-A +A

omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend


De langstlevende echtgenoot kan eisen dat diens vruchtgebruik  zou worden omgezet in een kapitaal of in een lijfrente, die de naakte eigenaars moeten uitbetalen. Hierna zullen deze naakte eigenaars door de samenvoeging van het vruchtgebruik met hun naakte eigendom volle eigenaars worden.

Het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot is ook omzetbaar in een onverdeeld deel in volle eigendom, waardoor een onverdeeldheid ontstaat waarvoor de procedure tot uitonverdeeldheidtreding van art. 815 B.W. kan ingesteld.

Ook de naakte eigenaar kan de omzetting in bepaalde voorwaarden vorderen.

Maar het recht van de blote eigenaar om de omzetting van het vruchtgebruik te vragen is geen absoluut recht. Bij het oordeel van de rechter zal er een belangenafweging plaatsvinden bij de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik.

Er bestaat geen verplichting in hoofde van de rechter om de omzetting toe te staan. De rechter zal een oordeel vellen en rekening houdende met de belangen van de partijen.

in een uitspraak van het hof van beroep te Antwerpen van de 20 november 2006 (NJW 160, 321) werd geoordeeld dat een gepensioneerde langstlevende echtgenote, die als vruchtgebruiker beschikt over huurinkomsten van onroerende goederen die tot de nalatenschap behoren, terecht kan opteren voor het behoud van het vruchtgebruik en dus aan de steeds stijgende huurgelend boven de variabele rente van een geldsom die zij zou bekomen na de omzetting van haar vruchtgebruik. De situatie zou bijvoorbeeld anders zijn wanneer de naakte eigenaar genoodzaakt zou worden om grote herstellingen aan deze onroerende goederen te laten uitvoeren

Deze omzettingen zijn onderworpen aan een aantal strikte regels van het burgerlijk wetboek: hierna volgt een uittreksel:

ERFOPVOLGING VAN DE LANGSTLEVENDE ECHTGENOOT.
Art. 745bis. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. (Wanneer de overledene afstammelingen, geadopteerde kinderen of afstammelingen van deze achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap.) <W 31-03-1987, art. 69>
Wanneer de overledene andere erfgerechtigden achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en het vruchtgebruik van diens eigen vermogen.
Wanneer de overledene geen erfgerechtigden achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot de volle eigendom van de gehele nalatenschap.
§ 2. De langstlevende echtgenoot heeft bovendien het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer waarin de artikelen 366, § 1, eerste en tweede lid. 747 en 766 voorzien, tenzij in de akte van schenking of in het testament anders is bepaald.
Art. 745ter. <W 14-05-1981, art. 8> Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat voor alle met vruchtgebruik belaste goederen een boedelbeschrijving van de roerende en een staat van de onroerende worden opgemaakt, dat de geldsommen worden belegd en dat de effecten aan toonder, naar keuze van de langstlevende echtgenoot, worden omgezet in inschrijvingen op naam of gedeponeerd op een gemeenschappelijke bankrekening.
Art. 745quater. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. (Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geindexeerde rente.
Het kind dat tijdens het huwelijk verwekt is door de overledene en een andere persoon dan de langstlevende echtgenoot, kan niet om de omzetting van het vruchtgebruik verzoeken. <W 31-03-1987, art. 70>
§ 2. Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan die bedoeld in § 1, kan de langstlevende echtgenoot die omzetting eisen binnen vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap.
In hetzelfde geval kan hij te allen tijde eisen dat de blote eigendom van de goederen bedoeld in § 4 hem tegen geld wordt overgedragen.
De rechtbank kan de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden.
Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in § 1 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende echtgenoot.
§ 3. De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer kan, alleen worden gevorderd door degene die dat recht bezit.
§ 4. Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot.
Art. 745quinquies. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. Het recht om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4, te vorderen, geldt voor elk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, onverschillig of het verkregen is krachtens de wet of bij testament, dan wel ingevolge huwelijkscontract of contractuele erfstelling.
Dit recht is persoonlijk en niet vatbaar voor overdracht. Het kan niet worden uitgeoefend door de schuldeisers van de rechthebbende.
§ 2. Het recht om de omzetting te vorderen kan niet worden ontnomen aan de afstammelingen uit een vorig huwelijk van de vooroverleden echtgenoot.
Aan de langstlevende echtgenoot kan niet het recht worden ontnomen om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4, te vorderen.
§ 3. Ingeval de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt met afstammelingen uit een vorig huwelijk en de omzetting wordt gevorderd door een van de partijen, wordt de langstlevende echtgenoot geacht ten minste twintig jaar ouder te zijn dan de oudste afstammeling uit een vorig huwelijk.
Art. 745sexies. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. Indien alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot meerderjarig en handelingsbekwaam zijn, kunnen zij in iedere stand van de zaak, in onderlinge overeenstemming en op de wijze die zij hebben vastgesteld, overgaan tot de omzetting of tot de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4.
Indien een van hen minderjarig of anderszins onbekwaam is, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Bij gebreke van overeenstemming wordt de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt op verzoekschrift; alle rechtverkrijgenden worden in het geding geroepen bij gerechtsbrief.
Wanneer de rechtbank de eis geheel of ten dele toewijst, bepaalt zij de wijze van omzetting of de prijs die moet worden betaald voor de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4. In voorkomend geval gelast zij de verkoop van de volle eigendom van het geheel of van een deel der goederen die met vruchtgebruik belast zijn, dan wel de verdeling van die goederen, zelfs indien ter zake van dat recht geen onverdeeldheid bestaat, tenzij zij verkiest de partijen naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Het vruchtgebruik wordt berekend volgens de waarde op de dag van de omzetting. Bij die waardering wordt onder meer en naar gelang van de omstandigheden rekening gehouden met de waarde en de opbrengst van de goederen, de eraan verbonden schulden en lasten en de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker.
§ 4. De omzetting van het vruchtgebruik heeft geen terugwerkende kracht, evenmin als de toewijzing van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4.
Art. 745septies. <W 14-05-1981, art. 8> (§ 1. De langstlevende echtgenoot kan van zijn erfrecht geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten of daarvan vervallen worden verklaard indien hij geheel of gedeeltelijk is ontzet uit het ouderlijk gezag over de kinderen geboren uit zijn huwelijk met de overledene.
§ 2. De rechtsvordering wordt door de afstammelingen ingesteld binnen een jaar te rekenen hetzij van het openvallen van de nalatenschap, hetzij van de ontzetting uit het ouderlijk gezag.
Het vonnis heeft gevolg met ingang van de datum waarop de vordering is ingesteld.) <W 2001-04-29/39, art. 28, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
§ 3. Bij omzetting van het vruchtgebruik in de volle eigendom van een goed of in een geldsom, of bij overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4, levert de uitsluiting of de vervallenverklaring grond op tot vergoeding.
Die vergoeding wordt vastgesteld door de rechtbank en stemt overeen met de waarde van het vruchtgebruik, mede gelet op de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker bij het instellen van de rechtsvordering.
Is het vruchtgebruik omgezet in een lijfrente, dan werkt het vonnis terug tot hetzelfde tijdstip.

