-A +A

recht op persoonlijk onderhoudsgeld in de nieuwe echtscheidingswet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Inwerkingtreding: 1 september 2007

Het Grondwettelijk Hof  vernietigt artikel 42, § 5, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding.

 

 

Er dient geen schuld vastgesteld te worden in hoofde van de onderhoudsplichtige om een recht op onderhoudsgeld te bekomen voor de onderhoudsgerechtigde.

Zelfs wanneer geen enkele fout wordt vastgesteld kan een recht op persoonlijk onderhoudsgeld worden toegekend;

Zelfs een "schuldige" echtgenoot of echtgenote kan dus aanspraak maken op een persoonlijk onderhoudsgeld, al dient te hieraan toegevoegd dat de rechtbank zich niet uitspreekt over de "normale" schuld.

Maar wanneer de rechtbank oordeelt dat een huwelijkspartner een grove fout heeft begaan, dan kan de rechtbank (dus facultatief) en het recht op onderhoudsgeld aan deze huwelijkspartner ontzeggen. Wanneer een huwelijkspartner zich schuldig heeft gemaakt aan partnergeweld dan verliest deze steeds elk recht op een persoonlijk onderhoudsgeld

Zelfs wanneer de echtscheiding op eenzijdig verzoek en dus uitgaande van een huwelijkspartner wordt uitgesproken, is er recht op uitkering tot levensonderhoud in hoofde van beide echtgenoten. Het feit eenzijdig een echtscheiding aan te vragen doet dus het recht op persoonlijk onderhoudsgeld niet te verliezen.

Bij de bepaling van het persoonlijk onderhoudsgeld wordt rekening gehouden met de economische middelen van de partijen en in het bijzonder met de gebeurlijke “aanzienlijke terugval van de economische situatie door de echtscheiding van de uitkeringsgerechtigde”;

Het onderhoudsgeld dient de minimum een bedrag de bedragen noodzakelijk om de staat te dekken van de behoeften van de uitkeringsgerechtigde, zonder dat het onderhoudsgeld meer kan bedragen dan een derde van de netto inkomsten van de uitkeringsplichtige  (art. 301 § 3 B.W. nieuw);

De uitkeringsgerechtigde dient ook een inspanning te leveren, deze dient zich namelijk beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt, dan wel de nodige schikkingen nemen zodat diens rechten op sociale voorzieningen gevrijwaard blijven (art. 301 § 5 B.W. nieuw);
 

De rechter bepaalt zowel het bedrag als de duur de duur van het onderhoudsgeld. de rechter kan het onderhoudsgeld ook degressief bepalen, , dit wil zeggen een bepaalde bedrag in een bepaalde periode en een lager of hoger bedrag in een erop volgende periode.

De rechter houdt hierbij rekening met de economische keuzes die de partijen maakten tijdens het samenleven:

- Ging de vrouw uitwerken?
- Stond een relevante huwelijkspartners (allen) in voor de opvang van de kinderen en was deze daardoor niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt?
- heeft één der echtgenoten  zich ingezet voor de zelfstandige activiteit op de vennootschap van de andere echtgenoot en verliest deze door de echtscheiding hierdoor een inkomen of een voordeel uit de gemeenschap, al dan niet met de huidige beperking op de arbeidsmarkt ingevolge leeftijd...

De rechter betaalt de maximum duur van het recht op persoonlijkonderhoudsgeld, met als maximum de duur van het huwelijk(art. 301 § 4 B.W. nieuw); <<zie arrest tot vernietiging van deze bepaling hiernaast>>

Het recht op persoonlijk onderhoudsgeld kan beëindigd worden wanneer de onderhouds gerechtigde een nieuw huwelijk aangaat, wettelijk of feitelijk gaat samenwonen met een andere persoon als ware zij gehuwd,
(art. 301 § 10 tweede en derde lid B.W. nieuw);

Tijdens het huwelijk kan een voorafgaandelijk een afstand worden gedaan van een recht op persoonlijk onderhoudsgeld In een huwelijkscontract kan men dus niet afstand doen van een recht op persoonlijk onderhoudsgeld.  Men kan evenmin tijdens het huwelijk een overeenkomst opstellen waarin afstand wordt gedaan van het persoonlijk onderhoudsgeld.

