OMGANGSRECHT GROOTOUDERS
|
model verzoekschrift tot het bekomen van bezoekrecht door grootouders. Met dit model kan u onmiddellijk en rechtstreeks aan de rechtbank vragen u (opnieuw) een recht op contact te verlenen met uw kinderen. klik hier |
|
In de ideale situatie hebben grootouders contact met hun kleinkinderen doordat zij deze kleinkinderen zien tijdens hun contacten met hun samenlevende kinderen. Zelfs bij samenwonende ouders kunnen er discussies ontstaan inzake het omgangsrecht van de grootouders, omdat het contact tussen de grootouders en hun kinderen verstoord is of omdat de grootouders een probleem hebben met de partner van het kind of vice versa. Wanneer de ouders van een kind scheiden, kan het omgangsrecht van de grootouders worden bemoeilijkt door een van hen. Wanneer grootouders scheiden, kiezen hun kinderen vaak partij voor één van hen, waardoor de andere grootouder belemmerd kan worden in de omgang met het kleinkind dat uit het zicht wordt ontrokken. Tenslotte komt het omgangsrecht van grootouders soms in het gedrang wanneer hun kind komt te overlijden en een nieuwe relatie aangaat.
Hebben grootouders het recht om hun kinderen te zien ? Grootouders hebben het recht om in contact te blijven met hun kleinkind. Hierbij is enkel de afstamming van belang. Of de kinderen of kleinkinderen geboren zijn binnen een huwelijk, is zonder belang. Wel dient natuurlijk de afstammingsband wettelijk vastgesteld te zijn.
Hebben grootouders van een geadopteerd kind recht op omgang ? Bij volle adoptie wordt de band met de oorspronkelijke familie verbroken en wordt het geadopteerde kind gelijkgesteld met een kind geboren uit het huwelijk van de adoptant. Volgens de strikte interpretatie van de wet zouden de natuurlijke grootouders van het geadopteerde kind hun recht van omgang met hun kleinkind verliezen door de adoptie. Dit menselijk drama gaf aanleiding tot een rechtzaak. De rechtbank corrigeerde deze onbillijkheid en stond een omgangsrecht aan de natuurlijke grootouders toe. Dit omgangsrecht voor de natuurlijke grootouders wordt thans algemeen door de rechtspraak aanvaard.
Uit de praktijk: Een dame diende op korte tijd het overlijden van haar echtgenoot en haar dochter te verwerken. Haar kleinkind werd hierna geadopteerd door haar schoonzoon en diens tweede echtgenote, die elk omgangsrecht met de grootmoeder weigerden. De rechtbank diende tussen te komen en stond de natuurlijke grootmoeder een bezoekrecht toe. Ondanks dit vonnis bleef de vader en de stiefmoeder van het kind elke omgang met de grootmoeder onmogelijk te maken. Om hen tot betere gedachten en bezinning aan te zetten veroordeelde de Vrederechter te Borgworm de onwillige adoptanten tot een schadevergoeding aan de grootmoeder.
Hoe wordt dit persoonlijk contact geregeld ?
In de eerste plaats wordt verondersteld dat grootouders en ouders een overeenkomst afsluiten m.b.t. het contact tussen grootouders en kleinkinderen. Indien geen overeenstemming kan bereikt worden kunnen de grootouders zich tot de rechtbank wenden om een persoonlijk contact te bekomen.
Om dit omgangsrecht te verkrijgen, dienen de grootouders geen bijzondere redenen in te roepen. Maar de uitoefening van dit omgangsrecht kan ontzegd worden wanneer deze omgang strijdig zou zijn met het belang van het kind. In concreto betekent dit dat het parket, de rechtbank of ook de tegenpartij tot afwijzing van het omgangsrecht zou kunnen beslissen wanneer gevreesd wordt dat een contact tussen grootouders en kleinkinderen schadelijke gevolgen zou hebben voor het kind. Naast zware misdrijven zou dit gemotiveerd kunnen worden door:
- een jarenlange afwezigheid van belangstelling,
- uit de hand gelopen conflicten tussen ouders en kinderen, waarbij het te vrezen valt dat de kleinkinderen bij de uitoefening van het grootouderlijk omgangsrecht zouden gebruikt worden of de facto met dit geschil zouden geconfronteerd worden.
- misbruik van het omgangsrecht waarbij gevreesd wordt dat het grootouderlijk omgangsrecht zou misbruikt worden om de verstandhouding tussen kleinkind en ouders te verstoren
- de vaststelling dat het grootouderlijk omgangsrecht misbruikt wordt om het kind terug in contact te brengen met een ouder die door de rechter reeds ontzegd was van elk recht tot omgang (bv. na seksueel misbruik).
In de praktijk worden hierover vaak zeer verhitte discussies gevoerd waardoor het van geval tot geval aangewezen is dat u een advocaat raadpleegt die u vooraf advies kan geven m.b.t. de kansen in de procedure en u zo nodig in deze procedure kan bijstaan. Een advocaat-bemiddelaar in familiezaken kan eveneens een bemiddelende rol vervullen teneinde het contact tussen grootouders en kleinkinderen te herstellen.
