-A +A

Onderhoudsplicht tegenover ouders in het rusthuis

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend


Het pensioen waarover rusthuisbewoners beschikken is meestal ontoereikend om de kosten van het rusthuisverblijf te betalen. De zorgkost wordt weliswaar voor een groot deel gedragen door het RIZIV maar de hotelkost daarentegen wordt gefactureerd aan de rusthuisbewoner en berekend aan de hand van een dagprijs. In deze dagprijs zijn de supplementen en medische kosten niet inbegrepen waardoor de verblijfkosten met deze kosten dienen vermeerderd te worden. Dokterskosten, telefoonkosten, kosten van de kapper, reiniging van persoonlijke kleding, persoonlijke verzorgingsproducten en zakgeld dienen bovendien uitdrukkelijk in de overeenkomst te worden opgenomen.

Volstaat uw pensioen niet om de facturen van het rusthuis te betalen? Geen nood, U kan zich wenden tot het OCMW…

Wanneer zal het OCMW tussenkomen?
Als de rusthuisbewoner onvoldoende middelen heeft kan deze zich wenden tot het OCMW van de gemeente waar hij/zij was ingeschreven voor de opname in het rusthuis.
Het OCMW zal het resterende deel van het rusthuisfactuur betalen.

Tot wie zal het OCMW zich wenden om haar geld terug te vorderen ?
Krachtens de OCMW wet beschikt het OCMW over het recht om de kosten van de maatschappelijke dienstverlening te verhalen op de onderhoudsplichtigen van de rusthuisbewoner.
Sedert 1984 heeft de OCMW niet enkel deze mogelijkheid maar zal ze in bepaalde gevallen zelf moeten terugvorderen. Zo zal het OCMW MOETEN terugvorderen van:
1. de echtgeno(o)t(e) / ex- echtgeno(o)t (e)
Het bedrag van terugvordering is dan beperkt tot het bedrag van onderhoudsgeld dat opgelegd werd door de rechter of welk in onderlinge toestemming werd overeengekomen.
2. de kinderen (ook geadopteerde of buitenhuwelijkse kinderen)
Het bedrag van terugvordering zal beperkt zijn tot het kindsdeel.
De onderhoudsplicht van kinderen tav hun ouders die verblijven in een rusthuis, is een onderdeel van de familiale solidariteit en vindt haar basis in het burgerlijk wetboek.
Inmiddels hebben evenwel bepaalde OCMW's beslist om niet tot terugvordering ten aanzien van de kinderen meer over te gaan.
 ZElden of nooit wordt teruggevorderd op kleinkinderen.

TIP: Indien de kinderen financieel tussenkomen voor hun ouders die in het rusthuis zijn opgenomen, is hun tussenkomst fiscaal aftrekbaar. Conform artikel 104 van het Wetboek van Inkomstenbelasting kunnen onderhoudsuitkeringen fiscaal worden afgetrokken ten belopen van 80 %.

Het OCMW KAN daarentegen terugvorderen van :
1. kleinkinderen (gebeurt zeer uitzonderlijk)
2. schoonkinderen en schoonouders (gebeurt zelden)

WEETJE : Tussen broers en zussen, neven en nichten bestaat er geen onderhoudsplicht.


Kan er afgeweken worden van de verplichte terugvordering door het OCMW?

Ja
1. Als de onderhoudsplichtige over een jaarlijks netto- belastbaar inkomen beschikt lager dan 18.418.60 euro mag het OCMW niet terugvorderen.
LET OP: Het bedrag van 18418.60 euro wordt verhoogd met 2578.60 euro voor elke persoon ten laste.

2. Mits goedkeuring door het gemeentebestuur, kan het OCMW beslissen om niet meer bij de kinderen terug te vorderen. Dit akkoord is algemeen bindend.