rechtspraak:

• Hof van Beroep te Gent, 11e Kamer – 29 maart 2007, 329

samenvatting

De naakte eigenaar kan op grond van art. 745ter B.W. steeds eisen dat er van de met vruchtgebruik belaste goederen een boedelbeschrijving wordt opgemaakt, dat de geldsommen worden belegd en dat de effecten aan toonder, naar keuze van de langstlevende echtgenoot, worden omgezet in inschrijvingen op naam of gedeponeerd op een gemeenschappelijke bankrekening. Ten aanzien van deze verplichting beschikt de rechter over geen beoordelingsvrijheid.

Het recht van de langstlevende echtgenote tot omzetting van het het vruchtgebruik is in principe een facultatief recht. De rechter heeft evenwel de mogelijkheid, wanneer de vordering uitgaat van de langstlevende echtgenoot en deze in samenloop komt met afstammelingen, de omzetting afwijzen, rekening houdend met de billijkheid en de belangen van alle partijen. De belangen van de partijen moeten in de mate van het mogelijke naar objectieve maatstaven worden afgewogen. Op grond van de ratio legis van het omzettingsrecht moet worden aangenomen dat de rechter in zijn afweging zowel economische als niet-economische elementen, zoals grote onenigheid tussen vruchtgebruikster en blote eigenaar, in aanmerking kan nemen.

De door de wetgever opgesomde omzettingswijzen zijn niet bindend voor de rechter, die bij de omzetting een andere modaliteit kan aanwijzen die hem in het specifieke geval als beter passend voorkomt.

De waarde van het vruchtgebruik wordt berekend op de dag van de omzetting.

tekst van het vonnis

...

3.2. Appellante is zowel krachtens de contractuele erfstelling bedongen in de akte verleden door notaris J.T. op 14 december 1972 als krachtens art. 754 B.W. vruchtgebruikster van de nalatenschap van wijlen G.L., terwijl geïntimeerde de (enige) blote eigenaar is van deze nalatenschap.

Op grond van art. 745ter B.W. kan geïntimeerde als blote eigenaar eisen dat er van de met vruchtgebruik belaste roerende goederen een boedelbeschrijving wordt opgemaakt, dat de geldsommen worden belegd en dat de effecten aan toonder, naar keuze van de langstlevende echtgenoot, worden omgezet in inschrijvingen op naam of gedeponeerd op een gemeenschappelijke bankrekening.

Het feit dat geïntimeerde over dit vorderingsrecht beschikt, staat buiten betwisting. Daarenboven betreft het hier een verplichting voor de blote eigenaar die steeds kan worden afgedwongen, zonder dat de rechter ter zake een beoordelingsvrijheid heeft.

Door appellante wordt evenwel bij tegeneis met toepassing van art. 745quater, § 1, B.W. de omzetting van het vruchtgebruik gevraagd.

In die omstandigheden is het duidelijk dat indien deze gevraagde omzetting van het vruchtgebruik door appellante gegrond zou worden verklaard, de vordering van geïntimeerde zonder voorwerp zal zijn.

3.3. Krachtens art. 745quater, § 1, B.W. kan, wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in volle eigendom hetzij in een geldsom, hetzij in een geïndexeerde rente.

Het staat buiten betwisting dat appellante overeenkomstig deze wetsbepaling de omzetting van het vruchtgebruik kan vorderen.

Maar wanneer, zoals in casu, de vordering uitgaat van de langstlevende en deze in samenloop komt met afstammelingen, is de rechter niet verplicht om de omzetting toe te staan.