2de rangs recht
Het recht op persoonlijk contact van de grootouders is een recht in 2de rang ten aanzien van het omgangsrecht van de ouders. Dit betekent dat principieel de grootouders een recht van omgang zullen dienen uit te oefenen met een kleinkind tijdens de periode dat hun kind omgangsrecht uitoefent. De rechter kan evenwel een autonoom omgangsrecht toestaan. Dit wil zeggen een eigen omgangsrecht in een eigen periode los en onafhankelijk van de tijd dat hun kind een omgangsrecht uitoefent. Dit zal bv. het geval kunnen zijn wanneer het eigen kind slechts een beperkt omgangsrecht heeft (bv. 1 weekend op 2) maar vooral wanneer het belang van het kind dit zou vereisen.
Wanneer het eigen kind van de grootouders een ongedwongen contact met het kleinkind verhindert tijdens de periodes waarin het eigen kind een omgangsrecht heeft, zullen de grootouders aanspraak kunnen maken op voormeld autonoom omgangsrecht.
Zelfs wanneer hun eigen kind geen omgangsrecht zou hebben, kunnen de grootouders nog steeds aanspraak maken op een recht op persoonlijk contact.
Duur van het grootouderlijk omgangsrecht:
In heel wat gevallen zal de rechter oordelen dat het grootouderlijk omgangsrecht uitsluitend dient uitgeoefend te worden tijdens de periode waarin hun eigen kind een omgangsrecht uitoefent over het kleinkind. Soms zal de rechter evenwel oordelen dat hierdoor de last ongelijk verdeeld wordt waardoor er een beperkt aanvullend autonoom omgangsrecht verleend wordt van bv. een halve dag om de 2 maand. De rechter kan ook de last verdelen tussen beide ouders. De rechter bepaalt dan een autonoom omgangsrecht voor de grootouders zonder zich te bekommeren bij wie het kind zich op dat ogenblik bevindt.
Uit de praktijk:
- K.V. en E.D, grootouders over T., L. en G. konden geen contact met hun kleinkinderen bekomen via hun kinderen. Zij bekwamen een omgangsrecht elke eerste zondag van de maand tussen 10 uur en 18 uur.
- L, grootmoeder van F. bekwam een omgangsrecht elke derde woensdag van de maand.
Sommige rechters verzetten zich tegen langere periodes en overnachtingen gezien dit een inmenging zou kunnen betekenen in de opvoeding. Nochtans zijn er ook heel wat uitspraken gekend waarbij er wel degelijk een recht op uitgebreider omgangsrecht wordt toegestaan. Er zijn verscheidene uitspraken van jeugdrechters te Brussel en te Mechelen die aan grootouders 1 weekend per maand toestaan.
In bepaalde gevallen wordt zelfs een beperkt deel van de schoolvakanties aan de grootouders toegestaan. Bij deze situaties is de voorafgaande situatie tussen ouders en kleinkinderen vaak bepalend om een dergelijk uitgebreider omgangsrecht toe te staan. Zo werd reeds herhaaldelijk geoordeeld dat een uitgebreider omgangsrecht kan toegestaan worden aan de grootouders omdat zij reeds in het verleden reeds heel wat taken van de ouders hadden overgenomen en/of omdat de kleinkinderen meer bij hen dan bij hun kinderen verbleven. Cruciaal bij de behandeling van de zaak is steeds het belang van het kind en de correcte volledige voorstelling en van de grootouderschapsband door de pleitende advocaat.
De rechter zal ook rekening houden met de gebeurlijke veelheid aan omgangsrechten die over één en hetzelfde kind worden uitgeoefend hetgeen voor een kind wel eens bijzonder verwarrend kan zijn.
De bevoegde rechtbank om over de vraag tot het bekomen van een grootouderlijk omgangsrecht uitspraak te doen, is de jeugdrechtbank. De procedure wordt ingeleid met een verzoekschrift. De gootouders kunnen evenwel ook tussenkomen in de echtscheidingsprocedure van hun kinderen teneinde alsdan voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in kort geding hun recht op persoonlijk contact te horen en zien vaststellen.
Artikel 375bis Burgerlijk Wetboek stelt :
de grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Hetzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Bij gebreke van een overeenkomst tussen partijen, wordt over de uitoefening van dit recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des konings beslist door de jeugdrechtbank.
NIET ALLEEN GROOTOUDERS:
Niet alleen grootouders maar ook derden die het bewijs kunnen leveren van een bijzondere affectieve band met het kind kunnen een omgangsrecht vorderen. Grootouders moeten geen bewijs te leveren van enige bijzondere affectieve band. (zij doen dit evenwel best en zelfs uitvoerig. Een hechte band resulteert vaak in een uitgebreider omgangsrecht).
Zowel deze derden die een omgangsrecht ten aanzien van een kind vorderen, kunnen net zoals de grootouders geconfronteerd worden met een afwijzing door de rechter, wanneer deze oordeelt dat het belang van het kind door deze omgang kan geschaad worden.
Het verdrag van New York inzake de bescherming van de rechten van het kind bepaalt uitdrukkelijk dat het belang van het kind het belangrijkste criterium dient te zijn bij elke beslissing over kinderen.
