-A +A

RECHT VAN UITWEG

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Rechtspraak: Vred. Westerlo 17/05/02, R.W., 2006-2007, 112. Bij de vaststelling door de rechter van een recht van uitweg dient rekening gehouden met de minst schadelijke weg, de kortste weg, de behoeften van het normaal gebruik en de handelswijze in het verleden.  

Artikel 682, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar wiens erf ingesloten ligt een uitweg kan vorderen wanneer hij onvoldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan.

Een recht van overgang kan bij overeenkomst worden afgesloten middels een notariële akte, waarbij al dan niet een vergoeding wordt voorzien. De overgang kan verbonden zijn aan het erf, dan wel aan de persoon van de begunstigde worden verbonden. De procedure vangt aan met een verplichte verzoeningszitting (art. 1345 B.W.). Bij gebreke aan verzoening wordt de procedure middels verzoekschrift ingeleid (art. 1371bis G.W.), met afstapping door de Vrederechter.

Een recht op overgang kan ook voor de Vrederechter van de plaats waar het goed gelegen is worden gevorderd. Deze uitweg geschiedt dan over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken. Meestal betreft dit een jaarlijkse vergoeding, die kan gekapitaiseerd worden.
 

De ingeslotenheid van een erf voor de toepassing van dit artikel dient beoordeeld te worden, niet enkel op grond van het al dan niet palen aan de openbare weg, maar ook naar omstandigheden van normaal gebruik van het perceel volgens de bestemming ervan en de kosten of ongemakken voor het inrichten van de toegang tot het erf ;
 

Zo kan bv. een uitweg worden gevorderd voor 2 achterliggende garages, niettegenstaande de voorzijde van de woning paalt aan de openbare weg, voorzover deze garages niet bereikbaar zijn via de openbare weg.

 

andere toepassing:

- toegang tot landbouwmachines voor landbouwpercelen
- toegang voor industriële activiteit voor industriegronden
- ondergronds of bovengronds recht van uitweg voor kabels, afvoerpijpen, of voorzieningen

Het recht van (private) doorgang kan niet bekomen worden op grond van dertigjarige. Dit komt omdat art. Art. 690 B.W. bepaalt dat men enkel een voortdurend en zichtbare erfdientstbaarheid kan verkrijgen door dertigjarig bezit. De uitweg is meestal weliswaar zichtbaar doch niet voortdurend (art. 688 B.W.)
Het recht op overgang kan evenmin om zelfde reden gevestigd worden door bestemming van de huisvader omdat de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader enkel mogelijk is voor de voortdurende zichtbare erfdienstbaarheid art. 692 B.W.).

Het recht van doorgang kan op vordering van de titularis van het lijdend erf worden opgeheven in toepassing van art. 710bis van het B.W. wanneer de erfdienstbaarheid alle nut heeft verloren. Wanneer de doorgang niet meer strikt noodzakelijk is, maar wel nog nuttig, zal de vordering volgens een groot deel van de rechtspraak worden afgewezen.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 01/12/05, RABG 2006/10, 701, met noot

Samenvatting

Voor de toepassing van art. 682, ,§ 1, B.W. dient de ingeslotenheid van een erf niet enkel beoordeeld te worden op grond van het al dan niet palen aan de openbare weg, maar ook naar de omstandigheden van normaal gebruik van het perceel volgens de bestemming ervan en de kosten of ongemakken voor het inrichten van de toegang tot het erf.