Ter zake dient te worden onderzocht of de vordering in omzetting kan worden gegrond verklaard, rekening houdende met de billijkheid en de belangen van alle in de zaak betrokken partijen. Zo mag de omzetting er niet toe strekken aan één partij een onverantwoord voordeel toe te kennen noch haar tot nadeel strekken. De belangen van de partijen moeten in de mate van het mogelijke naar objectieve maatstaven worden afgewogen. Het standpunt van appellante dat de rechter de omzetting van het vruchtgebruik niet kan weigeren om billijkheidsredenen en hij dit enkel kan weigeren wanneer zulks de belangen van een onderneming of van beroepsarbeid ernstig zou schaden, kan dus niet worden onderschreven. Immers, enkel wanneer de langstlevende echtgenoot in samenloop komt met andere personen dan afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, beschikt de rechter overeenkomstig art. 745quater, § 2, B.W. over een minder uitgebreide beoordelingsmacht, namelijk

– hij moet in de regel de omzetting toestaan als de langstlevende deze binnen vijf jaar eist tegen andere blote eigenaars dan afstammelingen (art. 745quater, § 2, tweede lid, B.W.), waarbij laatstgenoemden dan enkel als verweer kunnen inroepen dat de omzetting de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden (art. 745quater, § 2, derde lid, B.W.);

– hij kan, indien hij het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, de vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld hetzij door een andere blote eigenaar dan de afstammelingen bedoeld in art. 745quater, § 1, B.W., hetzij door de langstlevende na de termijn van vijf jaar en dit conform het bepaalde in art. 745quater, § 2, vierde lid, B.W.

Dit geval doet zich in casu evenwel niet voor, omdat appellante als langstlevende echtgenoot in samenloop komt met een afstammeling van haar vooroverleden echtgenoot, zodat art. 745quater, § 1, B.W. van toepassing is. Deze bepaling spreekt overigens van het feit dat de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars de omzetting kan «vorderen», terwijl art. 745quater, § 2, tweede lid, B.W. bepaalt dat in dat geval de langstlevende echtgenoot de omzetting kan «eisen».

In tegenstelling tot wat de eerste rechter aannam, is het hof, alle omstandigheden in acht genomen, evenwel van oordeel dat er geen redenen zijn om niet in te gaan op het verzoek van appellante tot omzetting van het vruchtgebruik.

Weliswaar werd door appellante de omzetting van het vruchtgebruik van de goederen afhangende van de nalatenschap van haar overleden echtgenoot pas effectief in rechte gevorderd nadat zij zelf was gedagvaard door haar dochter om toepassing te maken van art. 745ter B.W., maar ter zake:

– dient te worden vastgesteld dat in het proces-verbaal van sluiting van de boedelbeschrijving van 7 oktober 2002, die werd opgesteld door notaris B.V., voornoemde appellante reeds verklaarde dat zij zich het recht voorbehield om de omzetting van het vruchtgebruik met betrekking tot de gelden te vragen;

– heeft het feit dat geïntimeerde nagenoeg onmiddellijk na het afsluiten van de boedelbeschrijving, namelijk op 13 november 2002, als eerste overging tot het inleiden van onderhavige procedure voor de eerste rechter teneinde de toepassing van art. 745ter B.W. te vorderen, geen relevantie voor de beoordeling van het verzoek tot omzetting dat alsdan door appellante werd geformuleerd.

Tevens dient te worden aangenomen dat de ratio legis van het omzettingsrecht niet enkel gelegen is in het ondervangen van de (soms) zware economische nadelen die verbonden kunnen zijn aan het vruchtgebruik, omdat met vruchtgebruik bezwaarde goederen geïmmobiliseerd zijn, maar ook in het ondervangen van de spanningen tussen vruchtgebruiker en blote eigenaars o.m. wat betreft de bijdragen in de kosten van met vruchtgebruik belaste goederen.

Rekening houdende met:

– het feit dat er duidelijk een grote onenigheid bestaat tussen appellante en haar enige dochter;

– de leeftijd van appellante, die meebrengt dat de waarde van het vruchtgebruik van de goederen afhangende van de nalatenschap van wijlen haar echtgenoot eerder gering is ten opzichte van de waarde van de blote eigendom (zoals overigens blijkt uit de berekening van notaris E.H. van 25 november 2002);

– de beperkte opbrengst van de gelden die aanwezig waren in de nalatenschap en het feit dat appellante, mede in acht genomen haar leeftijd, in staat moet zijn over de nodige financiën te beschikken voor haar verzorging en onderhoud;

is het hof van oordeel dat op het verzoek van appellante tot omzetting van het vruchtgebruik kan worden ingegaan.

Art. 745quater, § 1, B.W. vermeldt drie mogelijke wijzen van omzetting van het vruchtgebruik, namelijk:

– in volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen;

– in een geldsom;

– in een geïndexeerde en gewaarborgde rente.

Deze door de wetgever vermelde opsomming is – in tegenstelling tot wat geïntimeerde beweert – niet bindend voor de rechter die bij de omzetting een andere modaliteit kan aanwijzen die hem in het specifieke geval als beter passend voorkomt.

Daar appellante in conclusies aanbood om een bedrag van 18.065,63 euro te betalen aan geïntimeerde en uit de brief van notaris E.H. van 25 november 2002 blijkt dat dit bedrag zou overeenstemmen met de waarde van de blote eigendom waarop geïntimeerde gerechtigd is, is zulks niet als een omzetting van het vruchtgebruik in een som geld te beschouwen, aangezien bij deze modaliteit van omzetting de langstlevende echtgenoot afstand doet van zijn rechten in vruchtgebruik in ruil voor een som geld te betalen door de blote eigenaar(s) die gelijk is aan de waarde van het afgestane vruchtgebruik.