3. Als het terugvorderingbedrag lager is dan de administratieve kosten, is het OCMW niet verplicht terug te vorderen.

4. Als de maatschappelijke dienstverlening niet langer duurt dan 3 maanden is het OCMW niet verplicht terug te vorderen.

5. Het OCMW kan afwijken van de verplichte terugvordering om reden van billijkheid.
Voorbeeld:
De jarenlange verbreking van het contact tussen ouders en kinderen; financiële lasten van de onderhoudsplichtige; een slechte relatie tussen de begunstigde en de onderhoudsplichtige; de slechte gezondheidstoestand van de onderhoudsplichtige of van zijn gezinslid; het reeds betalen van een terugvordering; verspilling door de begunstigde; weigering van hulp door de begunstigde; het feit dat de kinderen nooit door hun eigen ouders werden opgevoed of dat de begunstigde t.g.v. verspilling hulp behoeft, terwijl de onderhoudsplichtigen steeds vooruitziend en spaarzaam hebben geleefd.

Ten belope van welk bedrag mag het OCMW terugvorderen?
Om het bedrag van terugvordering te berekenen gaat het OCMW rekening moeten houden met de volgende aspecten:
1. De kosten van maatschappelijke dienstverlening worden door het OCMW verhaald op de onderhoudsplichtige tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp.
Voorbeeld: Jan moet 1.000 euro onderhoudsgeld betalen voor zijn moeder Maria; het OCMW zal niet meer kunnen terugvorderen dan 1.000 euro.

2. Het bedrag van terugvordering is beperkt tot hetgeen het OCMW werkelijke betaalde gedurende een welbepaalde maand.
Voorbeeld: Maria moet voor de maand januari een factuur van 1.000 euro aan maatschappelijke dienstverlening betalen; daar ze niet over voldoende pensioen beschikt heeft het OCMW het factuur in haar plaats betaald; het OCMW zal zich nadien wenden tot Jan om de 1.000 euro terug te vorderen.

3. Het bedrag van terugvordering kan enkel op de onderhoudsplichtige worden verhaald voor zover er, gedurende de periode dat het centrum steun verleende, een recht op vordering tot onderhoud bestond.
Voorbeeld: als Jan voor de maand januari geen onderhoudsplicht moest betalen voor zijn moeder, zal het OCMW zich ook niet tot Jan kunnen wenden om de 1.000 euro terug te vorderen.

4. Indien er meerdere kinderen onderhoudsplichtig zijn, zal het bedrag van terugvordering onder hen verdeeld worden. Dit is het kindsdeel.
Voorbeeld: een moeder van 3 kinderen wordt opgenomen in een rusthuis. Het OCMW moet 300 euro opleggen bovenop haar pensioen. Het kindsdeel in dit voorbeeld is dus 100 euro.

WEETJE: De onderhoudsplicht is een persoonlijke schuld waardoor er bij de berekening van het kindsdeel geen rekening wordt gehouden met kinderen die reeds overleden zijn.

5. Het systeem van terugvordering is progressief. Het voorziet in een minieme bijdrage van de families met geringe inkomens en in een aanzienlijkere bijdrage vanwege de families met hogere inkomens. Anders gezegd, hoe minder men verdient, hoe minder men betaalt. Daartegenover staat dat wie méér verdient, meer bijdraagt.
Voor de berekening van de bijdrage van de onderhoudsplichtige, gebruikt het OCMW 13 inkomensschijven waarbij de bijdrage stijgt in verhouding tot de omvang van het netto belastbaar gezinsinkomen.
Voorbeeld: als men geen persoon ten laste heeft en over een inkomen beschikt van 20 997,19 euro, betaald men maximaal 32 euro per maand terwijl men bij een inkomen van 49.361, 80 euro 817 euro per maand zal betalen.
Men gaat ook rekening houden met het aantal personen ten laste.
Voorbeeld: de hoogste inkomenscategorie ( 49.361,80 euro) met tien personen ten laste betaalt 107 euro per maand.

WEETJE: De belastingaangifte en – aanslag van gehuwden geschiedt gezamenlijk. Het OCMW zal zich dan ook baseren op de gezamenlijke inkomsten.

