Het Grondwettelijk Hof en samenloop van grondrechten na Melki en Chartry
De eerbiediging van de grondrechten wordt gewaarborgd door de hoven en rechtbanken. Wanneer gronrechten een schendingen uitmaken van zowel de Grondwet als de Europese of internationale verdragen zal de betwisting steeds door het Grondwettelijk Hof beslecht worden.
De gewone rechtbanken, lees de hoven, rechtbanken en administratieve rechtscolleges dienen de wet en de rechtsregels te onderwerpen aan de toest van de internationale verdragen over mensenrechten met directe werking.
In tegenstelling tot het grondwettelijk hof, kunnen de hoven en rechtbanken geen wetten vernietigen.
Wanneer de hoven en rechtbanken een schending van de grondrechten vaststellen dienen ze te beslissen om de betrokken rechtsregels niet toe te passen.
Wordt de schending van een grondrecht ingeroepen die op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, dan dienen de hoven en rechtbanken daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
Deze verplichting tot prejudiciële vraagstelling geldt enkel indien er sprake is van gehele of gedeeltelijke analoge grondrechten.
Geheel analoge grondrechten zijn grondrechten met
- een gelijk toepassingsgebied,
- een gelijke draagwijdte
- en gelijke beperkingsvoorwaarden.
Gedeeltelijk analog grondrechten zijn grondrechten.
Uitzonderingen:
De hoven en rechtbanken dienen geen prejudiciële vraag aan het grondwettelijk Hof te stellen wanneer de rechtbank of het hof vaststelt:t
- de grondwet overduidelijk niet geschonden is
- in een arrest van een internationaal rechtscollege of het grondwettelijk hof reeds werd aangetoond dat de bepaling uit het Europees of internationaal rech, respectievelijk de grondwet klaarblijkelijk geschonden is;
- het rechtscollege niet bevoegd is of de vordering niet ontvankelijk is);
- het Grondwettelijk Hof al een uitspraak heeft gedaan over een identieke vraag;
- het hof of de rechtbank in eerste aanleg gevat is en oordeelt dat een antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om een uitspraak te doen.
- spoedeisende vorderingen waarbij de uitspraak maar een voorlopig karakter heeft
- bij de beoordeling over de handhaving van een voorlopige hechtenis
België
Europa
Europese Unie
|
Handvest van de grondrechten (18 december 2000) |
Raad van Europa
|
Europees Sociaal Handvest (18 oktober 1961) |
|
|
Herzien Europees Sociaal Handvest (3 mei 1996) |
|
|
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (4 november 1950) |
Verenigde Naties
|
Universele verklaring van de rechten van de mens (10 december 1948). De verbintenissen worden in twee verdragen gepreciseerd:
|
|||||
|
Verdrag inzake de rechten van het kind (20 december 1989) |
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Link rubrieken:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- login of registreer om te reageren
-

Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
