-A +A

Rechtsmisbruik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam mens; dit is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft; bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

exemplatieve lijst:



1. handelen met het exclusief oogmerk om te schaden;

2. handelen zonder een redelijk en voldoende belang, terwijl men schade berokkent;

3. indien er verschillende uitoefeningswijzen zijn met eenzelfde nut om het recht uit te oefenen, die uitoefening van zijn recht kiezen die het meest schadelijk is of die het algemeen belang schaadt en ten slotte

4. het proportionaliteitscriterium, d.i. wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of heeft verkregen. 



Rechtsmisbruik wordt gesanctioneerd door het opleggen van de normale uitoefening van het recht of in het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht, Hierbij kan de rechter matigingend optreden. 

De Vordering op grond van rechtsmisbruik.

Wanneer iemand van zijn recht gebruik maakt met de bedoeling een ander schade toe te brengen, waarbij deze schade disproportioneel is met het behaalde voordeel, spreekt men van rechtsmisbruik. De rechter oordeelt of de gemiddelde modale burger in een zelfde omstandigheid een zelfde beslissing zou hebben genomen.

De burgers in een rechtstaat hebben bevoegdheden waar ze naar eigen inzicht gebruik kunnen van maken. Toch kan de rechter een bepaald gebruik van deze rechten verbieden, wanneer hij vaststelt dat geen gebruik, maar een misbruik van recht wordt uitgeoefend.

De rechter toetst een ingeroepn  rechtsmisbruik aan de matigende werking van de goede trouw versus de wilsautonomie op een omzichtige wijze, zonder zijn eigen oordeel in de plaast te stellen van de partijen en met respect voor de vrije invulling van het contract door de partijen, dan wel de wjze waarop ze hun rechten utoefenen. De rechter beschermt enkel tegen de misbruiken en uitspattingen van het wilde contractuele liberalisme.

Voorbeeld:

art. 544 B.W. Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen.

Het eigendomsrecht is een aldus een indifferente bevoegdheid

De rechter kan de uitoefening van het eigendomsrecht controleren door een bepaald gebruik als misbruik te bestempelen en dus te verbieden

Aldus:

• het gebruiken van een recht enkel om iemand anders te schaden, is verboden.

• wanneer de uitoefening van een recht aan een derde een onredelijk groot nadeel berokkent, gelet op het beoogde voordeel, wordt de uitoefening verboden (belangenafweging)

• wanneer de titularis van een recht m.b.t. de uitoefening van dit recht redelijke verwachtingen bij derden opwekt, moet hij deze verwachtingen honoreren het uitoefenen van zijn rechten tegen de geschapen verwachting in is niet geoorloofd.

voor een toepassingsvoorbeeld van rechtsmisbruik inzake de opzegging van een huurcontract na getolereerde huurachterstallen: klik hier

Rechtsmisbruik en openbare orde

Er kan rechtsmisbruik weerhouden worden, zelfs wanneer het recht zijn oorsprong vindt in de wet, en zelfs wanneer dit de openbare
orde raakt of van dwingend recht is (Cass. 22:09:2008).
 

Rechtspraak rechtsmisbruik

•• Cass. 17 mei 2002. Er kan sprake zijn van misbruik van recht als een recht zonder redelijk en voldoende belang wordt uitgeoefend, inzonderheid wanneer het berokkende nadeel buiten verhouding is met het door de houder van dat recht beoogde of verkregen voordeel. De rechter moet, bij de beoordeling van de in het geding zijnde belangen, met alle omstandigheden van de zaak rekening houden. Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van 15 maart 2002, C.01.0225.F);

•• Cassatie 8 februari 2001, A.C. 2001, nr. 78 Het beginsel van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, verbiedt een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. Rechtsmisbruik bij de uitvoering van overeenkomsten is de rechtsuitoefening op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van 1 februari 1996 (A.C. 1996, nr. 66)); 21 juni 2000, A.C. 2000, nr. 392 (gerechtelijk rechtsmisbruik); 11 juni 1992, A.C. 1991-92, nr. 534 (de sanctie op misbruik van recht bestaat niet in het verbeuren van dat recht, maar in het opleggen van de normale uitoefening ervan of in het herstel van de schade ten gevolge van dat misbruik); 5 maart 1984, A.C. 1983-84, nr. 374, Claeys Boúúaert, P., o.c., 988.

‘Sinds het arrest van het Hof van Cassatie dd. 10 september 1971 wordt door ons hoogste gerechtshof het criterium om uit te maken of er rechtsmisbruik is of niet, veelal als volgt omschreven : een recht wordt misbruikt, wanneer het wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon (A.C., 1972, 42) (T.P.R., Verbintenissenrecht, 1994,
p. 473).

Zoals men weet heeft het Hof van Cassatie de algemene maatstaf voor rechtsmisbruik -rechtsuitoefening die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale rechtsuitoefening door een zorgvuldig persoon- gepreciseerd in een aantal specifieke criteria nl. uitoefening van een recht met het uitsluitende oogmerk een ander te schaden, rechtsuitoefening zonder enig nut voor de titularis van dat recht, het feit dat de rechtstitularis zijn recht op verschillende wijzen met gelijk nut voor hemzelf kan uitoefenen en hij die wijze kiest die het meest nadelig is voor de ander en tenslotte de wanverhouding tussen het voordeel dat de rechtsuitoefening de titularis biedt en het nadeel dat daarmee aan een ander wordt berokkend. Vooral op dit laatste criterium wordt voor misbruik van contractuele rechten regelmatig beroep gedaan door het Hof vanCassatie.