De wijze van omzetting in volle eigendom van met vruchtgebruik bezwaarde goederen onderstelt dat aan de vruchtgebruiker enerzijds en aan de blote eigenaar anderzijds bepaalde goederen, met vruchtgebruik bezwaard, geheel of ten dele in volle eigendom ter voldoening van hun onderscheiden rechten worden toebedeeld.

Daarbij zal in voorkomend geval aanleiding zijn tot opleg, zoals dit het geval is bij de verdeling. Nochtans dient bij de omzetting geen toepassing te worden gemaakt van de zeer strikte regels van de verdeling, die in principe een verdeling in natura eisen met toebedeling aan elk van de deelgenoten van evenveel goederen van dezelfde aard. Het gaat in casu immers om een omzetting en niet om een verdeling, ook al worden de partijen (vruchtgebruiker en blote eigenaar) in hun rechten voldaan bij middel van goederen uit het erfelijk vermogen.

Het aandeel van de gerechtigden (in casu geïntimeerde), in volle eigendom omgezet, zal immers praktisch nooit een gevoeglijke verdeling in natura mogelijk maken. Er dienen dus geen kavels te worden gevormd die nadien bij lottrekking moeten worden toebedeeld, maar het is de rechter die, op onaantastbare wijze en rekening houdende met de respectieve belangen van de partijen, bepaalt welke goederen in het deel van de vruchtgebruiker en welke in het deel van de blote eigenaar(s) worden gelegd.

Daar appellante dus de betaling voorstelt van een bedrag aan geïntimeerde, is zulks wel degelijk als een omzetting in volle eigendom van met vruchtgebruik bezwaarde goederen te beschouwen, omdat aldus:

– zij volle eigenaar zou worden van de lichamelijke roerende goederen afhangende van de nalatenschap van wijlen haar echtgenoot en een (beperkt) deel van de onlichamelijke roerende goederen, zijnde de gelden;

– geïntimeerde eveneens volle eigenaar zou worden van het grootste deel van de lichamelijke roerende goederen, namelijk de gelden.

Het hof is dan ook van oordeel dat, rekening houdende met de wederzijdse belangen van partijen, op de aldus door appellante gevraagde omzetting kan worden ingegaan en voor de waardebepaling van het vruchtgebruik overeenkomstig art. 745sexies, § 2 in fine, B.W. een notaris dient te worden aangesteld, omdat de waarde van het vruchtgebruik dient te worden bepaald op het ogenblik van de omzetting en hiervoor niet kan worden teruggegrepen naar de begroting door notaris E.H., die niet alleen eenzijdig is maar ook al vier jaar oud.

Wat de kosten van deze notaris betreft, deze dienen ten laste te komen van beide partijen, en dit in verhouding tot de respectieve waarde van de blote eigendom en van het vruchtgebruik.

3.4. Gelet op het bovenstaande is de vordering van geïntimeerde om overeenkomstig art. 745ter B.W. de geldsommen afhangende van de nalatenschap van wijlen G.L. te beleggen en de effecten aan toonder van deze nalatenschap te deponeren op een gemeenschappelijke rekening op naam van beide partijen, zonder voorwerp.

Wat betreft de betaling van de kosten van de notariële boedelbeschrijving die overeenkomstig art. 745ter B.W. werd opgemaakt door notaris B.V., bestaat er geen wettelijke regeling. Daar art. 745ter B.W. bepaalt dat de blote eigenaar een boedelbeschrijving kan eisen, kan, mede gelet op de regeling opgenomen in art. 600 B.W., het standpunt van de eerste rechter worden bijgevallen dat de kosten van deze boedelbeschrijving ten laste van appellante vallen.

...

• Hof van Beroep te Antwerpen, 1e Kamer – 18 juni 2007, RW 2008-2009, 1433
 

samenvatting

Een vordering tot omzetting van het vruchtgebruik kan niet gelijkgesteld worden met een vordering tot vereffening en verdeling van de nalatenschap, zodat de vordering vereffening-verdeling niet gelijktijdig kan worden ingesteld indien het verzoekschrift tot omzetting van het vruchtgebruik geen akte of feit bevat waarop de vordering tot vereffening en verdeling kan worden gebaseerd.

De vordering tot betaling van een geïndexeerde lijfrente kan niet worden ingesteld binnen de procedure tot omzetting van het vruchtgebruik indien het verzoekschrift tot omzetting van het vruchtgebruik geen feit of akte vermeldt waarop de vordering tot betaling van een jaarlijks geïndexeerd bedrag kan worden gegrond.

De rechter beschikt over een discretionaire beslissingsbevoegdheid om de gevorderde omzetting al dan niet toe te staan, rekening houdend met de belangen van de verschillende partijen.

tekst van het arrest

...

De feiten

De appellante is de weduwe van wijlen de heer D. De B. ingevolge een tweede huwelijk. Zij was getrouwd met wijlen de heer F. De B. onder het stelsel van scheiding van goederen volgens het huwelijkscontract van 29 juni 1977 voor notaris I. De S. met standplaats te Brecht.

De geïntimeerden zijn de kinderen uit het eerste huwelijk van de overledene. Zij verzetten zich tegen de omzetting van het vruchtgebruik, omdat hierdoor de belangen van de handelszaak, de BVBA D., ernstig geschaad zouden worden en omdat zij het vermogen van wijlen hun vader intact wensen te houden.

