-A +A

318 WIB Onderzoeksmogelijkheid van de fiscus bij banken maar ook bij derden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 28/01/2011

Uit artikel 318 2° lid WIB kan afgeleid worden dat niet alleen een bankgeheim kan worden opgeheven maat dat ook bij elke belastingsplichtige (derde) onderzoek mogelijk is, binnen de grenzen die de bijhorende artikelen 315, 315 bis en 316 WIB bepalen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2011/10
Pagina: 
707
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

 (NV F./BELGISCHE STAAT)
 (...)
3. Beoordeling
(...)
3.II. Ten gronde
(...) Beoordeling
Hoe dient artikel 318 WIB verstaan te worden?
Er bestaat, zo blijkt uit de rechtsleer, discussie omtrent de vraag of het “(op basis vande art. 315, 315bis en 316 uitgevoerde) onderzoek” dat de bewuste concrete elemen­ten aan het licht brengt waarvan sprake in artikel 318, 2de lid WIB, een onderzoekbij de financiële instelling zelf betreft of dat een onderzoek bij de belastingplichtigeeveneens in aanmerking komt.
Wordt (alleen) het onderzoek bij de belastingplichtige bedoeld of (alleen) het onder­zoek bij de bankinstelling, of nog, laat de notie een opening naar beide onderzoekenopen?
De rechtbank dient bijgevolg de algemene regels aangaande de interpretatie van fis­cale wetten toe te passen.
Vooraleer deze regels toe te passen is het aangewezen eraan te herinneren dat de aande orde zijnde bepalingen van artikel 318 WIB werden ingevoerd door de wet van8 augustus 1980, maar stoelen op het al veel langer aanvaarde principe van de‘bankdiscretie’.
De beperking van de fiscale onderzoeksmachten met betrekking tot de financiëleinstellingen werd ingevoerd door artikel 34 van de wet van 8 augustus 1980, nadatdoor het arrest van het Hof van Cassatie van 25 oktober 1978 was komen vast testaan dat de bankiers niet tot het strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim van artikel 458 Sw. zijn gehouden.
Vóór deze wet was de fiscale administratie bij een fiscaal onderzoek ten aanzien vande financiële instellingen door geen enkele specifieke beperking gebonden. Dit bete­kent dat de financiële instellingen in beginsel bij een financieel onderzoek in deinkomstenbelastingen aan dezelfde meewerkverplichtingen waren onderworpen alselke andere natuurlijke of rechtspersoon.
Nochtans genoten bankinstellingen ook vóór de wet van 8 augustus 180 van eenfeitelijk bankgeheim, zij het niet op basis van enige wettelijke bepaling, maar wel opgrond van een traditioneel gebruik.
De oorspronkelijke tekst van artikel 224 WIB 1964 (huidig art. 318 WIB 1992),zoals ingevoegd bij voormeld artikel 34 van de wet van 8 augustus 1980, luidde alsvolgt:
“In afwijking van de bepalingen van artikel 223, en onverminderd de toepassing vande artikelen 221 en 222, is de administratie niet gemachtigd in de rekeningen, boe­ken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingenin te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.
Indien evenwel de op grond van de artikelen 221 en 222 ingestelde enquête concretegegevens aan het licht brengt die het bestaan kunnen doen vermoeden van eenmechanisme dat de organisatie van inbreuken op de fiscale wet ten doel of tot gevolgheeft en dat een medeplichtigheid insluit, tussen de instellingen en de cliënt met hetoog op belastingontduiking, kan de directeur-generaal van de administratie van debijzondere belastinginspectie, met de toestemming van de administrateur-generaalvan de belastingen, een ambtenaar met de graad van tenminste inspecteur ermeebelasten uit de rekeningen, boeken en documenten van de instelling de inlichtingente putten, die het mogelijk maken de enquête te voltooien en de door deze cliëntverschuldigde belastingen te bepalen.”
Met het oog op de bestrijding van de fiscale fraude werd het bepaalde van artikel318, 2de lid WIB 1992 (de mogelijkheid tot opheffen van het door het 1ste lid gepo­neerde “bankgeheim”) versoepeld door artikel 41 van het KB van 20 december1996. Vanaf aanslagjaar 1997 werd afgestapt van de vereiste dat er sprake moet zijnvan een medeplichtigheid van de financiële instelling om het fiscale bankgeheim tekunnen doorbreken.
Wat nu de interpretatie van dit artikel betreft, is de eerste regel daarbij dat “watduidelijk is mag niet geïnterpreteerd worden” (Cass. 11 december 1962, Pas. 1963,I, p. 455).