Tekst van het arrest

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 30 juni 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
&§9472; artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet ;
&§9472; de artikelen 682, 1319, 1320, 1322 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
Bestreden beslissingen
De vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Leuven verklaart in het bestreden vonnis van 30 juni 2004 het hoger beroep van verweerder ontvankelijk en deels gegrond. Ze hervormt het vonnis a quo en wijst eiseres' vordering tot toewijzing van een recht van uitweg en tot veroordeling van verweerder tot betaling van een schadevergoeding als ongegrond af. Alvorens recht te doen over de overige vorderingen wordt een gerechtsdeskundige aangewezen met de in het beschikkend gedeelte neergelegde opdracht. Eiseres wordt tevens tot twee derden van de kosten van het hoger beroep veroordeeld.
De rechtbank van eerste aanleg grondt haar beslissing op de volgende motieven (vonnis, pp. 4 en 5, punt Cl., eerste tot en met derde, vijfde tot en met zevende en laatste alinea) :
"(Eiseres) vordert een uitweg over de eigendom van (verweerder) wegens insluiting van haar achtergelegen garages.
Partijen zijn het erover eens dat het perceel zélf niet ingesloten is. De voorgevel van de woning, die op het zelfde perceel ligt als de achtergelegen garages, grenst immers aan de Statiestraat.
(Eiseres) voert aan dat zij haar achtergelegen garages enkel kan bereiken via de voordeur van haar woning gelegen aan de Statiestraat. Aangezien zij deze achtergelegen garages (in haar tuin) niet kan bereiken met de wagen, zijn deze volgens haar ingesloten en vordert zij een recht van uitweg over het perceel van (verweerder).
De rechtbank is van oordeel dat door deze verkoop echter geen ingeslotenheid is ontstaan in de zin van artikel 682 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Om een uitweg te kunnen vorderen moet men de feitelijke insluiting van het erf aantonen. Er is geen insluiting van het perceel wanneer er een toegang is naar de openbare weg. Dit is vereist om een recht van uitweg te vorderen.
Het loutere feit dat een bestaande toegang naar de openbare weg minder gemakkelijk is dan een ander traject betekent niet dat men met een onmogelijkheid in de zin van de wet te maken heeft.
Anderzijds toont mevrouw V.G. niet aan dat zij een belangrijk nadeel ondervindt doordat (zij) deze garages niet met de wagen kan bereiken. Zij voert aan dat zij schoonheidsproducten moet kunnen opslaan omdat zij vertegenwoordiger is bij Estee Lauder voor de Benelux. Zij legt hiervoor geen enkel bewijsstuk neer. Bovendien kan worden aangenomen dat deze pakjes niet zo omvangrijk zijn en evengoed via de voordeur naar de achtergelegen garages kunnen worden gebracht.
De vordering tot toekenning van een uitweg en de daaraan gekoppelde vordering tot betaling van een schadevergoeding zijn dan ook ongegrond".
Grieven
1. Eerste onderdeel
Luidens artikel 682, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek kan "de eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken".
Opdat een eigenaar overeenkomstig artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek recht zou hebben op een uitweg moet aldus geen absolute ingeslotenheid, met name een afwezigheid van toegang tot de openbare weg, worden aangetoond. Het volstaat dat er sprake is van een relatieve ingeslotenheid, met name een onvoldoende toegang tot de openbare weg.
Derhalve zal de eigenaar van een eigendom die (1) onvoldoende toegang tot de openbare weg biedt, een uitweg kunnen vorderen, (2) mits deze uitweg nodig is voor het normale gebruik van de eigendom naar de bestemming ervan.
Een erf dat een toegang op de openbare weg heeft, is dus niettemin een ingesloten erf, in de zin van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek, indien de toegang onvoldoende is voor de exploitatie van het erf.
De rechtbank kon dienvolgens niet wettig eiseres' vordering tot toekenning van een uitweg als ongegrond afwijzen op grond van de enkele vaststelling dat er "een toegang is naar de openbare weg" zonder te na te gaan of de bestaande toegang naar de openbare weg volstaat voor het normale gebruik van de eigendom naar de bestemming ervan (schending van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek). Bijgevolg kon de rechtbank evenmin wettig eiseres' vordering tot schadevergoeding wegens miskenning van het recht van uitweg als ongegrond afwijzen (schending van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede onderdeel
Voor zover er zou moeten worden aangenomen dat de appèlrechters in voorliggende zaak aan de hand van de overweging dat "het loutere feit dat een bestaande toegang naar de openbare weg minder gemakkelijk is dan een ander traject niet (betekent) dat men met een onmogelijkheid in de zin van de wet (heeft) te maken" (p. 5, derde volledige alinea van het bestreden vonnis) én met de in het raam van de beslissing betreffende het misbruik van recht gestelde motivering dat "kan worden aangenomen dat deze pakjes niet zo omvangrijk zijn en evengoed via de voordeur naar de achtergelegen garages kunnen worden gebracht" (p. 5, vijfde volledige alinea van het bestreden vonnis) zouden hebben geoordeeld dat de via de voordeur van de woonst naar de openbare weg verschafte uitweg volstond voor het normaal gebruik van de garages naar de bestemming ervan, dient te worden vastgesteld dat dergelijke beslissing niet regelmatig met redenen is omkleed en evenmin naar recht verantwoord is.