Tijdens de echtscheidingseisprocedure kunnen er wel afspraken worden gemaakt over de uitkering, zowel met betrekking tot het bedrag als de wijze van een latere herziening (art. 301 § 9 B.W. nieuw).

Er kan evenwel geen afstand worden gedaan van het recht op een uitkering vóór de ontbinding van het huwelijk.
 

Voor de bepalingen van artikel 301 § 12 Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank een beslissing nemen over de voorlopige uitvoering van de beslissing die het onderhoudsgeld toestaat.

Een persoonlijk onderhoudsgeld wordt automatisch aangepast aan de index.

Een persoonlijk onderhoudsgeld kan aanleiding geven tot een omzetting in kapitaal.

Een persoonlijk onderhoudsgeld kan ook worden aangepast in functie van nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen).

Wanneer de rechter uitspraak dient te doen over een vordering tot persoonlijk levensonderhoud, kan dit zowel gebeuren in het echtscheidingsvonnis als in een later vonnis of arrest.  Wanneer dit na de echtscheiding gebeurt is de bevoegde rechter evenwel niet de echtscheidingsrechter maar wel de vrederechter.

overgangsbepalingen met betrekking tot het onderhoudsgeld

De oude wetgeving blijft toepasselijk op alle echtscheidingen die hangende zijn voor de inwerkingtreding van de wet. In deze echtscheidingen  die voor 1 september 2007 geen aanleiding hebben gegeven tot een eindvonnis, blijven de oude bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van kracht, zo ook met betrekking tot het weerhouden van een fout die aanleiding kan geven tot het verschuldigd karakter van een persoonlijk onderhoudsgeld ten voordele van een onschuldige echtgenoot. Zo ook het verlies op het recht tot het bekomen van een persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding voor een schuldige echtgenoot ook al is deze behoeftig.

Ook aan de afgewikkelde echtscheidingen doet de nieuwe wet geen afbreuk. Al wie gescheiden is op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet, zijnde 1 september 2007 en op basis van deze echtscheiding en recht heeft verworven op persoonlijk onderhoudsgeld blijft dit recht te behouden. al die gescheiden is voor 1 september 2007 en geen recht op persoonlijk onderhoudsgeld bekwam, blijft de hiervan uitgesloten.

Op de oude en de nog hangende echtscheiding geldt  wel de beperking inzake de duurtijd van de onderhoudsverplichting. ook voor deze oude echtscheidingen zal elke verplichting tot betaling van onderhoudsgeld verstrijken na de tijd die het huwelijk heeft geduurd, te rekenen vanaf 1 september 2007 (art. 42, §5, lid 2 Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding). Wanneer de rechter in een echtscheidingsvonnis uitgesproken voor 1 september 2007 het recht op persoonlijk onderhoudsgeld in tijd had beperkt, dan blijft deze beperkingen gelden, zonder dat deze termijn langer kan zijn dan de tijd die het huwelijk heeft geduurd te rekenen vanaf 1 september 2007 (art. 42, §5, lid 3 Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding).

Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel artikel 42, § 5, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding vernietigt.

tijdelijkheid van het onderhoudsgeld afgeschaft voor oude echtscheidingen

De partijen kunnen zich vanaf 1 september 2007 in een nieuwe echtscheidingsprocedures beroepen op feiten en omstandigheden die gebeurd zijn voor 1 september 2007 om hun rechten die hen verleend worden door de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding te laten gelden. zo kunnen zij bijvoorbeeld feiten aanhalen die gebeurd zijn voor 1 september 2007 om een zware fout in de zin van artikel 301 paragraaf twee lid twee Burgerlijk Wetboek dan wel een strafbaar feit in de zin van artikel 301 paragraaf twee lid drie Burgerlijk Wetboek aan te tonen.

uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek

 

Artikel 301 - § 1. Onverminderd artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de echtgenoten op elk ogenblik overeenkomen omtrent de eventuele uitkering tot levensonderhoud, het bedrag ervan en de nadere regels volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien.

