-A +A

De niet-strafrechtelijke taken van het openbaar ministerie - Mercuriale 1 september 2004 procureur-generaal Jean du Jardin

Publicatie
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
761
Samenvatting

Het op alle niveaus van de rechtscolleges aanwezige openbaar ministerie heeft niet alleen de hoofdtaak alle vormen van criminaliteit te bestrijden. Het is tevens actief in uiteenlopende materies, zoals gezinsrecht, handelsrecht, sociaal recht, jeugdrecht, tuchtrecht,... De veelzijdigheid van die taken is gegrond op een grootste gemene deler: het algemeen belang garanderen, dat in elk van die materies aanwezig is. De plaats van het openbaar ministerie in de rechterlijke macht, en meer in het algemeen in de staatsinstellingen, is bijgevolg meer dan ooit belangrijk.

I. INLEIDING: HET OPENBAAR MINISTERIE IN HET ALGEMEEN

Van meet af aan dient te worden gesteld dat het beeld van het openbaar ministerie dat het meest en zelfs maar al te vaak wordt opgehangen, dat van een procureur is die belast is met de opsporing en de vervolging van misdrijven. De excessieve penalisering van het maatschappelijk leven, die onze tijd kenmerkt, accentueert en versterkt nog het strafrechtelijk imago van dat ambt, zodat de met de uitoefening ervan belaste magistraat wordt voorgesteld als een soort van openbaar aanklager (of public prosecutor).

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 19/05/2016 - 13:59
Laatst aangepast op: do, 19/05/2016 - 13:59

De onbeslagbaarheid van bankrekeningen va Buitenlandse ambassades

Publicatie
Auteur: 
Wouters
Auteur: 
Monnet
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1483
Samenvatting

Het nieuwe artikel 1412quinquies, in augustus 2015 ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek, stelt formeel voor de Belgische rechtsorde de principiële onbeslagbaarheid van banktegoeden gebruikt bij de uitoefening van de diplomatieke taken.

Deze bijdrage bespreekt artikel 1412quinquies Ger.W.

 

Art. 1412quinquies.  § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van dwingende supranationale en internationale bepalingen, zijn de eigendommen van een buitenlandse mogendheid die zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met inbegrip van banktegoeden die daar door die buitenlandse mogendheid worden aangehouden of beheerd, met name bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de buitenlandse mogendheid of haar consulaire posten, haar speciale zendingen, haar vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties, niet vatbaar voor beslag.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de schuldeiser die beschikt over een uitvoerbare titel of authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, bij een verzoekschrift aan de beslagrechter toelating vragen om beslag te leggen op de in paragraaf 1 bedoelde eigendommen van een buitenlandse mogendheid indien hij aantoont dat voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:

1° indien de buitenlandse mogendheid op uitdrukkelijke en specifieke wijze heeft ingestemd met de beslagbaarheid van die eigendom;

2° indien de buitenlandse mogendheid die eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering die onderwerp is van de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag;

3° indien vastgesteld is dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met dien verstande dat uitsluitend beslag kan worden gelegd op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, zich richt.

§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid zelf, maar van een deelgebied van die buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer dit niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikt, van een geleding van die buitenlandse mogendheid in de zin van artikel 1412ter, § 3, tweede lid, of van een territoriaal gedecentraliseerd bestuur of elke andere politieke opdeling van die buitenlandse mogendheid.

De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid, maar van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie die ze gebruikt of beoogt te gebruiken voor aan niet-commerciële overheidsdoelen analoge doelen.

 

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding

II. De problematiek geschetst

A. Beslag- en executierecht in een diplomatieke context

3. Naar Belgisch recht

4. De toepassing van het beslag- en executierecht in een internationale context

B. Het onderscheid tussen staatsimmuniteit en diplomatieke immuniteiten

5. restricties zijn de staatsimmuniteit, diplomatieke en consulaire immuniteiten, en de immuniteiten van internationale organisaties gevestigd op het grondgebied van een vreemde Staat.