Overwegende - aldus het Hof van Cassatie in het arrest van 19 september 1983 - dat, alhoewel het in artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer moeten worden gebracht, een contractpartij verbiedt misbruik te maken van de rechten die dit contract haar toekent, een dergelijk misbruik onderstelt dat, wanneer die partij, uitsluitend in haar eigen belang, gebruik maakt van een recht dat zij aan die overeenkomst ontleent, zij daaruit een voordeel trekt dat buiten verhouding is met de correlatieve last van de andere partij (Cass., 18 juni 1987, A. C., 1986-1987, 1441; Cass., 19 september 1983, A.C. ,1983-1984, 53-
54)'.
 

•• Cassatie 22 september 2008, www.juridat.be

"...6. In haar appelconclusies voerde de eiseres aan dat, ongeacht of aan de verweerders een fout kon worden tegengeworpen bij het onderzoek van de
getuigschriften, het instellen van de vordering tot terugbetaling in de gegeven omstandigheden misbruik van recht uitmaakte, omdat het berokkende nadeel bij de uitoefening van het recht tot terugbetaling buiten verhouding is tot het door de verweerders, houders van dat recht, beoogde of verkregen voordeel en dat de proportionaliteitsregel dient te worden toegepast, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.

De eiseres voerde tevens aan dat er wel sprake kan zijn van rechtsmisbruik, zelfs wanneer het recht zijn oorsprong vindt in de wet, en zelfs wanneer dit de openbare orde raakt.

7. Misbruik van recht kan voorhanden zijn, ook al raakt het bedoelde recht de openbare orde of is het van dwingend recht.

8. Door de aanvoeringen, vermeld in randnummer 6, te verwerpen op grond dat rechtsmisbruik niet kan leiden tot een beleid dat strijdig is met de wet, miskent het arrest het algemeen rechtsbeginsel in zake het verbod van rechtsmisbruik.

Het onderdeel is in zoverre gegrond..."

• rechtsmisbruik en nalatige of talmende eisers in de procedure

Rechtsverwerking is geen algemeen rechtsbeginsel en afstand van recht wordt niet vermoed doch dit belet niet dat op eisende partij als “meest naarstige” de verplichting rust haar vordering binnen een redelijke termijn te concretiseren en bij de tegenpartij niet de indruk te verwekken niet langer aan te dringen en zeker niet door het laten aanslepen van een zaak de verweerder de kansen op een ernstig verweer te ontnemen.

De rechtsvordering gaat wel verloren in geval het rechtssubject er afstand van doet, in geval van verjaring en indien de wet uitzonderingen bepaalt.

Bovendien kan de rechter, in geval van procesrechtsmisbruik, de uitoefening van de rechtsvordering beperken.

Dit is met name het geval indien het rechtssubject zijn rechtsvordering uitoefent of verder uitoefent zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten gaat.

Te dezen (• Cassatie 17 OKTOBER 2008) oordeelt de vrederechter dat:
- de eiseres, door bijna elf jaar nadat zij het geding inleidde voor het eerst conclusie te nemen en haar “stukkenbundel” aan de verweerster over te maken, het recht van verdediging van de verweerster heeft geschonden, nu deze over geen documenten van ruim tien jaar geleden meer beschikt en enkele betrokkenen niet meer kunnen worden gehoord;

- de eiseres, door als meest naarstige partij haar rechtsvordering niet binnen een redelijke termijn verder uit te oefenen, bij de verweerster de indruk heeft gewekt niet langer aan te dringen en deze laatste bovendien de kansen op een ernstig verweer heeft ontnomen;

- dergelijke wijze van procederen bovendien rechtsmisbruik uitmaakt, nu de lopende gerechtelijke interest beduidend hoger is dan de gemiddelde bankinterest en de schade die de verweerster hierdoor lijdt buiten proportie is
met de winst die de eiseres maakt.

Door aldus te oordelen, weegt de vrederechter de in het geding zijnde belangen tegen elkaar af en gaat hij na of de eiseres, door aldus haar rechtsvordering verder uit te oefenen, niet kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten gaat.

3. Het onderdeel, dat de vrederechter verwijt de verdere uitoefening van de rechtsvordering aan de eiseres te ontzeggen, zonder hierbij op een naar recht verantwoorde wijze procesrechtsmisbruik na te gaan, kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel gaat er van uit dat de vrederechter oordeelt dat de verdere uitoefening van de rechtsvordering van de eiseres, enkel wat betreft de gerechtelijke interest, procesrechtsmisbruik uitmaakt.

5. In de lijn van de onder randnummer 2 aangehaalde redenen oordeelt de vrederechter dat “dergelijke wijze van procederen” procesrechtsmisbruik uitmaakt, mede gelet op het aspect van de gerechtelijke interest.

Zodoende oordeelt de vrederechter niet dat de verdere uitoefening van de rechtsvordering van de eiseres, enkel wat betreft de gerechtelijke interest, procesrechtsmisbruik uitmaakt, maar betrekt hij het aspect van de gerechtelijke interest in zijn algemeen oordeel dat de eiseres procesrechtsmisbruik pleegt.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel gaat er van uit dat de vrederechter oordeelt dat de eiseres afstand heeft gedaan van het bedoelde subjectieve recht en de bij dit recht horende rechtsvordering.
7. Zoals blijkt uit voormelde randnummers 2 en 5, oordeelt de vrederechter niet in die zin.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

8. Het onderdeel gaat er van uit dat het oordeel van de vrederechter de vordering van de eiseres afwijst omdat zij het recht van verdediging van de verweerster heeft geschonden.