Zo oordeelden de rechter dat een omgangsrecht kon toegestaan worden aan:
- - gewezen pleegouders
- - een tante met wie er een bijzondere band was,
- - een stiefvader na vooroverlijden van zijn echtgenote, moeder van het kind,
- - een veel oudere broer en zus die ten aanzien van hun jonge zusje een deel van de oudertaak vervulden
De personen die overgrootouders zijn en die een omgangsrecht ten aanzien van een kind willen vorderen beschikken over geen rechtstreeks recht op persoonlijk contact. Dit recht is slechts virtueel, in die zin dat zij een tegenstelling tot ouders of grootouders een bijzondere affectieve band met het kind dienen te bewijzen terwijl ouders en grootouders verondersteld worden over deze affectieve band te beschikken. Zie in die zin Jeugdrechtbank 28 november 2007, NJW 189, 744 en tijdschrift voor familierecht 2009/4 met noot "Overgrootouders principieel of virtueel omgangsgerechtigden.": In dit zelfde vonnis werd geoordeeld dat een kind dat het voorwerp uitmaakt van een POS dossier en een plaatsing bijkomend onder druk zou komen te staan wanneer aan ouders die in conflict leven met de ouders omgangsrecht zou worden toegestaan. Elke bijkomende nodeloze spanning ten aanzien van deze kinderen dient vermeden.
Ook een (doop)peter of (doop)meter die geen grootouders zijn doch die een bijzondere band zouden kunnen aantonen zouden volgens de rechtsleer aanspraak kunnen maken op een omgangsrecht.
rechtspraak: Cass. 16 januari 2009, RW 2009-2010, 1689:
Als blijkt dat de verzoeker tot toekenning van het recht op persoonlijk contact met het kind een bijzondere affectieve band heeft met het kind maar dat een affectieve band van het kind met de verzoeker niet of niet meer bestaat, komt het aan de jeugdrechtbank toe na te gaan of de toekenning van een persoonlijk contact in het belang is van het kind, zonder dat de jeugdrechter de vordering zomaar mag afwijzen bij gebrek aan band in hoofde van het kind, zonder eerst het belang van het kind te onderzoeken. Een en ander werd bevestigd in een arrest van het Hof van Cassatie van 16 januari 2009, Tijdschrift voor familierecht, 2009/5, 91 met noot Roeland Vasseur, Het Hof van Cassatie verduidelijkt draagwijdte bijzondere affectieve ban ex artikel 375 bis BW.
uittreksel uit het arrest:
"1. Artikel 375bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt onder meer dat aan ieder ander persoon dan de grootouders het recht kan worden toegekend persoonlijk contact met het kind te onderhouden indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind beslist wordt door de jeugdrechtbank op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings.
Artikel 3.1 van het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen die worden genomen, onder meer, door rechterlijke instanties, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
2. Als blijkt dat de verzoeker een bijzondere affectieve band heeft met het kind maar dat een affectieve band van het kind met de verzoeker niet of niet meer bestaat, komt het aan de jeugdrechtbank toe na te gaan of de toekenning van een persoonlijk contact in het belang is van het kind.
3. Het middel dat ervan uitgaat dat het recht op persoonlijk contact nooit kan worden toegekend als een affectieve band van het kind met de verzoeker niet of niet meer bestaat, faalt naar recht."
OVERGROOTOUDERS
In een vonnis van de Jeugdrechtbank te Gent van 28 november 2007 (juristenkrant 27 februari 2008) werd geoordeeld dat het recht op persoonlijk contact van de grootouders zoals ingeschreven in artikel 375 bis van het Burgerlijk Wetboek beperkend diende geïnterpreteerd te worden waardoor het recht van de grootouders niet kon uitgebreid worden tot de overgrootouders die als dusdanig als een derde dienen aanzien te worden. Dit betekent natuurlijk niet dat de overgrootouders geen recht op persoonlijk contact zouden kunnen doen gelden, maar dat zij in tegenstelling tot de ouders en de grootouders, een bijzondere affectieve band met het kind dienen te bewijzen. Zij worden als dusdanig gelijkgesteld met elke derde die een recht op persoonlijk contact met het kind wil doen gelden. In de voormelde rechtszaak werd het recht op persoonlijk contact door de overgrootouders ontzegd omdat de rechtbank vreesde dat dit persoonlijk contact een bijkomende druk op het kind zou teweegbrengen waarbij wel dien benadrukt dat dit kind reeds een zware crisissituatie achter de rug had en in afwachting van de plaatsing in een pleeggezin verbleef in een instelling.
De rechter sprak:
JVB en MB zijn de gootouders langs vaderszijde van de 5-jarige GB. De vader en moeder van GB voeren een procedure echtscheiding en leven afzonderlijk.
JVB en MB zien hun kind enkel tijdens de korte periode dat hun kleinkind hij hun zoon verblijft. Zij bekomen van de rechter evenwel een recht op persoonlijk contact dus ook buiten de periodes dat hun kleinkind bij hun zoon verblijft.
Niet naar de zin van hun toekomstige ex schoondochter die beroep aantekent. Zij argumenteert voor het Hof van Beroep te Gent dat er momenteel geen problemen zijn tussen de grootouders en de vader waardoor het contact tussen grootouders en kleinkind voldoende verzekerd is tijdens de periode dat het kind bij de vader is.
De vader beklaagt er zich over dat door deze houding zijn al beperkt omgangsrecht nog eens verminderd wordt met de periodes waarin hij graag het kind bij zijn ouders brengt.