§ 2. Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot. De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt.

In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon.

In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels vaststelt.

§ 3. De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde.

Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate. De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot.

§ 4. De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het huwelijk. In geval van buitengewone omstandigheden, kan de rechtbank de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van behoefte verkeert. In dat geval beantwoordt het bedrag van de uitkering aan het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken.

§ 5. Indien de verweerder aantoont dat de staat van behoefte van verzoeker het gevolg is van een eenzijdig door deze laatste genomen beslissing en zonder dat de noden van de familie deze keuze gerechtvaardigd hebben, kan hij worden ontheven van het betalen van de uitkering of slechts verplicht worden tot het betalen van een verminderde uitkering.

§ 6. De rechtbank die de uitkering toekent, stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het arrest dat de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.

Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer. De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen.

§ 7. Zelfs in geval van echtscheiding door onderlinge toestemming, en uitgezonderd indien de partijen in dat geval uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen, kan de rechtbank de uitkering verhogen, verminderen of afschaffen in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of door een latere beslissing, indien ten gevolge van nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen het bedrag ervan niet meer aangepast is.   Indien ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële toestand, die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud welke het voorwerp was van een vonnis of overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de vereffeningsrekeningen, kan de rechtbank eveneens de uitkering aanpassen, tenzij in geval echtscheiding door onderlinge toestemming.

§ 8. De uitkering kan op elk ogenblik worden vervangen door een kapitaal mits een door de rechtbank gehomologeerd akkoord tussen de partijen.

Op verzoek van de uitkeringsplichtige, kan de rechtbank eveneens op elk ogenblik de omzetting in een kapitaal toestaan.

§ 9. De echtgenoten kunnen voor de ontbinding van het huwelijk geen afstand doen van de rechten op een uitkering tot levensonderhoud. Zij mogen in de loop van de procedure evenwel tot een vergelijk komen over het bedrag van die uitkering,met inachtneming van de in artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden.  

§ 10. De uitkering is niet meer verschuldigd bij overlijden van de uitkeringsplichtige, maar de uitkeringsgerechtigde mag levensonderhoud vorderen ten laste van de nalatenschap volgens de in artikel 205bis, §§ 2, 3, 4 en 5, bepaalde voorwaarden.

De uitkering eindigt in ieder geval definitief in geval van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen anders overeenkomen. De rechter kan de onderhoudsverplichting beëindigen wanneer de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd. 

§ 11. De rechtbank kan beslissen dat in geval de uitkeringsplichtige zijn verplichting tot betaling niet nakomt, het de uitkeringsgerechtigde toegestaan is diens inkomsten of diens goederen die hij overeenkomstig hun huwelijksvermogensstelsel beheert, alsmede alle andere bedragen die hem door derden verschuldigd zijn, in ontvangst te nemen.   Deze beslissing kan worden tegengeworpen aan elke derde, huidige of toekomstige schuldenaar, op grond van de kennisgeving ervan die hen door de griffier gedaan wordt op verzoek van de eiser. 

§ 12. De rechtbank die een uitspraak doet inzake een uitkering tot levensonderhoud mag ambtshalve de voorlopige uitvoering van de beslissing bevelen. Artikel 301bis […].