9. Zoals blijkt uit voormelde randnummers 2 en 5, oordeelt de vrederechter niet in die zin.
De vrederechter betrekt meer precies de bedoelde schending van het recht van verdediging in zijn algemeen oordeel dat de eiseres procesrechtsmisbruik pleegt.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

•• Cassatie 22 september 2008:

Misbruik van recht kan voorhanden zijn, ook al raakt het bedoelde recht de openbare orde of is het van dwingend recht  Zie Cass., 10 juni 2004, AR C.02.0039.N, A.C., 2004, nr 315

Het arrest dat de aanvoeringen dat sprake kan zijn van rechtsmisbruik, zelfs wanneer het recht zijn oorsprong vindt in de wet en zelfs wanneer dit de openbare orde raakt en dat het instellen van de vordering tot terugbetaling misbruik van recht uitmaakt omdat het berokkende nadeel bij de uitoefening van dit recht buiten verhouding is tot het door de houders van het recht beoogde of verkregen voordeel en dat de proportionaliteitsregel dient te worden toegepast, verwerpt op grond dat rechtsmisbruik niet kan leiden tot een beleid dat strijdig is met de wet, miskent het algemeen rechtsbeginsel in zake het verbod van rechtsmisbruik.


•• Hof van Beroep te Brussel 9 april 2003, RW 2008-2009, 1661:

«Aangezien (eiseres) aanspraak maakt op deze vergoedingen voor het langer uitblijven van de betalingen door (de verweerder), wat overigens tien jaar zonder formeel protest werd geduld en aanvaard, zij deze laattijdigheid niet zonder duidelijke voorafgaande nieuwe afspraken of ingebrekestellingen plotseling (kon) gaan beschouwen als een contractbreuk van (de verweerder), die de onmiddellijke ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigde», ...

«de plotse ontbinding door (de eiseres) dan ook ontijdig en foutief (was)» en «(de eiseres) de overeenkomst dan ook slechts te goeder trouw kon beëindigen door het betekenen van een redelijke opzeggingstermijn».

Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld en verworpen:

•  Cass. 20/10/2006, RW 2008-2009, 1661

«9. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, oordelen de appelrechters dat de eiseres, die de wanbetaling van de verweerder tien jaar lang zonder formeel protest duldde en aanvaardde en aanspraak maakt op tal van vergoedingen ingevolge de wanbetaling, deze wanbetaling niet zonder duidelijke voorafgaande nieuwe afspraken of ingebrekestellingen plotseling kon gaan beschouwen als grond tot onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst.

«10. Door op grond van die reden art. 11 van de algemene verkoopsvoorwaarden niet toe te passen, miskennen de appelrechters de verbindende kracht van de overeenkomst niet en schenden zij art. 1134 en 1183 B.W. niet.

«11. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen

Rechtsmisbruik is zelfs mogelijk door misbruik van rechten die de openbare orde raken

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 22 september 2008, RW 2010-2011, 1345

bvba D. t/ N.V.S.M. en L.C.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 mei 2005 gewezen door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge.

Gelet op het arrest van dit Hof van 5 maart 2007.

Gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2008.

...

III. Beslissing van het Hof

...

Derde middel

Eerste onderdeel

...

6. In haar appelconclusies voerde de eiseres aan dat, ongeacht of aan de verweerders een fout kon worden tegengeworpen bij het onderzoek van de getuigschriften, het instellen van de vordering tot terugbetaling in de gegeven omstandigheden misbruik van recht uitmaakte, omdat het berokkende nadeel bij de uitoefening van het recht tot terugbetaling buiten verhouding is tot het door de verweerders, houders van dat recht, beoogde of verkregen voordeel, en dat de proportionaliteitsregel dient te worden toegepast, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.

De eiseres voerde tevens aan dat er wel sprake kan zijn van rechtsmisbruik, zelfs wanneer het recht zijn oorsprong vindt in de wet, en zelfs wanneer dit de openbare orde raakt.

7. Misbruik van recht kan voorhanden zijn, ook al raakt het bedoelde recht de openbare orde of is het van dwingend recht.

8. Door de aanvoeringen, vermeld in randnummer 6, te verwerpen op grond dat rechtsmisbruik niet kan leiden tot een beleid dat strijdig is met de wet, miskent het arrest het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

...

Rechtsmisbruik is zelfs mogelijk door uitoefening van een recht gegrond op een rechterlijke beslissing door de uitoefening van dit recht voor andere doeleinden

• Cassatie, 13/01/2012, RW 2012-2013, 851

AR nr. C.11.0135.F

H. t/ L.

I. Rechtspleging van het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 9 november 2010....

III. Beslissing van het Hof...

Tweede onderdeel

Het bestreden arrest stelt vast dat, indien het hof van beroep in zijn arrest van 16 december 2009 “een termijn van vier maanden heeft vastgelegd om de akte van overdracht te verlijden waarna de openbare verkoping wordt bevolen, dit uitsluitend gebeurd is wegens de bijzondere motivering die aan die beslissing voorafgaat en om te antwoorden op de conclusie van [de eiseres] die staande hield dat [de verweerder] vertragingsmanoeuvres uitvoerde en dat de vereffening al lang genoeg had aangesleept” en dat “de termijn van vier maanden dus was ingesteld om de vereffening van de onverdeeldheid die [de eiseres] in felle bewoordingen vorderde, sneller te doen verlopen”.

Op grond van die vaststelling overweegt het bestreden arrest dat “[de eiseres] thans zelf de afwikkeling van die zaak zou willen uitstellen, ook al zijn de voorwaarden van het arrest [van 16 december 2009] vervuld, namelijk het onderzoek door de notaris van een eventuele herziening waarvoor hij geen redenen aanwezig achtte” en dat “er thans sprake zou zijn van misbruik van recht als er zou worden aangevoerd, zoals [de eiseres] doet, dat de gedwongen verkoping moet plaatsvinden omdat de termijnen verstreken zijn, terwijl de akte uitgerekend binnen de termijnen verleden had kunnen worden, maar alleen door toedoen van [de eiseres] niet verleden werd omdat zij een bezwaar had geformuleerd dat thans verworpen is”.

