-A +A

Onbeslagbare goederen nodig voor de uitoefening van het beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wat artikel 1408, 2° betreft, beoogt het ontwerp een betere bescherming van de bedrijfsuitrusting. Er is geen verwijzing meer naar de waarde van de beschermde goederen. Op die manier kan de beslagene, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, verder beschikken over de voorwerpen die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep, hetgeen onontbeerlijk is uit het oogpunt van de menselijke waardigheid. De beroepsinkomsten zullen het mogelijk maken een materieel levensminimum veilig te stellen, en de schuldeisers te betalen; voor deze laatsten is een dergelijke regeling voordeliger dan indien zij de te vorderen bedragen moeten verhalen op de opbrengst van de verkoop van de bedrijfsuitrusting. 

Deze bescherming geldt voor natuurlijke personen en niet voor rechtspersonen.

Dit verschil in behandeling behandeling steunt op een objectief criterium, meer bepaald de juridische aard - natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon - van de eigenaar van de beschermde goederen.

In het licht van het doel van de wet (bestrijding armoede en vrijwaring menselijke waardigheid) is het verantwoord de goederen die volstrekt nodig zijn voor de uitoefening van het beroep alleen te beschermen indien zij toebehoren aan een natuurlijke persoon. Een dergelijke maatregel is pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel, zonder dat eenzelfde bescherming moet worden geboden aan de rechtspersonen, gelet overigens op het afwijkende karakter van de maatregel dat een strikte interpretatie verantwoordt. Door het natuurlijke personen mogelijk te maken een rechtspersoon op te richten en aldus sommige goederen te bestemmen teneinde het vermogen van die rechtspersoon te vormen, laat de wetgever hun toe hun privévermogen te beschermen tegen de financiële onzekerheden van hun beroepsactiviteit, hetgeen een andere manier is om het nagestreefde doel te bereiken. Bovendien is bescherming die de natuurlijke persoon geniet beperkt tot 2.500 EUR. Het in het geding zijnde verschil in behandeling heeft dus geen onevenredige gevolgen.

GwH, 24/03/2016, R.A.B.G., 2016/10, p. 747-754

(V.C. BVBA / Ministerraad - Rolnr.: 52/2016)

In zake: de prejudiciële vraag betreffende artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant.

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest:

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij beschikking van 4 mei 2015 in zake de BVBA “V.C.” tegen de “Verzekeringskas Arbeidsongevallen - SECUREX”, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 mei 2015, heeft de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, geïnterpreteerd zoals in de parlementaire voorbereiding wordt gesuggereerd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het alleen de beslagene beoogt die een natuurlijke persoon is ?”

Memories zijn ingediend door:

de BVBA “V.C.”, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Grégoire, advocaat bij de balie te Brussel;
de ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel.
Bij beschikking van 13 januari 2016 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen 7 dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 3 februari 2016 en de zaak in beraad zal worden genomen.

Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 3 februari 2016 in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
De BVBA “V.C.” stelt bij de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant een vordering in om een uitvoerend beslag op roerend goed dat op verzoek van de “Verzekeringskas Arbeidsongevallen - SECUREX” is gelegd op 6 voertuigen van de eiseres na een vonnis dat de rechtbank van koophandel te Nijvel op 5 december 2013 heeft uitgesproken en volgens hetwelk de BVBA een bedrag van 10.837,30 EUR verschuldigd blijft aan SECUREX, onwerkzaam en nietig te laten verklaren.

De eiseres betwist het voor beslag vatbare karakter van de goederen die het voorwerp uitmaken van het proces-verbaal van beslaglegging, overeenkomstig artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij is van mening dat die goederen noodzakelijk en volstrekt nodig zijn voor de uitoefening van haar beroep.

De rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant steunt op de parlementaire voorbereiding van artikel 1408, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek en merkt op dat dat artikel alleen de natuurlijke personen lijkt te beogen.

De BVBA “V.C.” is van mening dat die bepaling derhalve discriminerend is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Zij zou het een natuurlijke persoon die, om boekhoudkundige, fiscale, sociale of andere redenen, de uitoefening van zijn beroep wenst te regelen door middel van een juridische structuur, immers niet mogelijk maken de bij artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek beoogde bescherming te genieten.

De rechtbank is van mening dat de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag derhalve dient te worden gesteld.

