-A +A

Ouderlijk gezag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

de gezamenlijke uitoefening van het gezag of het gezagsco-ouderschap is de regel
maar ook het verblijfsco-ouderschap is de regel.

De nieuwe wet van 18 juli 2006 voorziet ook dwangmaatregelen

Wet 18 JULI 2006. — Wet tot het bevoorrechten van een gelijkmatig
verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden
zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake
huisvesting van het kind


TITEL IX. - (OUDERLIJK GEZAG). <W 31-03-1987, art. 39>

Art. 371. <W 1995-04-13/37, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd.

Art. 372. <W 1995-04-13/37, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding.

Art. 373. <W 1995-04-13/37, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met gezag verband houdt behouden de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken.
De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.

Art. 374. <W 1995-04-13/37, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden.
Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.
Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen.
Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.
In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.

§ 2. Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil bij de
rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de
huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij
het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.
Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag,
onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij
voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een
gelijkmatige manier tussen de ouders
vast te leggen.
Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig
verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij
evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen.
De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen
omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden
van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders.

Art. 375. <W 31-03-1987, art. 42> Indien de afstamming niet is vastgesteld ten aanzien van een van de ouders of indien een van beiden overleden of afwezig is dan wel in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, oefent de andere dat gezag alleen uit.
(Als van beide ouders er geen overblijft die in staat is het ouderlijk gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uitgewerkt.) <W 1995-04-13/37, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

Art. 375bis. <ingevoegd bij W 1995-04-13/37, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft.
Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de jeugdrechtbank.

Art. 376. <W 1995-04-13/37, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.

Art. 377. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

Art. 378. <W 2001-04-29/39, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> (§ 1.) Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 935, derde lid, is de machtiging van de vrederechter vereist om (de in artikel 410, § 1, 1° tot 6°, 8°, 9° en 11° tot 14° bepaalde handelingen) te verrichten waarvoor de voogd bijzondere machtiging van de vrederechter moet verkrijgen. <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
(Bevoegd is :
- de vrederechter van de woonplaats in België van de minderjarige, en bij ontstentenis daarvan,
- die van de verblijfplaats in België van de minderjarige, en bij ontstentenis daarvan,
- die van de laatste gemeenschappelijke woonplaats in België van de ouders of in voorkomend geval, die van de laatste woonplaats in België van de ouder het ouderlijk gezag alleen uitoefent, en bij ontstentenis daarvan,
- die van de laatste gemeenschappelijke verblijfplaats in België van de ouders of in voorkomend geval, die van de laatste verblijfplaats in België van de ouder die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
In het belang van de minderjarige kan de met toepassing van het vorige lid bevoegde vrederechter in een met redenen omklede beschikking beslissen om het dossier over te zenden aan de vrederechter van het kanton waar de minderjarige op duurzame wijze zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd.) <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
De vrederechter beslist over het door de partijen of door hun advocaat ondertekende verzoekschrift. Indien de zaak slechts door een van de ouders bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt de andere gehoord of ten minste bij gerechtsbrief opgeroepen. Door die oproeping wordt hij partij in het geding.
(In geval van belangentegenstelling tussen de beide ouders, of wanneer één van hen verstek laat gaan, kan de vrederechter één van de ouders machtiging verlenen om alleen de handeling te verrichten waarvoor om de machtiging wordt verzocht.) <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
In geval van belangentegenstelling tussen het kind en zijn ouders wordt door de vrederechter hetzij op verzoek van enig belanghebbende, hetzij ambtshalve een voogd ad hoc aangewezen.
(§ 2. De handelingen bedoeld in artikel 410, § 1, 7°, zijn niet onderworpen aan de machtiging bedoeld in § 1. In geval van belangentegenstelling tussen de minderjarige en zijn ouders wordt door de rechter bij wie de zaak aanhangig is, hetzij op verzoek van enig belanghebbende, hetzij ambtshalve, een voogd ad hoc aangewezen.) <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>

Art. 379. <W 31-03-1987, art. 46> De ouders die belast zijn met het beheer van de goederen van hun minderjarige kinderen, zijn rekening en verantwoording verschuldigd wat betreft de eigendom en de opbrengsten van de goederen waarvan ze niet het genot hebben, en wat betreft de eigendom alleen, van de goederen waarvan hun volgens de wet het genot toekomt.
(Iedere rechterlijke beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over geldsommen die toekomen aan een minderjarige, beveelt ambtshalve dat voornoemde geldsommen worden geplaatst op een rekening die op zijn naam is geopend. Behoudens het recht op wettelijk genot, is de rekening onbeschikbaar tot het tijdstip van de meerderjarigheid van de minderjarige.
Wanneer de beslissing bedoeld in het vorige lid in kracht van gewijsde is gegaan, geeft de griffier daarvan kennis door toezending van een afschrift bij een ter post aangetekende brief aan de schuldenaars, waarna deze laatsten zich slechts met nakoming van de beslissing van de rechtbank rechtsgeldig kunnen bevrijden. Wanneer een voogdij is opengevallen, zendt hij eveneens een afschrift aan de griffier van het vredegerecht waarvan de voogdij afhangt.) <W 2003-02-13/54, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>