Het bestreden arrest, dat bovendien vermeldt dat, “aangezien de wet de partijen toestaat een bezwaar te formuleren, [de eiseres] om die reden geen enkele schadevergoeding of schadeloosstelling aan de [verweerder] verschuldigd is”, beslist aldus niet dat de eiseres een fout heeft begaan door dat bezwaar te formuleren, maar dat zij, aangezien het verstrijken van de termijn van vier maanden louter en alleen aan dat bezwaar te wijten is, het recht, dat zij grondt op het arrest van 16 december 2009, namelijk het recht om de openbare verkoping te vorderen ingeval die termijn verstrijkt, voor een ander doeleinde uitoefent dan dat waarvoor het haar werd toegekend.

Het bestreden arrest verantwoordt bijgevolg naar recht de beslissing waarbij het de vordering van de eiseres verwerpt omdat die een misbruik van recht oplevert.

 

 

 

 

 

Nog dit: 

Cassatie 09/03/2009, Juridat:Nr. C.08.0331.F

1. B. J.,

2. J. D.,

tegen

D. L.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 maart 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van 19 februari 2009 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.



II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet ;

- de artikelen 1134, inzonderheid derde lid, 1184, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;

- algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken, en dat met name inzake overeenkomsten is vastgelegd in artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.



Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verwerpt, met wijziging van het beroepen vonnis van 20 oktober 2006 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, de oorspronkelijke vordering van de eisers, en beslist dat de heer J. zijn recht om de verkoopovereenkomst van de blote eigendom van een opbrengsthuis gelegen (...) te (...), en van twee parkeerplaatsen in het flatgebouw (...), gelegen (...) , te ontbinden, niet bedrieglijk misbruikt heeft, op grond van alle redenen die alhier als uitdrukkelijk weergegeven worden beschouwd, en inzonderheid om de volgende redenen :

"2. Het uitdrukkelijk commissoir beding en het rechtsmisbruik



De ontbindende voorwaarde die de partijen aan hun overeenkomsten hebben toegevoegd, is geoorloofd, daar zij van de artikelen 1184 en 1978 van het Burgerlijk Wetboek mogen afwijken (Cass., 28 mei 1964, Pas., 1964, I, p. 1019).

Dat uitdrukkelijk commissoir beding, dat in de ontbinding ‘van rechtswege' voorziet zodra zelfs maar één termijn van de rente niet is betaald, ontneemt de rechter de bevoegdheid om te oordelen of de contractuele tekortkoming ernstig genoeg is om de ontbinding van de overeenkomst te verantwoorden. Krachtens de wilsautonomie van de partijen, zijn ze immers vooraf overeengekomen dat een dergelijke tekortkoming tot ontbinding leidt. De rechter is gebonden door die overeenkomst.



Aangezien, daarenboven, de ontbinding ‘van rechtswege' geschiedt wanneer de voorwaarden voor de toepassing van het uitdrukkelijk commissoir beding vervuld zijn - wat te dezen het geval is, zoals uit het voorgaande blijkt - worden de gevolgen van de ontbinding niet opgeheven, opgeschort of afgezwakt door het feit dat achteraf nog betalingen zijn gedaan.



De (eisers) kunnen niet aanvoeren dat (de verweerster) (en vóór haar, A.J.) een sanctie hebben toegepast die niet in verhouding tot de verweten tekortkomingen stond en aldus misbruik heeft gemaakt van het haar bij de overeenkomsten toegekende recht, daar zij, door die akten te ondertekenen, erkend hebben dat de niet-betaling van één enkele rentetermijn ernstig genoeg was.



Te dezen leidt de door de (eisers) bekritiseerde sanctie tot :

1° de ontbinding van de verkopen en

2° het recht van de renteheffer om zowel de reeds ontvangen rentetermijnen als de aan de goederen aangebrachte verbeteringen en hun waardeverhogingen voor zich te houden als vergoeding voor de genotsderving en als schadeloosstelling, zonder de mogelijkheid om, op die grond, van hem iets terug te vorderen of zich op hem te verhalen.



Aangezien de partijen de ontbinding van de verkopen uitdrukkelijk als sanctie zijn overeengekomen, kan deze niet worden bekritiseerd, daar de ontbinding in de lijn ligt van de eerbiediging van het beginsel dat de partijen de door hen ondertekende overeenkomsten te goeder trouw moeten uitvoeren.



Daarenboven vormt de contractuele toekenning van een vergoeding ten voordele van de renteheffer, ten laste van de renteplichtigen - dit is, in dit geval, het recht om de betaalde rentetermijnen voor zich te houden - een strafbeding in de zin van de artikelen 1226 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.



Wat dat betreft betogen de (eisers) ten onrechte dat het beding onrechtmatig zou zijn, in zoverre zij de vergoeding van de ‘genotsderving' beoogt, terwijl het de overdracht van blote eigendommen betrof en A.J. het vruchtgebruik van de goederen heeft behouden. Dit standpunt kan niet in aanmerking worden genomen, in zoverre het aan het begrip ‘genot' ten onrechte een strikte betekenis geeft, aangezien niet kan worden betwist dat A.J., toen hij de blote eigendom overdroeg, het ‘volle genot' (usus + fructus + abusus) van zijn goederen verloren heeft, daar hij met name niet langer volledig en vrij over die goederen kon beschikken, bijvoorbeeld om er een hypotheek op te vestigen.



Artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt het volgende : "De rechter kan, ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden".



