-A +A

Hier spreekt men Nederlands! – Een kritische analyse van de voorrangsregeling voor Nederlandstaligen in het Brusselse onderwijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Lievens J.
Auteur: 
Vernimmen J.
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
82
Samenvatting

In beginsel is het Nederlandstalige onderwijs in Brussel toegankelijk voor iedereen: Nederlandstalige kinderen kunnen er net zo goed terecht als niet-Nederlandstalige.

Om te vermijden dat een principieel recht op inschrijving het Nederlandstalige karakter van deze scholen zou kunnen ondermijnen, werd een voorrangsregeling voor Nederlandstaligen uitgewerkt, die in de loop der jaren stelselmatig is bijgesteld.

Deze bijdrage geeft een overzicht van de opeenvolgende voorrangsregelingen en focust vervolgens op de vraag of de huidige voorrangsregeling wel te verzoenen is met het recht op onderwijs en het gelijkheidsbeginsel

Inhoudstafel tekst: 

I. Geschiedenis: van gelijke kansen tot voorrang voor kinderen van Nederlandstaligen

A. Het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I van 2002
B. Voorrang voor Nederlandstaligen in Brussel in de decreten van 2004 en 2005
C. De vereiste taalkennis van de ouders in het decreet van 2010
D. Een verhoging van het taalniveau in het decreet van 2014

II. Toetsing aan het recht op onderwijs en het gelijkheidsbeginsel
A. Het criterium voor de voorrangsregeling: taalkennis van het kind of van de ouders?
B. Nagestreefde doelstellingen: legitiem en pertinente maatregel?
C. Noodzakelijk en evenredig
1° Overgangsmaatregel voor reeds ingeschreven leerlingen en hun broers en zussen
2° Geen vereist taalniveau hoger dan B2
3° Toegang tot onderwijs gevrijwaard
4° Ruimte voor billijk aandeel van noch Nederlandstalige noch Franstalige kinderen
D. Schending van het recht van de Europese Unie?

III. Conclusie
Bronverwijzingen
• Arbitragehof 8 oktober 2003, nr. 131/2003
• GwH 16 februari 2017, nr. 19/2017, verder in dit nummer opgenomen.
• GwH 18 januari 2012, nr. 7/2012.
• M. Poesen-Vandeputte, «Het nieuwe inschrijvingsdecreet: succesfactoren voor sociale mix», TORB 2012-13, (316) 323-324
• B. Steen, «Elk kind heeft recht op onderwijs in de school naar keuze ... of toch niet?», TJK 2002, (252) 258;
•R. Verstegen, «Algemene analyse. Gelijke onderwijskansen in de Vlaamse Gemeenschap. Verkenning van enkele principiële vragen», TORB 2003-04, (284) 291-294;
• S. Yildirim, «De fundamentele uitdagingen van het gelijke-onderwijskansenbeleid», TORB 2004-05, (87) 87-90;
• C. Oliha, «Een terugblik op anderhalf jaar GOK-decreet en de werking van de LOP’s», TORB 2003-04, (401) 401-402;
• H. De Smedt, «Reflecties vanuit het Regionaal Integratiecentrum te Brussel bij het gelijkekansendecreet», TORB 2003-04, (396) 400.
• F. Ornelis en B. Steen, «Het inschrijvingsrecht in het Vlaamse leerplichtonderwijs: hoeksteen of struikelsteen voor meer gelijke onderwijskansen?», CDPK 2004, (183) 200.
• R. Verstegen, «De problematiek van het inschrijvingsrecht in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel-Hoofdstad. Een juridische verkenning en een voorstel», TORB 2003-04, (328) 328-341.
• B. Verbeeck, «Het Gelijke Onderwijskansendecreet: bijsturing of hertekening?», TJK 2005, (164) 165.
• S. Sottiaux, Grondwettelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 315-322.
• GwH 16 februari 2017, nr. 19/2017,
• GwH 18 januari 2012, nr. 7/2012,
• GwH 8 december 2004, nr. 196/2004
• GwH 21 februari 2007, nr. 27/2007,

Weergave van het arrest van het Grondwettellijk Hof aanleiding van deze bijdrage:

Grondwettelijk Hof, 16/02/2017, RW 2017 - 2018 (81 92

samenvatting

Art. 110/5 van de Codex Secundair Onderwijs, zoals gewijzigd bij art. III.13, 1° van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV, houdt geen schending in van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel in zoverre deze bepaling, om aanspraak te kunnen maken op de voorrangsregeling voor Nederlandstaligen in het Brusselse Gewest, het niveau van de taalkennis dat van een van de ouders wordt vereist, heeft verhoogd van niveau B1 naar B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

tekst arrest

Arrest nr. 19/2017

Onderwerp van de beroepen

a) Bij verzoekschrift (...) is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel III.13 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV (wijziging van art. 110/5 van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs), (...) door (...).

b) Bij verzoekschrift (...) is door dezelfde verzoekers, (...) beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artt. 2 en 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 december 2014 «houdende wijziging van de Codex Secundair Onderwijs, wat het recht op inschrijving betreft» (...).

c) Bij verzoekschrift (...) is door dezelfde verzoekers, (...), beroep tot vernietiging ingesteld van artt. 2 en 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 november 2015 «houdende wijziging van artikel 110/5 van de Codex Secundair Onderwijs, wat het recht op inschrijving betreft» (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2015).

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6173, 6181 en 6379 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

...

In rechte

...

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6173 vorderen de vernietiging van art. III.13 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV (hierna: decreet van 25 april 2014), dat bepaalt:

«In artikel 110/5 van [de Codex Secundair Onderwijs], ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:

1° in § 2, 3°, wordt het woord «B1» vervangen door het woord «B2» ;

2° aan paragraaf 2 wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:

«c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;»;

3° in paragraaf 2 wordt het vierde punt opgeheven en wordt het vijfde punt hernummerd tot het vierde punt;

4° in paragraaf 3 worden in het derde lid de woorden «artikel 110/9, § 1» vervangen door de woorden «artikel 110/9»;

5° in paragraaf 3 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:

«Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.»»

B.1.2. Als gevolg van de wijzigingen bij het decreet van 25 april 2014 bepaalt art. 110/5 van de Codex Secundair Onderwijs:

«§ 1. Een schoolbestuur verleent, in voorkomend geval met behoud van de toepassing van artikel 110/3 en 110/4, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

«§ 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is:

1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:

a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;

4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

«§ 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

«Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55% leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.

«Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus vermeld in artikel 110/9.

«Het LOP maakt het overeengekomen percentage en de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.

«Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.

«§ 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, als vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, als vermeld in artikel 110/7, § 3, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3, bereikt is.»

B.1.3. Het decreet van 25 april 2014 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 september 2014. Het bestreden art. III.13 van dat decreet is krachtens art. III.73 ervan in werking getreden op 1 september 2014.

B.1.4. Uit de grieven die de verzoekende partijen aanvoeren, blijkt dat hun beroep enkel strekt tot vernietiging van de vervanging, door art. III.13, 1° van het decreet van 25 april 2014, van «B1» door «B2» in art. 110/5, § 2, 3° van de Codex Secundair Onderwijs.

B.2.1. Dezelfde verzoekende partijen vorderen in de zaak nr. 6181 ook de vernietiging van art. 2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 december 2014 «houdende wijziging van de Codex Secundair Onderwijs, wat het recht op inschrijving betreft» (hierna: «decreet van 19 december 2014»), dat aan het voormelde art. 110/5, § 2 van de Codex Secundair Onderwijs een 5° toevoegt, dat bepaalt:

«5° voor inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016 door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:

a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid.»

B.2.2. Het eveneens in de zaak nr. 6181 bestreden art. 3 van het decreet van 19 december 2014 bepaalt dat dit decreet in werking treedt op 1 januari 2015.

B.3.1. Bij art. 2 van het in de zaak nr. 6379 door dezelfde verzoekende partijen bestreden decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 november 2015 «houdende wijziging van art. 110/5 van de Codex Secundair Onderwijs, wat het recht op inschrijving betreft» (hierna: «decreet van 13 november 2015»), is in het in overweging B.2.1 vermelde art. 110/5, § 2, 5° van die Codex de zinsnede «voor het schooljaar 2015-2016» vervangen door de zinsnede «die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016 of het schooljaar 2016-2017».

B.3.2. Het eveneens in de zaak nr. 6379 bestreden art. 3 van het decreet van 13 november 2015 bepaalt dat dit decreet in werking treedt op 1 november 2015.