De grootouders op hun beurt vragen een uitbreiding van hun omgangsrecht tot een deel van de schoolvakanties.
Het hof van beroep stelt vooreerst vast dat het contact tussen kleinkind en grootouders niet indruist tegen het belang van het kind en dat de vader wel degelijk meehelpt aan het contact tussen grootouders en hun kleinkind. De vraag tot het bekomen van een omgangsrecht tijdens de schoolvakanties voor de grootouders wijst het hof af. Volgens het hof van beroep kunnen langere verblijven bij de grootouders ertoe leiden dat zij zich gaan mengen in de opvoeding van de kinderen. Dit zou enkel kunnen indien beide ouders hiermee instemmen, wat in dit geval duidelijk niet aan de orde is, waardoor de rechtbank dient vast te stellen dat bij gebreke aan deze instemming van beide ouders de grootouders zich op geen wijze kunnen inlaten met de opvoeding van het kind gezien zij geen titularis zijn van het ouderlijk gezag.
Het hof van beroep stelt vast dat het kind thans op willekeurige tijdstippen ongedwongen contact kan hebben met de grootouders en dit tijdens het recht op persoonlijk contact door de vader.
Toch oordeelt de rechter dat door het recht op persoonlijk contact alleen te laten plaatsvinden tijdens de periode waarin de vader het kind ziet, de last teveel op zijn schouders ligt, waarbij hij oordeelt dat een regeling zich opdringt die zo verdelend mogelijk is voor de beide ex-partners.
De rechter beslist hierop dat de grootouders een recht op persoonlijk contact bekomen op de derde woensdagnamiddag van de onpare maanden van na de schooltijd tot 18 uur. Als er geen school is begint het recht op persoonlijk contact om 9 uur. Deze regeling blijft doorlopen tijdens de schoolvakanties. De grootouders halen het kind op en brengen het terug. Partijen kunnen ten alle tijden een andere regeling treffen. Vanzelfsprekend zullen de grootouders hun kleinkind daarnaast ook kunnen zien tijdens de periode waarin hun kleinkind bij hun zoon verblijft, althans voorzover hun zoon dit toelaat en hiertoe de nodige schikkingen neemt.
Aldus sprak de jeugdrechter te Gent in de vijftiende kamer van het hof van beroep te Gent op 26/04/2004.
Dwangsom
Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 07/05/2005, (NJW 136, 15/02/06, 125) legde de rechter een dwangsom op van 300 euro voor elke keer dat een door de rechter toegestaan omgangsrecht met de grootouder niet zou doorgaan. De rechteer oordeelde hierbij dat de moeder verkeerd oordeelde door de kinderen "vrij te laten" om al dan niet mee te gaan op bezoek bij de grootouders maar dat zij de kinderen integendeel positief diende te motiveren om met opa en oma mee te gaan.
Model
OVEREENKOMST VAN GROOTOUDERLIJK OMGANGSRECHT
Tussen : <<< >>> hierna te noemen de grootouders;
en :
<<< >>> hierna te noemen de ouders;
inzake :
<<< >>> hierna te noemen de kinderen;
is overeengekomen hetgeen volgt :
de grootouders zullen een recht op persoonlijk contact met de kinderen onderhouden zoals georganiseerd als volgt :
de kinderen zullen bij de grootouders verblijven elke eerste zondag van de maand van 14.00 uur tot 18.00 uur. Deze regeling geldt niet voor de maanden juli en augustus. Tijdens de maand juli zullen de kinderen tussen 15 juli 10.00 uur en 18 juli 18.00 uur bij de grootouders verblijven. De kinderen zullen eveneens van de eerste maandag van de paasvakantie 10.00 uur tot de eerstvolgende woensdag 18.00 uur bij de grootouders verblijven. De kinderen worden afgehaald en teruggebracht door de grootouders.
Van deze regeling kan worden afgeweken in algemeen akkoord tussen alle partijen. Partijen weten dat bij gebreke aan overeenstemming de rechtbank bevoegd is om een andere regeling op te leggen in belang van het kind.
Datum en handtekening van ouders en grootouders
Rechtspraak:
Brussel (jeugdkamer) (19e k.) 18 februari 2005, E.J. 2005, afl. 3, 43, noot DE WOLF, A. .
Noot DE WOLF, A., Over de modaliteiten en de duur van het grootouderlijke omgangsrecht
Het recht op persoonlijk contact van de grootouder en derden is een functioneel recht. De uitoefening ervan is onderworpen aan het belang van het kind. Het kind moet een voordeel halen uit de uitoefening ervan. Het recht op persoonlijk contact van de grootouder wordt geacht in het belang van het kind te zijn. Het komt de ouders toe om aan te tonen dat een uitgebreider of minder uitgebreid omgangsrecht van de grootouder in strijd is met het belang van het kind.
Hoewel door een veelvoud aan contacten het risico op verwarring reëel is bij het toekennen van een recht op persoonlijk contact aan de ouders van de stiefvader, en het niet evident lijkt dat dergelijk recht het belang van het kind dient, moet in casu worden aangenomen dat dit niet het geval is nu het feit dat het kind met die personen, met wie hij wellicht goede momenten heeft gehad, geen contact meer mag hebben, als een uitsluiting zou kunnen ervaren t.o.v. zijn broer, terwijl de uitoefening van het recht de band tussen hen kan versterken en een geruststellende invloed zou kunnen hebben.