In dit geval brengen de (eisers) geen enkel objectief gegeven in het debat, dat kan aantonen dat het bedrag van de rentetermijnen die A.J. ontvangen heeft, ‘kennelijk' de schade te boven gaat die hij geleden heeft door de niet-uitvoering van de overeenkomst, en die niet alleen voortvloeit uit de opsplitsing van het hierboven bedoelde eigendom, maar ook, met name, uit de ongerustheid en de ontreddering die een bejaarde ervaart [wanneer hij] de termijnen van een rente niet op hun vervaldag ontvangt.



Het is wat dat betreft relevant erop te wijzen dat de (eisers), volkomen subsidiair, de betaling van een provisie van 150.000,00 euro vorderen, maar niet de minste eurocent ervan verantwoorden.



Het hof van beroep wijst er ten slotte op dat niet wordt aangetoond, of zelfs maar aangevoerd, dat het uitdrukkelijk commissoir beding voortvloeit uit een speculatie van A.J. over de niet-uitvoering van de overeenkomst, met het opzet om hieruit een abnormaal voordeel te halen.



Uit de voorgaande vaststellingen en overwegingen volgt dat de leer van het misbruik van recht te dezen niet van toepassing is en dat het strafbeding effect moet sorteren, ter uitvoering van het beginsel dat de partijen de door hen ondertekende overeenkomsten te goeder trouw moeten uitvoeren".



Grieven



Wanneer de verkoop op lijfrente gesloten wordt onder een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde, kan zij door de renteheffer van rechtswege ontbonden worden in geval van een tekortkoming van de renteplichtige.

In geval van ontbinding kan de rechter nagaan of de uitvoering van de overeengekomen uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde geen rechtsmisbruik oplevert.



Krachtens artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, verbiedt de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten een partij immers om misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent.

Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en oplettend persoon te buiten gaat. Dat is met name het geval wanneer een partij, uitsluitend in haar eigen belang, gebruik maakt van een recht dat zij uit de overeenkomst put en hieruit een voordeel haalt dat niet in verhouding staat tot de correlatieve last van de andere partij.



Om te bepalen of er sprake is van rechtsmisbruik, moet de rechter, bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, rekening houden met alle omstandigheden van de zaak en moet hij met name nagaan of de toegebrachte schade al dan niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogd of verkregen heeft.

Het bestreden arrest beslist dat de heer J. en, na hem, de verweerster, geen misbruik hebben gemaakt van hun recht om de verkopen te ontbinden, op grond dat "de gevolgen van het uitdrukkelijk commissoir beding niet worden opgeheven, opgeschort of afgezwakt door het feit dat achteraf nog betalingen zijn gedaan", dat "(de eisers), door die akten te ondertekenen, erkend hebben dat de niet-betaling van één enkele rentetermijn ernstig genoeg was", dat "(de eisers) geen enkel objectief gegeven in het debat brengen, dat kan aantonen dat het bedrag van de rentetermijnen die A.J. ontvangen heeft, ‘kennelijk' de schade te boven gaat die hij geleden heeft door de niet-uitvoering van de overeenkomst" en dat "niet wordt aangetoond, of zelfs maar aangevoerd, dat het uitdrukkelijk commissoir beding voortvloeit uit een speculatie van A.J. over de niet-uitvoering van de overeenkomst, met het opzet om hieruit een abnormaal voordeel te halen".



Het arrest, dat verklaart uitspraak te doen over het bestaan van een rechtsmisbruik, onderzoekt nergens in zijn redengeving of de heer A.J. en, na hem, de verweerster, uit de uitoefening van hun recht tot ontbinding - dit is de ontbinding van de verkopen en het behoud van de ontvangen rentetermijnen - een voordeel hebben gehaald dat niet in verhouding staat tot de correlatieve last van de eisers en of zij, bijgevolg, hun recht hebben uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en oplettende persoon te buiten gaat.



Het bestreden arrest is bijgevolg niet naar recht verantwoord en schendt artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, en voor zoveel als nodig, de artikelen 1184, 1382 en 1383 van datzelfde wetboek, en miskent het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken.



Het bestreden arrest, waarvan de redenen het Hof niet in staat stellen na te gaan hoe de appelrechters het begrip rechtsmisbruik hebben beoordeeld, is op zijn minst niet regelmatig met redenen is omkleed en schendt derhalve artikel 149 van de Grondwet.



III. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling

Krachtens artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet.



Het in het derde lid van die bepaling vastgelegde beginsel, krachtens hetwelk de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer moet worden gebracht, verbiedt een partij om misbruik te maken van een hem door de overeenkomst toegekend recht.



Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en oplettend persoon te buiten gaat. Dit is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogd of verkregen heeft. Bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.



Het arrest stelt vast dat A.J. aan de eisers de blote eigendom van drie panden verkocht heeft, tegen betaling van lijfrenten en op grond van akten die een uitdrukkelijk commissoir beding bevatten in geval van niet-betaling van een termijn van de rente, en die de renteheffer, in geval van toepassing van dat beding, het recht geven om, als vergoeding, de ontvangen rentetermijnen voor zich te houden.



Het arrest vermeldt dat "aangezien de ontbinding ‘van rechtswege' geschiedt wanneer de voorwaarden voor de toepassing van het uitdrukkelijk commissoir beding vervuld zijn - wat te dezen het geval is (...), en dat de eisers "niet kunnen aanvoeren dat (de verweerster) (en vóór haar, A.J.) een sanctie hebben toegepast die niet in verhouding tot de verweten tekortkomingen stond en aldus misbruik heeft gemaakt van het haar bij de overeenkomsten toegekende recht, daar zij, door die akten te ondertekenen, erkend hebben dat de niet-betaling van één enkele rentetermijn ernstig genoeg was".