 

Rechtspraak:

• rechtbank Mechelen 14e februari 2008, RABG 2008/12, 719:

"Bij de begroting van de uitkering houdt de rechtbank rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op:

- de duur van het huwelijk;

- de leeftijd van de partijen;

- hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. onder de term "behoeftige echtgenoot" dient met andere woorden niet verstaan te worden dat deze ex echtgenoot in volstrekte staat van behoefte dient te verkeren alvorens hij of zij ook maar een principieel recht zouden hebben op een uitkering tot onderhoud; deze termen dient geïnterpreteerd te worden in het kader van de globale economische context van het huwelijk van partijen en de aanzienlijke terugval in de economische situatie van een der echtgenoten in verhouding tot de economische toestand tijdens de huwelijkse staat, rekeninghoudende met hun leeftijd, de duur van het huwelijk en de organisatie van de Noorden van partijen en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkering spichtige echtgenoot (dus na aftrek van de door fiscale en sociale wetten opgelegde lasten (cassatie 23 april 1992, rechtskundig weekblad 1992-93, met noot) en de eventuele recupereerbaarheid van een deel van de lasten (namelijk in hoofde van de onderhoudsplichtige, de aftrekbaarheid van de betaalde onderhoudsuitkering ten belope van 80 procent ingevolge artikel 104 van het wetboek van inkomstenbelastingen en in hoofde van de onderhoudsgerechtigde de belastingen die op de onderhoudsuitkering verschuldigd zijn).

De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het huwelijk"....

In dit vonnis stelt de rechtbank vast dat mevrouw tijdens het huwelijk deeltijds tewerkgesteld was daar waar zij thans op dit ogenblik voltijds tewerkgesteld is.

..."Uit dit geheel van gegevens leidt de rechtbank af dat bij de waardering van de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde best dient rekening gehouden te worden met de inkomsten van partijen zoals zij thans zijn, aangezien tijdens het samenleven klaarblijkelijk werd geopteerd voor een meer beeld bij het arbeidsregime van mevrouw met het oog op het welzijn van de kinderen.

Gelet op de lange duur van deze deeltijdse arbeid zijn regeling tijdens het huwelijk, gelet op de leeftijd van partijen en op de leeftijd van de kinderen, en gelet op de duidelijke afspraken omtrent het arbeidsregime van partijen met oog op het welzijn van de kinderen, kan niet aan mevrouw verweten worden dat zijzelf verantwoordelijk zou zijn voor de eventuele terugval van haar economische situatie en dat deze het gevolg zal zijn van een eenzijdig door haar genomen beslissing.

Een attest waaruit blijkt dat de mevrouw in april 2001 zou geweigerd hebben om een functie met loonsverhoging uit te oefenen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Deze beslissing werd klaarblijkelijk genomen in 2001, op een ogenblik dat partijen rijen nog meer dan drie jaar samenleefden en blijkbaar akkoord gingen om het arbeidsregime van mevrouw te behouden met oog op het welzijn van de kinderen..."

De rechtbank onderzoekt hierop het gezamenlijke gezinsinkomen tijdens het huwelijk en stelt dit vast voor het jaar 2004 op een netto gezamenlijk maandinkomen van 4.846, 02 €.

Het nettoinkomen van mevrouw wordt hierna voor het jaar 2007 vastgesteld (en rekeninghoudende met de dubbel vakantiegeld en de eindejaarspremie) op 2570 € netto belastbaar per maand.

Het nettoinkomen van mijn mijnheer  wordt de hierna door de rechtbank vastgesteld voor het jaar 2006 op ongeveer 3000 € netto-belastbaar inkomen. Er worden door mijnheer geen gegevens verstrekt met betrekking tot de inkomsten van het jaar 2007, zodat de rechtbank uitgaat van gebruikelijke evolutie, en aanneemt dat het netto belastbaar inkomen van meneer ongeveer 3100 € per maand zal bedragen.

Met de reservatie van de winsten in de vennootschap wordt geen rekening gehouden bij de begroting van de inkomsten van een meneer aangezien de aandelen in de vennootschap tot de huwgemeenschap behoren en de verrekening van de waarde van deze aandelen alleszins een rekening zal gebracht worden naar aanleiding van de vereffeningverdeling van de huwgemeenschap.