Een tweede regel (tekstuele interpretatie) houdt in dat indien toch moet geïnterpre­teerd worden, er vooreerst dient te worden uitgegaan van de tekst zelf; in het sta­dium van de tekstuele interpretatie wordt gezocht naar de juiste betekenis van dedoor de wetgever gebruikte woorden. Voor niet-typische fiscale of juridische termi­nologie, moet worden teruggegrepen naar gezaghebbende woordenboeken. Bijtekstuele interpretatie moet steeds rekening worden gehouden met de contextwaarin het onduidelijk begrip is gesitueerd. De uitleg moet strikt bij de letter van detekst blijven: niet te ruim (extensieve interpretatie) en niet te eng (restrictieve interpretatie). De strikte interpretatie is een logisch gevolg van het beginsel van de prin­cipiële belastingvrijdom.
Een derde regel (historische interpretatie) houdt in dat wanneer de tekstuele inter­pretatie geen uitkomst biedt, mag overgegaan worden naar de historische interpre­tatie. Hierbij wordt getracht de juiste betekenis van de wettekst te achterhalen vanuitde studie van de voorbereidende werken die de totstandkoming van de wet vooraf­gingen (memorie van toelichting, commissieverslagen, parlementaire besprekingen,uitspraken van de bevoegde minister, ... ); wanneer de tekst niet helder is in het lichtvan de voorbereidende werken van de te interpreteren wet, zal men desgevallend devoorbereidende werkzaamheden moeten raadplegen van vroegere, gelijkaardigewetten en moeten teruggaan naar de voorgeschiedenis van de bedoelde wet (vanvoorbereidende werken van latere wetten mag geen gebruik gemaakt worden).
Een vierde regel houdt in dat indien alsnog onduidelijkheid blijft bestaan na detekstuele en de historische interpretatiefase, de twijfel opgelost wordt in het voordeelvan de belastingplichtige, indien het een bezwarende bepaling betreft (in dubio con­tra fiscum). Artikel 170 Grondwet stelt immers dat geen belasting kan worden ingevoerd dan door een (duidelijke) wet. Gaat het daarentegen om een bevrijdende wettekst (een vrijstelling of vermindering), dan noopt artikel 182 Grondwet tot hetomgekeerde besluit: de belastingplichtige krijgt dan het voordeel van de vrijstelling(of vermindering) niet, maar de fiscus gaat met het voordeel lopen en kan de vrijstelling (of vermindering) dus weigeren (in dubio pro fisco).
Uitbreiding van het strikte toepassingsgebied van fiscale wetten door analogische ofteleologische interpretaties, waardoor nieuwe belastbare materie wordt geschapen,kan niet; net als uitlegging naar billijkheid.
De rechtbank gaat aan de hand van voormelde ‘regels’ tot interpretatie over.
“Het eerste wat men bij de interpretatie van een bepaling moet doen” is vanzelfspre­kend die bepaling zelf “lezen”, d.w.z. zoeken naar de juiste “betekenis van de doorde wetgever gebruikte woorden, naar de regelen van de spraakkunst en de syntaxis”(VAN HOUTTE, nr. 193).
De fiscale wet dient strikt te worden geïnterpreteerd, en daarbij primeert de tekstueleuitlegging. De betekenis van de woorden zelf van de tekst moet worden nagegaan enslechts in geval van blijvende onduidelijkheid mag worden overgegaan tot de inter­pretatie in het licht van de bedoelingen van de wetgever (A. TIBERGHIEN, Handboekvoor Fiscaal Recht, Brussel, Larcier, 2006, p. 24 met verwijzing naar Cass.11 december 1962; Cass. 10 november 1997, AR F.97.0049.F).
De tekst van artikel 318 WIB dient bijgevolg gelezen te worden en er dient nagegaante worden of deze tekst duidelijk is.
Nu artikel 318 WIB zelf uitdrukkelijk naar artikel 317 WIB (hetwelk op zijn beurtuitdrukkelijk naar art. 315, 315bis en 316 WIB) verwijst en dit artikel 317artikel 318 voorafgaat in het wetboek, en beide artikelen zich in hetzelfde hoofdstuksitueren dienen beide artikelen n.a.v. een interpretatie van artikel 318 WIB samengelezen te worden.
Artikel 318 WIB 1992 luidt:
“In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de toepassing vande artikelen 31 S, 31Sbis en 316, is de administratie niet gemachtigd om in de reke­ningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingeninlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.
Indien evenwel, het op basis van de artikelen 31S, 31Sbis en 316 uitgevoerd onder­zoek concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding vaneen mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden, kan de direc­teur-generaal van de administratie die het onderzoek heeft uitgevoerd, met gezamen­lijk akkoord van de administrateur-generaal van de belastingen en de adjunct-admi­nistrateur-generaal van de belastingen, een ambtenaar met de graad van ten minsteinspecteur ermee belasten uit de rekeningen boeken en documenten van de instellinginlichtingen te putten die het mogelijk maken het onderzoek te voltooien en de doordeze cliënt verschuldigde belastingen te bepalen.”