Het arrest wijst erop dat de door de eisers betwiste sanctie enerzijds bestaat in de ontbinding van de verkopen en, anderzijds, in de toepassing van het overeengekomen strafbeding, en oordeelt vervolgens dat "aangezien de partijen de ontbinding van de verkopen uitdrukkelijk als sanctie zijn overeengekomen, deze niet kan worden bekritiseerd, daar de ontbinding in de lijn ligt van de eerbiediging van het beginsel dat de partijen de door hen ondertekende overeenkomsten te goeder trouw moeten uitvoeren" en dat er te dezen geen grond bestaat om het bedrag van de overeengekomen vergoeding op grond van artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek te verminderen, en besluit hieruit dat "niet wordt aangetoond, of zelfs maar aangevoerd, dat het uitdrukkelijk commissoir beding voortvloeit uit een speculatie van A.J. over de niet-uitvoering van de overeenkomst, met het opzet om hieruit een abnormaal voordeel te halen" en dat "de leer van het misbruik van recht te dezen niet van toepassing is".



Het arrest, dat aldus niet onderzoekt of A.J. en, na zijn overlijden, de verweerster, uit de uitoefening van hun recht tot ontbinding geen voordeel hebben gehaald dat niet in verhouding stond tot de correlatieve last van de eisers, gelet op het feit dat dit gebruik niet alleen het behoud van de ontvangen rentetermijnen maar ook het voordeel van de teruggave van de verkochte goederen impliceerde, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.



Dictum

Het Hof,

Verwerpt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het principaal hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel,

Commentaar: 

De lijn tussen rechtsmisbruik en goede trouw is soms flinterdun:

Hof van Beroep Brussel, 3 december 2001, RW 2004-2005, 627

Samenvatting

De goede trouw bij de uitvoering van de overeenkomst vereist dat een contractpartij haar uit de overeenkomst voortvloeiende rechten uitoefent op een manier die niet in strijd is met wat van een redelijke contractpartij mag worden verwacht.

Het is aan de houder van een subjectief recht verboden dit recht uit te oefenen op een wijze die kennelijk de grenzen van een redelijke rechtsuitoefening te buiten gaat, wat onder meer het geval is wanneer de houder van het recht tussen twee mogelijke uitvoeringswijzen van zijn recht kiest voor de wijze die voor hem meer voordeel dan de andere uitvoeringswijze inhoudt, maar die aan een ander een disproportioneel groter nadeel berokkent.

Bij rechtsmisbruik dient de rechter het recht tot zijn normaal gebruik te verminderen.

Tekst arrest

NV N.R.G. t/ VZW R.V.S.

De procedure in eerste aanleg

De VZW R.V.S. stelde op 21 december 1995 een inleidende vordering in ertoe strekkende te horen zeggen voor recht dat (...) de overeenkomst (...) betreffende een fotokopieermachine (...) op 1 februari 1995 ontbonden was ten laste van NV N.R.G.; akte te horen verlenen van het feit dat de forfaitaire schadevergoeding (ten bedrage van 214.800 fr.) werd betaald; te horen zeggen voor recht dat bij gebrek aan bewijs of door eigen nalaten geen schade door de VZW R.V.S. werd veroorzaakt; de NV N.R.G. te horen veroordelen tot het onmiddellijk verwijderen van het kwestieuze apparaat;

Op 24 januari 1996 stelde de NV N.R.G. een tegenvordering in ertoe strekkende de VZW R.V.S. te horen veroordelen tot het betalen van het bedrag van 375.488 fr., vermeerderd met de interesten; tot het verder uitvoeren van de huur- en onderhoudsovereenkomst van 21 oktober 1991 tot de normale einddatum, zijnde 30 november 1997.

De eerste rechter zegde voor recht dat de overeenkomst tussen de partijen ontbonden is ten laste van de VZW R.V.S. op 1 februari 1995; zegde voor recht dat de schadeloosstelling ten belope van 214.800 fr. werd betaald door de VZW R.V.S.; beval het afhalen door de NV N.R.G. van het fotokopieerapparaat.

...

De feitelijke elementen van de zaak

Op 21 oktober 1991 sluiten de partijen een overeenkomst waarbij de NV N.R.G. zich ertoe verbindt een fotokopieerapparaat te verhuren en te onderhouden gedurende een periode van 72 maanden of zes jaar en een ander fotokopieerapparaat mede te onderhouden en waarbij de VZW R.V.S. zich ertoe verbindt hiervoor een prijs te betalen van (...)

Het apparaat wordt geleverd op 14 november 1991, en de uitvoering van de overeenkomst neemt een aanvang op 1 december 1991, wat betekent dat de overeenkomst normalerwijze een einde neemt op 30 november 1997.

Op 20 januari 1995 richt de VZW R.V.S. een brief aan de NV N.R.G., luidend als volgt: «Hiermede zeggen wij bovenvermeld huurcontract op dat een einde neemt op 31 januari 1995. Houdend aan eigen reglement zoals vermeld op de achterkant van het contract, (...), zijn wij bereid, na ontvangst van uw factuur, één jaar verbrekingsvergoeding te betalen zijnde 214.800 fr. (...). Hiermede vervalt ook het desbetreffende onderhoudscontract. (...). Het apparaat is ter beschikking vanaf 1 februari 1995».

Op 31 januari 1995 antwoordt de NV N.R.G.: «Tot onze spijt moeten wij u meedelen dat we niet akkoord gaan met de stopzetting van uw huur- en onderhoudscontract (...). Dit contract (...) loopt pas ten einde op 30 november 1997. Het kan slechts worden stopgezet volgens onze algemene verkoopsvoorwaarden, m.a.w. bij ontbinding door de schuld van de klant is deze bij wijze van forfaitaire en onverminderde schadeloosstelling een bedrag verschuldigd gelijk aan één jaar huur, onverminderd het recht (...) om eventueel bijkomende schadeloosstelling te eisen. De schadevergoeding voor de verbreking van uw contract zal 538.000 fr. netto bedragen. Indien u akkoord gaat met de betaling van bovenvermelde schadevergoeding, gelieve ons zo snel mogelijk uw bevestiging te laten geworden».