6. Om ongelijkheden te voorkomen tussen familieleden die onroerende goederen bezitten en diegene die er geen bezitten, gaat het OCMW rekening houden met eigendommen van de onderhoudsplichtige. Ze zal zich hiervoor baseren op het Kadastraal Inkomen van deze onroerende goederen. Stijgt het KI boven 2 000 euro, dan wordt het met drie vermenigvuldigd en bij het opgegeven inkomen geteld.
Voorbeeld: een KI van 2 100 euro wordt voor 6 300 euro ingebracht in het aan te rekenen jaarinkomen.

LET OP
° onroerend goederen/ gedeelten ervan die voor eigen beroepsdoeleinden worden gebruikt mogen niet meegerekend worden.
° als de onderhoudsplichtige 3 of meer personen ten laste heeft wordt het KI vooraf gedeeld door een coëfficiënt van 1,1 verhoogd met 0,1 voor elke persoon ten laste boven de derde maar met een maximum van 1,8.
° als de onderhoudsplichtige eigenaar of vruchtgebruiker is van een onroerend goed in onderverdeeldheid, wordt het KI vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten van de onderhoudsplichtige op deze goederen, vooraleer de correctie plaatsvindt.
Voorbeeld: Jan moet onderhoudsgeld betalen voor zijn moeder en hij is, samen met zijn vriend eigenaar van een huis. Het KI zal dan eerst vermenigvuldigd worden met 1/2 .
° het is pas wanneer de inkomstengrens voor de terugvordering niet wordt bereikt, dat de correctieregeling van het KI wordt toegepast. Indien dit niet het geval is, zal het OCMW zich baseren op het netto- belastbaar inkomen.

Eén terugvorderingschaal voor alle OCMW’ s
Indien een OCMW beslist om de sociale bijstand terug te vorderen, zal het één enkel terugvorderingschaal moeten naleven dat identiek is voor alle OCMW' s van het land.
Voorbeeld: Het OCMW van Brugge en dit van Brussel zullen dezelfde criteria moeten hanteren.

Wat indien er meerdere OCMW’ s gaan terugvorderen?
Wanneer er in één maand meerdere OCMW’ s hun geld willen terugvorderen van eenzelfde onderhoudsplichtige, spreekt men van samenloop van terugvorderingen.
Het bedrag dat de verschillende OCMW’ s wensen te bekomen zal dan proportioneel verdeeld worden.
Voorbeeld: Jan moet onderhoudsgeld betalen voor zijn moeder en voor zijn vader ten belopen van 1.000 euro. Zijn moeder en vader verblijven in een verschillend rusthuis.
Het rusthuis waar moeder verblijft betaalde een factuur van 1.000 euro en het rusthuis waar vader verblijft betaalde ook een factuur van 1.000 euro. Beide OCMW’ s zullen zich wenden tot Jan. Daar Jan in totaal slechts 1.000 euro onderhoudsplicht moet betalen zullen de OCMW ’s ieder slechts 500 euro uitbetaald krijgen.


Enkele begrippen

Netto- belastbaar inkomen: bruto-inkomen verminderd met sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfslasten.
Persoon ten laste : iedere persoon die fiscaal ten laste is van de onderhoudsplichtige of m.b.t. de kinderbijslag, elk kind voor wie de onderhoudsplichtige bijslagtrekkende is.
Terugvorderingschaal: de door de overheid wettelijk vastgelegde schaal die de OCMW' s bij de toepassing van de onderhoudsplicht moeten volgen. Op deze schaal staan de inkomenscategorieën met daarnaast het maandelijks bedrag dat een kind bij toepassing van de onderhoudsplicht moet betalen.

 

Rechtspraak: Hof van Beroep Antwerpen 08/11/2005, NJW 153, 947:

Het verhaalrecht van het OCMW ten aanzien van descendenten voor verleende hulp is beperkt tot de gevallen waarin de onderhoudsgerechtigde ascendent in een ziekenhuis, rusthuis of RVT is opgenomen.