6. De soevereine of staatsimmuniteit

7. De volkenrechtelijke regels inzake diplomatieke voorrechten, immuniteiten en onschendbaarheden.

8. Onderscheid te maken tussen immuniteitsregimes,

9. Vroegere

III. De draagwijdte van het diplomatiek recht

Een bankrekening van een diplomatieke zending van een vreemde Staat in België geniet de algemene uitvoeringsimmuniteit

Het Verdrag van Wenen maakt immers geen gewag van een bijzonder regime dat de bank- of effectenrekeningen van ambassades zou beschermen. Toch vijf aanknopingspunten voor

A. De drie aanknopingspunten aanvaard door het Hof van Cassatie

11. In een arrest van 22 november 2012 wendde het Hof van Cassatie drie rechtsgronden aan om het diplomatiek recht van toepassing te verklaren op bankrekeningen (op naam) van diplomatieke zendingen.

12. Een eerste rechtsgrond is art. 22 VWDV.

13. Een tweede rechtsgrondslag waarop het Hof van Cassatie zich in 2012 baseert, betreft een toepassing van de theorie van de functionele noodzakelijkheid, zoals verwoord in art. 25 en de preambule van het Verdrag van Wenen

14. Ten derde oordeelt het Hof van Cassatie dat bedoelde rekeningen gedekt zijn door de algemene gewoonterechtelijke regel ne impediatur legatio:

15. Het beroep op de totaliteit van de drie voormelde aanknopingspunten door het Hof van Cassatie kreeg bijval van de bevoegde overheidsdiensten

16. Toch is het allesbehalve zeker dat de drie besproken criteria dezelfde waarde hebben.

B. Twee aanknopingspunten niet aanvaard door het Hof van Cassatie

17 Bescherming genieten naar analogie met art. 30-31 VWDV, die een tenuitvoerlegging op goederen van een diplomatiek ambtenaar, met inbegrip van diens bankrekeningen, beletten.

18. Het cassatiearrest van 2012 maakt ook komaf met een ander argument dat de Belgische rechtspraak af en toe hanteerdeop basis van de overweging dat een diplomatieke zending geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft en, het de vreemde Staat is die als rekeninghouder dient gekwalificeerd te worden en niet zijn ambassade

C. Aanknopingspunt(en) in art. 1412quinquies Ger.W.

19. Parlementaire voorbereiding

20. Meer dan het diplomatiek recht op zich heeft de diplomatieke praktijk invloed gehad op de invoeging van art. 1412quinquies Ger.W.

IV. Samenloop van staatsimmuniteit en diplomatiek recht

A. De oplossing aangereikt door het Hof van Cassatie

1o Een autonome uitvoeringsimmuniteit die boven die van de zendstaat staat

21. Nu het Hof van Cassatie het diplomatiek recht uitdrukkelijk van toepassing heeft verklaard op ambassadebankrekeningen, bestudeert de auteur welke rechtsgevolgen daaraan verbonden zijn.

22. Allereerst is er de autonomie van de diplomatieke uitvoeringsimmuniteit.

23. Ten tweede is het opmerkelijk dat het cassatiearrest een volgorde bepaalt volgens welke de immuniteiten behandeld moeten worden: het Hof oordeelt dat diplomatieke immuniteit «boven» de algemene immuniteiten van een zendstaat staat. Het dicht daarbij het diplomatiek recht een lex specialis-karakter toe. 2o Twee immuniteiten: één criterium?

24. Een gerechtsdeurwaarder mag geen dwangmaatregelen nemen ten opzichte van een goed van een buitenlandse Staat waarvan het duidelijk is dat het diplomatieke immuniteit en/of staatsimmuniteit geniet, tenzij een schuldeiser een reden aanvoert die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op deze immuniteit.

25. Bankrekening van een zending kan niet in beslag worden genomen, noch aan enige andere handhavingsmaatregel worden blootgesteld, zolang het niet vaststaat dat de zending deze rekening niet voor haar werking aanwendt.

26. Wanneer een rekening op naam van de zending staat, lijkt het leveren van dit tegenbewijs onbegonnen werk

27. Een beoordeling in concreto heeft meer zin wanneer de band tussen de zending en de rekening minder evident is.

28. Bij het functionele criterium afgeleid van het diplomatiek recht zit het venijn in de details.

29. Een complicatie die optreedt is dat de bewijslast gedragen wordt door de schuldeiser

30. Zo het bewezen is dat gelden niet voor de werkzaamheden van de diplomatieke zending worden aangewend, komt men onder het gemene volkenrechtelijke regime van de staatsimmuniteit terecht. Deze uitvoeringsimmuniteit van vreemde Staten is niet absoluut

B. Art. 1412quinquies Ger.W.: onbeslagbaarheid van bankrekeningen als deel van de staatsimmuniteit

1o Een principiële onbeslagbaarheid

31. Uit de parlementaire voorbereiding…

32. Art. 1412quinquies Ger.W. bevat in de eerste paragraaf de grondregel dat, in beginsel, goederen van vreemde Staten in België niet vatbaar zijn voor beslag.