Daar waar dergelijke redengeving de beslissing tot weigering van de toekenning van een uitweg in zoverre de garages bestemd zijn voor het stockeren van goederen naar recht kan verantwoorden, kan op basis van deze redengeving niet wettig worden beslist dat eiseres geen recht heeft op een (andere) uitweg in zoverre de garages voor het stallen van haar wagen zijn bestemd.
Het stallen van voertuigen behoort tot het normale gebruik van een garage.
Eiseres voerde bovendien voor de appèlrechters aan dat zij de garages (en grond) ook effectief wenst te gebruiken voor het parkeren van haar wagen. Aldus sloot eiseres zich aan bij de pertinente motieven van de eerste rechter (vervangende synthesebesluiten van eiseres, p. 1, punt 2), die gewezen had op "(...) het gebruik van twee garages (waarvan in werkelijkheid er maar één als garage wordt gebruikt en de ander een veredelde versie van een berging met garagepoort is)" (vonnis van 31 december 2001 van het Vredegerecht van Diest, p. 3, midden). Bovendien had eiseres zelf gewezen op de gebruiksbestemming van een garage "(...) waaronder het parkeren van haar wagen, het stapelen van goederen, enz. (vervangende synthesebesluiten van eiseres, p. 1, punt 2).
In het thans aangevochten vonnis wordt niet vastgesteld dat eiseres, in strijd met de aanvoeringen in conclusie, niet de intentie had om haar wagen in één van de kwestieuze garages (of op de betreffende grond) te stallen.
Luidens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet moeten hoven en rechtbanken hun beslissingen regelmatig met redenen omkleden wat onder meer inhoudt dat zij dienen te antwoorden op alle pertinente, regelmatig aangevoerde grieven en middelen van verweer.
De rechter mag in zijn beoordeling van de zaak de bewijskracht van de hem regelmatig overgelegde akten, zoals conclusies, niet miskennen door er een betekenis of draagwijdte aan te geven die totaal onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
In zoverre de rechtbank zou geoordeeld hebben dat eiseres voorhield de garage enkel te gebruiken voor het opslaan van (schoonheids)producten, miskent de appèlrechter de bewijskracht, verbonden aan de hiervoren aangehaalde en door eiseres regelmatig overgelegde conclusie, door hieraan een met de bewoordingen en draagwijdte ervan onverenigbare uitlegging te geven (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en beantwoordt het niet eiseres' aanvoeringen in conclusie nopens het gebruik van de garages voor het stallen van een voertuig (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
Alleszins beperkt de rechtbank zich in het licht van de aanvoeringen van eiseres ten onrechte, bij de beoordeling van het gebruik der garages, tot het louter opslaan van goederen.
De rechtbank kon dienvolgens niet wettig eiseres' vordering tot toekenning van een uitweg als ongegrond afwijzen (schending van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek) en bijgevolg evenmin wettig eiseres' vordering tot schadevergoeding wegens miskenning van het recht van uitweg als ongegrond afwijzen (schending van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
Eerste onderdeel
Overwegende dat, krachtens artikel 682, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek, de eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg kan vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken ;
Dat aldus de ingeslotenheid van een erf voor de toepassing van dit artikel dient beoordeeld te worden, niet enkel op grond van het al dan niet palen aan de openbare weg, maar ook naar omstandigheden van normaal gebruik van het perceel volgens de bestemming ervan en de kosten of ongemakken voor het inrichten van de toegang tot het erf ;
Overwegende dat eiseres een uitweg vordert voor haar erf gelegen te S., met twee achterliggende garages ;
Overwegende dat het bestreden vonnis de door eiseres gevorderde uitweg afwijst op grond dat door de verkoop van het perceel er geen ingeslotenheid is ontstaan in de zin van de artikelen 682 en volgende van het Burgerlijk Wetboek omdat :
- de voorgevel van de woning op hetzelfde perceel waarop de garages staan, grenst aan de Statiestraat ;
- er geen feitelijke insluiting van het perceel is wanneer er toegang is naar de openbare weg ;
Dat het bestreden vonnis de gevorderde uitweg afwijst zonder het normale gebruik van het erf en de kosten en ongemakken van een toegang tot de garages te onderzoeken ;
Dat het bestreden vonnis artikel 682, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
Overige grieven
Overwegende dat de overige grieven niet tot een ruimere cassatie kunnen leiden ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering van eiseres tot het verkrijgen van een uitweg voor haar perceel met garages te S, afwijst en uitspraak doet over de kosten ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van een december tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols.