Wie als enige descendent een onbeperkte betalingsverlichting ondertekent ten aanzien van het OCMW sluit een eenzijdige verbintenis af. In tijd gespreide verbintenissen eenzijdige over een onbepaalde periode, kunnen eenzijdig worden opgezegd. Na deze opzegging herleeft de wettelijke regeling en zal het OCMW verhaal dienen uit te oefenen op alle descendenten.
  

Nog dit: 

zie ook: Onderhoudsplicht en O.C.M.W (klik hier).

Senaeve P.(TPR 1987, 185)

Commentaar: 

Het terugvorderingsrecht van het OCMW is onderworpen aan :

1.       de onderhoudsregeling van het Burgerlijk Wetboek en diens financiële draagkracht, beide te beoordelen in de periode waarin de steun werd verleend
2.       het Terugvorderingsbesluit, dat bijkomende inkomensgrenzen vooropstelt.
 
Dat het terugvorderingsrecht van het OCMW onderworpen is aan de onderhoudsregeling blijkt uit:
1.       art. 98, § 2 OCMW-wet krachtens hetwelk de kosten kunnen worden verhaald op de onderhoudsplichtigen "tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn" en
2.        uit art. 11 Terugvorderingsbesluit dat een verhaalsrecht toekent op de onderhoudsplichtigen "voor zover er gedurende de periode dat het centrum steun heeft verleend een recht op een vordering tot onderhoud bestond in hoofde van de begunstigde tegen de aangesproken onderhoudsplichtigen".
Onderhoudsplicht van kinderen en schoonkinderen:
Zowel de kinderen als de schoonkinderen zijn onderhoudsplichtig ten aanzien van hun (schoon)ouders.  Het kind is onderhoudsplichtig op grond van art. 205 BW; het schoonkind op grond van art. 206 BW.
Uittreksel uit het burgerlijk wetboek:
Art. 204. Het kind heeft tegen zijn ouders geen vordering tot het bekomen van een stand, hetzij als huwelijksuitzet, hetzij op een andere wijze.
 Art. 205. <W 14-05-1981, art. 3> De kinderen zijn levensonderhoud verschuldigd aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.
 Art. 205bis. <Ingevoegd bij W 14-05-1981, art. 4> § 1. De nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, is levensonderhoud verschuldigd aan de langstlevende, indien deze ten tijde van het overlijden behoeftig is.
 
 § 2. Wanneer een echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, vooroverleden is zonder nakomelingen achter te laten, is zijn nalatenschap aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, die ten tijde van het overlijden behoeftig zijn, levensonderhoud verschuldigd ten belope van de erfrechten die zij verliezen ten gevolge van giften aan de langstlevende echtgenoot.
 § 3. De uitkering tot onderhoud is een last van de nalatenschap. Zij wordt opgebracht door alle erfgenamen en, zo nodig, door de bijzondere legatarissen, naar evenredigheid van hetgeen zij genieten.
 Indien echter de overledene verklaard heeft dat bepaalde legaten bij voorkeur boven de andere moeten worden voldaan, dragen die legaten in de uitkering tot onderhoud slechts bij voor zover de inkomsten van de andere daartoe niet voldoende zijn.
 § 4. Indien het levensonderhoud niet als kapitaal uit de nalatenschap wordt genomen, wordt aan de rechthebbende voldoende zekerheid verschaft om de uitkering van het onderhoud te waarborgen.
 § 5. De termijn waarbinnen de uitkering tot onderhoud gevorderd moet worden, is een jaar, te rekenen van het overlijden.
 
 Art. 206. Schoonzonen en schoondochters zijn eveneens en in dezelfde omstandigheden levensonderhoud verschuldigd aan hun schoonouders, doch deze verplichting houdt op :
 1° wanneer (de schoonvader of de schoonmoeder) een tweede huwelijk aangaat; <W 2003-02-13/36, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
 2° wanneer degene van de echtgenoten die de aanverwantschap heeft doen ontstaan en de kinderen uit zijn huwelijk met de andere echtgenoot geboren, overleden zijn.
 