33. Met deze paragraaf voert de wetgever een vermoeden van onbeslagbaarheid in, dat slechts weerlegd kan worden in drie

34. Bij de invoering van art. 1412quinquies Ger.W. rijst de vraag of het Hof van Cassatie werd teruggefloten.

35. Of de wetgever een bewuste keuze maakte voor een alternatieve interpretatie van het internationale recht, kan men betwijfelen. 2o Uitzondering op de onbeslagbaarheid

36. de eerste paragraaf van art. 1412quinquies Ger.W.beschermt alle eigendommen van vreemde Staten, m.a.w. ook de banktegoeden

De tweede paragraaf bevat immers de uitzonderingen op de principiële onbeslagbaarheid van eigendommen van een buitenlandse mogendheid.

37. De wetgever zet daarmee de deur op een kier voor beslag op een rekening gebruikt of beheerd door een diplomatieke zending.

38. Niettemin zijn de consequenties voor de praktijk beperkt.

39. Art. 1412quinquies Ger.W. komt tegemoet aan de vooropgestelde nationaalrechtelijke en politiek/diplomatieke doelstellingen.

C. Staatsimmuniteit, diplomatieke immuniteiten en het recht op toegang tot de rechter

40. Het ontbreken van enige verwijzing naar art. 6(1) EVRM in de parlementaire voorbereiding van art. 1412quinquies Ger.W. vergt nadere duiding.

41. Tot dusver heeft het EHRM nog niet specifiek geoordeeld over diplomatieke bankrekeningen. V. Afstand

A. Cassatierechtspraak met betrekking tot de afstand

42. Eén van de weinige gemeenschappelijke kenmerken van de verschillende volkenrechtelijke immuniteiten is dat een vreemde Staat kan afzien van zijn immuniteiten, al verschillen de modaliteiten waaronder dit rechtsgeldig kan gebeuren.

43. Het Verdrag van Wenen bepaalt niets bijzonders over een afstand van de diplomatieke immuniteit

44. Ter zake kan nog gewezen worden op een opmerkelijke afwijking van vaste rechtspraak door het Franse Hof van Cassatie.

B. Art. 1412quinquies Ger.W.

45. In tegenstelling tot de regelgeving met betrekking tot de onbeslagbaarheid van ambassaderekeningen, put art. 1412quinquies Ger.W. wel inspiratie uit de cassatierechtspraak wat de afstand ervan betreft.

VI. België als gastland voor permanente vertegenwoordigingen bij internationale organisaties

46. Brussel wedijvert al enkele jaren met andere steden om de titel «diplomatieke hoofdstad van de wereld

47. Het juridische statuut van de permanente missies die, onder andere, bij de EU of de NAVO geaccrediteerd zijn, is grotendeels vergelijkbaar met dat van de bij België geaccrediteerde bilaterale zendingen.

48. We mogen ervan uitgaan dat met «gebruikelijk» en «gewoonlijk» de immuniteiten en voorrechten worden bedoeld die worden toegekend in het Verdrag van Wenen enerzijds, en in het internationale gewoonterecht, anderzijds.

49. Art. 1412quinquies Ger.W. is ten slotte ook nog om een andere reden interessant voor internationale organisaties.

VII. Besluit

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/05/2016 - 13:33
Laatst aangepast op: vr, 13/05/2016 - 13:33

De betere tafels 2002

Publicatie
Auteur: 
J.Schryvers
Auteur: 
P.Graulus
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2003-2004
ISBN nummer: 
2802707892
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

Deze tafels zijn inmiddels achterhaald.
Voor een actueel en volledig overzicht zie

 

zie ook:  DE TEMMERMAN, B., «Kapitaliseren volgens «Levie» of volgens «Schryvers»? Twee visies op (on)zekerheid van schade», T.P.R. 2004 – Liber Amicorum T.P.R. en Marcel Storme, 177.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 13/05/2016 - 10:04
Laatst aangepast op: za, 21/05/2016 - 18:08

De nieuwe wetgeving voor consumentenkoop ...(eindelijk) in het BW

Publicatie
Auteur: 
Lieven Peeters
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
441
Samenvatting

De wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen wordt in deze bijdrage besproken. Deze wetgeving is gebaseerd op een richtlijn van 25 mei 1999Voor de wettekst klik hier

maar het was dan nog niet gedaan

Opgelet vanaf 1 december 2016 zijn de nieuwe bepalingen op het consumentenkrediet van toepassing zoals opgenomen onder 
Titel IV WER (Wetboek Economisch Recht)
voor deze nieuwe wetgeving
 klik hier

Inhoudstafel tekst: 

I. INLEIDING

II. DE INCORPORATIE IN HET BURGERLIJK WETBOEK...EEN ONVOLMAAKTE OPLOSSING

III. DE BASISBEGRIPPEN EN DE WETTELIJKE VERSUS COMMERCIËLE GARANTIE

A. Basisbegrippen
B. De wettelijke versus commerciële garantie

IV. OVEREENSTEMMING MET DE OVEREENKOMST
A. Een weerlegbaar vermoeden
B. De weerlegging van het vermoeden
C. Uitbreiding van het vermoeden
D. Tijdstip waarop de overeenstemming met de overeenkomst vereist is

V. REMEDIES VAN DE CONSUMENT

VI. DRIE TERMIJNEN

A. De waarborgtermijn
B. De meldingstermijn
C. De verjaringstermijn

VII. COMMERCIËLE GARANTIES

VIII. TWEEDEHANDSGOEDEREN

IX. DE DWINGENDE AARD VAN DE BEPALINGEN VAN DE WET

X. VERHAAL EINDVERKOPER

XI. INWERKINGTREDING EN OMZETTINGSPERIODE

XII. CONCLUSIE

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 03/05/2016 - 16:38
Laatst aangepast op: wo, 24/08/2016 - 15:15

Betreffende de devolutieve werking van het hoger beroep inzake gerechtelijke vereffening-verdeling en de vervanging van de boedelnotaris

Publicatie
Auteur: 
Pignolet
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
344
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen

II. De devolutieve werking van het hoger beroep

Hoger beroep tegen een vonnis dat hangende de werkzaamheden van vereffening en verdeling uitspraak doet over betwisting heeft dpoor de devolutieve werking van het hoger beroep tot gevolg dat het Hof dient kennis te nemen van de totaliteit van alle voorafgaande, nieuwe en toekomstige geschillen die ontstaan zijn of in de toekomst kunnen ontstaan uit de verrichtingen van gerechtelijke vereffening- verdeling.

De rechtbank van eerste aanleg is dus niety meer gevat voor de overige geschilpunten 

Art. 1068, tweede lid, Ger. W., voorziet in verwijzing van de zaak naar de eerste rechter in geval van (gedeeltelijke) bevestiging van een in een aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel. Evenwel is dit artikel niet van toepassing, omdat de opdracht die wordt gegeven aan een notaris, geen onderzoeksmaatregel is. De notaris is geen deskundige, maar een gerechtelijk mandataris, met de bevoegdheid van eerste rechter.

Een vonnis betreffende de aanstelling van de notaris(sen) is evenmin een onderzoeksmaatregel alvorens recht te doen, in de zin van art. 19, tweede lid, Ger. W., maar is wel degelijk een eindvonnis in de zin van art. 19, eerste lid, Ger. W.

zie ook:

 

 

• J. Facq, «Gerechtelijke verdeling vanuit de praktijk», in L. Weyts, A. Verbeke, E. Goovaerts, Actualia Familiaal Vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers, 2003, 149-157;

• Y.-H. Leleu, «Procédure de liquidation-partage – actualités de jurisprudence», Rev. dr. ULB 2003, 309-340;

• C. Sluyts, «Notariële en procesrechtelijke aspecten van de vereffening-verdeling», in W. Pintens en F. Buyssens (red.), Vereffening-verdeling van het huwelijksvermogen, Antwerpen, Maklu, 1993, 147-193;

• J.-F. Taymans en J. Van Compernolle (red.), Les incidents du partage judiciaire, Brussel, Bruylant, 2001

• C. Engels, «Procesrechtelijk privaatrecht in verband met het notariaat, «Notariële actualiteit 4, 1992, nr. 25

• A. Wylleman, «Onwil, vertraging en misverstand in de procedure tot gerechtelijke verdeling na echtscheiding», A.J.T. 1995-96, 209, nr. 11;