Art. 380. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

Art. 381. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

Art. 382. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

Art. 383. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

Art. 384. <W 1995-04-13/37, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> De ouders hebben het genot van de goederen van hun kinderen tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding. Het genot wordt gekoppeld aan het beheer : het behoort toe , hetzij aan de beide ouders samen hetzij aan de ouder die belast is met het beheer van de goederen van het kind.

Art. 385. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

Art. 386. <W 31-03-1987, art. 49> De lasten van dit genot zijn :
1° Die waartoe vruchtgebruikers gehouden zijn;
2° Levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de kinderen, overeenkomstig hun vermogen;
3° De betaling van de rentetermijnen of interesten van de kapitalen;
4° De begrafeniskosten en de kosten van de laatste ziekte.

Art. 387. Het strekt zich niet uit tot de goederen welke de kinderen door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerven, noch tot die welke hun geschonken of vermaakt worden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het genot niet zullen hebben.

Art. 387bis. <ingevoegd bij W 1995-04-13/37, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> In alle gevallen, en onverminderd de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de jeugdrechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, dan wel van de procureur des Konings alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen.

Onverminderd artikel 1734 van het Gerechtelijk Wetboek, poogt de rechtbank de partijen te verzoenen. Zij verstrekt hen alle nuttige inlichtingen over de rechtspleging en in het bijzonder over het nut een beroep te doen op de in het zevende deel van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde bemiddeling. Indien zij vaststelt dat een toenadering mogelijk is, kan zij de schorsing van de procedure bevelen, teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen hierover in te winnen en het bemiddelingsproces op te starten. De duur van de schorsing mag niet meer dan één maand bedragen.

De rechtbank kan, zelfs ambtshalve, een voorafgaande maatregel bevelen teneinde de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voor een termijn die zij vaststelt, voorlopig te regelen.

Ingeval een dergelijke vordering voor het eerst bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt, en behoudens overeenstemming van alle partijen en van de procureur des Konings, beslist de jeugdrechtbank over een voorlopige regeling. De zaak kan tijdens een latere zitting opnieuw worden onderzocht, op een datum die ambtshalve vastgelegd  wordt in het vonnis, binnen een termijn die één jaar niet te boven mag gaan, en onverminderd een nieuwe oproeping op een vroegere datum, zoals is aangegeven in het volgende lid :

De zaak blijft ingeschreven op de rol van de jeugdrechtbank tot de kinderen op wie het geschil betrekking heeft, ontvoogd zijn of de leeftijd van wettelijke meerderjarigheid hebben bereikt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie.

Artikel 730, § 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van
toepassing op deze zaken.

Artikel 387ter. § 1. Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke
beslissingen met betrekking tot de huisvesting van de kinderen of het
recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de
bevoegde rechter worden gebracht. In afwijking van artikel 569, 5°, van
het Gerechtelijk Wetboek, is de bevoegde rechter degene die de
niet-nageleefde beslissing heeft gewezen, tenzij de zaak inmiddels bij
een andere rechter aanhangig is gemaakt, in welk geval de vordering
voor deze laatste wordt gebracht.


De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, kan hij onder
meer :
- nieuwe onderzoeksmaatregelen verrichten, zoals een maatschappelijke
enquête of een deskundigenonderzoek;
- een poging tot verzoening ondernemen;
- de partijen voorstellen gebruik te maken van de in artikel 387bis
bepaalde bemiddeling.
Hij kan nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk
gezag of de huisvesting van het kind.
Onverminderd strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is
van de miskenning van de in het eerste lid bedoelde beslissing toestaan
een beroep te doen op dwangmaatregelen. Hij bepaalt de aard van deze
maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan,
rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks
nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing.
De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de
te nemen beslissing zal worden nageleefd en, in die hypothese, stellen
dat voor de tenuitvoerlegging van die dwangsom, artikel 1412 van het
Gerechtelijk Wetboek van toepassing is.
De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de rechten van de
partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel
1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en onverminderd §
3, wordt de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt door middel van
een verzoekschrift op tegenspraak.
§ 3. In geval van absolute noodzaak, en onverminderd de mogelijkheid
om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk
Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden
gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld
in § 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van
toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met
alle dienstige stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk
werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij
zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing.
De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos. Het verzoekschrift
wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging die
aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd,
tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.
§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die
België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van
kinderen.
 