 Art. 207. De verplichtingen die uit deze bepalingen voortvloeien, zijn wederkerig.
 
 Art. 208. Levensonderhoud wordt slechts toegestaan naar verhouding van de behoeften van hem die het vordert en van het vermogen van hem die het verschuldigd is.
 
 Art. 209. Wanneer hij die het levensonderhoud verstrekt of hij die het geniet, tot zodanige staat komt dat de ene het niet meer kan verschaffen of de andere het niet meer nodig heeft, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, kan ontheffing of vermindering ervan gevorderd worden.
 
 Art. 210. Wanneer de persoon die het levensonderhoud moet verstrekken, bewijst dat hij de uitkering tot onderhoud niet kan betalen, kan de rechtbank, met inachtneming van de omstandigheden der zaak, bevelen dat hij degene aan wie hij levensonderhoud verschuldigd is, bij zich zal in huis nemen en hem aldaar kost en onderhoud zal verschaffen.
 
 Art. 211. De rechtbank beslist eveneens of de vader of de moeder die aanbiedt het kind waaraan levensonderhoud verschuldigd is, bij zich in huis te nemen en het aldaar kost en onderhoud te verschaffen, alsdan zal vrijgesteld zijn van de verplichting om de uitkering tot onderhoud te betalen.
 
Rangorde tussen  de onderhoudsplichtigen:
 Op basis van de cassatierechtspraak en de rechtsleer kunnen volgende regels weerhouden worden:
1.       Indien zowel bloedverwanten als aanverwanten onderhoudsplichtig zijn, de bloedverwanten moeten worden aangesproken voor de aanverwanten.
2.       Indien de  bloedverwanten niet voldoende draagkrachtig zijn, dan kunnen ook de aanverwanten worden aangesproken.
3.       Er wordt rekening gehouden met de financiële draagkracht van elke onderhoudsplichtige (art. 208 B.W.).
4.       Tussen de bloedverwanten onderling geldt een prioriteit van de dichtere verwant op de verdere verwanten.
5.       Zijn er meerdere bloedverwanten in dezelfde rang, dan is ieder van hen slechts gehouden voor zijn aandeel ( J. GERLO en G. VERSCHELDEN, Handboek voor Familierecht, Brugge, die Keure, 2008, 128, nr. 385). Wanneer deze regel wordt samengenomen met regel 3 betekent dit dat  wanneer de financiële situatie van twee onderhoudsplichtigen in dezelfde rang verschillend, dan kan ook hun aandeel in de onderhoudsverplichting verschillend zijn
6.       Er bestaat aldus geen  hoofdelijke gehoudenheid of een gehoudenheid in solidum met betrekking tot onderhoudsplicht. geen sprake. Cass. 16 maart 1995; Cass. 7 april 1995;ROODHOOFT, "Pluraliteit van gemeenschappelijk onderhoudsplich­tigen: het Hof van Cassatie opteert voor hiërarchie" (noot ander Cass. 16 maart 1995), RW 1995-96, 743-744; 3. GERLO, "Belangrijk nieuws in het alimentatierecht: wel hiërarchie, geen hoofdelijkheid" (noot onder Cass. 16 maart 1995), Rec. Cass. 1995, 305; N.. HUSTIES-DENIES, "Hiérarchie des débiteurs d'aliments", RTDF 1997, 279-286; GERLO, Handboek voor Familierecht. Deel 1. Personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2003, 92, nr. 205; S. BROUWERS en M. GOVAERTS, Alimentatievorderingen, Mechelen, Kluwer, 2004, 3-7, nr. 4-11/1; 3. GERLO en G. VERSCHELDEN, Handboek voor Familierecht, Brugge, die Keure, 2008, 128, nr. 385; S. BROUWERS, Alimentatie in APR, Gent, Story-Scientia, 2009, 617-618, nr. 1014; F SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 372-374, nr. 630-632.

