijkt dat gedurende de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring minimaal 468 arbeidsdagen werden verricht;
d) indien de betrokkene een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep uitoefent of heeft uitgeoefend, legt hij een document voor waaruit blijkt dat gedurende minstens zes kwartalen tijdens de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen werden betaald; 
e) indien de betrokkene, gedurende de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van zijn verklaring, een opleiding bedoeld in artikel 12bis, § 1, 2°, d), eerste en/of tweede streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, heeft gevolgd, moet de duur van voornoemde opleiding(en) in mindering worden gebracht van de duur van de vereiste beroepsactiviteit van minstens 468 dagen of van de duur van de zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep. In dat geval moet de aanvrager aantonen dat hij het eventuele saldo van de resterende arbeidsdagen heeft verricht op de hierboven bepaalde wijze.
Art. 8. Naast de in artikel 5 bedoelde documenten, dienen de volgende akten en stavingsstukken bij de nationaliteitsverklaring te worden gevoegd om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden voorzien in artikel 12bis, § 1, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit :
1° een getuigschrift van verblijfplaats met overzicht van de adressen en verblijfplaatsen van de betrokkene als bewijs van een onafgebroken hoofdverblijf in België tijdens de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
2° een verblijfsdocument bedoeld in artikel 4 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit tijdens de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
3° het bewijs van de kennis van één van de drie landstalen volgens een van de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 1 van dit besluit;
4° in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, § 1, 3°, d), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit :
a) indien de betrokkene gehuwd is met een Belg, legt hij het volgende voor : 
- een eensluidend afschrift van de akte van huwelijk aangegaan met de echtgenoot met de Belgische nationaliteit; voor de akte moeten in voorkomend geval de formaliteiten van legalisatie en vertaling zijn vervuld; 
- een getuigschrift waaruit blijkt dat de echtgenoot de Belgische nationaliteit bezit, alsmede een getuigschrift van verblijfplaats met overzicht voor beide echtgenoten als bewijs van het samenleven binnen het huwelijk in België tijdens de drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring; 
b) als de betrokkene de ouder van een Belgisch minderjarig of niet-ontvoogd minderjarig kind is, legt hij het volgende voor : 
- een eensluidend afschrift van de akte van geboorte van het kind, waarvoor naargelang van het geval de formaliteiten van legalisatie en vertaling moeten zijn vervuld;
- het bewijs dat aan het kind de Belgische nationaliteit is toegekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, alsmede elk document dat de juridische afstammingsband tussen het kind en de betrokkene kan aantonen, waarbij voor voornoemd(e) document(en) naargelang van het geval de formaliteiten van legalisatie en vertaling moeten zijn vervuld;
5° het bewijs van maatschappelijke integratie wordt met een van de volgende bewijsmiddelen geleverd :
a) een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling, opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of van de Koninklijke Militaire School, behaald in één van de drie landstalen, dat minstens van het niveau van het hoger secundair onderwijs is; 
b) een document waaruit blijkt dat een beroepsopleiding van minimum 400 uur, erkend door een bevoegde overheid, werd gevolgd, vergezeld van het bewijs dat de betrokkene in de voorbije vijf jaar als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep heeft gewerkt gedurende ten minste 234 arbeidsdagen;
Het bewijs van het verrichten van 234 arbeidsdagen in de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring wordt op de volgende wijze geleverd :
- indien de betrokkene werknemer in de privésector is of is geweest, legt hij een individuele rekening of individuele rekeningen of indien hij bezoldigd werknemer in overheidsdienst is, een attest of attesten afgegeven door de bevoegde overheidsdienst waaruit blijkt dat gedurende de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring minimaal 234 arbeidsdagen werden verricht;
- indien de betrokkene statutair ambtenaar in overheidsdienst is of is geweest, legt hij het bewijs van zijn definitieve benoeming voor vergezeld van een attest of attesten afgegeven door de bevoegde dienst van de overheid waaruit blijkt dat gedurende de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring minimaal 234 arbeidsdagen werden verricht;
- indien de betrokkene zelfstandige is, legt hij een document voor waaruit blijkt dat gedurende minstens drie kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen werden betaald als zelfstandige in hoofdberoep in België gedurende de laatste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
c) een document waaruit blijkt dat een inburgeringscursus werd gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van de hoofdverblijfplaats van de betrokkene op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat.