Thans verblijven de kinderen bij beide partijen evenveel (een week om weken bij de ene en de andere ouder).

Rekeninghoudende met de meerkosten die verbonden zijn aan het feit dat partijen afzonderlijk wonen, met de stijging van de levensduurte, met de huidige organisatie van de noden van partijen en het thans evenredig ten laste nemen van de kinderen, met het fiscaal regime ingevolge het ingeschreven verblijf van de kinderen bij de moeder, en rekeninghoudende met het feit dat mijnheer nog een beperkt onderhoudsgeld voor de kinderen aan mevrouw dient te betalen, stelt de rechtbank op basis van hogervermelde gegevens vast dat mevrouw door de echtscheiding geen aanzienlijke terugval kende van haar economische situatie, waarnaar de rechtbank de vordering van mevrouw tot het bekomen van een uitkering na echtscheiding ongegrond verklaard.

• rechtbank Leuven 4 februari 2008, RABG 42008/12, 709

"...de term behoeftige echtgenoot mag  in deze context echter niet te letterlijk worden geïnterpreteerd zoals in het algemeen onderhoudsrecht.

Hier dient uitgegaan van het onevenwicht in de respectieve globale economische situatie van de ex echtgenoot en: de economisch zwakste echtgenoot is "behoeftig" in de zin van het nieuwe artikel 301 paragraaf twee eerste lid burgerlijk wetboek en dus principieel onderhoudsgerechtigde, de economisch sterkste ex echtgenoot is principieel onderhoudsplichtig. zie I. Martens, de onderhoudsuitkering na de echtscheiding: grondslag en begroting" pagina één en twee in het verslagboek van de studiedag te Leuven van 24 augustus 2007 over het nieuwe echtscheidingsrecht.

In dit geval is de de verweerster, wier nettoloon 1234,99 € bedraagt volgens de meest recente Loonbrief die worden neergelegd, zonder twijfel de economisch zwakste echtgenoot, en eiser, die volgens de enige bijgebrachte met de kaart netto 3703,27 € verdient, de economisch sterkste echtgenoot, zodat zij principieel onderhoudsgerechtigde is.

De rechtbank dient vervolgens het bedrag van de onderhoudsuitkering vast te leggen, die tenminste de staat van behoefte van verweerster moet dekken, waarbij rekening dient gehouden met de inkomsten en de mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde.

Verweerster is van opleiding klinisch laborante, maar werkt als A1 bediende (secretaresse ), volgens de eiser onder haar opleidingsniveau en bovendien deeltijds a rato van 60 procent.

Haar werkgever bevestigt dat het hem niet mogelijk is haar een voltijdse functie te verschaffen. Mevrouw houdt voor dat het haar om medische redenen onmogelijk is meer te werken, en brengt ten bewijze daarvan een medisch attest van 4 december 2007 van haar huisarts bij, dat  herbevestigt dat ze slechts voor 60 procent werkbekwaam is, wat blijkt uit verschillende medische verslagen van onder meer de diensten cardiologie, dermatologie en gynaecologie.

Hieruit leidt ze af dat ze haar mogelijkheden om zich door middel van eigen arbeidsinkomsten te verschaffen uitgeput heeft en er slechts rekening kan worden gehouden met haar huidig inkomen van 1233,99 €.

Ze woont wel gratis in de vroegere gezinswoning, waarvan eiser vrijwillig de lening voor verbouwingen afbetaalt, en dient niet tussen te komen in de afbetaling van de lening die partijen aangingen bij zijn dochter a rato van 250 € per maand die eiste eveneens vrijwillig alleen doet.