Gent (jeugdkamer) (15e k.) 26 april 2004, E.J. 2005, afl. 3, 38, noot DE WOLF, A. .
Bij het bepalen van de modaliteiten van het recht op persoonlijk contact van grootouders wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van ongedwongen contacten tussen de grootouders en het kleinkind tijdens het verblijf bij hun vader, en met de mogelijke inperking op het eigen contactrecht van de vader die de vrijwillige contacten organiseert.
Gent (15e k.) 7 december 1998, T.J.K. 2001 (verkort), 113, noot DECOCK, G.
Noot DECOCK, G., Praktijk van de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken: een beeld van rechtspraak
Vooraleer er met een recht op persoonlijk contact kan gestart worden, is het nodig dat de relatie tussen ouders en grootouders in zoverre weer genormaliseerd is dat het gevaar miniem is dat het kind in de ruzie zou betrokken worden.
Daarom wordt aan partijen de suggestie gedaan om ofwel in persoon of via hun raadslieden met elkaar in contact te treden teneinde hun conflict te temperen of dat zij anderzijds een bemiddeling aangaan bij een dienst naar hun keuze voor scheidings- of ouderschapsbemiddeling of enige andere instantie die zij daarvoor aangewezen achten.
Daarbij wordt vanzelfsprekend verstaan dat deze suggestie door geen enkele van de partijen mag gebruikt worden om een recht op persoonlijk contact tegen te werken. Een weigering tot bemiddeling kan bezwaarlijk beloond worden. Wie een bemiddeling weigert, geeft er immers blijk van dat hij of zij niet in het belang van het kind maar enkel in het eigen belang handelt, terwijl nochtans het belang van het kind de eerste drijfveer bij het beoordelen van de zaak moet zijn (art. 3.1 Kinderrechtenverdrag art. 375bis B.W.).
Jeugdrb. Brussel 5 oktober 1999, A.J.T. 2000-01, 26, noot JACOBS, K., Het omgangsrecht van de grootouders
Het al dan niet uitoefenen van het omgangsrecht van de grootouders moet aan het belang van het kind getoetst worden, hetgeen inhoudt dat er geen enkel automatisme verbonden wordt aan de toewijzing en de uitoefening ervan.
Indien grootouders titularis zijn van een recht op persoonlijk contact met hun kleinkinderen dient de opportuniteit van de uitoefening van dit recht onderzocht te worden in het licht van de gegevens die betrekking hebben op het hoger belang van het kind.
Kinderen mogen geen slachtoffer worden van afrekeningen met het verleden tussen volwassenen. Kleinkinderen zijn niet het substituut van de kinderen van hun grootouders en zij kunnen het verleden, hoe pijnlijk ook, niet helpen ongedaan maken of goedmaken.
Jeugdrb. Brussel 29 juni 1999, A.J.T. 2000-01, 25.
Art. 375bis B.W. stelt dat grootouders het recht hebben een omgangsrecht uit te oefenen ten opzichte van hun kleinkinderen, en dat bij gebrek aan akkoord desbetreffende de jeugdrechtbank dit recht organiseert in het belang van de kinderen.
Het is dus niet mogelijk dat een grootouder beroep doet op art. 375bis B.W. om een concrete uitoefeningsregeling te laten uitwerken of veilig te stellen voor de toekomst, indien de persoon die het recht op materiële bewaring heeft geen enkel verzet uit tegen de regeling.
Bergen (2e k.) 30 september 2003, Rev. trim. dr. fam. 2005, afl. 3, 840.
De langdurige verbreking van de contacten tussen een grootmoeder en haar kleinkinderen kan het belang van de kinderen schaden, vooral omdat deze contacten heel frequent waren voordat conflicten de partijen tegenover elkaar plaatsten. Bijgevolg moet via een kort geding dringend een voorlopig recht worden geregeld inzake het persoonlijke contact van de grootmoeder met haar kleinkinderen.
Aangezien er geen enkele reden is om te vrezen dat de grootmoeder bij de uitoefening van haar recht op persoonlijk contact een houding aanneemt die de kinderen kan schaden, verantwoordt niets dat dit recht wordt uitgeoefend in een ontmoetingscentrum.
Bergen (jeugdkamer) 25 mei 1998, Rev. trim. dr. fam. 1999, 293.
Hoewel art. 375bis B.W. de grootouders het recht verleent op persoonlijk contact met hun kleinkinderen, dient de uitoefening van dat recht beschouwd te worden in functie van elk concreet geval en van het criterium van het belang van het kind, dat recht heeft op het vreedzaam genieten van een harmonieus privé-leven in zijn familie.
Het op die manier onderhouden van persoonlijk contact dient op een positieve manier bij te dragen tot de vorming van de persoonlijkheid van het kind, zonder het als scheidsrechter te plaatsen in het geschil tussen de ouders en de grootouders. In casu zijn de conflicten tussen de partijen van die aard dat de ontmoetingen, ook al worden deze gehouden op een neutrale plaats, de kinderen, waarvan het psychologisch evenwicht al kwetsbaar lijkt, helemaal in de war brengen.