• Cass. 22 maart 2002: Geen bezitsvordering met betrekking tot een wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg: arrest van 22 maart 2002

De eigenaars van een erf dat via een gemeentelijke weg van één meter breed met de openbare weg was verbonden, beweerden een erfdienstbaarheid van uitweg te hebben over een totale breedte van 3 meter aan weerskanten van de weg en dit over het erf dat hun erf van de openbare weg scheidde. Zij beklaagden zich voor de rechter over het feit dat de eigenaars van het zogenaamde dienstbare erf hen in de uitoefening van deze erfdienstbaarheid hinderden.

Na het bestaan van een conventionele erfdienstbaarheid of een erfdienstbaarheid door ‘bestemming door de huisvader’ te hebben uitgesloten, lieten de eisers gelden dat hun erf onvoldoende toegang tot de openbare weg had. Bijgevolg hielden zij voor een erfdienstbaarheid van uitweg te hebben in de zin van artikel 682 B.W. Zij kwalificeerden hun vordering als een ‘bezitsvordering’ die ertoe strekte de hindernissen weg te nemen die de uitoefening van de erfdienstbaarheid van uitweg zouden kunnen belemmeren.

Krachtens artikel 1370, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, worden bezitsvorderingen slechts toegelaten op voorwaarde dat het gaat om onroerende goederen of onroerende rechten die verkregen kunnen worden door verjaring. De verweerders hadden, op die grond, besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Enerzijds kan men krachtens artikel 684, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 1 maart 1978 betreffende het recht van uitweg, zich op geen verjaring beroepen, hoelang de uitweg ten behoeve van het ingesloten erf ook moge bestaan. Anderzijds bepaalt artikel 691 van hetzelfde wetboek dat niet voortdurende erfdienstbaarheden slechts door een titel kunnen worden gevestigd. Niettemin verklaarden de appèlrechters de vordering ontvankelijk. Daartoe wezen zij erop dat de eisers voorhielden sinds onheuglijke tijden over een erfdienstbaarheid van uitweg te beschikken. Bijgevolg dienden de regels van vóór de wet van 1 maart 1978 te worden toegepast. Deze regels, in de interpretatie die de rechtspraak eraan gaf, lieten toe dat het voorwerp van uitoefening van de erfdienstbaarheid van uitweg en de wijze van uitoefening ervan, in tegenstelling tot de erfdienstbaarheid zelf, door verjaring konden worden verkregen. Na te hebben vastgesteld dat de wet de titel vormt waarop de erfdienstbaarheid steunt, hadden de appèlrechters aanvaard dat de eisers het voorwerp van uitoefening van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening ervan door verjaring konden verkrijgen, met name door de uitoefening van de erfdienstbaarheid gedurende dertig jaar vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 1978. Zij beslisten dat dit door een bezitsvordering (reïntegrande) kon worden beschermd.

Het arrest van 22 maart 2002 verklaart de voorziening tegen deze beslissing gegrond. Aangezien krachtens artikel 684 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 1 maart 1978, men zich inzake de wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg niet meer op de verjaring kan beroepen, kan een bezitsvordering met betrekking tot zo een erfdienstbaarheid niet meer worden toegelaten. Op basis van de uitdrukkelijke tekst van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek en de bedoeling van de wetgever, zoals die duidelijk blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 maart 1978, om een einde te stellen aan het onderscheid tussen het recht en de wijze van uitoefening ervan dat voorheen in de rechtsleer en rechtspraak werd gemaakt, bevestigt het Hof bijgevolg zijn vroegere rechtspraak [8] . Het Hof doet dit ook al maakt een belangrijk gedeelte van de rechtsleer voorbehoud bij de uitsluiting van de mogelijkheid om voor een wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg een reïntegrande in te stellen. De rechtsleer steunt zich hiervoor op de vaststelling dat in dat geval de wet een titel vormt die elke vorm van gedogen uitsluit.

• Rb. Leuven 14 juni 2000, T.B.B.R. 2001 (verkort), 109.

De vordering die ertoe strekt de omvang van de erfdienstbaarheid te bepalen zoals die in de titel vastgelegd is en in functie daarvan na te gaan of er sprake is van een inbreuk op art. 701 B.W., is geen bezitsvordering.
Het gaat om een eigendomsvordering, het horen erkennen van een zakelijk recht, en niet enkel om in het bezit hersteld te worden.