Art. 9. Naast de in artikel 5 bedoelde documenten, dienen de volgende akten en stavingsstukken bij de nationaliteitsverklaring te worden gevoegd om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden voorzien in artikel 12bis, § 1, 4°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit :
1° een getuigschrift van verblijfplaats met overzicht van de adressen en verblijfplaatsen van de betrokkene als bewijs van een onafgebroken hoofdverblijf in België tijdens de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
2° een verblijfsdocument bedoeld in artikel 4 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit tijdens de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
3° het bewijs van de handicap wordt geleverd door een attest afgegeven door de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid als bewijs van de vermindering van het verdienvermogen in de zin van artikel 2, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° het bewijs van invaliditeit kan met één van de volgende bewijsmiddelen geleverd worden :
a) een attest afgegeven door de verzekeringsinstelling van de betrokkene waarin een blijvende invaliditeit wordt erkend overeenkomstig artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en de artikelen 19 en 20 van het Koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;
b) indien de betrokkene vroegtijdig gepensioneerd is om gezondheidsredenen in het kader van de uitoefening van zijn functies als statutair ambtenaar in overheidsdienst, bezorgt hij een attest afgegeven door de Administratieve Gezondheidsdienst van de overheid waarvoor hij werkt of heeft gewerkt;
c) indien de betrokkene het slachtoffer is geweest van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte, bezorgt hij een attest van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % afgegeven door het Fonds voor Arbeidsongevallen door het Fonds voor Beroepsziekten of de bevoegde geneeskundige dienst van de overheid waarvoor hij werkt of heeft gewerkt in het kader van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidsector of in een gelijkwaardig stelsel;
e) indien de betrokkene het slachtoffer is geweest van een ongeval van gemeen recht, bezorgt hij een afschrift van het vonnis of het arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, afgegeven door de griffie van de rechtbank of het hof waaruit een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % blijkt.
Art. 10. Naast de in artikel 5 bedoelde documenten, dienen de volgende akten en stavingsstukken bij de nationaliteitsverklaring te worden gevoegd om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden voorzien in artikel 12bis, § 1, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit :
1° een getuigschrift van verblijfplaats met overzicht van de adressen en verblijfplaatsen van de betrokkene als bewijs van een onafgebroken hoofdverblijf in België tijdens de tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
2° een verblijfsdocument zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit tijdens de tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van de verklaring;
3° het bewijs van de kennis van één van de drie landstalen volgens een van de bewijsmiddelen bepaald in artikel 1 van dit besluit;
4° Een verklaring vergezeld van de in voorkomend geval relevante stavingstukken en die elementen bevat waaruit blijkt dat de aanvrager deelneemt aan het economische en/of socioculturele leven van zijn onthaalgemeenschap.
Art. 11. Het model van het formulier waarin de ambtenaar van de burgerlijke stand vermeldt welke stukken ontbreken in de verklaring, wordt vastgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage 1 gevoegd is bij dit besluit.

HOOFDSTUK V. - Vaststelling van de akten en stavingsstukken die bij het verzoek tot naturalisatie moeten worden gevoegd en van de inhoud van het formulier van het naturalisatieverzoek
Art. 12. Het verzoek om naturalisatie bedoeld in artikel 21, § 1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, wordt opgesteld op het formulier waarvan het model als bijlage 2 is gevoegd bij dit besluit.