III. In rechte
-A-
Standpunt van de eisende partij voor de verwijzende rechter
A.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter merkt op dat de wetgever, met artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, voor het eerst het beginsel van de niet-vatbaarheid voor beslag van de goederen van de natuurlijke personen heeft gevestigd. Na dat beginsel te hebben gevestigd, heeft de wetgever het evenwel meteen enigszins gematigd, aangezien het artikel bepaalt dat het alleen de goederen beoogt die volstrekt nodig zijn voor het beroep van de beslagene, tot een waarde van 2.500 EUR op het ogenblik van het beslag, en naar keuze van de beslagene. Bovendien wordt in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd dat dat artikel alleen de natuurlijke personen beoogt.

De eisende partij voor de verwijzende rechter onderstreept dat artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek alleen het beroepsvermogen van de natuurlijke personen beschermt en niet dat van de rechtspersonen. Volgens die redenering kan een natuurlijke persoon die om boekhoudkundige, fiscale, sociale of andere redenen de uitoefening van zijn beroep wenst te regelen door middel van een juridische structuur, zoals een BVBA, de bescherming van artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek niet verkrijgen. Wegens dat verschil in behandeling tussen twee categorieën van personen schendt artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Standpunt van de ministerraad
A.2.1. De Ministerraad merkt in de eerste plaats op dat de prejudiciële vraag artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek in zijn geheel beoogt. Het vonnis beoogt echter alleen het feit dat dat artikel alleen van toepassing is op de natuurlijke personen, met uitsluiting van de rechtspersonen. Het blijkt derhalve belangrijk om te preciseren dat de prejudiciële vraag meer bepaald betrekking heeft op het 3° van § 1 van artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, dat voorziet in de niet-vatbaarheid voor beslag van het beroepsmateriaal.

A.2.2. Volgens de ministerraad is artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Inzake beslag voorzien de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet in beginsel in de vatbaarheid voor beslag van de goederen van de schuldenaar, natuurlijke personen of rechtspersonen. Het betreft de “algemene waarborg”. Hoewel de wet kan voorzien in uitzonderingen op dat algemene beginsel vormt een stelsel van niet-vatbaarheid voor beslag een belangrijke afwijking van het fundamentele beginsel, dat van openbare orde is, van de uniforme onderwerping van de goederen van een schuldenaar, opgenomen in de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet. Het is ook een uitzondering op artikel 1560 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangezien de in het geding zijnde norm een uitzondering vormt op het algemene beginsel van de vatbaarheid voor beslag van de goederen van de schuldenaar, dient zij op restrictieve wijze te worden geïnterpreteerd. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet vloeit voort dat de rechtspersonen zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van artikel 1408, § 1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Die uitsluiting is vanaf de inwerkingtreding van de bepaling aanvaard door alle rechtscolleges van het land.

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek vloeit voort dat het doel van die bepaling erin bestaat de menselijke waardigheid te vrijwaren en armoede te bestrijden. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust dus op een objectief karakter, namelijk de juridische aard van de schuldenaar, naargelang hij een rechtspersoon dan wel een natuurlijke persoon is. Het sociale doel van de wetgever dat erin bestaat “de menselijke waardigheid en het gezin van de schuldeiser te beschermen, kan niet worden omgezet naar een rechtspersoon”. Het verschil in behandeling berust dus op een wettelijk verantwoord objectief criterium.

A.2.3. De ministerraad merkt daarnaast op dat de kwestie van een eventuele discriminatie tussen een rechtspersoon en een natuurlijke persoon reeds herhaaldelijk is onderzocht door het Hof en aanleiding heeft gegeven tot verschillende arresten die besluiten tot de niet-schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De ministerraad haalt in dat verband de arresten nrs. 51/2015, 123/2014 en 41/2014 aan.

De rechtspraak van het Hof steunt telkens op een objectieve vaststelling: de aard van de rechtspersonen verschilt van die van de natuurlijke personen. Hun fiscale en sociale stelsels verschillen en de rechten van de enen en van de anderen zijn meer of minder uitgebreid.

De ministerraad wijst overigens erop dat andere wetteksten ertoe strekken een ruimere bescherming te bieden aan een werknemer die een natuurlijke persoon is, ten opzichte van een rechtspersoon. Bij wijze van voorbeeld verwijst hij naar de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), die met name voorziet in de niet-vatbaarheid voor beslag van het hoofdverblijf van de zelfstandige. Die bepaling sluit de rechtspersoon uit van het toepassingsgebied ervan.