 

Rechtspraak en rechtsleer mbt de rangorde van de onderhoudsplicht waarbij de dichtere in graad prioritair onderhoudsplichtig is ten aanzien van de verdere bloedverwant:
Cass.. 16 maart 1995, AC 1995, 309, Pas 1995, I, 319, Rec. Cass.. 1995, 306, noot J.. GERLO; RW 1995-96, 743, noot J. ROODHOOFT en E.1 1995, 86, noot J. ROODHOOFT;
Cass. 7 april 1995, Pas.. 1995,1,405;
 
J. ROODHOOFT, "Pluraliteit van gemeenschappelijk onderhoudsplichtigen: het Hof van Cassatie opteert voor hierarchic" (noot onder Cass. 16 maart 1995), RW 1995-96, 743-744;
J. GERLO, "Belangrijk nieuws in het alimentatierecht: wel hierarchic, geen hoofdelijkheid" (noot onder Cass. 16 maart 1995), Rec. Cass. 1995, 305;
N. HUSTLES-DENIES, "Hierarchic des debiteurs d'aliments", RTDF 1997, 279-286;
J.. GERLO, Handboek voor Familierecht Deel 1. Personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2003, 92, nr. 205;
S. BROUWERS en M. GOVAERTS, Alimentatievorderingen, Mechelen, Kluwer, 2004, 3-7, nr.. 4-11/1;
J.. GERLO en G. VERSCHELDEN, Handboek voor Familierecht, Brugge, die Keufe, 2008, 125-128, nr. 381-385;
S. BROUWERS, Alimentatie in APR, Gent, Story-Scientia, 2009, 617-618, nr. 1014; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 372-374, nr.. 630-632.

De begroting van de onderhoudsbijdrage van de onderhoudsplichtigen, gehuwd  onder een stelsel met een gemeenschappelijk vermogen.

Het Hof van Beroep te Brussel beantwoordde deze vraag in haar arrest van 1 december 2009, Tijdschrift Familirecht 2010/5 pagina 100:
“Overwegende dat ervan uitgegaan moet worden dat indien een gehuwd kind of behuwd kind wordt aangesproken, enkel diens eigen inkomsten en mogelijkheden in rekening kunnen worden gebracht; dat aldus als het ware fictief moet wor­den nagegaan wat de inkomsten en mogelijkheden van deze gehuwde persoon zouden zijn geweest indien hij niet gehuwd was;
Dat er anders over oordelen immers zou indrui­sen tegen de rangorde die tussen onderhoudsplich­tigen bestaat, met name dat eerst het kind en pas in volgende rang het gehuwd kind kan worden aan­gesproken”
Er bestaat over dit vraagstuk geen eenduidigheid in de rechtspraak: : S.. BROUWERS, Alimentatie in APR, Gent, Story-Scientia, 2009, 607-611, nrs. 1002-1004.
• In een eerste opvatting zoals deze vervat in voormeld arrest wordt geoordeeld enkel het vermogen van het onderhoudsplichtige kind zelf in aanmerking  genomen. Dit wordt gesteund op de overweging dat een andere benadering een onrechtstreekse, niet bij wet voorziene onderhoudsplicht zou doen ontstaan. In deze interpretatie wordt wel mag  rekening  gehouden met het feit dat het huwelijk of de samenwoning voor de onderhoudsplichtige voordelen en  besparingen oplevert ( GERLO, noot onder Brussel  5 februari 1986, TBBR 1987,49; J ROODHOCIFT, Comm. Pers., Art. 208, p. 18, nr. 38; J. ROODHOOFT, De gerechtelijke begroting van onderhoudsuitkeringen tussen ex-echtgenoten, Antwerpen, Kluwer, 1996,
• Een tweede opvatting neemt het  gemeenschappelijk inkomen van beide partners in aanmerking om de draagkracht te beoordelen. (Cass. 10 september 1987, TBBR 1989, 129, noot J. GERLO; Brussel 5 februari 1986, TBBR 1987, noot J. GERLO; Rb. Luik 7 december 1998, JLMB 1999, 1044, noot E. VON FRENCKELL; Vred. Sint-Kwintens-Lennik 25 oktober 1982, RW 1982-83, 1943; Vred. Hoei 4 oktober 1984,A. 1984, 519; J. GERLO en G. VERSCHELDEN, Handhoek voor Familierecht, Brugge, die Keure, 2008, 125, nr. 379).