Krachtens het testament van de erflater van 12 april 1996 heeft de appellante de volle eigendom van de echtelijke woning, alsook van de inboedel, bij vooruitgifte en buiten erfdeel.

De appellante raamde de waarde van de woning en van de inboedel in de aangifte van de nalatenschap op 267.725,01 euro (10.800.000 fr.) en op 24.789,35 euro (1.000.000 fr.).

De appellante heeft het vruchtgebruik van een opbrengsthuis, een appartement, een landhuis en de industriegronden te M., waarop de handelszaak zich bevindt.

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de vordering tot vereffening en verdeling

Bij verzoekschrift van 2 juni 1998 heeft de appellante met verwijzing naar art. 745quater e.v. B.W. gevraagd haar vordering tot omzetting van haar vruchtgebruik op de nalatenschap van wijlen de heer F. De B. toelaatbaar en gegrond te verklaren.

In het verzoekschrift tot hoger beroep van 28 maart 2000 herneemt de appellante de voor de eerste rechter bij conclusie van 20 april 1999 gevorderde vereffening en verdeling van die nalatenschap.

Terecht werpen de geïntimeerden op dat de vordering tot omzetting van het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenote, ingeleid bij verzoekschrift van 2 juni 1998 op grond van art. 745quater e.v. B.W., onderscheiden is van een vordering tot vereffening en verdeling van de nalatenschap en geen feit of akte bevat waarop de bij conclusie ingestelde vordering tot vereffening en verdeling gebaseerd is.

In dat verzoekschrift van 2 juni 1998 vraagt de appellante dat ingevolge de omzetting van haar vruchtgebruik:

– haar in volle eigendom toekomt, naast en buiten het onroerend goed met inboedel (...), welk haar in volle eigendom toekomt ingevolge het bijzonder legaat: (...);

– haar ten laste van de nalatenschap van wijlen F. De B., respectievelijk ten laste van zijn drie kinderen een geldbedrag van 598.489,51 euro (24.143.004 fr.), vermeerderd met de wettelijke interest vanaf 29 april 1997 en de gerechtelijke interest toekomt.

De appellante vraagt tevens de inbreng in de nalatenschap van de hierboven vermelde onroerende goederen en van de som van 582.919,64 euro (23.514.920 fr.) als tegenwaarde van 180 aandelen in de BVBA D.

De aanstelling van voormelde notarissen wordt gevraagd met het oog op het verlijden van alle desbetreffende vereiste akten van overdracht in volle eigendom van die onroerende goederen waarvan de omzetting in volle eigendom wordt gevraagd.

Voor het geval de rechter de partijen naar een notaris verwijst, wordt gevraagd dat de notaris een staat van vereffening zal opmaken en verder zal handelen overeenkomstig art. 1207 en 1225 Ger. W. In het geval van een dergelijke verwijzing wordt ook gevraagd de inbreng in natura of anderszins te bevelen.

Die inbreng wordt gevorderd op grond van de waardebepaling van het vruchtgebruik en de omzetting ervan.

In dat verzoekschrift van 2 juni 1998 worden geen akte of feit aangevoerd waarop de vordering van de appellante tot vereffening en verdeling van de nalatenschap kan gebaseerd zijn. De vordering tot het verkrijgen van een jaarlijkse lijfrente wordt evenmin in dat verzoekschrift opgenomen.

Die vordering tot vereffening en verdeling is bijgevolg een nieuwe vordering die niet berust op een feit of akte in het verzoekschrift van 2 juni 1998 aangevoerd. Die vordering is bijgevolg onontvankelijk.

De ontvankelijkheid van de vordering tot betaling van een geïndexeerde lijfrente

Bij conclusie van 20 april 1999 vordert de appellante voor de eerste rechter te zeggen voor recht dat zij op hoofd- en tussenvordering gerechtigd is, solidair ten laste van de geïntimeerden, vanaf 29 april 1997 tot aan datum van de (gebeurlijke) omzetting van haar vruchtgebruik, op een jaarlijkse geïndexeerde lijfrente gelijk aan het bedrag van de gezamenlijke huurwaarde ervan, zijnde een geïndexeerde basisbedrag van minstens en in elk geval 2.478,94 euro (100.000 fr.) per maand. Zij herneemt de toekenning van die vordering bij het verzoekschrift tot hoger beroep van 28 maart 2000.

Bij haar tweede conclusie van 23 april 2007 vordert de appellante met betrekking tot de beweerde door wijlen F. De B. geschonken onroerende en roerende goederen, de geïntimeerden solidair te veroordelen om aan haar te betalen vanaf 29 april 1997 tot aan de datum van de (gebeurlijke) omzetting van het vruchtgebruik, een jaarlijkse geïndexeerde lijfrente gelijk aan het bedrag van de gezamenlijke huur- en opbrengstwaarde van deze goederen, zijnde een geïndexeerd basisbedrag van 4.000 euro per maand met verwijzing naar een toepassing van art. 858bis B.W.

De geïntimeerden werpen terecht op dat een dergelijke vordering niet kan worden gesteld binnen de procedure tot omzetting van het vruchtgebruik, zodat art. 807 Ger. W. hier geen toepassing vindt. Ze werpen hierdoor impliciet de onontvankelijkheid van die vordering op.

In het verzoekschrift van 2 juni 1998 is geen feit of akte vermeld waarop de vordering tot betaling van een jaarlijks geïndexeerd bedrag kan worden gegrond. Deze vordering, bij conclusie ingesteld, is bijgevolg onontvankelijk.