De VZW R.V.S. antwoordt op 23 februari 1995: «(...) dat wij niet akkoord kunnen gaan met het betalen van een schadeloosstelling van 538.000 fr. netto. (...)».

Het door de NV N.R.G. geëiste bedrag van 538.000 fr. stemt overeen met het verschuldigde `facturatiebedrag‘ tot het normale einde van de overeenkomst, verminderd met 15%, zoals verduidelijkt wordt bij brief van 16 maart 1995.

Er komt geen oplossing en het toestel blijft, ongebruikt volgens de VZW R.V.S., sinds januari 1995 ter beschikking (...).

De NV N.R.G. factureert ondertussen gewoon verder aan het minimumbedrag (...).

Op 15 november 1995 betaalt de VZW R.V.S. het bedrag van 214.800 fr., zijnde de door haar initieel aangeboden verbrekingsvergoeding.

Het gedinginleidend exploot wordt betekend op 21 december 1995.

De NV N.R.G. zegt gewoon verder te hebben gefactureerd, maar legt uitsluitend rekeninguittreksels voor.

Het verhuurde toestel wordt op 27 mei 1998, dit is na de pleidooien in eerste aanleg, na het verstrijken van de initieel overeengekomen huurtermijn, maar vóór de bestreden beslissing, teruggehaald door de NV N.R.G.

Nopens de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden

Voor de appèlrechter laat de VZW R.V.S. terecht gelden dat de algemene voorwaarden, voorgedrukt op de achterzijde van de overeenkomst, hem niet binden.

In de door de VZW R.V.S. ondertekende tekst is geen enkele verwijzing terug te vinden naar de tekst van de algemene voorwaarden, die op de achterzijde zijn afgedrukt. De NV N.R.G. bewijst bijgevolg niet dat deze algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst. De loutere mogelijkheid voor de VZW R.V.S. om van de algemene voorwaarden kennis te hebben voor het sluiten van de overeenkomst, volstaat niet tot bewijs van de aanvaarding ervan.

De VZW R.V.S. is een school die aan kinderen van binnenvaartschippers onderwijs verstrekt, wat een prestatie is van loutere burgerlijke aard. De VZW R.V.S. kan bijgevolg niet als een handelaar worden beschouwd, waardoor de systematische vermelding van de algemene voorwaarden op de keerzijde van de facturen niet kan worden aangewend als bewijs van contractuele verplichtingen.

Het inroepen, door de VZW R.V.S., van een beding uit de algemene voorwaarden, waarvan hij veronderstelde dat ze te haren gunste was, houdt geen bewijs in van de aanvaarding van de algemene voorwaarden.

De op grond van de algemene voorwaarden ingestelde vorderingen worden afgewezen.

...

Nopens het recht om een einde te maken aan de overeenkomst

De overeenkomst werd aangegaan voor een initiële duur van 72 maanden.

Nopens de beëindiging stipuleert zij: «De overeenkomst zal een einde nemen bij het verstrijken van een opzegtermijn van drie maanden, schriftelijk te geven door de ene partij aan de andere. In geen geval kan deze opzeg evenwel ingaan vóór het verstrijken van de voorziene initiële duur, eventueel verlengd door een variatiecontract. In geval geen opzeg wordt gegeven vóór het verstrijken van de initiële duur, zal deze duur automatisch worden verlengd voor opeenvolgende periodes van telkens twaalf maanden».

Spijts een aantal `onzuiverheden‘ in de tekst (de opzeg kan niet ingaan vóór het verstrijken van de duur, maar hij moet worden gegeven vóór het verstrijken van de duur), kan dit beding als volgt worden samengevat: de overeenkomst wordt bij het verstrijken van de initieel overeengekomen duur van zes jaar automatisch met opeenvolgende periodes van een jaar verlengd, tenzij zij minstens drie maanden daarvoor werd opgezegd.

De VZW R.V.S. beschikte bijgevolg niet over enige opzegmogelijkheid gedurende de initiële periode van zes jaar. Door na drie jaar en twee maanden mee te delen, zonder het inroepen van enige rechtvaardigingsgrond, dat het een einde maakt aan de overeenkomst pleegde de VZW R.V.S. bijgevolg contractbreuk.

De NV N.R.G. wenste, als schuldeiser van de in gebreke blijvende VZW R.V.S. de uitvoering in natura van de overeenkomst, wat haar recht is (Cass. 14 april 1994, Arr. Cass. 1994, 374). Het is niet aan de debiteur om vervangende schadevergoeding boven uitvoering te verkiezen (Cass. 23 december 1977, Pas. 1978, I, 477). Wel kan worden opgemerkt dat de NV N.R.G. zelf in haar brief van 31 januari 1995 een beëindiging tegen betaling van een schadeloosstelling voorstelde.

Nopens de goede trouw, het misbruik van recht en de schadebeperkingsplicht

De goede trouw bij de uitvoering van de overeenkomst (art. 1134, derde lid, B.W.) vereist dat een contractpartij haar uit de overeenkomst voortvloeiende rechten uitoefent op een manier die niet in strijd is met wat van een redelijke contractpartij mag worden verwacht.

Volgens de theorie van het rechtsmisbruik is het aan de houder van een subjectief recht verboden dit recht uit te oefenen op een wijze die kennelijk de grenzen van een redelijke rechtsuitoefening te buiten gaat, wat onder meer het geval is wanneer de houder van het recht tussen twee mogelijke uitvoeringswijzen van zijn recht kiest voor de wijze die voor hem meer voordeel dan de andere uitvoeringswijze inhoudt, maar die aan een ander een disproportioneel groter nadeel berokkent.