De overweging dat beide echtgenoten alimentatieplichtig zijn: de ene als kind en de andere als schoonkind is hieraan niet vreemd, maar gaat voorbij aan de verschillende rangorde die bestaat tussen het kind enerzijds en het schoonkind anderzijds. Mede gelet op de cassatierechtspraak die de  hiërarchie weerhoudt tussen de onderscheiden onderhoudsplichtigen kan deze theorie ook door ons geen bijval vinden. (R. BARBAIX, "Het verhaalsrecht van het OCMW op onderhoudsplichtigen" (noot onder Brussel 20 januari 2004), RW 2005-06, 628, nr. 5; R. BARBAIX, "Het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van onderhoudsschulden.. Een pleidooi voor consistentie" in W. PINTENS, J. Du MONGH en C. DECLERCK (eds.), Patrimonium 2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, 220-221, nr.9.

 
De beperking van de terugvorderingsmogelijkheid van het OCMW door het terugvorderingsbesluit
De vraag stelt zich hierbij naar de interpretatie van art. 14, § 1, eerste lid  van het Terugvorderingsbesluit . Noch de wet, noch het KB van 9 mei 1984 vereisen dat de berekening van de tussenkomst van de onderhoudsplichtige enkel zou geschieden op het bedrag dat bekomen wordt door het verschil te maken tussen het belastbaar inkomen van de onderhoudsplichtige en het forfaitair vrijgesteld bedrag Er wordt  enkel vereist dat het resultaat van de berekening dusdanig is dat de onderhoudsplichtige niet wordt aangesproken voor een bedrag dat groter is dan het verschil tussen zijn belastbare inkomsten en het forfaitair vrijgesteld bedrag.
 
Op welk vermogen kan het onderhoudsgeld worden teruggevorderd bij personen gehuwd met een gemeenschapsstelsel?

Een onderhoudsschuld van een kind t.a.v. zijn ouder ontstaat van zodra de band van verwantschap wordt gevestigd, d.w.z. vanaf het vaststellen van de afstamming;

Een onderhoudsschuld van een behuwd kind t.a.v. zijn schoonouder ontstaat van zodra het huwelijk gesloten wordt met het kind van die ouder.  Hieruit volgt dat een onderhoudsschuld van een gehuwde persoon t.a.v. een eigen ouder een voorhuwelijkse en dus eigen schuld is van het kind, terwijl een onderhoudsschuld t.a.v., een schoonouder pas vanaf het huwelijk ontstaat en dus een gemeenschappelijke schuld is nu de wet deze schuld niet als een eigen schuld kwalificeert;

Evenwel  bepaalt art. 1413 BW bepaalt dat een schuld aangegaan door de twee echtgenoten, zelfs in een verschillende hoedanigheid hetgeen het geval is wanneer de ene als kind en de andere als schoonkind gehouden is,  in hoofde van het kind ex art. 205 BW en  in hoofde van schoonkind ex art. 206 BW, door de schuldeiser zowel verhaald kan worden op het eigen vermogen van ieder van hen, als op hun gemeenschappelijk vermogen.
Voor verdere commentaar mbt het huwelijksvermogensrechtelijke statuut van de onderhoudsschuld, zie R. Barbaix, Enkele aspecten van het verhaal van het OCMW op de gehuwde onderhoudsplichtigen, noot onder Hof van Beroep Brussel 1 december 2009, Tijdschrift voor familierecht 2010/5 p. 100 en volgende.
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: do, 03/09/2015 - 09:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.