De grond

1. De appellante vraagt de omzetting van haar vruchtgebruik op de nalatenschap van wijlen haar echtgenoot F. De B. Ze roept in dat de omzetting van het vruchtgebruik moet gebeuren op grond van de waarde van de activa van de nalatenschap, inclusief van de aan de inbreng onderworpen (on)roerende goederen die het voorwerp van het vruchtgebruik op de datum van de omzetting uitmaken.

De geïntimeerden betwisten de gevraagde omzetting en doen bovendien gelden dat in het raam van de gevraagde omzetting de rechter niet de door hen betwiste inbreng van een aantal goederen kan bevelen.

2. De appellante die als langstlevende echtgenote de omzetting van het vruchtgebruik tegen de afstammelingen van wijlen haar echtgenoot vordert, heeft geen absoluut recht om uit dat vruchtgebruik te treden. De rechter beslist hierover, na afweging van de belangen van de partijen.

3. Tot staving van haar vordering tot omzetting roept de appellante volgende elementen in:

– de passiva die zij moet dragen, waaronder de successierechten, afgerond op 166.088,66 euro (6.700.000 fr.), de jaarlijkse weerkerende onroerende voorheffingen en inkomstenbelastingen in die mate dat de appellante zelfs een negatief inkomen heeft;

– het derven van een jaarlijkse huuropbrengst van 20.823,06 euro (840.000 fr.) met betrekking tot het onroerend goed, gelegen te M.;

– alle onroerende goederen, op één na, zijn aangeschaft in de periode dat wijlen F. De B. en de appellante samen waren, zodat die onroerende goederen allesbehalve van oudsher tot de familie behoorden;

– de gederfde huuropbrengst op de goederen die wijlen de heer F. De B. aan de geïntimeerden als voorschot op hun erfenis en zonder vrijstelling van inbreng in natura heeft geschonken «of anderszins gedane openlijke en verdoken schenkingen van onroerende en roerende (aandelen BVBA D.) goederen waaromtrent het vonnis a quo zich in volslagen stilzwijgen hult»;

– de diverse procedures in verband met de onroerende goederen.

Terecht merkt de appellante op dat zij niet de toewijzing vraagt van het onroerend goed te M., waar de BVBA D. is gevestigd. De gevraagde omzetting brengt de continuïteit van de familievennootschap niet in het gedrang.

Het hof stelt vast dat de appellante de volle eigendom van de echtelijke woning alsook van de inboedel heeft ingevolge het testament van 12 april 1996. In de aangifte van de nalatenschap werd de waarde van de woning en inboedel geraamd op 267.725,01 euro (10.800.000 fr.) en op 24.789,35 euro (1.000.000 fr.).

Het staat vast dat de appellante uit de verschillende goederen van de nalatenschap inkomsten verwerft.

...

Aan de hand van de overgelegde stukken toont de appellante bijgevolg niet aan dat de kosten aan de diverse panden van die aard zijn dat de huurgelden onvoldoende zijn om haar in staat stellen er een behoorlijke levensstandaard op na te houden.

De door de appellante opgestelde tabellen geven de reële situatie niet weer. Als inkomsten worden de niet- geïndexeerde huurprijzen vermeld en als uitgaven worden oncontroleerbare bedragen opgegeven waarbij de successierechten in rekening worden gebracht, met afbetalingen verspreid hetzij over vijf jaar hetzij over tien jaar, terwijl in 2007 moet geweten zijn over welke periode en op welke wijze de appellante die successierechten heeft betaald.

De appellante roept in dat haar vruchtgebruik aanleiding heeft gegeven tot diverse procedures voor de vrederechters van het kanton Zandhoven, van het derde kanton Brugge en van het kanton Brasschaat. De appellante verwijst eveneens naar haar bezwaarschrift met betrekking tot een bouwaanvraag in verband met de industriegrond te M. en op 14 februari 2006 ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van M.

Hierbij valt het op dat de drie gevoerde procedures voor de vrederechter van het kanton Zandhoven en het bezwaarschrift met betrekking tot de bouwaanvraag voor het college van burgemeester en schepenen te M. precies betrekking hebben op het onroerend goed te M. waar de BVBA D. is gevestigd en waarvan de appellante niet de toewijzing in volle eigendom vordert.

De gerechtelijke procedures in verband met de andere onroerende goederen zijn ondergeschikt aan de voordelen die de appellante als vruchtgebruikster met betrekking tot die onroerende goederen geniet.

De bewering van de appellante dat nog goederen aan inbreng zijn onderworpen en dat de geïntimeerden niet bereid zijn vrijwillig tot inbreng over te gaan, slaat op een ander debat en verantwoordt geenszins de gevraagde omzetting van het vruchtgebruik.

Bovendien dateert het verzoek van de appellante tot omzetting van het vruchtgebruik van 2 juni 1998, werd tegen het bestreden vonnis van 25 februari 2000 op 28 maart 2000 hoger beroep ingesteld, werd op 7 december 2004 de zaak overeenkomstig art. 730, § 2, a), tweede lid, Ger. W. van de algemene rol weggelaten en nam de appellante pas op 2 mei 2006 het initiatief om deze zaak opnieuw op de algemene rol te laten inschrijven.

Uit het bovenstaande volgt dat financiële overwegingen bezwaarlijk hebben meegespeeld om de omzetting van het vruchtgebruik te vorderen. Ongeacht de door de appellante ingeroepen kosten, was de omzetting van het vruchtgebruik niet vereist om in haar levensonderhoud te voorzien.