Onder bepaalde omstandigheden maakt het nalaten van de benadeelde om passende maatregelen te treffen ter beperking of ter voorkoming van de (eigen) schade een schuldig verzuim uit, waardoor hij met betrekking tot die schade zijn aanspraak op vergoeding verliest. De inactiviteit van de benadeelde mag niet strijdig zijn met wat men van een normaal zorgvuldige persoon onder dezelfde omstandigheden mag verwachten. In casu vordert de NV N.R.G. geen vergoeding voor de door haar geleden schade, maar vordert zij de uitvoering van de overeenkomst. Wanneer de VZW R.V.S. de schadebeperkingsplicht inroept, wat ook kan worden omschreven als een misbruik van het recht op schadeloosstelling, verwijt ze in feite de NV N.R.G. dat deze de schade van de VZW R.V.S. niet heeft beperkt. Deze schade is evenwel het gevolg van de eigen beslissing van de VZW R.V.S. tot verbreking.

Door de uitoefening van zijn principieel recht op uitvoering van de overeenkomst streeft de NV N.R.G. te deze uitsluitend de realisatie van een financieel belang na. Indien door de contractbreuk van de VZW R.V.S. dit financieel belang dreigt verloren te gaan, heeft de NV N.R.G. recht op de vrijwaring van dit belang op de meest volkomen wijze. Hiertoe kon zij twee uitvoeringswijzen van haar recht kiezen ter vrijwaring van haar financieel belang: het eisen van de uitvoering in natura of het eisen van een schadevergoeding wegens contractbreuk. In beide gevallen leidt dit in casu tot een gelijksoortig resultaat: de betaling van een bepaald bedrag waardoor de contractueel verworven en te verwachten winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Het fotokopieerapparaat was eigendom van de NV N.R.G. Dit bracht mee dat de VZW R.V.S., zonder het akkoord van de NV N.R.G., niet in de mogelijkheid was om het te realiseren ter aflossing van een zo groot mogelijk gedeelte van zijn schuld. De NV N.R.G. weet als professionele verkoper van fotokopieertoestellen dat de waarde van dergelijke toestellen snel kan dalen eenvoudigweg door het verstrijken van de tijd. De NV N.R.G. zelf had, zeker als professionele verkoper, wel de mogelijkheid om de schuld van de VZW R.V.S. te verminderen door het heraanwenden van het apparaat.

De uitvoering in natura houdt te dezen voor de N.R.G. geen groter rechtmatig voordeel in. Door te opteren voor de verdere uitvoering wist de NV N.R.G. dat zij geen onderhoudsprestaties meer zou dienen te verrichten. Dit voordeel is evenwel niet rechtmatig, omdat het een afwijking betekent van het contract. Van de andere kant staat wel vast dat deze uitvoeringswijze van het contractueel recht van de NV N.R.G. aan de VZW R.V.S. een disproportioneel nadeel berokkende, vergeleken met de uitvoeringswijze strekkende tot vergoeding van de contractueel geleden schade:

1. bij het begin van de schadevergoeding zou immers rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de NV N.R.G. het apparaat bijna drie jaar vóór het einde van de contracttermijn opnieuw ter beschikking had, wat voor haar de verplichting zou hebben meegebracht om de contractuele schade te beperken door dit apparaat ofwel te gelde te maken ofwel opnieuw te verhuren;

2. door de uitvoering te eisen in plaats van de schadeloosstelling dient de VZW R.V.S. (niet-recupereerbare) B.T.W. te betalen, wat niet het geval is bij een vergoeding voor geleden schade;

3. het opteren voor de verdere uitvoering van de overeenkomst, hoewel de VZW R.V.S. de facto was gestopt met het verdere gebruik van het toestel en het ter beschikking had gesteld, eerder dan voor het vragen van een schadevergoeding wegens contractbreuk, brengt voor de VZW R.V.S. het nadeel mee dat het inbegrepen betalingen dient uit te voeren voor onderhoudsprestaties, die echter niet worden uitgevoerd.

Bij misbruik van recht behoort de rechter het recht tot zijn normaal gebruik te verminderen. In onderhavig geval betekent dit dat in rekening dient te worden gebracht:

– de marktwaarde van het fotokopieerapparaat (...) op 31 januari 1995;

– de vermijdbare B.T.W.;

– de uitgespaarde kosten wegens niet uit te voeren of niet uitgevoerde onderhoudsprestaties gedurende twee jaar en tien maanden.

Het in rekening brengen van de bovenstaande posten wegens misbruik van recht leidt tot een resultaat dat in casu in principe gelijk is met de schade die de NV N.R.G. zou hebben geleden ingevolge de ontbinding van de overeenkomst wegens contractbreuk door de VZW R.V.S. Zoals hierboven reeds uitgelegd, is het belang van de NV N.R.G. immers louter financieel.

De algemene voorwaarden van de overeenkomst, hoewel in casu niet toepasselijk verklaard, bevatten een nuttige indicatie om deze schade te begroten: bij ontbinding van het contract door de schuld van de klant, is deze bij wijze van forfaitaire en onverminderbare schadeloosstelling, een bedrag verschuldigd gelijk aan het contractueel bedongen minimumfacturatiebedrag gedurende twaalf maanden, bovenop de facturaties die betrekking hebben op de periode tot aan de werkelijke teruggave van het materiaal, (onverminderd) het recht om eventueel bijkomende schadeloosstelling te eisen.

Het is precies dit bedrag dat de VZW R.V.S. betaalde aan de NV N.R.G. op 15 november 1995 (53.700 x 4 = 214.800 fr.) De vordering tot gedwongen uitvoering kan in deze zaak niet leiden tot een hoger verschuldigd bedrag.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 12:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.