-A +A

onwerkzame hechtenis vergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

13 MAART 1973. - Wet betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis.

Artikel 1. tot 26 <Opgeheven bij W 1990-07-20/35, art. 48, BS 14-08-1990, Inwerkingtreding : 01-12-1990> (...)

Art. 27. <W 13-03-1973, art. 5, BS 10-04-1973> § 1. Een recht op vergoeding wordt toegekend aan elke persoon die beroofd werd van zijn vrijheid in omstandigheden die strijdig zijn met de bepalingen van artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 18 mei 1955.
§ 2. De vordering wordt ingesteld bij de gewone gerechten, in de vormen bepaald door het Gerechtelijk Wetboek, en gericht tegen de Belgische Staat in de persoon van de Minister van Justitie.

Art. 28. <W 13-03-1973, art. 5, BS 10-04-1973> § 1. Mag aanspraak maken op een vergoeding, elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging :
a) indien hij bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing rechtstreeks of onrechtstreeks buiten de zaak is gesteld;
b) indien hij, na een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling te hebben bekomen, het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt;
c) indien hij aangehouden werd of in hechtenis gebleven is nadat de strafvordering was verjaard;
d) indien hij een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling heeft bekomen waarbij uitdrukkelijk is vastgesteld dat het feit dat tot de voorlopige hechtenis aanleiding heeft gegeven, geen misdrijf is.
§ 2. Het bedrag van deze vergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en privaat belang.
§ 3. Indien betrokkene geen vordering tot schadevergoeding voor de gewone gerechten kan instellen, moet de vergoeding worden gevraagd bij een verzoekschrift gericht aan de Minister van Justitie, die binnen zes maanden beslist.
De vergoeding wordt door de Minister van Justitie te laste van de Schatkist toegekend indien de voorwaarden, bepaald in § 1 vervuld zijn.
Indien de vergoeding geweigerd wordt, indien het bedrag ervan onvoldoende geacht wordt of indien de Minister van Justitie niet binnen zes maanden na het verzoek beslist, kan de betrokkene zich wenden tot de commissie, ingesteld overeenkomstig § 4.
In geval van gerechtelijke vervolgingen wegens een van de misdrijven omschreven in de artikelen 147, 155 en 156 van het Strafwetboek en die bedreven zijn ten nadele van de betrokkene, begint de termijn van zes maanden, waarvan sprake in het vorige lid, slechts te lopen vanaf de dag waarop uitspraak is gedaan over de strafvordering door een in kracht van gewijsde gegane beslissing.
§ 4. Er wordt een commissie ingesteld die uitspraak doet over de beroepen tegen de beslissingen door de Minister van Justitie genomen of over de ingediende aanvragen wanneer de Minister geen uitspraak gedaan heeft in de voorwaarden, bepaald in § 3.
(Deze commissie bestaat uit :
- de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of, bij verhindering, de voorzitter van het Hof van Cassatie;
- de eerste voorzitter van de Raad van State, of, bij verhindering, de voorzitter van de Raad van State;
- naargelang de taal van de rechtspleging, de voorzitter van de Orde van Vlaamse balies respectievelijk de voorzitter van de " Ordre des barreaux francophones et germanophone ", of, bij verhindering, een lid van de raad van bestuur van de Orde van Vlaamse balies respectievelijk van de " Ordre des barreaux francophones et germanophone ", aangewezen overeenkomstig het reglement van orde van de instelling.) <W 2001-07-04/41, art. 17, Inwerkingtreding : 01-05-2002>
Het ambt van secretaris wordt uitgeoefend door een of meer leden van de griffie van het Hof van cassatie, aangewezen door de eerste voorzitter.
De Koning regelt de werking van de commissie.
§ 5. De beroepen en de verzoeken bestaan uit een verzoekschrift in twee exemplaren, getekend door de partij of zijn advocaat en neergelegd ter griffie van het Hof van cassatie, binnen de zestig dagen (na de kennisgeving van de beslissing van de minister) of na het verloop van de termijn waarin hij uitspraak had moeten doen. <W 2005-05-31/32, art. 5, Inwerkingtreding : 26-06-2005>
De Koning regelt de procedure voor de commissie, die zitting houdt met gesloten deuren.
Zij doet uitspraak op het ter zitting door de procureur-generaal bij het Hof van cassatie gegeven advies, na de partijen in hun middelen te hebben gehoord.
Haar beslissingen worden in openbare zitting gewezen. Deze zijn niet vatbaar voor enig verhaal.
Op verzoek van de belanghebbenden wordt de beslissing van de commissie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, zonder dat dit uittreksel het bedrag van de toegekende vergoeding mag vermelden. De kosten van de bekendmaking komen ten laste van de Schatkist.

Art. 29. <W 13-03-1973, art. 5, BS 10-04-1973> Bij overlijden van personen die volgens de artikelen 27 en 28 gerechtigd zijn op een vergoeding of daarop aanspraak kunnen maken, kunnen de vergoedingen aan hun rechtverkrijgende worden toegekend.
 

Commentaar:

Art. 28, § 1, b, van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame hechtenis bepaalt dat elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, mag aanspraak maken op een vergoeding, indien hij, na een beschikking van buitenvervolgingstelling te hebben verkregen, het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt. Die bepaling miskent het in art. 6.2 E.V.R.M. geformuleerde vermoeden van onschuld door voor iemand die een buitenvervolgingstelling verkreeg, het recht op vergoeding te laten afhangen van het leveren van het bewijs dat er gegevens aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt.

Rechtspraak: Commissie van beroep inzake onwerkzame hechtenis, 22/01/2005 R.W. 2005-2006, 430, volgt de tekst van de uitspraak:

I. Bestreden uitspraak

De minister van Justitie heeft op 22 september 2003 de bestreden beslissing genomen.