Brussel 2 april 1993, KIDS III, 3.2.2., 5.
Om te kunnen oordelen over de toekenning van het bezoekrecht van grootouders ten aanzien van hun kleinkinderen heeft de jeugdrechtbank een sociaal onderzoek bevolen, met als bijzondere opdracht het belang en de wens van de kinderen en de aard en de omvang van het bezoekrecht te onderzoeken. Dit is in overeenstemming met art. 12 Verdrag van New York 20 november 1989 inzake de rechten van het kind. Het argument dat dit sociaal onderzoek de procedure voor maanden zou verlengen is irrelevant.
Brussel 17 mei 1982, Rev. trim. dr. fam. 1985, 353; , Pas. 1982, II, 94; ,
Een van de specifieke gevolgen van de wettiging door adoptie bestaat erin dat alle juridische banden met de oorspronkelijke familie worden verbroken.
Desalniettemin kan de oorspronkelijke grootmoeder een bezoekrecht opeisen over haar geadopteerd kleinkind.
Dit wordt haar ontzegd wanneer de belangen van het kind er niet door worden gebaat.
Gent 7 februari 2005, NjW 2006, afl. 136, 125, noot VERSCHELDEN, G.
Het bestaan van een bloedband tussen grootouder en kind volstaat om aanspraak te maken op een recht op persoonlijk contact. Een vooraf bestaande genegenheidsband is niet nodig, maar het recht op persoonlijk contact mag niet indruisen tegen het belang van de kinderen.
De moeder pakt de zaken verkeerd aan wanneer zij de kinderen vrij laat om al dan niet mee te gaan op bezoek bij de grootouders. Zij moet hen integendeel positief motiveren om met opa en oma mee te gaan.
Omdat vanwege de houding van de moeder te vrezen valt dat zij het recht op persoonlijk contact van de grootouders ook in de toekomst nog zal dwarsbomen, moet een dwangsom verbeurd worden per keer dat het recht op persoonlijk contact van beide kinderen of één van de kinderen niet kan doorgaan, behalve wanneer er een door stukken gestaafde overmacht is.
Gent (jeugdkamer) 31 oktober 1994, P.&B. 1995, 21.
De oproeping van de minderjarige die minstens de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt in geschillen m.b.t. de uitoefening van het bezoekrecht zoals voorzien in art. 56bis Jeugdbeschermingswet geldt ook in de geschillen tussen ouders en grootouders aangaande de uitoefening van een omgangsrecht door deze laatsten.
Rb. Brussel 25 maart 1992, Rev. trim. dr. fam. 1992, 138.
De toewijzing van een bezoekrecht aan de grootouders moet van geval tot geval beoordeeld worden en alleen in functie van het belang van het kind.
Een kind kan niet gebruikt worden om de familiale strubbelingen te verdoezelen waarvoor het niet verantwoordelijk kan zijn en waarbij het gevaar loopt als inzet te worden beschouwd. Een kind kan evenmin het verlies of de verwijdering van een ander kind vervangen.
Het is dus niet aan te raden een bezoekrecht aan de grootmoeder van moederzijde toe te kennen indien zij het kind niet kent en ze, rekening houdend met het uiterste negatieve beeld dat zij van haar dochter en diens echtgenoot heeft, geen afstand zal kunnen nemen t.o.v. het kind van haar gevoelens van wrok en leed.
Rb. Brussel 22 mei 1989, T.B.B.R. 1990, 80.
Er is geen reden een omgangsrecht voor de moederlijke grootouders te voorzien indien de vader plichtsbewust zijn ouderlijk gezag uitoefent en de contacten van zijn kinderen met deze grootouders regulariseert.
Jeugdrb. Nijvel 11 januari 2000, J.T. 2000, 428.
Het is belangrijk dat een jong kind zich kan situeren met betrekking tot zijn oorsprong en de genegenheid ontvangen van zijn grootouders, en dat het uit de door zijn grootouders en ouders gegeven voorbeelden de eerbied en het ontzag leert dat het op zijn beurt tegenover hen zal moeten hebben. De maatstaf voor de rechten van de voorouders is het belang van het kind. Hun recht op persoonlijk contact kan in het gedrang worden gebracht indien het de prerogatieven van de ouders aantast.
Jeugdrb. Brussel 28 januari 1997, J.T. 1997, 237, noot VAN DROOGHENBROECK, J. .
De vordering die door art. 375bis B.W. ten hoofde van de grootouders wordt ingevoerd, moet bij verzoekschrift worden ingesteld; voor zover ze bij dagvaarding wordt ingesteld, is deze vordering niet-ontvankelijk.
Vredegerecht te Westerlo, 26 februari 2007, RW 2007 2008, 660: Grootouders kunnen met het oog op de toekenning van de materiële bewaring van hun kleinkind tussenkomen in de procedure van dringende en voorlopige maatregelen van hun kind voor de Vrederechter.
De grootouders kunnen dan ook aanspraak maken op de toekenning van de materiële bewaring van hun minderjarig kleinkind in overeenstemming met de bestaande feitelijke toestand en met omschrijving van de verhouding tot de rechten van de ouders, die worden veroordeeld tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van hun minderjarig kind en tot het doorstorten van de kinderbijslag.
tekst van het vonnis:
"Overwegende dat tussen partijen geen verzoening kon worden bewerkstelligd.