De appellante, gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, is nooit mede-eigenares geweest van de onroerende goederen waarvan zij de omzetting van het vruchtgebruik vordert. Bovendien bevestigt de appellante dat minstens één onroerend goed initieel toe aanbehoorde aan wijlen de heer F. De B.

De door de appellante aangebrachte elementen volstaan niet om in te gaan tegen de wens van de geïntimeerden, de kinderen van de erflater, om het vermogen in stand te houden.

De vordering van de appellante tot omzetting van haar vruchtgebruik is bijgevolg ongegrond.

Overige rechtspraak mbt dit onderwerp: Hof Gent 29 maart 2007, R.W. 2008- 09, 329.
 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

       

 

 

 

 

 

 
Commentaar: 

Zie Hof van Beroep Brussel14/12/2010 Juridat

samenvatting:

De langstelvende echtgenoot die in samenloop is met afstammelingen van de decuyus kan geen toepassing maken van artikel 745quter, §2 BW en de blote eigendom van bepaalde goederen inkopen.

uittreksel uit het arrest

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
1e kamer,
A.R. Nr.: 2007/AR/3225
zetelend in burgerlijke zaken,
Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest:

 

INZAKE VAN:

D. D.,

appellante,

die verschijnt, bijgestaan door Mr. TILLEMANS D. loco r. DEVLIES Carl, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 ;

 

TEGEN:

1. B. G.,

2. D. J.,

3. D. R.,
geïntimeerden,

allen vertegenwoordigd door Mr. BEELEN K. loco Mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 ;

 

 

 

 

OMZETTING VAN VRUCHTGEBRUIK VAN DE LANGSTLEVENDE ECHTGENOOT - INKOOP VAN BLOTE EIGENDOM

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 september 2006 en 3 september 2007.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis van 3 september 2007 werd betekend op 7 november 2007. Mevrouw D. D. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op de griffie van het hof op 6 december 2007.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

De zaak werd behandeld op de zitting van 11 mei 2010 en werd daar in voortzetting gesteld naar de zitting van 17 mei 2010, enkel om de raadsman van geïntimeerden toe te laten de vonnissen van de vrederechter te Grimbergen op grond van artikel 25 van de Pachtwet neer te leggen. De andere stukken die de raadsman heeft neergelegd, een akte van verzet en conclusies, worden uit het beraad geweerd.

2. De feiten

Mevrouw B. is de weduwe van Jan D., overleden op 21 februari 2002. Hun kinderen zijn de heer J. D., de heer R. D. en mevrouw D. D..

Ingevolge het huwelijkscontract van 18 mei 1954, nadien twee maal gewijzigd, waren de echtgenoten gehuwd onder het stelsel van de algemene gemeenschap. Zij waren landbouwers en hadden verscheidene onroerende goederen. De helft daarvan komt toe aan mevrouw B. in volle eigendom. Zij is vruchtgebruikster van de andere helft, waarvan de drie kinderen samen naakte eigenaars zijn. J. D. en D. D. zijn ook landbouwers, en hebben onder meer gronden van de onverdeeldheid in gebruik.

3. Het onderwerp van de vordering

3.1. Op 1 juni 2005 dagvaardden geïntimeerden mevrouw D. D. om de uitonverdeeldheidtreding te horen bevelen met betrekking tot twee onverdeelde goederen. Nadien vorderde mevrouw B. de omzetting van het vruchtgebruik met betrekking tot de landbouwerswoning met hangar en een perceel weide. Geïntimeerden vorderden niet meer de uitonverdeeldheidtreding.

Mevrouw D. D. concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

3.2. Bij vonnis van 18 september 2006 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en principieel gegrond. Hij beval de heropening van de debatten om partijen toe te laten gegevens te verstrekken over de ligging en de oppervlakte van de weide.

In conclusie na het vonnis handhaafde mevrouw B. haar vordering; mevrouw D. D. hernam haar verweer met betrekking tot de onontvankelijkheid en de ongegrondheid van de vordering.

Bij vonnis van 3 september 2007 beval de eerste rechter de omzetting van het vruchtgebruik met het oog op toewijzing in volle eigendom aan mevrouw B. van de bedoelde onroerende goederen (een landbouwerswoning, op landbouwgrond, gelegen W.-Straat 43, kadastraal bekend als 352 c en 352 e van wijk C, met een oppervlakte van 1 a 60 ca voor de woning en 11 a 20 ca voor een hangar, en een perceel weide, gelegen W...., kadastraal bekend als nummer 0352 L Wijk C, genaamd " de W...", met een oppervlakte van 1 ha 85 a en 96 ca.

3.3. In hoger beroep herneemt mevrouw D. D. haar oorspronkelijke verweer.

Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidentele vordering vragen zij de veroordeling van mevrouw D. D. tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 3.000,00 EUR.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1.
Mevrouw D. D. laat gelden dat de vordering tot uitonverdeeldheidtreding onontvankelijk is, omdat deze vordering ondeelbaar is en in casu niet alle onverdeelde goederen het voorwerp uitmaakten van de vordering. Dit middel is zonder belang, omdat geïntimeerden niet meer de uitonverdeeldheidtreding vragen.