Art. 13. De akten en stavingsstukken die bij het verzoek om naturalisatie moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 19 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zijn :
1° één van de volgende documenten :
a) een eensluidend afschrift van de akte van geboorte van de betrokkene, waarvoor naargelang van het geval de formaliteiten van legalisatie en vertaling moeten zijn vervuld en in voorkomend geval, indien de betrokkene een erkende vluchteling of staatloze is, een getuigschrift van geboorte afgegeven door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overeenkomstig artikel 57/6, 8°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 
b) voor de landen vermeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2013 tot vaststelling van de lijst van de landen waar het verkrijgen van akten van geboorte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst, een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van geboorte; 
c) in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich een eensluidend afschrift van de akte waarvan sprake in punt a) te verschaffen, een akte van bekendheid zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en gehomologeerd overeenkomstig artikel 5, § 3, van hetzelfde Wetboek;
d) in geval van onmogelijkheid om zich de akte van bekendheid waarvan sprake in punt c) te verschaffen, een beëdigde verklaring afgelegd overeenkomstig artikel 5, § 4, van hetzelfde Wetboek; 
2° de kwijting afgegeven door de ontvanger der registratie waaruit de betaling van het toepasselijke registratierecht blijkt;
3° een getuigschrift van verblijfplaats als bewijs van een hoofdverblijf in België op het tijdstip van de neerlegging van het verzoek;
4° een verblijfsdocument bedoeld in artikel 3 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit op het tijdstip van de neerlegging van het verzoek;
5° een nota met de redenen waarom het voor de betrokkene zo goed als onmogelijk is om de Belgische nationaliteit te verkrijgen door het afleggen van een nationaliteitsverklaring overeenkomstig artikel 12bis, § 1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit;
6° in de gevallen bedoeld in artikel 19, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, moet de betrokkene, naast de documenten bedoeld in voornoemde punten 1° tot 5°, buitengewone verdiensten in een van de volgende domeinen aantonen :
- op wetenschappelijk vlak : een doctoraatstitel;
- op sportief vlak : een stavingsstuk waaruit blijkt dat de betrokkene de internationale selectiecriteria of de door het BOIC opgelegde criteria van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen heeft gehaald, of dat hij zich in het geval bevindt dat de federatie van de betrokken sporttak van oordeel is dat hij of zij een meerwaarde kan betekenen voor België in het kader van de voorronde of het eindtoernooi van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen;
- op sociocultureel vlak : een stavingsstuk waaruit blijkt dat de betrokkene de eindselectie van een internationale cultuurwedstrijd heeft gehaald of internationaal wordt geprezen om zijn verdiensten op cultureel vlak of om zijn sociale en maatschappelijke inzet;
7° de vreemdeling die een erkende staatloze is zoals bedoeld in artikel 19, § 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit moet, naast de documenten bedoeld in voornoemde punten 1°, 2° en 4°, het volgende voorleggen :
a) een getuigschrift van verblijfplaats met overzicht van de adressen en verblijfplaatsen als bewijs van een onafgebroken hoofdverblijf in België tijdens de twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van het verzoek;
b) een verblijfsdocument bedoeld in artikel 4 van dit besluit als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, tijdens de twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan de neerlegging van het verzoek;
c) het afschrift van een vonnis of een arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarin de status van "erkende" staatloze in de zin van het Verdrag van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen, gesloten te New York, wordt bevestigd;
8° voor de aanvrager die een mandataris heeft aangewezen om in zijn plaats de formaliteiten met betrekking tot het verzoek om naturalisatie te vervullen : de aan deze mandataris gegeven bijzondere en authentieke volmacht;
9° voor de persoon die onbekwaam is uit hoofde van zijn geestestoestand : het bewijs dat de persoon die hem vertegenwoordigt zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn voorlopige bewindvoerder is.