Uit het verhoor van partijen is gebleken dat hun echtelijke relatie ernstig is verstoord, zodat dringende en voorlopige maatregelen verantwoord en noodzakelijk zijn, zoals hierna bepaald.
Gelet op de bepalingen van de wet van 13 april 1995 aangaande de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag en het omgangsrecht (B.S. 24 mei 1995).
Om deze redenen,
...
2. Het gezag over de persoon en het beheer over de goederen van het minderjarig kind
A. Schets van de feitelijke toestand
De gedingvoerende partijen huwden op 16 januari 2002 te Santo Domingo (Dominikaanse Republiek). Aldaar werd op 28 april 2002 de minderjarige S.Y. geboren. Einde 2004 keerde het gezin naar België terug en nam het zijn intrek bij de ouders van de heer P.S., namelijk de heer en mevrouw V.S.-J.W., die vrijwillig in huidige procedure zijn tussengekomen. Er ontstaan echtelijke moeilijkheden tussen P.S. en J.O. Laatstgenoemde gaat einde 2006 in (...) wonen, terwijl P.S. en de minderjarige verder verblijven bij de ouders van P.S. Hun beider leefsituatie is echter precair: P.S. heeft wel vast werk als vloerder, maar kampt met een hardnekkig drankprobleem, terwijl J.O. verklaart (hoewel wonende te ...) te werken als «horecabediende». Intussen verblijft het minderjarig kind onafgebroken bij haar grootouders, zelf bejaarde mensen en zelf ouders van zeven kinderen. De grootouders zijn echter allebei nog erg gezond en vitaal en nemen met uiterste toewijding 24 uur op 24 uur alle zorgen waar voor de minderjarige, die thans de tweede kleuterklas volgt en werkelijk niets tekortkomt. Zij worden daarbij geholpen door hun andere in de buurt wonende kinderen. Ons Ambt heeft zich van een en ander kunnen vergewissen bij gelegenheid van de plaatsopneming op 30 januari 2007.
B. In rechte
Overwegende dat het wettelijke basissysteem van de gezamenlijke uitoefening van de bevoegdheden door de beide ouders vooralsnog kan behouden blijven. Er dient dus geenszins te worden overgeschakeld naar het zgn. exclusieve uitoefeningsmodel.
Zeggen bijgevolg voor recht dat de beide ouders verder samen het gezag over de persoon en het beheer over de goederen van hun minderjarig kind, Y.S., geboren op 28 april 2002, zullen uitoefenen (art. 374, eerste lid, en art. 376, eerste lid, B.W.).
Overwegende dat in de hypothese dat zoals in casu de ouders niet samenleven en het basissysteem van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag van toepassing is, ook een regeling dient te worden getroffen omtrent de organisatie van de huisvesting van het kind, de zogenaamde «verblijfsregeling» en ook de plaats dient te worden bepaald waar het in de bevolkingsregisters dient te worden ingeschreven (art. 374, vijfde lid, B.W.).
Overwegende dat de minderjarige ononderbroken bij en door de grootouders, huidige tussenkomende partijen, wordt opgevoed in de hiervoren geschetste omstandigheden, zulks tot grote tevredenheid en goedkeuring van de beide ouders van dit kind. Deze toestand moet «juridisch worden geregeld», om welke reden ook de grootouders in de procedure tussenkwamen.
Overwegende dat de grootouders weliswaar geen aanspraak kunnen maken op het juridische huisvestingsrecht. De organisatie van het verblijf, de verblijfsregeling, en de bepaling van de plaats waar het kind in het bevolkingsregister dient te worden ingeschreven, is immers een element van het ouderlijk gezag, en daarmede zijn de grootouders niet bekleed (cf. Jeugdrb. Ieper 30 maart 2001, E.J. 2004, 69, met noot).
Overwegende dat de grootouders daarentegen wél terecht aanspraak maken op de toekenning aan hen van het recht op de materiële bewaring van het minderjarig kind, gelet op de voormelde schets van de feitelijke toestand. Zulks werd reeds gekwalificeerd als de juridische erkenning van de stilzwijgende lastgeving uitgaande van de wettelijke ouders tot overdracht van de materiële bewaring van de minderjarige aan de grootouders (cf. Jeugdrb. Ieper 30 maart 2001, E.J. 2004, 69, met noot).
Overwegende dat het belang van de minderjarige in casu een dergelijke toekenning van de materiële bewaring volkomen verantwoordt.
Overwegende dat het Hof van Cassatie de mogelijkheid van de toekenning van een dergelijke materiële bewaring aan derden die onafgebroken voor een minderjarige zorgen, uitdrukkelijk heeft erkend (Cass. 19 december 1975, Arr. Cass. 1976, 492 en R.C.J.B. 1977, 193, met noot F. Rigaux. Zie voor een grondige bespreking van dit arrest: A. De Wolf en F. Aps, «Rechtbescherming bij materiële bewaring van een kind door een derde», E.J. 2004, p. 54 e.v. Andere toepassingen: Luik 26 juni 2002, J.T. 2003, met noot H. Simon; Gent (Jeugdk.) 26 april 2004, E.J. 2005, 38, met noot A. De Wolf; Brussel (Jeugdk.) 18 februari 2005, E.J. 2005, 42, met noot).