• Chronique de droit l‘usage du notariat – obligations, personnes, régimes matrimoniaux, successions – flashes, Brussel, Larcier, 1999, p. 289, nr. 134

• Cass. 28 oktober 1999, Pas. 1999, I, 1409;

• Cass. 19 december 1991, Pas. 1992, I, 366;

• Rb. Mechelen 26 juni 1996, R.W. 1996-97, 110

• Cass. 8 juni 2000, P. & B. 2000, 240, R.W. 2000-2001, 1306;

• Bergen 16 februari 1998, Rev. Trim. Dr. Fam. 1998, 296, Rev. Not. B., 1998, 273, met noot:

• P. De Page, «Les partages (aspects judiciaires et civiles) et les droits fiscaux de succession», in P. Delnoy en P. De Page (red.), Les libéralités, successions légales, partages et droits de succession, Luik, CUP, 1999, p. 287, nrs. 17-18

• Cass. 19 december 1991, Rev. Not. B. 1991, 102, met noot D. Sterckx;

• Cass. 12 januari 1979, Rev. Not. B. 1981, 48, Pas. 1979, I, 547, Arr. Cass. 1978-79, 540;

• Rb. Brugge 30 juni 2000, T. Not. 2001, 293, met noot F. Bouckaert, «De vervanging van de boedelnotaris via dagvaarding»;

• J. Facq, l.c., in Actualia Familiaal Vermogensrecht, 149-150

• Brussel 13 november 2001, R.W. 2001-2003, 1538, met noot;

• S. Mosselmans, «Over de (on)ontvankelijkheid van niet ten gepasten tijde opgeworpen `beweringen en zwarigheden‘ in het raam van een vereffening-verdeling» (noot onder Cass. 29 november 2001), R.W. 2001-2002, 1533- 1538

• Antwerpen 29 februari 2000, Not. Fisc. M. 2001, 88

• Luik 13 februari 2001, J.T. 2001, 489, Rev. Trim. Dr. Fam. 2002, 371, met noot;

• Bergen 22 oktober 1998, Rev. Not. B. 1999, 603; J. Facq, l.c., Actualia Familiaal Vermogensrecht, 154-157

• Rb. Gent 29 april 2003, NjW 2003, 1081, met noot B.W.; F. Kuty en C. Wera, «Les relations tumultueuses du notaires commis et de l‘avocat dans le cadre de la liquidation-partage», T.B.B.R. 2003, 469

• Brussel 20 december 1995, R.W. 1997-98, 14, met noot S. Mosselmans, «De aanstelling van de instrumenterende notaris(sen) in het raam van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel»; Rb. Mechelen 2 april 1997, T.B.B.R. 1998, 59

 

Noot onder vonnis Hof van Beroep Antwerpen, 3 maart 2003, RW 2004-2005, 344

H.M.A. t/ H.L. en H.E.K.M.

1. Wat voorafging

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: wo, 27/04/2016 - 18:41
Laatst aangepast op: vr, 28/10/2016 - 14:09

Mede-eigendom en onverdeeldheid

Publicatie
Auteur: 
Steven Snaert
Auteur: 
Alain Verbeke
Samenvatting
Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/04/2016 - 16:04
Laatst aangepast op: di, 11/10/2016 - 17:31

Kroniek van de sociale huisvesting (2000- 2003)

Publicatie
Auteur: 
Hubeau B
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
241
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding

II. ALGEMEEN KADER: DE ALGEMENE ONTWIKKELINGEN IN DE SOCIALE HUISVESTING

A. De toepasselijke reglementering: (eindelijk?) drie regionale wooncodes

B. De grondwettelijke erkenning van het recht op een behoorlijke huisvesting en de sociale huisvesting

1° Algemeen: het recht op wonen en de actoren in het sociale huurrecht

2° De specifieke rechtsgevolgen in concreto in de rechtsverhouding tussen de socialehuisvestingsmaatschappij en de huurder

C. De grondwettelijke bevoegdheidsverdeling over de institutionele aspecten inzake sociale huisvesting

1° Het arrest van het Arbitragehof nr. 105/2000 van 25 oktober 2000

2° Andere rechtspraak

III. DE TOEPASSING VAN DE REGIONALE WOONCODES

A. De woningkwaliteitsvereisten: gewestelijke en gemeentelijke bevoegdheid

B. De woningkwaliteitsvereisten en hun burgerrechtelijke gevolgen

1° De rechtspraak van het Arbitragehof

2° De rechtspraak van de burgerlijke rechtbanken

IV. DE VERHURING VAN SOCIALE WONINGEN

A. Het reglementaire en institutionele kader

B. Het sociaal huurstelsel

1° De toepasselijkheid van het gemene huurrecht

2° Aanverwante vormen van verhuring in de publieke sector

3° Is een sociale huurovereenkomst een overeenkomst intuitu personae?