B.3.3. Bij decreet van 25 november 2016 «houdende wijziging van art. 110/5 van de Codex Secundair Onderwijs, wat het recht op inschrijving betreft», werd in art. 110/5, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs in het 5°, toegevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 13 november 2015, tussen de zinsnede «of het schooljaar 2016-2017» en het woord «door» de zinsnede «of het schooljaar 2017-2018» ingevoegd.

Ten gronde

Wat betreft het eerste en het derde middel in de zaak nr. 6173 en het enige middel in de zaken nrs. 6181 en 6379

B.4.1. De bestreden bepalingen maken deel uit van de voorrangsregels die van toepassing zijn op de inschrijvingen in het Nederlandstalige secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

B.4.2. Bij het bepalen van die voorrangsregels in de artt. 110/1 e.v. van de Vlaamse Codex Secundair onderwijs heeft de decreetgever met verschillende bekommernissen rekening gehouden, zoals de aanwezigheid in de school van kinderen van dezelfde leefeenheid, van kinderen uit kansarme gezinnen of van kinderen van personeelsleden van de school. De decreetgever heeft eveneens bepaald dat een schoolbestuur in voorkomend geval voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voorrang verleent aan de leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

B.4.3. Het bewijs dat de ouder het Nederlands voldoende machtig is, kan op verschillende manieren worden geleverd. Vóór de totstandkoming van de bestreden bepalingen kon dat onder meer door het voorleggen van het bewijs dat de ouder het Nederlands beheerst op minstens niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Door de bestreden bepalingen wordt voortaan het taalniveau B2 vereist. Overeenkomstig art. 110/5, § 2, 5° van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs, toegevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 13 november 2015 en 25 november 2016, gelden de nieuwe voorwaarden niet voor het schooljaar 2015-2016, voor het schooljaar 2016-2017 en voor het schooljaar 2017-2018.

B.4.4. Het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen is dat wat wordt bereikt door de onafhankelijke gebruiker wanneer hij de belangrijkste punten kan begrijpen uit duidelijke standaardteksten over vertrouwde zaken die regelmatig voorkomen op het werk, op school en in de vrije tijd, wanneer hij zich kan redden in de meeste situaties die kunnen optreden tijdens reizen in gebieden waar de taal wordt gesproken, wanneer hij een eenvoudige lopende tekst kan produceren over onderwerpen die vertrouwd of die van persoonlijk belang zijn, en ten slotte wanneer hij een beschrijving kan geven van ervaringen en gebeurtenissen, dromen, verwachtingen en ambities en kort redenen en verklaringen kan geven voor meningen en plannen (Raad van Europa, Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen: Leren, Onderwijzen, Beoordelen, Nederlandse Taalunie, Den Haag, 2008, http://taalunieversum.org/onderwijs/gemeenschappelijk_europees_referenti..., p. 26).

De onafhankelijke gebruiker bereikt daarentegen het niveau B2 wanneer hij de hoofdgedachte van een ingewikkelde tekst kan begrijpen, zowel over concrete als over abstracte onderwerpen, met inbegrip van technische besprekingen in het eigen vakgebied, wanneer hij zo vloeiend en spontaan kan reageren dat een normale uitwisseling met moedertaalsprekers mogelijk is, zonder dat dit voor een van de partijen inspanning met zich meebrengt, en ten slotte wanneer hij een duidelijke, gedetailleerde tekst kan produceren over een breed scala van onderwerpen, een standpunt over een actuele kwestie kan uiteenzetten en daarbij kan ingaan op de voor- en nadelen van diverse opties (ibid.).

B.5.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6173 betogen de verzoekende partijen dat art. 110/5, § 2, 3° van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs – dat van minstens één van de ouders die de voorrangsregeling willen genieten bij de inschrijving van hun kind(eren) in het Nederlandstalige secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voortaan een taalkennis van het niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen vereist – een discriminerend verschil in behandeling zou invoeren inzake het recht op onderwijs, tussen kinderen die dankzij hun vorige schoolloopbaan weliswaar het Nederlands machtig zijn maar van wie geen van de ouders het Nederlands machtig is op het niveau B2 en kinderen die – ongeacht hun kennis van het Nederlands – wel minstens één ouder hebben die het Nederlands op dat niveau machtig is.