Commentaar: 

Het ouderlijk gezag omvat de volgende componenten sinds de wet van 13 april 1995:

1. Het recht op eerbied en ontzag
2. Het recht op persoonlijk contact
3. Het gezag over de persoon van de minderjarigen inhoudende:
    het recht van bewaring bestaande uit het recht van materiële bewaring en van zorg
    het beslissingsrecht inzake fundamentele opties
    het recht van toezicht op de opvoeding door de andere ouder
4. Het beheer over de goederen en de vertegenwoordigingsbevoegdheid
5. Het gerucht genot van de goederen
6. De prerogatieven van de ouders met betrekking tot de staat van de persoon van de minderjarigen

de wet maakt een onderscheid tussen ouders die samenwonen en die niet samenwonen maar maakt geen verschil tussen ouders die al dan niet met mekaar gehuwd zijn waarbij dus zowel de gehuwde als de ongehuwde ouders worden gelijkgesteld bij de uitoefening van het ouderlijk gezag.

Wanneer de ouders samenleven wordt het ouderlijk gezag samen uitgeoefend. Het is dus verkeerd te stellen dat een ouder het ouderlijk gezag uitoefent namens de andere of dat de beslissing van een oudere verondersteld wordt de instemming van de anderen zomaar mee te dragen. Er bestaat zoiets niet als een gezinshoofd.

Wanneer de ouders niet samenleven zal in de regel het ouderlijk gezag ook gezamenlijk worden uitgeoefend, dit in tegenstelling tot vroeger waarbij de ouder bij wie het kind hoofdzakelijk verbleef drager was van het ouderlijk gezag en de andere ouder ontzegd was van deze rechten en zich moest tevredenstellen met het bezoekrecht. Enkel in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan nog worden teruggegrepen naar de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag door een van de ouders en dit slechts door een zeer gemotiveerde beslissing.

Nu is het voor heel wat ouders een moeilijke taak om steeds overeen te komen met betrekking tot de beslissingen inzake de kinderen. In dit geval is er voorzien in de bevoegdheid van de rechtbank die kan oordelen ofwel geval per geval maar ook dan de keuze heeft om bij aanhoudende incidenten dienaangaande de uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag aan één van de ouders toe te kennen. Het zou immers niet werkzaam zijn dat voor elke belangrijke beslissing de rechter opnieuw en opnieuw dient gevat te worden om tussenbeide te komen.

Maar ook de ouder die het ouderlijk gezag niet uitoefent beschikt over bijzondere rechten, zoals het recht om bij derden alle nuttige informatie in te winnen omtrent de opvoeding van het kind, hetgeen betekent dat ook de ouder die het ouderlijk gezag niet uitoefent bijvoorbeeld het recht geeft om alle inlichtingen van de school van het kind te krijgen, alle inlichtingen van de behandelende geneesheer te krijgen, maar ook inlichtingen kan bekomen bij elke overheidsadministratie of financiële instelling of een ieder die kennis heeft over bepaalde nuttige informatie met betrekking tot het kind. Indien deze derde aan wie de inlichtingen worden gevraagd weigert deze informatie te verschaffen op grond van de verkeerde overtuiging dat de vragen niet bekleed is met het ouderlijk gezag, dan kan deze ouder zich wenden tot de jeugdrechtbank om deze informatie te bekomen (374 4° lid 387 bis burgerlijk wetboek).

Ook kinderen hebben rechten ten aanzien van hun ouders.

Zo kunnen zij zelfstandig hun persoonlijkheid rechten uitoefenen en rond de rechten tegenover hun ouders;
zo hebben zij een hoorrecht voor de jeugdrechtbank vanaf 12 jaar en voor de andere rechtbanken van zodra er geoordeeld wordt dat zij beschikken over de nodige onderscheidingsvermogen;
zo kunnen zij zelf een onderhoudsuitkering vorderen wanneer de ouders hun verplichtingen tot onderhoud niet vrijwillig nakomen

hiertegenover staat de plicht van het kind zich te onderwerpen aan het ouderlijk gezag behoudens indien het voor de leeftijd van 18 jaar (de meerderjarigheid) ontvoogd wordt en is het kind levenslang respect verplicht aan zijn ouders.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.