4° Technische aspecten van de sociale huurreglementering: de aanrekening van de huurprijs en de kosten en lasten

5° Technische aspecten van de sociale huurreglementering: de rechten en verplichtingen tijdens de sociale huurovereenkomst

6° Technische aspecten van de sociale huurreglementering: de beëindiging van de sociale huurovereenkomst

7° Sociale huur en gerechtelijk recht

V. DE PREMIES EN TEGEMOETKOMINGEN INZAKE HUISVESTING

A. Het Vlaamse Gewest

B. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest

C. Het Waalse Gewest

D. Het rechtskarakter van de toegekende rechten bij premies en tegemoetkomingen

met talrijke verwijzingen

 

Samenvatting

Sociale huisvestingsmaatschappijen hebben een opdracht van algemeen belang, met name de realisatie van het grondrecht op wonen. Dit in tegenstelling tot de huur op de private markt waar het gronrecht op wonen niet kan worden ingeroepen ter beperking van de rechten van de verhuurder en ter waarborg van de rechten van de huurder.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 26/04/2016 - 10:58
Laatst aangepast op: di, 26/04/2016 - 10:58

Gerechtelijke interest telt niet mee bij het bepalen van de aanleggrens

Publicatie
Auteur: 
Mosselmans
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
183

Besproken arrest

• Cassatie 19 febrruari 2004, RW 2004-2005, 183
BVBA A.G.P. De P. t/ De C.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 maart 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.

(...)

IV. Beslissing van het Hof

Eerste middel

Overwegende dat krachtens art. 618, eerste lid Ger.W. de regel gesteld bij art. 557 Ger.W. om de waarde van een vordering te bepalen inzake de volstrekte bevoegdheid, ook geldt voor het bepalen van de aanleg;

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 23/04/2016 - 11:34
Laatst aangepast op: za, 23/04/2016 - 11:34

Rechtsbescherming van militairen tegen de overheid

Publicatie
Auteur: 
Vande Casteele Ph.
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-0005
Pagina: 
161
Samenvatting

Het statuut van de militairen wordt bij wet geregeld. De bijdrage bespreekt drie twistpunten.

• Het van een diploma aan laureaten van de Koninklijke Militaire School (KMS), (inmiddels verholpen door een retroactieve wet)

• de weigering een vrijwillig ontslag te verlenen

• uitsluiten van de toegang tot de rechter in «zuivere» tuchtaangelegenheden

 

Inhoudstafel tekst: 

INLEIDING
II. PROBLEEMSTELLING
III. LEGALITEITSBEGINSEL EN RECHTSBESCHERMING
IV. DE BETWISTING INZAKE DE KONINKLIJKE MILITAIRE SCHOOL
V. DE BETWISTING INZAKE HET ONTSLAG
VI. DE BETWISTINGEN INZAKE HET MILITAIRE TUCHTRECHT
VII. BESLUIT

Rechtsleer:

• M. KERCKHOFS, De definitieve ambtsontheffing van de beroepsofficieren en de verbreking van de dienstneming van de kandidaat-beroepsofficieren, Brussel, KMS, Licentiaat eindwerk, 2000-2001, Bijlage B.
• F. GORLE
R. GERITS, Kritische studie van de professionele rendementsvereiste van het actief kader, Eindverhandeling Brevet militair administrateur, 1990-1992, School der militaire administrateurs., Militair strafrecht, in A.P.R., Brussel, Story, 1993, p. 56, nr. 167

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 23/04/2016 - 11:19
Laatst aangepast op: za, 23/04/2016 - 11:19

Het gedeeld en het gezamenlijk beroepsgeheim halve smart of dubbel leed

Publicatie
Auteur: 
Van Der Straete I
Auteur: 
Put J
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
20014-2005
Pagina: 
41
Samenvatting