Aldus zou die bepaling een schending inhouden van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals vervat in de artt. 10, 11, 24, § 4, en 191 Gw. en in art. 2, tweede lid, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op onderwijs zoals gewaarborgd in art. 24 Gw., in art. 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en in art. 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

B.5.2. In het tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling om dezelfde reden een schending zou inhouden van de artt. 10, 11, 24, § 4 en 191 Gw., gelezen in samenhang met het standstill-beginsel vervat in art. 13, eerste en tweede lid, b) van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

B.5.3. In het derde middel in de zaak nr. 6173 betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling een schending zou inhouden van de artt. 10, 11, 24, § 4, en 191 Gw., gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, doordat het de voorwaarden die aan de ouders worden gesteld, wijzigt tijdens het studietraject van het kind, dat mogelijk al gedurende negen jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd vóór de ouders het wensen in te schrijven in het Nederlandstalige secundair onderwijs.

B.5.4. In het enige middel in de zaak nr. 6181 voeren de verzoekende partijen aan dat de overgangstermijn die door de artt. 2 en 3 van het decreet van 19 december 2014 wordt gelaten aan de ouders om het vereiste niveau B2 te halen, onvoldoende lang is en zodoende een schending zou inhouden van de artt. 10, 11, 24, § 4 en 191 Gw., gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

B.5.5. In de zaak nr. 6379 wordt hetzelfde middel aangevoerd tegen de artt. 2 en 3 van het decreet van 13 november 2015.

...

B.6.1. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de kritiek van de verzoekende partijen in de eerste plaats gericht is tegen de keuze van de decreetgever om bij de voorrangsregeling voor de inschrijvingen in het Nederlandstalige secundair onderwijs in Brussel-Hoofdstad een voldoende kennis van het Nederlands van één van de ouders in aanmerking te nemen, maar bij die voorrangsregels geen rekening te houden met de kennis van het Nederlands van het kind.

B.6.2. Hiermee stellen de verzoekende partijen evenwel een beleidskeuze ter discussie die niet werd gemaakt door de bestreden bepalingen, maar die wel reeds is vervat in het decreet van 28 juni 2002 «betreffende gelijke onderwijskansen – I», gewijzigd bij decreet van 15 juli 2005. In zoverre de verzoekende partijen die keuze bekritiseren, is hun beroep niet ontvankelijk.

Het Hof kan in het kader van de huidige beroepen tot vernietiging enkel onderzoeken of het recht op onderwijs op discriminatoire wijze wordt aangetast in zoverre bij art. 110/5, § 2, 3° van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs het niveau van de taalkennis dat van één ouder wordt vereist, werd verhoogd tot niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

B.7. Bij zijn arrest nr. 7/2012 van 18 januari 2012 heeft het Hof zich uitgesproken over de regeling die vervat was in art. VIII.11 van het decreet van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX, dat bepaalde dat de inrichtende machten voor een of meer van hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, in het gewoon basisonderwijs en in de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs een voorrang konden verlenen aan leerlingen die in het gezin met minstens één van de twee ouders het Nederlands spraken, op voorwaarde dat de thuistaal Nederlands met name werd aangetoond door het voorleggen van het bewijs dat vader of moeder het Nederlands beheerste minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, waarbij het bewijs van niveau B1 onder meer wordt geleverd op basis van een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont.

Bij dat arrest oordeelde het Hof:

«B.14.3. Te dezen strekt de bestreden bepaling, zoals wordt aangegeven in de verantwoording voor het amendement waaruit zij voortvloeit, weergegeven in B.3, ertoe het daadwerkelijke bewijs van het gebruik van het Nederlands in het gezin te waarborgen; de decreetgever heeft geoordeeld dat de vroegere regeling van de verklaring op eer niet volstond om de doelstellingen te waarborgen waarvoor die was ingevoerd, namelijk, zoals in dezelfde verantwoording wordt aangegeven, de Nederlandstalige Brusselse kinderen toelaten een Nederlandstalige school te vinden in de nabijheid van hun huis en een goede verhouding te verkrijgen tussen de leerlingen die thuis het Nederlands gebruiken en de anderstalige leerlingen.