Na een niet onmiddellijk duidelijke herberekening, stelt de rechtbank het inkomen van mijnheer alvast op 3980 € per maand. Hij betaalt hiervan uit eigenbeweging 499,60 € af voor de hypothecaire lening op de gezinswoning rusten, aangegaan op zeven maart 2005 ingevolge verbouwingen aan dat rijhuis en de lening aan de dochter van 250 € per maand. Daarenboven dient hij een huur van 995 € per maand te betalen voor het huis dat hij betrekt samen met zijn Portugese vriendin.

Er wordt niet bekendgemaakt in hoeverre deze nieuwe levensgezellin bijdraagt in deze huurkosten en in de andere kosten van de huishouding. Het gaat immers om een dame, hoogleraar aan de Portugese Universiteit, enorm beslagen in muziek, film en de filosofie die tevens gevraagd wordt voor inleidingen bij muziek concerten en voor tekst en een tentoonstelling folders, regelmatig optreedt voor radio en tv, boeken schrijft en vlot zeven talen spreekt.

Het spreekt vanzelf dat zij inkomsten genereert als professor met daarnaast heel wat extra inkomsten uit haar veelvuldige nevenactiviteiten.

Haar totaal inkomen zal dan ook minstens gelijkwaardig zijn aan dat van eiser, zodat ze moeiteloos de helft van de huishuur en van de algemene kosten van het feitelijk gezin, dat ze met hem vormt, kan dragen.

De algemene kosten van meneer worden als dan herleid tot de helft van de huur: 1/2 van 995 = afgerond en 500 €, meer dan 250 € te betalen aan zijn dochter en meer 500 € te betalen voor de hypothecaire lening, of een totale werkelijke last van 1250 €.

Zijn beschikbare inkomen wordt derhalve 3980 € op -1250 € is gelijk aan 2730 € per maand, terwijl zijn vriendin vermoedelijk over minstens een zelfde bedrag beschikt naar vereffening van haar helft in de huishuur.

Het spreekt vanzelf dat mevrouw een aanzienlijke terugval in haar economische situatie ondervond ingevolge de feitelijke scheiding en nog zal ondervinden ingevolge de echtscheiding.

Thans woont ze nog voorlopig nog in de grote gezinswoning, doch dit zal na de vereffening en verdeling vermoedelijk veranderen. Dan zal ze dienen te verhuizen, wanneer het huis zal verkocht of overgenomen worden,-wat zijzelf financieel niet aankan, gelet op haar beperkt inkomen,-en zich tevreden zal dienen te stellen met een kleinere en goedkopere behuizing.

Vroeger beschikte het echtpaar samen over 3980 € (een loon van mijnheer) plus 1234 € loon van mevrouw is gelijk aan 5.214 € inkomsten waarop 500 plus 250 € lasten wogen, zodat 4464 € overbleef of per persoon 2232 € en dans diensten rond te komen met 1234 € per maand.

Partijen zijn 31 jaar gehuwd en respectievelijk 56 en 53 jaar oud.

Volgens mevrouw beslisten partijen destijds in gezamenlijk overleg dat zij slechts deeltijds meer zou werken, omdat er drie kinderen dienden opgevoed te worden in hun gezin en op dat eiser zich volledig zou kunnen wijden aan zijn carrière als universiteitsprofessor.

Die kinderen zijn thans alle meerderjarigheid niet meer ten laste.

Mijnheer betwist dat en beweert dat de beperkte beroepsactiviteit van zijn vrouw, in een functie beneden haar opleidingsniveau, het gevolg is van een destijds eenzijdig door haar genomen beslissing, zonder dat de noden van de familie deze keuze rechtvaardigden.

Hij toont dit echter niet aan, zodat artikel 301 paragraaf vijf burgerlijk wetboek niet kan worden toegepast en hij niet kan worden ontheven van betaling van een uitkering of slechts verplicht tot betaling van een verminderde uitkering.

In ondergeschikte orde biedt hij aan te bewijzen door alle rechtsmiddelen, getuigenissen inbegrepen, "dat de staat van behoefte van mevrouw het gevolg is van een eenzijdig door haar genomen beslissing, zonder dat de noden van de familie deze keuze gerechtvaardigd hebben".