4.2.
Vervolgens werpt mevrouw D. D. op dat de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik niet ontvankelijk is, omdat dit een nieuwe vordering is die buiten de grenzen gaat van een wijziging of uitbreiding van de vordering overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij laat daarbij gelden dat de vordering tot omzetting volgens artikel 745sexies, §2, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek moet ingesteld worden bij verzoekschrift. Dat laatste klopt, maar het sluit op zich niet uit dat de vordering wordt ingesteld bij wijziging van een vordering die is ingeleid door dagvaarding. De toelaatbaarheid van een dergelijke uitbreiding of wijziging wordt beheerst door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat oplegt dat de nieuwe "conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is". De nieuwe vordering is in deze duidelijk gebaseerd op feiten aangevoerd in de dagvaarding, met name de beëindiging van de huwelijksgemeenschap en het openvallen van de nalatenschap van J. D.. Uiteraard is de omzetting van het vruchtgebruik een ander voorwerp van de vordering, maar dat laat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek toe. De eerste rechter heeft de vordering dus terecht ontvankelijk verklaard.

4.3.
Met betrekking tot de grond van de vordering werpt mevrouw D. D. op dat de vordering van mevrouw B. een verkeerd gebruik uitmaakt van het omzettingsrecht van de langstlevende echtgenote, en dat, samengevat, het voorwerp van de vordering tot omzetting, de woning, de weide en een perceel met hangar, niet beantwoordt aan het wettelijk voorwerp van het omzettingsrecht van de langstlevende echtgenoot.

De vordering van mevrouw B. tot omzetting van haar vruchtgebruik op drie goederen in volle eigendom maakt inderdaad een verkeerde toepassing van de bepalingen met betrekking tot de rechten van de langstlevende echtgenoot uit artikel 745quater van het Burgerlijk Wetboek, dat luidt als volgt:

"
§ 1
Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente.
§ 2
Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan die bedoeld in § 1, kan de langstlevende echtgenoot die omzetting eisen binnen vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap.
In hetzelfde geval kan hij te allen tijde eisen dat de blote eigendom van de goederen bedoeld in § 4 hem tegen geld wordt overgedragen.
De rechtbank kan de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden.
Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in § 1 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende echtgenoot.
§ 3
De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer, kan alleen worden gevorderd door degene die dat recht bezit.
§ 4
Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot.
"

Mevrouw B. steunt haar vordering tot omzetting op artikel 745quater §1 van het Burgerlijk Wetboek, maar verduidelijkt dat zij daardoor "eigen baas" wil worden van de woning met weide en het perceel met de hangar. Zij vraagt enkel de omzetting van het vruchtgebruik op die drie goederen. Na de verwezenlijking daarvan kan dan, stelt zij, voor de overige goederen een volledige vereffening en verdeling gebeuren.

Onder toepassing van artikel 745quater §2 kan de langstlevende echtgenoot eisen dat de blote eigendom van de gezinswoning hem tegen geld wordt overgedragen. Daarbij koopt de langstlevende de blote eigendom in, tegen geld, en behoudt hij voor het overige zijn vruchtgebruik op de overige goederen.

Onder toepassing van artikel 745quater §1 kan de langstlevende echtgenoot de omzetting vorderen van het vruchtgebruik geheel of ten dele in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen. Omzetting van het vruchtgebruik in volle eigendom in aanwezigheid van afstammelingen betekent niet dat de langstlevende de blote eigendom met eigen gelden kan inkopen. Bij omzetting in volle eigendom wordt het vruchtgebruik op sommige goederen geruild tegen blote eigendom op andere goederen tot beloop van dezelfde waarde. De langstlevende staat dus aan de kinderen vruchtgebruik op andere erfgoederen af tot beloop van dezelfde waarde als de blote eigendom van de gezinswoning. Inkoop met eigen gelden toestaan zou neerkomen op een echte onteigening van de kinderen. Die kan slechts gevorderd worden in het geval dat uitdrukkelijk door de wet voorzien is, met name artikel 745quater §2, in het geval dat de blote eigendom van de gezinswoning toebehoort aan anderen dan de afstammelingen .

Wanneer de langstlevende echtgenoot in samenloop is met kinderen van de overleden echtgenoot, kan de langstlevende de omzetting van zijn vruchtgebruik vragen, op de drie wijzen voorzien in artikel 745quater, §1 van het Burgerlijk Wetboek, en de inkoop van de blote eigendom is daar niet bij. De mogelijkheid van inkoop van de blote eigendom uit artikel 745quater, § 2 geldt niet in de hypothese van samenloop van een langstlevende echtgenoot met afstammelingen van de overledene , zoals hier het geval is.

Wat mevrouw B. in deze vordert, is een afgedwongen verkoop van de blote eigendom van de kinderen, en dat recht heeft zij niet. De vordering is dus ongegrond.

Gelet op het bovenstaande zijn de overige middelen van partijen zonder belang.

4.4.
Het hoger beroep is gegrond, en het blijkt niet dat mevrouw D. D. de procedure heeft gevoerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. De vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep is dus ongegrond.

5. De kosten

De partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet-waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR.

Dit is geen vordering tot vereffening en verdeling (meer), zodat er geen reden is om de kosten ten laste te leggen van een massa, zoals de eerste rechter heeft gedaan.

6. Het beschikkend gedeelte

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van mevrouw D. D. ontvankelijk en gegrond als volgt:

Verklaart de vordering van mevrouw B. ontvankelijk maar ongegrond,

Verklaart de incidentele vordering van geïntimeerden ontvankelijk maar ongegrond.

Verklaart geïntimeerden tot de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot op 186,00 EUR (rolrechten) + 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 14 december 2010.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: ma, 16/05/2011 - 20:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.