«B.14.4. De bestreden bepaling is op zich niet van dien aard dat zij kan waarborgen dat die doelstellingen worden bereikt; er kan evenwel worden aangenomen dat het gebruik van het Nederlands in het gezin ertoe kan leiden dat die taal ook wordt gebruikt op school, dat aldus homogener wordt. De bestreden bepaling maakt het weliswaar niet mogelijk te voorkomen dat leerlingen die, om de ene of de andere reden – die bijvoorbeeld te maken heeft met hun vroegere schooltijd –, het Nederlands zouden kennen, geen prioritaire inschrijving kunnen verkrijgen wanneer geen van hun beide ouders kan voldoen aan de daarin gestelde eisen, noch voorkomen dat ouders die, om de ene of de andere reden, zouden voldoen aan die eisen maar het Nederlands niet in het gezin zouden gebruiken, hun kind bij prioriteit kunnen inschrijven in een door het decreet beoogde school, terwijl dat kind een onvoldoende kennis zou hebben van het Nederlands. De decreetgever, die tegelijk wordt geconfronteerd met de wensen van ouders die voor hun kinderen een onderwijsinrichting willen vinden waar de onderwijstaal de taal is die zij in het gezin gebruiken, met een grote verscheidenheid van situaties in de schoolbevolking en met de wens van de scholen over objectieve maatstaven te beschikken waardoor zij kunnen vermijden dat zij zelf over die situaties moeten oordelen (Parl.St. Vlaams Parlement 2009-10, nr. 526/4, p. 37), vermocht, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover hij beschikt, zoals aangegeven in B.14.2, ervan uit te gaan dat de bestreden bepaling adequaat is.

«De maatregel zou niet evenredig zijn indien de van de ouders geëiste bewijzen overdreven moeilijk voor te leggen zouden zijn; uit de verklaringen van de minister van Onderwijs tijdens de parlementaire voorbereiding (ibid., p. 37) blijkt evenwel dat zulks niet het geval is, zodat, onder dat voorbehoud, de bestreden bepaling niet kan worden geacht op discriminerende wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokkenen.»

B.8.1. De verhoging, door de bestreden bepaling, van het vereiste minimumniveau van taalkennis van minstens één ouder van niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen naar niveau B2, is het resultaat van de aanneming van een amendement van een aantal parlementsleden dat als volgt werd verantwoord: «Scholen ervaren de operationalisering van «minstens één ouder is het Nederlands voldoende machtig» – aangetoond aan de hand van documenten – om twee redenen als een positief element: het is een objectiever instrument dan de vroeger bestaande verklaring op eer en het geeft een duidelijk signaal aan ouders die hun kind inschrijven in het Nederlandstalig onderwijs dat een positief engagement ten aanzien van de Nederlandse taal verwacht wordt. Scholen geven echter ook aan dat ze het vroegere niveau B1 als onvoldoende ervaren om de communicatie met de ouders vlot te laten verlopen en om te spreken van een versterking van het Nederlandstalige karakter van het onderwijs in Brussel-Hoofdstad. De bestaande voorrangsperiode voor kinderen van wie minstens één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is (van minstens 55 %) blijft dan ook behouden. Ook de manier waarop ouders kunnen aantonen tot de voorrangsgroep te behoren, blijft grotendeels behouden. Enkel het niveau van het bewijs van de Nederlandse taalbeheersing wordt opgetrokken van niveau B1 naar niveau B2» (Parl.St. Vlaams Parlement 2013-14, nr. 2422/4, p. 9-10 en 39).

B.8.2. Tijdens de bespreking in de Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen verklaarde de minister van Onderwijs: «De wijzigingen komen er ook op vraag van het Brusselse onderwijs. Om de voorrangsgroep van personen die Nederlandstalig zijn in de enge zin van het woord, te detecteren is niveau B1 te laag en dus wordt de norm niveau B2. Hoewel de doelstelling is 55% voorrang voor Nederlandstaligen, heeft slechts 8% van de kinderen twee ouders die Nederlands spreken. De groep waarvan één van beide ouders Nederlands spreekt, is 25%. Bij zijn 21 bezoeken aan Brusselse scholen heeft de Minister van alle ouders gehoord dat zelfs mensen die amper Nederlands spreken, toch niveau B1 halen. De regeling wordt niet complexer, alleen het niveau wordt aangepast» (Parl.St. Vlaams Parlement 2013-14, nr. 2422/12, p. 32).