De rechtbank ziet niet in hoe het bewijs daarvan door getuigen zou kunnen worden geleverd vermits de beslissingen van inwendige organisatie van een gezin toch steeds binnenskamers en onder vier ogen worden genomen.

Bovendien gaat het er niet om een concreet feit en is dit niet voldoende gepreciseerd in tijd en ruimte.

Het gevraagde getuigenbewijs kan dus niet te worden toegelaten.

Mijnheer verwijt zijn ex echtgenote dat de zijn geen inspanningen levert om haar financiële situatie te verbeteren door voltijds te gaan werken hetzij door uitbreiding van haar actuele job, hetzij als laborante waarmee ze nog een hoger loon zou kunnen verdienen terwijl er voor beide functies op de arbeidsmarkt heel wat vraag is. Hij beweert dat ze medisch wel in staat is om te werken maar dit niet wil doen om haar vrije-tijds programma te kunnen behouden.

Het lijkt de rechtbank weinig realistisch dat mevrouw op haar leeftijd nog zou worden aanvaard als laborante te meer er bijna 30 jaar verliepen sedert zij het beroep als laborante uitoefende in een tijd waarin alles zo snel evolueert..

Zelfs als een secretaresse een nieuwe full-time betrekking vinden op 53 -jarige leeftijd is niet evident, zelfs niet voor een gezond iemand.

Komt daarbij dat mevrouw een medisch attest voorlegt van haar huisarts en van de vierde december 2007, dat haar maar 60 procent werk bekwaam verklaart.

Deze toestand blijkt -zo stelt het attest- uit verschillende medische verslagen.

Het staat vast dat ze in 1998 borstkanker kreeg, met als gevolg een linker borstamputatie en de reconstructie van de geamputeerde borst, waarvan ze intussen echter volledig herstelde.

Uit medische attesten blijkt dat er geen aanwijzingen is voor borstkanker recidive.

Aan de behandelingen tegen kanker, onder meer chemotherapie en bestraling en, zal Verweerster echter, zoals ze vermeldt in haar conclusies, een beschadigde (verbrande) aorta klep en een ernstige immunisering te overgehouden hebben.

Uit medische verslagen blijkt dat ze sedert 2003 werden behandeld voor een vulvaire pathologie, beschouwd als lichen sclerosus et atroficans, wat volgens de door verweerster bijgebrachte documentatie erover een auto immuunziekte van de huid is.  de rechtbank vermoeden dat Verweerster hiermede ernstige immuun ziekte bedoeld, die ze overhield aan de behandeling tegen kanker.

Een vulvabiopsie toonde echter de aandacht het ging om een chronisch de aspecifieke ontsteking pathologie en geen lichen planus noch sclerosus.

Verweerster leidt dus niet aan deze ernstige immuunziekte.

Een verslag van de dienst cardiologie ontbreekt compleet.

Eiser merkt terecht op dat in geen der bijgebrachte verslagen van de geneesheren-specialisten sprake is van een vermindering van de arbeidscapaciteit van verweerster, noch ingevolge de lange genezen borstkanker, noch ingevolge de chronische aspecifieke vulvaire ontstekingen.

Vermits eiser de inhoud van het eenzijdig medisch attest van de huisarts dat besluit tot 40 procent werkongeschiktheid in haar hoofde, niet aanvaardt en zij totnogtoe geen andere medische attesten voorlegt ter bevestiging daarvan, zal de rechtbank, alvorens verder te beslissen, een objectief gerechtelijk geneesheer-deskundige aanstellen om over te gaan tot een volledig medisch onderzoek van mevrouw om zijn advies te geven over haar actuele gezondheidstoestand en de daaruit eventueel voortvloeiende arbeidsongeschiktheid van tijdelijke en/of van blijvende aard, evenals de graad en de duur ervan..."

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 25/06/2010 - 14:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.