Overwegende dat alhier nuttig wordt herinnerd aan de grenzen van de toekenning van de materiële bewaring aan de grootouders (cf. A. De Wolf en F. Aps, o.c., E.J. 2004, p. 63, nr. 30, met de verwijzingen in voetnoten 101, 102 en 103):
deze toekenning verleent aan de grootouders geen eigenlijke gezagsrechten: het beslissingsrecht over het kind blijft toebehoren aan de ouders.
eerder nog dan om een overdracht van de materiële bewaring, gaat het om de tijdelijke schorsing van de uitoefening van het recht van materiële bewaring door de ouders, gelet op de toekenning van de materiële bewaring aan de grootouders.
...
Zeggen bijgevolg voor recht dat de minderjarige Y.S. gedurende de geldingsduur van huidig vonnis zal gehuisvest zijn bij de vader P.S. en dat Y.S. in de bevolkingsregisters te (...) dient te worden ingeschreven als hebbende aldaar haar hoofdverblijf.
Zeggen bijgevolg tevens voor recht dat de materiële bewaring van het minderjarig kind Y.S. wordt toegekend aan haar grootouders, de heer en mevrouw V.S.- J.W.
3. Recht op persoonlijk contact
Nogmaals wordt benadrukt dat de beide ouders titularis blijven van het ouderlijk gezag, wat J.O. betreft enkel ingeperkt door de juridische verblijfsregeling waarvan de ratio legis enkel is, deze in overeenstemming te brengen met de regeling van de materiële bewaring van de minderjarige.
Zeggen bijgevolg voor recht dat élk van de beide ouders permanent het recht heeft om te allen tijde het minderjarige kind Y.S. te zien, te horen en te ontmoeten maar enkel inzoverre dit strookt met het aan de grootouders van de minderjarige toegekende recht op de permanente materiële bewaring van de minderjarige. Bepalen dat dit laatste recht voorrang heeft op het recht van de beide ouders om te allen tijde het minderjarige kind Y.S. te zien, te horen en te ontmoeten.
4. Onderhoudsbijdrage
Overwegende dat het beginsel wordt aanvaard dat de wettelijke onderhoudsplichtigen (in casu de ouders) in recht kunnen worden aangesproken in betaling van een onderhoudsbijdrage in het voordeel van het minderjarig kind, door de derde (in casu de grootouders) die de permanente materiële bewaring heeft van de minderjarige en deze spontaan zonder animus donandi op zich heeft genomen. De rechtsgrond daarvan is dan niet zozeer art. 203 B.W., maar wel de zaakwaarnemingstheorie of de theorie van de verrijking zonder oorzaak (cf. A. De Wolf en F. Aps, o.c., E.J. 2004, p. 63- 64, nr. 31; J. Gerlo, Onderhoudsgelden, Antwerpen, Kluwer, 1994, p. 72-73, nr. 91, en p. 137, nr. 202; Vred. Brussel 15 mei 1987, T. Vred. 1988, 176).
Overwegende dat, gelet op de respectieve inkomenssituatie van elk van de ouders, de omvang van deze onderhoudsbijdrage in alle redelijkheid dient te worden bepaald zoals hierna gespecificeerd.
Veroordelen de heer P.S. om aan de heer en mevrouw V.S.-J.W. te betalen als onderhoudsbijdrage ten behoeve van Y.S., de som van 150 euro per maand, draagbaar en niet geïndexeerd.
Veroordelen mevrouw J.O. om aan de heer en mevrouw V.S.-J.W. te betalen als onderhoudsbijdrage ten behoeve van Y.S. de som van 50 euro per maand, draagbaar en niet geïndexeerd.
5. Kinderbijslag
Overwegende dat de grootouders terecht aanspraak maken op de uitbetaling aan hen van de kinderbijslag (cf. A. De Wolf en F. Aps, o.c., E.J. 2004, p. 64, nr. 32).
Overwegende dat het, gelet op de basisbegrippen van de kinderbijslagregeling, evenwel niet mogelijk is een rechtstreekse uitbetaling aan hen van de kinderbijslag te bevelen, maar de modus operandi dient te worden gehanteerd, aangewend in het vonnis van de Jeugdrechtbank te Brussel van 30 juni 2000, rolnummer 354/ 2000/9B, onuitgegeven: «Wat de kinderbijslag betreft, bepaalt art. 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders uitdrukkelijk en op verplichtende wijze aan wie de kinderbijslagen moeten worden uitgekeerd (...). Het is dan ook correcter te zeggen dat het bedrag van de kinderbijslag aan eisers zal toekomen en (...) te veroordelen om deze volledig en onmiddellijk aan eisers door te storten».
Zeggen bijgevolg voor recht dat de kinderbijslag voor het minderjarige kind Y.S. volledig aan de grootouders, de heer en mevrouw V.S.-J.W., toekomt, en veroordelen de heer en mevrouw P.S.-J.O. om dit bedrag bij ontvangst ervan onmiddellijk en volledig aan de grootouders, de heer en mevrouw V.S.-J.W., door te storten."
Elfri De Neve 1 maart 2008
© copyright Elfri De Neve 1984-2008
δ disclaimer
voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.