A.2.4. De ministerraad antwoordt op het door de eisende partij voor de verwijzende rechter geformuleerde bezwaar dat de natuurlijke persoon die zou beslissen zijn beroep door middel van een juridische constructie uit te oefenen, op die manier zijn privévermogen beschermt teneinde “zijn menselijke waardigheid” te vrijwaren. Door een rechtspersoon op te richten, zondert hij de bij de rechtspersoon ingebrachte goederen immers af in een nieuw vermogen en vormt hij dus een nieuwe algemene waarborg ten aanzien van zijn schuldeisers. Zijn eigen vermogen en dat van zijn gezin zijn dus beschermd ten aanzien van de schuldeisers van de rechtspersoon. Die bescherming maakt het mogelijk tegemoet te komen aan de wil van de wetgever om de menselijke waardigheid van een schuldenaar te vrijwaren en zijn gezin te beschermen. De prejudiciële vraag bevestigend beantwoorden, zou in werkelijkheid erop neerkomen de zelfstandige die zijn activiteit uitoefent door middel van een bepaalde juridische structuur te bevoorrechten, aangezien hij dubbel beschermd zou zijn, zowel ten aanzien van zijn privévermogen als ten aanzien van zijn beroepsvermogen, ten koste van de zelfstandige die als natuurlijke persoon werkzaam is en alleen de waarborg van artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek zou kunnen genieten.

De ministerraad herinnert ten slotte eraan dat de bescherming die de werknemer als natuurlijke persoon geniet, beperkt is tot 2.500 EUR en dat in de onderhavige zaak het beslag betrekking heeft op “6 voertuigen van een schuldeiser die gespecialiseerd is in de bouw”, zodat het grensbedrag van 2.500 EUR naar alle waarschijnlijkheid ruim overschreden is.

De ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

-B-
B.1. Artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

Ҥ 1. Behalve op zaken, niet vatbaar voor beslag verklaard door bijzondere wetten, mag ook geen beslag worden gelegd:

op het nodige bed en beddegoed van de beslagene en van zijn gezin, de kleren en het linnengoed volstrekt noodzakelijk voor hun persoonlijk gebruik alsmede de meubelen nodig om deze op te bergen, een wasmachine en strijkijzer voor het onderhoud van het linnen, de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning, de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin, een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen, een toestel om warme maaltijden te bereiden, een toestel om voedingsmiddelen te bewaren, één verlichtingstoestel per bewoonde kamer, de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden, de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen, de gezelschapsdieren, de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken, het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin, een en ander met uitsluiting van de luxemeubelen en luxeartikelen;
op de boeken en overige voorwerpen, nodig voor de voortzetting van studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene of van de kinderen te zijnen laste die onder hetzelfde dak wonen;
op de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, tot een waarde van 2.500 EUR op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;
op de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst;
op de levensmiddelen en brandstof die de beslagene en zijn gezin voor een maand nodig hebben;
een koe, of twaalf schapen of geiten, naar keuze van de beslagene, alsmede een varken en vierentwintig dieren van de hoenderhof, met het stro, voeder en graan, nodig voor het strooisel en de voeding van dat vee gedurende één maand.
§ 2. De in § 1 bedoelde voorwerpen blijven voor beslag vatbaar indien zij zich op een andere plaats bevinden dan daar waar de beslagene gewoonlijk woont of werkt.

§ 3. De moeilijkheden inzake de toepassing van dit artikel worden beslecht door de beslagrechter op grond van het proces-verbaal van beslaglegging, waarin de opmerkingen van de beslagene, op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, worden aangetekend.

Bij de neerlegging ter griffie van een afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging door de gerechtsdeurwaarder of door de meest gerede partij, binnen vijftien dagen na de overhandiging van het afschrift van dat proces-verbaal of, indien daartoe grond bestaat, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar, bepaalt de beslagrechter dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen. De griffier roept de partijen op en verwittigt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.

De procedure kan niet worden voortgezet indien de in het vorige lid bedoelde neerlegging van het afschrift van het proces-verbaal niet heeft plaatsgehad.

De vordering schorst de vervolging, doch de goederen blijven onder beslag totdat uitspraak is gedaan.

De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen; zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep; de rechtspleging kan onmiddellijk worden hervat.”

B.2. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter zich moet uitspreken over de geldigheid van een uitvoerend beslag op roerend goed met betrekking tot 6 voertuigen van een BVBA die, volgens de eiseres, noodzakelijk en volstrekt nodig zijn voor de uitoefening van haar beroep.

Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot artikel 1408, § 1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het de goederen die volstrekt nodig zijn voor het beroep van de beslagene alleen beoogt indien die laatste een natuurlijke persoon is.