B.8.3. In de plenaire vergadering verklaarde de minister van Onderwijs: «Ik heb van mensen op het terrein vernomen dat er een probleem is met het niveau B1. Er passeren mensen met een B1-attest van het Huis van het Nederlands die eigenlijk geen Nederlands spreken of niet Nederlandstalig zijn. Het klopt niet dat die mensen gebruikmaken van een voorrangsregel voor Nederlandstaligen. Ik heb dan ook besloten dat niveau te verhogen. [...]. Nu we vaststellen dat het niveau B1 te laag is om echt als Nederlandstalige te worden beschouwd, verhogen we dit niveau. We hebben steeds gesteld dat het decreet betreffende het inschrijvingsrecht een evolutief decreet is. Dit betekent dat we het steeds aan de praktijk moeten aanpassen» (Hand. Vlaams Parlement, 23 april 2014, Plen., nr. 33, p. 68).

B.9.1. Om het aangeklaagde verschil in behandeling te verantwoorden in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gelezen in samenhang met de in het middel beoogde verdragsbepalingen en algemene beginselen, moet vaststaan dat het door de decreetgever nagestreefde doel legitiem is. Bovendien volstaat het niet dat dat verschil in behandeling zoals te dezen berust op objectieve criteria; er moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, dat onderscheid relevant is in het licht van het door de bestreden bepalingen nagestreefde doel en dat het niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokkenen.

B.9.2. Onder die rechten bevindt zich het recht op onderwijs, gewaarborgd bij art. 24, § 3 Gw. Het recht op onderwijs houdt evenwel niet een onvoorwaardelijk recht in voor de ouders om hun kinderen te doen inschrijven in de onderwijsinstelling van hun eerste keuze.

De overheid dient rekening te houden met tal van omstandigheden om het onderwijs te organiseren of te subsidiëren op de wijze die het meest aangewezen voorkomt. De decreetgever beschikt daarbij over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zonder afbreuk te kunnen doen aan het recht op kosteloos onderwijs tot het einde van de leerplicht, gewaarborgd bij art. 24, § 3 Gw. Het Hof dient er evenwel op toe te zien dat de keuzes die de decreetgever maakt in het kader van zijn onderwijsbeleid, geen onevenredige aantasting van de rechten van bepaalde categorieën van ouders en hun kinderen teweegbrengen.

B.10. Initieel was de decreetgever van oordeel dat een bewijs van de kennis van het Nederlands op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen kon volstaan om aan te tonen dat de ouder die taal voldoende machtig is. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, geven «scholen [...] echter ook aan dat ze het vroegere niveau B1 als onvoldoende ervaren om de communicatie met de ouders vlot te laten verlopen en om te spreken van een versterking van het Nederlandstalige karakter van het onderwijs in Brussel-Hoofdstad» (Parl.St. Vlaams Parlement 2013-14, nr. 2422/4, p. 9).

Zonder dat de draagwijdte dient te worden onderzocht van andere doelstellingen die in de in overweging B.8 aangehaalde parlementaire voorbereiding worden vermeld, zoals die bestaande in het beperken van de voorrangsgroep tot de «personen die Nederlandstalig zijn in de enge zin van het woord», volstaat het vast te stellen dat die twee doelstellingen legitiem zijn.

B.11.1. Volgens het decreet zijn er twee soorten mogelijkheden om het bewijs te leveren dat een ouder het Nederlands voldoende machtig is: hetzij op grond van de schoolloopbaan van die ouder in het Nederlandstalig onderwijs (art. 110/5, § 2, 1°, 2° en 4°, van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs), hetzij via een taaltest die het bewijs levert dat men het Nederlands beheerst op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen (art. 110/5, § 2, 3°, van dezelfde Codex).

B.11.2. Wanneer de decreetgever, na een evaluatie van de voorheen bestaande regelgeving, vaststelt dat de taalkennis van minstens één ouder, die beantwoordt aan het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, en die kan worden bewezen aan de hand van onder meer een taaltest in het Huis van het Nederlands, niet volstaat om de voormelde doelstellingen te bereiken, neemt hij een pertinente maatregel door dat niveau te verhogen.