In deze bijdrage wordt dieper ingegaan op wat gemeenzaam «het gedeeld beroepsgeheim» wordt genoemd.
Het «colloque singulier», de tweerelatie tussen de alleenoptredende hulp- en zorgverlener en de cliënt is niet langer de regel. Voor een deel heeft het plaats gemaakt voor een andersoortige bilaterale verhouding, namelijk die tussen de cliënt (en/of het cliëntsysteem) en het hulp- of zorgverleningsteam

Inhoudstafel tekst: 

I. EVOLUTIES IN DE WELZIJNS- EN GEZONDHEIDSZORG

A. Veranderingen in de wijze van beroepsuitoefening
1° Uni- en multidisciplinaire samenwerking en de institutionalisering ervan
2° Zorgcoördinatie en integrale hulpverlening
B. Controlegeneeskunde
C. Dossiervorming en informatisering
II. ONTSTAAN VAN DE LEER VAN HET GEDEELD BEROEPSGEHEIM
III. VOORWAARDEN VAN DE LEER VAN HET GEDEELD BEROEPSGEHEIM
A. Door het beroepsgeheim gebonden hulpverleners
1° Algemeen
2° Bijzondere gevallen
a) Administratief en technisch personeel
b) Familieleden
c) Personen met een mandaat
B. Finaliteitscriterium: betrokkenheid bij de hulpverlening
C. Noodzakelijkheidscriterium
D. Belang van de cliënt
E. Betrokkenheid van de cliënt?
IV. HET GEDEELD BEROEPSGEHEIM IN WETGEVING, RECHTSPRAAK EN DEONTOLOGISCHE CODES
A. Het gedeeld beroepsgeheim in de wetgeving
1° Het gedeeld beroepsgeheim als wettelijke uitzonderingsgrond
B. Toepassingen van het gedeeld beroepsgeheim in de rechtspraak
C. Toepassing van het gedeeld beroepsgeheim in deontologische codes
V. HET GEZAMENLIJK BEROEPSGEHEIM ALS WERKBARE OPLOSSING VOOR HULP- EN ZORGVERLENING IN TEAMVERBAND
V. SLOTBESCHOUWING

Enkele uit de vele Bronnen:

• S. NOUWT, Zorg voor privacy. Informatietechnologie en informationele privacy in de gezondheidszorg, Den Haag, NV Sdu, 1997, 105-106;
• J.K.M. GEVERS, «Inhoud en ontwikkeling van het medisch beroepsgeheim», in F. DE GRAAF en C. LAMEER, Medisch beroepsgeheim onder druk, Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, 10-12.
• J. PUT, S. D‘HONDT en S. BOUCKAERT, «De positie van niet-professionele zorgverlening in het welzijnsrecht: een verkenning», in Instituut voor sociaal recht K.U.Leuven (red.), Sociale bescherming op nieuwe paden – Liber Memorialis Béatrice Van Buggenhout, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2003, 145-149.
• L. SERRIEN, «Integrale jeugdzorg. Zes op te halen schotbalken», Alert 2000, afl. 5, 43.
12. Zie www.wvc.vlaanderen.be/jeugdhulp.
• H. CLAASENS, «Het beroepsgeheim in de verzekeringsmaatschappij», Vl. T. Gez. 1986-87, 357-364.
•. J. HONORAT en L. MELENNEC, «Vers une relativisation du secret médical», Semaine Juridique (Fr.) 1979, Doctr., 2936.
• R. STOCKMAN (red.), Het beroepsgeheim in de zorgverleningssector. Een confrontatie tussen recht en praktijk, Antwerpen, Intersentia, 1998, 19).
• J. PUT, P. GEENS, W. GEKIERE en I. VAN DER STRAETE, De invoering van een elektronisch dossier in de bijzondere jeugdbijstand, Instituut voor Sociaal Recht, Leuven, 2002, 145 p., raadpleegbaar op www.law.kuleuven.ac.be/isr)
• F. VANNESTE, «Kan het beroepsgeheim absoluut genoemd worden», R.W. 1977-78, 1285).
• Y. POULLET, «Le secret professionnel et les technologies de l‘information et de la communication», in D. KIGANAHE en Y. POULLET, Le secret professionnel, Brussel, La Chartre, 2002, 261.
• R. VILLEY, Histoire du secret médical, in Médecine et Histoire, Parijs, Seghers, 1986, 76-78 en 93-98.
• (D. THOUVENIN, Le secret médical et l‘information du malade, Lyon, Presses universitaires, 1982, 144).
• R. SAVATIER, Traité de droit médical, Parijs, Librairies Technique, 1956, 279-281;
• D. HAZEWINKEL-SURINGA, Het doolhof van het beroepsgeheim, Haarlem, Tjeenk Willink, 1959, 56;
• J. VERMEERSCH, «Het dualisme in het beroepsgeheim van de geneesheer», R.W. 1959-1960, 1243-1244.
• M. DELMAS-MARTY, «A propos du secret professionnel», Recueil Dalloz (fr.) 1982, Chron., 269.
• M.-C. BERGERES, «Le secret professionnel face aux prégoratives du Fisc», Recueil Dalloz (fr.) 1981, Chron., 81-86.
•. X. RIJCKMANS en R. MEERT-VAN DE PUT, Les droits et les obligations des médecins, I, Brussel, Larcier, 1971, 117; R. SAVATIER, o.c., 280.
•. L. PORTES, A la recherche d‘une éthique médicale, Paris, Masson et P.U.F., 1954, 151.
•. P. LAMBERT, Le secret professionnel, Brussel, Nemesis, 1985, 122.
•. J.B. HUBEAUX, Les droits et les obligations du patients, Leuven, Bruylant-Academia, 1998, 139; P. LAMBERT, o.c., 154-155; X. RIJCKMANS en R. MEERT-VAN DE PUT, o.c., 122.
•. C. DECOSTER, «Het medisch beroepsgeheim in en rondom het ziekenhuis», Vl. T. Gez. 1981, 9;
• R. DIERKENS, «Beroepsgeheim en recht», Vl. T. Gez. 1986-87, 262; H. NYS, Geneeskunde: recht en medisch handelen, in A.P.R., Brussel, Story- Scientia, 1991, 392 en de verwijzingen naar rechtspraak aldaar.
• A. CARELS, «Het beroepsgeheim van de verpleegkundige», Vl. T. Gez. 1986-87, 331-342; W. DE BEER, «Het juridisch aspect van het beroepsgeheim van verpleegkundigen», Hospitalia 1985, 79;
• R. DIERKENS, ibid.; H. NYS, «Beroepsgeheim van verpleegkundigen», in M. DE BAUW, Handboek Recht voor verpleegkundigen, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1990, nrs. 400-407.
• advies van de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren van 26 augustus 1989 (T. Ord. Geneesh. 1989, nr. 46, 3: «Het met een verpleegkundige gedeeld beroepsgeheim schept geen probleem»).
• Corr. Brussel 9 april 1987, J.T. 1987, 539
• Antwerpen 14 oktober 1997, R.W. 1998-99, 194, met noot A. VANDEPLAS
• A. VANDEPLAS, «Over het beroepsgeheim» (noot onder Antwerpen 14 oktober 1997), R.W. 1998-99, 195).
• Cass. fr. 14 februari 1978, Receuil Dalloz 354, met noot PRADEL;
• Cass. fr. 20 november 1980, Dr. Soc. 1981, 461, met noot A. JAMMAUD
• Cass. fr. 4 november 1971, Receuil Dalloz 1973, Chron., 227).
• X. RIJCKMANS en R. MEERT-VAN DE PUT, o.c., 118).
47. Art. 48 B. Vl. Reg. 13 december 2002 betreffende de integrale jeugdhulp, B.S. 29 januari 2003 (bekrachtigd bij Decreet 13 juni 2003, B.S 1 juli 2003).
•. H.J.J. LEENEN, Rechten van mensen in de gezondheidszorg. Een gezondheidsrechtelijke studie, Alphen aan den Rijn/Brussel, Samson, 1978, 178; J.J.I. VERBURG, Het beroepsgeheim, Arnhem, Gouda Quint, 1985, 51.
• H. NYS, «Het beroepsgeheim in de gezondheidszorg», in D. DE BOT, S. CALLENS, e.a., Privacy en verwerking van gegevens in het ziekenhuis, Dossier ziekenhuiswetgeving, Diegem, Kluwer, 2002, 32.
•. R. BLANPAIN, «Juridische aspecten van het medisch beroepsgeheim», R.W. 1965-66, 283; C. DECOSTER, l.c., Vl. T. Gez. 1981, 9; P. LAMBERT, o.c., 144-145; E. REUMONT, «Le secret professionnel de l‘avocat», J.T.1948, 588-589.
 

 

 


Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: do, 21/04/2016 - 14:47
Laatst aangepast op: ma, 02/05/2016 - 10:26
Inhoud syndiceren

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.