-A +A

Opzegging door de verpachter vormvoorwaarden en verplichte vermeldingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De pachtwet verplicht de verpachter niet om in de opzegging opgave te doen van precieze wetsartikelen.

Artikel 12.1 van de pachtwet vereist enkel dat de opzegreden er ondubbelzinning in vermeld wordt (D’udekem d’acoz, de pachtovereenkomst, Larcier, 2010, pagina 277, nr. 418).

Verplichte vermeldingen in de opzeg van een pachtcontract door de verpachter.

De pachtwet verplicht de verpachter niet om in de opzegging opgave te doen van precieze wetsartikelen.

Artikel 12.1 van de pachtwet vereist enkel dat de opzegreden er ondubbelzinning in vermeld wordt (D’udekem d’acoz, de pachtovereenkomst, Larcier, 2010, pagina 277, nr. 418).

Het begrip persoonlijke exploitatie en de voorwaarden waaraan deze persoonlijke exploitatie dient te voldoen worden geregeld door de artikelen 9, 10 en deels ook 12.5 en 12.6 van de pachtwet.

De Vrederechter beoordeelt op onaantastbare wijze de ernst van deze opzegreden, eventueel op basis van feitelijke vermoedens (Stassijns, APR, pacht, Story, 1998, pag. 317, nr. 252).

Artikel 9, 1ste lid van de pachtwet vereist voor de geldigheid van een opzegging voor eigen gebruik dat de aanstaande exploitant het gepachte goed gedurende minstens 9 jaar daadwerkelijk en persoonlijk zal exploiteren in een bedrijfsmatig uitgebaat landbouwbedrijf.

Dat betekent dat hij het bedrijf persoonlijk zal moeten runnen als een bedrijfsleider, dat hij er de dagelijkse leiding van waarneemt en toezicht uitoefent en dat zijn landbouwbedrijf meer moet zijn dan loutere liefhebberij.

De aanstaande exploitant moet bovendien voldoende vertrouwd zijn met het landbouwbedrijf, hetzij doordat hij er een theoretische opleiding voor genoten heeft, hetzij door voldoende praktijkervaring in het verleden op een bestaand bedrijf, (artikel 9, 4de lid van de pachtwet).

Artikel 12.6 van de pachtwet stelt dat, wanneer de pachter de ernst van de opzegreden betwist, de verpachter dient te preciseren hoe de aanstaande exploitant de exploitatie zal uitvoeren en te bewijzen dat de aanstaande exploitant voldoet aan alle voorwaarden van artikel 9 van de pachtwet.

Datzelfde artikel 12.6 van de pachtwet bepaalt tenslotte dat, wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, ook de aanstaande exploitant het overwegend deel van zijn beroepsactiviteit zal dienen te besteden aan het landbouwbedrijf waarin de verplichte landeigendommen zullen exploiteerd worden.

De vraag stelt zich in hoeverre de persoon voor wie de opzegging wordt gegeven reeds op het moment van de opzegging actief dient te zijn als zelfstandig landbouwer, dan wel of de persoon voor wie de opzegging wordt gegeven reeds op het moment van de opzegging aan alle voorwaarden dient te voldoen.

Het klopt dat de aanstaande exploitant aan het vereiste van voldoende vakkennis of praktijkervaring (artikel 9, 4de lid pachtwet) dient te voldoen op het ogenblik dat de opzegging wordt gegeven, en niet pas op het ogenblik dat de opzeggingstermijn verstrijkt, want zijn geschiktheid moet beoordeeld kunnen worden op het moment van de opzegging (D’udekem d’acoz, o.c., pagina 216, nr. 256).

Let wel, in deze bepaling staat het woordje “of”, er dient dus of vakkennis of praktijkervaring bewezen te worden.

Het is perfect mogelijk opzegging te geven in het voordeel van een exploitant die op het moment van de opzegging nog geen landbouwbedrijf heeft en die precies op de vrijmaking van de verpachte goederen zit te wachten vooraleer op die percelen een volledig nieuw bedrijf te kunnen starten.

Het tegendeel aannemen zou de opzegging van nieuwe landbouwbedrijven de facto onmogelijk maken.