HOOFDSTUK VI. - Administratieve vereenvouding
Art. 14. § 1. Bij de nationaliteitsverklaring bedoeld in Hoofdstuk IV of bij het naturalisatieverzoek bedoeld in hoofdstuk V van dit besluit, is de belanghebbende geregistreerd in het rijksregister vrijgesteld van de verplichting om aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of aan de Commissie voor de Naturalisaties te leveren :
1° het getuigschrift van nationaliteit van de echtgenoot bedoeld in artikel 8, 4°, a), van dit besluit, voor zover de echtgenoot op de datum van de nationaliteitsverklaring of het naturalisatieverzoek is ingeschreven in het Rijksregister voor de natuurlijke personen opgericht door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° het getuigschrift van nationaliteit van het kind bedoeld in artikel 8, 4°, b), van dit besluit, voor zover het kind op de datum van de nationaliteitsverklaring of het naturalisatieverzoek is ingeschreven in het Rijksregister voor de natuurlijke personen bedoeld in 1° ;
3° het getuigschrift van verblijfplaats met historiek van de adressen en de verblijven zoals bedoeld in de artikelen 6, 1°, 7, 1°, 8, 1°, 9, 1°, en artikel 12, 7°, a), van dit besluit, dat het bewijs levert van ononderbroken hoofdverblijf in België, naargelang het geval, sedert de geboorte, sedert 10 jaar, sedert 5 jaar of sedert 2 jaar, voor zover de belanghebbende op de datum van de nationaliteitsverklaring of het naturalisatieverzoek is ingeschreven in het Rijksregister voor de natuurlijke personen bedoeld in 1° ;
4° het getuigschrift van historiek van verblijfplaats bedoeld in artikel 8, 4°, a), van dit besluit voor elk der echtgenoten, dat het bewijs levert van de echtgenoten minstens drie jaar hebben samengeleefd, voor zover elk van de echtgenoten op de datum van de nationaliteitsverklaring of het naturalisatieverzoek is ingeschreven in het Rijksregister voor de natuurlijke personen bedoeld in 1° ;
5° het bewijs van de verblijfstitel vereist op het ogenblik van de indiening van de nationaliteitsverklaring of het naturalisatieverzoek bedoeld in artikel 3 van dit besluit;
6° de historiek van de verblijfstitels vereist tijdens de periodes voorafgaand aan de nationaliteitsverklaring of het naturalisatieverzoek bedoeld in artikel 4 van dit besluit.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de Commissie voor de Naturalisaties gaat in dit geval de gegevens na door middel van het Rijksregister en voegt een uittreksel ervan toe aan het dossier.
§ 2. De in het Rijksregister voorkomende gegevens bedoeld in § 1 van dit besluit gelden tot bewijs van het tegendeel.
§ 3. Voor zover deze akten opgemaakt zijn of overgeschreven zijn in de gemeente waar de nationaliteitsverklaring of het naturalisatieverzoek is ingediend, is de belanghebbende ervan vrijgesteld aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te leveren :
1° een gelijkvormig afschrift van de akte(n) tot vaststelling van de afstamming tussen de belanghebbende en het kind van Belgische nationaliteit zoals bedoeld in artikel 8, 4°, b), van dit besluit;
2° een gelijkvormig afschrift van de geboorteakte van de belanghebbende zoals bedoeld in de artikelen 5, 1°, a), en 13, 1°, a), van dit besluit;
3° een gelijkvormig afschrift van de geboorteakte van het kind van de belanghebbende zoals bedoeld in artikel 8, 4°, b), van dit besluit;
4° een gelijkvormig afschrift van de huwelijksakte van de belanghebbende bedoeld in artikel 8, 4°, a), eerste streepje van dit besluit.
De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt een gelijkvormig afschrift van deze akten aan het dossier toe.

HOOFDSTUK VII. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
Art. 15. Het koninklijk besluit van 13 december 1995 tot bepaling van de inhoud van het aanvraagformulier inzake naturalisatie en de bij het verzoek om naturalisatie en bij de nationaliteitsverklaring te voegen akten en stavingsstukken en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de naturalisatieprocedure en van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 april en 4 oktober 2000, wordt opgeheven.
Art. 16. De bepalingen van het koninklijk besluit van 13 december 1995 blijven van toepassing voor de aanvragen en verklaringen ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet waaraan uitvoering wordt gegeven.
Art. 17. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2013.
Art. 18. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 14 januari 2013.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 
Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 14 januari 2013 tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aangemaakt op: vr, 10/06/2016 - 17:16
Laatst aangepast op: vr, 10/06/2016 - 17:16
Inhoud syndiceren

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.