II. Feiten

Verzoeker werd op 22 juni 1998 van zijn vrijheid beroofd en op 23 juni 1998 door de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik onder aanhoudingsbevel geplaatst op grond van: 1o als dader of mededader, of als medeplichtige, te Luik op 13 maart 1998, bedrieglijk door middel van geweld of bedreiging een GSM ten nadele van G.D. te hebben weggenomen, met de omstandigheid dat hij opzettelijk, met het oogmerk om te doden, een doodslag heeft gepleegd op de persoon van G.D., hetzij om de diefstal te vergemakkelijken, hetzij om de straffeloosheid of zijn vlucht te verzekeren; 2o als dader of mededader of medeplichtige, te Brussel, in de nacht van 12 op 13 maart 1998, bedrieglijk door middel van braak een voertuig van het type (...) van rode kleur ten nadele van L.E. weggenomen te hebben.

De voorlopige hechtenis werd gehandhaafd tot 31 juli 1998, op welke datum hij bij arrest van het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, in vrijheid werd gesteld.

Het arrest van dezelfde kamer van inbeschuldigingstelling van 3 maart 2003 oordeelde dat «er geen enkel voldoende bezwaar in de persoon van (verzoeker) bestaat dat zijn verschijning voor de feitenrechter rechtvaardigt».

De vrijheidsberoving heeft veertig dagen geduurd.

III. Rechtspleging

A. Voor de minister van Justitie

Verzoeker heeft een verzoek tot vergoeding ingesteld op 27 maart 2003, dat op het ministerie is ingekomen op 31 maart 2003 en waarvan op dezelfde dag ontvangst is gemeld.

Bij brief van 22 september 2003 gaf de minister van Justitie aan de raadsman van verzoeker te kennen dat zij aan deze laatste elke vergoeding weigerde.

B. Voor de Commissie

De raadsman van verzoeker heeft op 3 oktober 2003 op het secretariaat van de Commissie een hoger beroep ingediend.

...

IV. Beslissing van de Commissie

Overwegende dat art. 28, § 1, b, van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame hechtenis, bepaalt dat elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, mag aanspraak maken op een vergoeding, indien hij, na een beschikking van buitenvervolgingstelling te hebben verkregen, het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt;

Overwegende dat overeenkomstig art. 6.2. E.V.R.M. eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan;

Overwegende dat art. 28, § 1, b, van de wet van 13 maart 1973, voornoemd art. 6.2. miskent door voor iemand die een buitenvervolgingstelling verkreeg, het recht op vergoeding te laten afhangen van het leveren van het bewijs dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt;

Overwegende dat wanneer er een conflict rijst tussen een verdragsbepaling die rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde en een minder gunstige bepaling van het interne recht, de verdragsbepaling voorrang geniet;

Overwegende dat dientengevolge enkel de eerste voorwaarde gesteld door art. 28, § 1, van de wet van 13 maart 1973, namelijk of de door verzoeker ondergane voorlopige hechtenis of de handhaving ervan niet te wijten zijn aan zijn persoonlijke gedraging, dient te worden onderzocht.

Dat zulks te dezen het geval is;

Overwegende dat het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, in het arrest van 3 maart 2003, opmerkt dat: «... het voorzeker bewezen is dat ten tijde van de feiten, A.E. regelmatig telefonisch contact had met de verdachten M.A.A. en Y.L.; dat die omstandigheid, zelfs teruggeplaatst in de algemene context van de zaak en geanalyseerd met inachtneming van het geheel van de gegevens ervan, het niet mogelijk maakt te besluiten dat A.E. enige rol zou hebben gespeeld in de voorbereiding of de uitvoering van de feiten die hem ten laste worden gelegd; (...) het onderzoek van de door de onderzoekers bijeengebrachte inlichtingen en de verhoren waartoe zij overgingen het Hof niet mogelijk maken te besluiten dat de verklaringen van A.E. worden gekenmerkt door leugens of tegenstrijdigheden; (...) dat er tegen A.E. geen enkel voldoende bezwaar in de persoon van (verzoeker) bestaat die zijn verschijning voor de feitenrechter rechtvaardigt»;

...

Zie ook E.H.R.M. 13 januari 2005, Capeau t/België, R.W. 2006-2007, 697.
 

rechtspraak:

• Commissie van beroep inzake onwerkzame hechtenis, 31 januari 2006, RW 2008-2009, 981

«Overeenkomstig art. 28, § 1, van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame hechtenis mag elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, aanspraak maken op een vergoeding, indien hij, na een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling te hebben verkregen, het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt.

«Krachtens art. 6.2 van het E.V.R.M., dat rechtstreekse werking heeft in de Belgische interne rechtsorde, wordt eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

«In zoverre art. 28, § 1, van de wet van 13 maart 1973 het recht op vergoeding voor onwerkzame hechtenis van de persoon die buiten vervolging is gesteld afhankelijk stelt van de voorwaarde dat hij het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt, schendt het voormeld art. 6.2.

«In geval van een conflict tussen een verdrag met rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde en een minder gunstige regel van intern recht, primeert de regel van het verdrag.

«Derhalve dient alleen de eerste voorwaarde van art. 28, § 1, van de wet van 13 maart 1973, namelijk indien de hechtenis van de verzoeker of de handhaving ervan niet te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, te worden onderzocht.

«De persoonlijke gedraging zelf van verzoeker was aanleiding tot de hechtenis of het handhaven ervan».


In zelfde zin : Commissie van Beroep inzake voorlopige hechtenis 22 maart 2005, R.W. 2005-06, 430, met noot.
 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: di, 24/05/2011 - 12:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.