B.12.1. De bestreden voorrangsregeling ontzegt jongeren niet het recht op onderwijs. Ze regelt enkel de voorrang bij de inschrijvingen in secundaire scholen waar meer gegadigden dan vrije plaatsen zijn. Volgens de gegevens die de Vlaamse Regering aan het Hof heeft verstrekt, zijn er thans in het Nederlandstalige secundair onderwijs in Brussel-Hoofdstad in zijn geheel genomen voldoende plaatsen beschikbaar. Aldus brengt de voorrangsregeling de toegang zelf tot het Nederlandstalige secundair onderwijs niet in gevaar. Wie als gevolg van de bestreden voorrangsregeling niet kan worden ingeschreven in een bepaalde Nederlandstalige school die de voorkeur van zijn ouder(s) geniet, zal met behulp van het lokaal overlegplatform worden doorverwezen naar een andere Nederlandstalige school.

B.12.2. De bestreden bepaling legt geen verplichte kennis van de Nederlandse taal op aan de ouders die hun kind willen inschrijven in het Nederlandstalig onderwijs, maar wil enkel voorrang verlenen aan de kinderen uit gezinnen waarvan ten minste één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is.

B.12.3. De voorrangsregeling voor de kinderen van ouders die de vereiste kennis van het Nederlands kunnen aantonen, is in beginsel begrensd tot 55 % van de beschikbare plaatsen, zodat diegenen die niet aan die voorwaarde voldoen, in aanmerking komen voor de 45 % resterende plaatsen en, wanneer minder dan 55 % van de beschikbare plaatsen wordt ingenomen door kinderen van ouders die aan de in art. 110/5, § 2 van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs gestelde vereisten voldoen, voor de aldus vrijgekomen plaatsen.

In dat opzicht heeft het Hof in overweging B.21.5 van zijn voormelde arrest nr. 7/2012 geoordeeld: «Het lokaal overlegplatform Brussel kan de beslissing om een voorrangspercentage vast te stellen dat hoger is dan 55 % enkel nemen in uitzonderlijke omstandigheden op grond van objectieve en gemotiveerde gegevens die die noodzaak aantonen. Gelet op het feit dat in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad schoolplichtige kinderen woonachtig zijn van wie de ouders noch het Nederlands, noch het Frans als thuistaal hebben, dient het lokaal overlegplatform er ook over te waken dit percentage niet op een zodanig hoog niveau te bepalen dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap niet zouden zijn gehouden een billijk deel van die kinderen op te vangen.»

Bovendien dient in elke school, ter uitvoering van art. 110/7 van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs, ook 25 % van de plaatsen gereserveerd te worden voor kinderen uit kansarme gezinnen.

B.12.4. Voorts geldt de bestreden bepaling volgens art. 110/5, § 3, laatste lid van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs niet voor een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling en van wie één van de ouders op het ogenblik van de inschrijving de kennis van het Nederlands op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen kon aantonen.

B.12.5. Bovendien geldt ingevolge de wijzigingen bij de decreten van 19 december 2014, 13 november 2015 en 25 november 2016 de nieuwe taalvereiste in elk geval niet voor de inschrijvingen voor de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018, zodat drie jaar de tijd wordt gelaten aan de ouders die het vereiste attest wensen te behalen.

B.12.6. Ten slotte doet de voorrangsregeling evenmin afbreuk aan het recht op toegang tot het middelbaar onderwijs en gaat zij niet in tegen het doel van geleidelijke invoering van de kosteloosheid van dat onderwijs, gewaarborgd bij de artt. 2 en 13, eerste en tweede lid, b) van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

B.12.7. De maatregel zou evenwel onevenredig zijn indien hij zou vereisen dat minstens een van de ouders het bewijs voorlegt dat hij het Nederlands machtig is op een minimumniveau dat hoger is dan niveau B2. Hij zou eveneens onevenredig zijn indien dat bewijs overdreven moeilijk voor te leggen zou zijn, wat in voorkomend geval door de bevoegde rechter moet worden gecontroleerd. Onder dat voorbehoud doen de bestreden bepalingen, ten aanzien van de ouders en de leerlingen die niet behoren tot de bestreden voorrangscategorie, niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten die zijn gewaarborgd bij de in overweging B.5 vermelde grondwets- en verdragsbepalingen.

B.13. Onder voorbehoud van wat in overweging B.12.7 is vermeld, zijn het eerste en het derde middel in de zaak nr. 6173 en het enige middel in de zaken nrs. 6181 en 6379 niet gegrond.

Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 6173

B.14. De verzoekende partijen voeren een middel aan afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zoals vervat in de artt. 10, 11, 24, § 4, en 191 Gw., gelezen in samenhang met, enerzijds, de bepalingen van het recht van de Europese Unie inzake het vrij verkeer van personen en het burgerschap van de Europese Unie (artt. 18, 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: «VWEU»)) en, anderzijds, de artt. 45 en 49 van het VWEU, alsook de artt. 22 en 24 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 «betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG», alsook met het recht op onderwijs, de vrijheid om een beroep uit te oefenen en het recht om te werken, het recht om niet te worden gediscrimineerd, het beginsel van respect voor culturele en taalkundige verscheidenheid, en de vrijheid van verkeer en van verblijf, gewaarborgd bij de artt. 14, 15, 21, 22 en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het Unierecht.

Volgens de verzoekende partijen belemmert de bestreden bepaling in aanzienlijke mate de toegang tot het Nederlandstalige secundair onderwijs te Brussel voor kinderen van personen die niet over het vereiste niveau van kennis van het Nederlands beschikken, zelfs indien die kinderen zelf het Nederlands voldoende beheersen en reeds basisonderwijs hebben genoten in die taal. Kinderen van Nederlandstalige burgers van de Europese Unie en kinderen van anderstalige burgers van de Europese Unie zouden bijgevolg geen gelijke toegang hebben tot het Nederlandstalige secundair onderwijs te Brussel, ongeacht de taalkennis waarover het kind zelf beschikt.

...

B.16. Zoals reeds naar aanleiding van het eerste en het derde middel in de zaak nr. 6173 en het enige middel in de zaken nrs. 6181 en 6379 is vermeld, kan het Hof in het kader van de huidige beroepen tot vernietiging enkel onderzoeken of de in het middel aangehaalde rechten en vrijheden op discriminatoire wijze worden aangetast in zoverre bij art. 110/5, § 2, 3° van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs het niveau van de taalkennis dat van één ouder wordt vereist, werd verhoogd tot niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

Ook in het tweede middel blijkt de kritiek van de verzoekende partijen in de eerste plaats gericht te zijn tegen de keuze van de decreetgever om bij de voorrangsregeling voor de inschrijvingen in het Nederlandstalige secundair onderwijs in Brussel-Hoofdstad een voldoende kennis van het Nederlands van één van de ouders in aanmerking te nemen, maar bij die voorrangsregels geen rekening te houden met de kennis van het Nederlands van het kind.

Hiermee stellen de verzoekende partijen evenwel een beleidskeuze ter discussie die niet werd gemaakt door de bestreden bepalingen, maar die wel reeds is vervat in het decreet van 28 juni 2002 «betreffende gelijke onderwijskansen – I» en die sindsdien bij de opeenvolgende onderwijsdecreten werd behouden. In zoverre de verzoekende partijen die keuze bekritiseren, is hun beroep niet ontvankelijk.

B.17. Bovendien doet de bestreden regeling geen afbreuk aan de in het middel aangehaalde rechten en vrijheden en houdt zij enkel een voorrangsregeling in voor een bepaald percentage van de inschrijvingen voor de Nederlandstalige secundaire scholen in Brussel-Hoofdstad, met een overgangsperiode voor de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018.

Die regeling geldt immers ongeacht of de betrokken personen de Belgische of enige andere nationaliteit hebben en heeft noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks tot doel of tot gevolg enige discriminerende belemmering in te voeren ten aanzien van de in het middel aangevoerde Europeesrechtelijke rechten en vrijheden. Die rechten en vrijheden gaan niet zover dat daaruit een onbeperkt recht zou voortvloeien om kinderen in te schrijven in een school van de eerste keuze, welk recht overigens evenmin is gewaarborgd aan de Belgische ouders en hun kinderen die zouden opteren voor het secundair onderwijs in Brussel-Hoofdstad dat wordt georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Voorts is onderwijs een beleidsmaterie die volgens art. 165, eerste lid, eerste alinea van het VWEU is voorbehouden aan de lidstaten, die verantwoordelijk zijn voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid. Aldus beschikken de lidstaten ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid.

B.18. Subsidiair wensen de verzoekende partijen dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen zouden worden gesteld.

Wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig art. 267, derde alinea van het VWEU, ertoe gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld «dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken Gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan» (HvJ 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21).

Nu aan die laatste voorwaarde is voldaan, is er geen noodzaak de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

B.19. Het tweede middel is niet gegrond.

...

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 08/09/2017 - 14:09
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 07:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.