B.3.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 januari 1993 “tot wijziging van Titel I, voorafgaande regels, en Titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van Deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling” blijkt dat de wetgever, zoals bij de totstandkoming van het Gerechtelijk Wetboek, beoogde “een billijk evenwicht te bereiken tussen de kordaatheid waarvan de schuldeiser, die te maken heeft met de nalatigheid en soms met de oneerlijkheid van de schuldenaar, blijk mag geven en de redelijkheid die men uit humanitair oogpunt moet betrachten” (Parl.St. Kamer 1989-90, nr. 1114/1, p. 1).

B.3.2. De memorie van toelichting vermeldt:

“De geest van de wet moet ook vandaag de leidraad van ons beleid zijn, vooral ook omdat gebleken is dat een gewaarborgd levensminimum dat het mogelijk maakt een menswaardig bestaan te leiden, onontbeerlijk is in de armoedebestrijding.

[…]

Artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek bevat een opsomming van de lichamelijke roerende goederen die niet in beslag kunnen worden genomen. De oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, met name het verzekeren van een onaantastbaar levensminimum aan de beslagene en zijn gezin, is evenwel achterhaald ingevolge de huidige leefomstandigheden en behoeften. […] Erger nog, door de inbeslagname van deze goederen worden de beslagene en zijn gezin in een mensonwaardige toestand gebracht die niet aanvaardbaar is.” (Ibid., p. 1 en 2).

B.3.3. In verband met de in het geding zijnde bepaling wordt in de memorie van toelichting gepreciseerd:

“Wat artikel 1408, 2° betreft, beoogt het ontwerp een betere bescherming van de bedrijfsuitrusting. Er is geen verwijzing meer naar de waarde van de beschermde goederen. Op die manier kan de beslagene, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, verder beschikken over de voorwerpen die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep, hetgeen onontbeerlijk is uit het oogpunt van de menselijke waardigheid. De beroepsinkomsten zullen het mogelijk maken een materieel levensminimum veilig te stellen, en de schuldeisers te betalen; voor deze laatsten is een dergelijke regeling voordeliger dan indien zij de te vorderen bedragen moeten verhalen op de opbrengst van de verkoop van de bedrijfsuitrusting.” (Ibid., p. 3).

B.4.1. De artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet van 16 december 1851 bepalen:

“Art. 7. Ieder die persoonlijk verbonden is, is gehouden zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige.

Art. 8. De goederen van de schuldenaar strekken tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers, en de prijs ervan wordt onder hen naar evenredigheid van hun vordering verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan.”

B.4.2. Door het beslag op bepaalde goederen te beletten, wijkt artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek af van het beginsel van de vatbaarheid voor beslag van de goederen van de schuldenaar neergelegd in de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet.

B.5. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van dat artikel 1408, § 1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, doordat het verbiedt om beslag te leggen “op de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, tot een waarde van 2.500 EUR op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen”, waarbij in dat verband alleen de goederen van een natuurlijke persoon en niet de goederen van een rechtspersoon worden beoogd.

B.6. Dat verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, meer bepaald de juridische aard - natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon - van de eigenaar van de beschermde goederen.

Uit de in B.3. aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat het doel van die bepaling erin bestaat de menselijke waardigheid te vrijwaren en armoede te bestrijden.

In het licht van dat doel is het verantwoord de goederen die volstrekt nodig zijn voor de uitoefening van het beroep alleen te beschermen indien zij toebehoren aan een natuurlijke persoon. Een dergelijke maatregel is pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel, zonder dat eenzelfde bescherming moet worden geboden aan de rechtspersonen, gelet overigens op het afwijkende karakter van de maatregel dat een strikte interpretatie verantwoordt. Door het natuurlijke personen mogelijk te maken een rechtspersoon op te richten en aldus sommige goederen te bestemmen teneinde het vermogen van die rechtspersoon te vormen, laat de wetgever hun toe hun privévermogen te beschermen tegen de financiële onzekerheden van hun beroepsactiviteit, hetgeen een andere manier is om het nagestreefde doel te bereiken. Bovendien is bescherming die de natuurlijke persoon geniet beperkt tot 2.500 EUR. Het in het geding zijnde verschil in behandeling heeft dus geen onevenredige gevolgen.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht:

Artikel 1408, § 1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het alleen de natuurlijke personen beoogt.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 maart 2016.

Noot: Van Schel, S., « Over de beperkte beslagbaarheid van professionele goederen », R.A.B.G., 2016/10, p. 754-757

Nuttige tips: 

De Quizvraag voor de JABKES

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 17:54
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 17:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.