Een erfdienstbaarheid heeft wel degelijk nog nut voor een erf zelfs al zou er aan de andere zijde van het perceel een tweede toegang zijn. Dergelijke tweede toegang verhoogt immers de waarde en exploitatiemogelijkheden.

• Vred. Fontaine-l'Evêque 26 mei 2005, Rev. Dr. ULg. 2007, afl. 2, 273, noot BOUFFLETTE, S


Noot BOUFFLETTE, S., L'article 710bis du Code civil et la suppression partielle des servitudes du fait de l'homme


Het voorafgaand onderzoek van de titel tot vestiging van een erfdienstbaarheid van doorgang in het kader van een bezitsvordering maakt geen inbreuk uit op het wettelijk verbod op cumul van de bezitsvordering en de eigendomsvordering wanneer het gaat om de aard en de omvang van het bezit te bepalen.


Art. 710bis B.W. moet restrictief worden geïnterpreteerd: een door de mens gevestigde erfdienstbaarheid kan niet worden afgeschaft als ze een actueel, toekomstig of potentieel nut behoudt, hoe klein ook, zowel vanuit een economisch standpunt als louter voor het genoegen.
Het bestaan van een muur die de toegang tot het heersende erf verhindert, heeft niet voor gevolg dat de erfdienstbaarheid van doorgang al haar nut verliest, in de mate dat deze muur op elk ogenblik kan worden doorboord of afgebroken om toegang te verstrekken tot het heersende erf.

Een ketting die door de eigenaars van het dienstbare erf aan de ingang van de doorgang wordt gehangen, verhindert de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet, wanneer deze ketting enkel dient om de doorgang symbolisch te sluiten en gemakkelijk kan worden losgemaakt.
De erfdienstbaarheid van doorgang en het recht om zijn erf af te sluiten zijn niet onverenigbaar: de eigenaars van het dienstbare erf mogen een automatische poort of een bareel plaatsen aan de ingang van de erfdienstbaarheid van doorgang voor zover de begunstigde ervan over een sleutel of over een afstandsbediening beschikt waarmee deze kan worden geopend.

• Vred. Aarlen 20 november 1981, J.L. 1982, 232, noot HANSENNE, J.

Indien bezits- en eigendomsvordering samen voor de rechter gebracht zijn mogen deze niet worden gecumuleerd. De rechter dient vooraf de bezitsvordering te beslechten.
De bezitsvordering is mogelijk voor de wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg.


 


wettelijke bepalingen Bron: Burgerlijk Wetboek

Art. 682. <W 01-03-1978, art. 1> § 1. De eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, kan, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken.
§ 2. De vordering tot toewijzing van een uitweg is onverjaarbaar.
§ 3. Bij stilzitten van de eigenaar kan de gebruiker van het erf dat zich bevindt in de toestand beschreven in § 1, onder dezelfde voorwaarden een uitweg vorderen, mits hij de eigenaar in de zaak roept.
Art. 683. <W 01-03-1978, art. 1> De ligging van de uitweg wordt door de rechter bepaald op zulk een wijze dat hij het minst schadelijk is.
Indien de ingeslotenheid evenwel het gevolg is van de splitsing van een erf na verkoop, ruiling, verdeling of enige andere omstandigheid, kan de uitweg slechts verleend worden over de percelen die voor de splitsing tot dat erf behoorden, tenzij de openbare weg op die wijze niet voldoende bereikbaar is. De rechter oordeelt naar billijkheid.
Art. 684. <W 01-03-1978, art. 1> De verleende uitweg houdt op, wanneer hij niet meer noodzakelijk is naar het voorschrift van artikel 682, § 1, of wanneer hij kan genomen worden op een andere plaats, die minder schadelijk is geworden dan de aangewezen ligging.
Men kan zich op geen verjaring beroepen, hoelang de uitweg ook moge bestaan.
De vordering tot afschaffing of tot vetplaatsing van de uitweg kan worden ingesteld door de eigenaar of bij stilzitten van deze door de gebruiker van het heersend of het lijdend erf. De gebruiker dient de eigenaar in de zaak te roepen.
Wanneer de uitweg wordt afgeschaft kan de rechter, in acht genomen de duur van het recht en de geleden schade, de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de ontvangen vergoeding bevelen.
Art. 685. <W 01-03-1978, art. 1> De vordering tot vergoeding, in het geval van artikel 682, is vatbaar voor verjaring en de uitweg moet blijven bestaan, hoewel de vordering tot vergoeding niet meer ontvankelijk is.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: wo, 23/06/2010 - 21:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.