Dat de toekomstige exploitant nog geen landbouwer moet zijn (voor zover hij voldoende gediplomeerd is) op het moment van de opzegging kan afgeleid worden uit artikel 12.6 pachtwet, waarin consequent gebruik gemaakt wordt van de toekomstige tijd, en uit de opsomming van de 3 mogelijke bekwaamheidsvereisten van artikel 9, 4de lid van de pachtwet, die immers alternatief is (“ofwel …, ofwel …”), niet cumulatief (“en …, en …”). Het volstaat dus dat de aanstaande exploitant aan slechts 1 van die voorwaarden voldoet.

Zo volstaat het perfect dat de aanstaande exploitant een louter theoretische landbouwopleiding heeft genoten en daarvan een erkend diploma of getuigschrift kan voorleggen.

In dat geval hoeft hij bijgevolg niet over praktijkervaring te beschikken dus a priori ook niet over een reeds bestaand, door hem geleid landbouwbedrijf.

Nog duidelijker is de derde hypothese van artikel 9, 4de lid van de pachtwet: Wanneer de toekomstige exploitant niet alleen geen diploma of attest heeft (eerste mogelijkheid) en hij bovendien gedurende de voorbije 5 jaar geen landbouwexploitant is geweest (tweede mogelijkheid) is het voor de geldigheid van de opzegging zelfs voldoende dat hij in de voorbije 10 jaar amper 1 jaar aan een landbouwexploitatie heeft deelgenomen (D’udekem d’acoz, o.c., pagina 217, nr. 259).

Het is bijgevolg niet eens nodig dat de aanstaande exploitant gedurende de laatste 9 jaar actief geweest is in de landbouw.

Beweren dat toekomstige exploitant op het ogenblik van de opzegging zelfs al aan de slag moet zijn als bedrijfsleider van een bestaand rendabel landbouwbedrijf dat uitgerust is met alle alaam en voorzieningen zou deze eerste en derde bekwaamheidsvereiste met andere woorden compleet uit… en iedere zin opnemen.

Zelfs voor de aanstaande exploitant die bij het verstrijken van de opzeggingstermijn meer dan 60, maar minder dan 65 jaar oud is en die krachtens artikel 9, 2de lid van de pachtwet 3 jaar landbouwexploitant moet geweest zijn is niet vereist dat hij landbouwexploitant is op het ogenblik van de opzeg.

A fortiori geldt voor een jonge begunstigde van een pachtopzegging niet dat hij reeds landbouwer is op het ogenblik van de opzegging.

Het staat ook vast dat, wanneer de pachter-landbouwer in hoofdberoep is en ook de aanstaande exploitant bijgevolg het overwegende deel van zijn activiteit zal moeten besteden aan het landbouwbedrijf aan dit laatste vereiste pas voldaan moet zijn vanaf het ogenblik waarop de begunstigde met de exploitatie aanvangt, en niet reeds op het ogenblik van de opzegging (D’udekem d’acoz, pagina 222, nr. 266 en pagina 289, nr. 447).

Het enige geval waarin een reeds bestaand landbouwbedrijf op het moment van de opzegging vereist is, is de door artikel 8 bis van de pachtwet bedoelde beëindiging van de pacht na de pensioenleeftijd van de pachten met het oog op de exploitatie door een reeds bestaand leefbaar bedrijf (D’udekem d’acoz, o.c., pagina 257, nr. 367).

Voor alle andere gevallen van een pachtopzegging is het bestaan van een reeds actief landbouwbedrijf geen geldigheidsvoorwaarde.

De verpachter dient bijgevolg alleen te bewijzen dat de verpachte goederen uiterlijk 6 maand na de ontruiming ervan door de pachter (zie artikel 13, 1ste lid van de pachtwet) gebruikt zullen worden binnen een landbouwbedrijf dat ten laatste op dat ogenblik dient te bestaan.

Voor een toepassingsgeval, zie Vrederecht Landen-Zoutleeuw, 27.04.2011, Tijdschrift van de Vrederechters, 2013, 5,6, 266.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 25/12/2013 - 17:03
Laatst aangepast op: wo, 25/12/2013 - 17:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.