Lezing van deze artikelen op zich laat niet toe met afdoende zekerheid uit te makenwat met “onderzoek” nu precies bedoeld wordt.
De tekst van artikel 318 WIB is op dit punt niet geheel duidelijk, meer bepaald m.b.t.de notie ‘onderzoek’. Dit blijkt overigens ook uit de rechtsleer.
Nu de lezing van de wettekst op zich naar de mening van de rechtbank geenafdoende duidelijkheid biedt, dient er overgegaan te worden tot een interpretatie;want wat niet duidelijk is dient te worden geïnterpreteerd.
De rechtbank is zodoende verplicht om eerst over te gaan tot tekstuele interpretatie.
Er dient naar de juiste betekenis van de door de wetgever gebuikte woorden gekekente worden en rekening gehouden te worden met de context waarin het onduidelijkbegrip is gesitueerd. De uitleg moet strikt bij de letter van de tekst blijven: niet teruim en niet te eng.
Na consultatie van het WIB blijkt dat artikel 318 WIB zich situeert in“HOOFDSTUK III. ONDERZOEK EN CONTROLE
Afdeling I. Plichten van de belastingplichtige”
en
Dat afdeling II van datzelfde hoofdstuk III handelt over “plichten van derden”.
Bevinden zich dan ook in dat hoofdstuk III o.m. de artikelen 315, 315bis, 316 en317.
De algemene principes inzake de onderzoeksbevoegdheden van de administratie tenaanzien van de belastingplichtige zijn omschreven in de artikelen 315, 315bis, 316en 317 WIB 1992. De hiermee samengaande verplichtingen voor de belastingplich­tige zijn opgenomen in de artikelen 315, 315bis en 316 WIB 1992.
Artikel 315 WIB 1992 regelt de verplichting van de belastingplichtige om op verzoekvan de administratie boeken en bescheiden voor te leggen.
Artikel 315bis WIB 1992 geeft aan de fiscus ruime bevoegdheden m.b.t. de geauto­matiseerde boekhouding van de belastingplichtige.
Artikel 316 WIB 1992 verplicht de belastingplichtige alle inlichtingen te verstrekkendie van hem gevorderd worden met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toe-stand.
In artikel 317 WIB 1992 wordt uitdrukkelijk vermeld dat de gegevens verkregen
door middel van de voorleggingsplicht en de informatieplicht van de belastingplich-
tige ook mogen worden aangewend met het oog op de belastingheffing van derden.
De administratie is dus gerechtigd om de op basis van de artikelen 315, 315bis en316 WIB 1992 verkregen informatie ook te gebruiken met het oog op het belastenvan derden.
Artikel 318, 1ste lid WIB 1992 houdt echter een beperking in van de hiervoor ver­melde onderzoeksbevoegdheden.
Volgens Zenner is het dus alleen de mogelijkheid om inlichtingen die ingewonnenzijn naar aanleiding van een fiscale controle bij een bank te gebruiken lastens decliënten die aan de fiscale administratie wordt ontzegd door het artikel 318, 1ste lidWIB 1992, maar ook niets meer (vgl. A. ZENNER, “Les limites du devoir de discré­tion du banquier vis-à-vis du fisc”, RGF octobre 2002, 225).
Het 2de lid van artikel 318 WIB voorziet in een opheffing van het in 1ste eerste lid vandat artikel 318 WIB ingestelde bankgeheim indien twee voorwaarden voldaan zijn,nl. het hebben plaatsgehad van een onderzoek op grond van de artikelen 315, 315bisen 316 en het aan het licht hebben gebracht van concrete elementen die het bestaanof de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen ver­moeden.
Zoals hiervoor reeds werd geconcludeerd laat het louter lezen van de artikelen 317en 318 WIB niet toe om exact te bepalen wat er met de notie “onderzoek” wordtbedoeld.
De meerderheid van de rechtsleer meent dat het om een onderzoek bij de financiële
instelling zelf moet gaan. O.m. Maus neemt evenwel een genuanceerd standpunt in.
De fiscale administratie nam na de invoering van artikel 318 WIB ook aan (Com.IB318/14) dat het om een onderzoek bij de financiële instelling zelf moet gaan.
De feitenrechter is uiteraard noch door het een noch door het ander gebonden.
Volgens Maus zou het verkeerd zijn de opheffing van het bankgeheim te beperkentot gevallen van fraude ontdekt naar aanleiding van een onderzoek bij de financiëleinstelling en stelt dat het onderzoek bedoeld in het 2de lid van artikel 318 WIB hetonderzoek naar eigen belastingplicht van zowel het cliënteel van de financiële instel­ling, als van de financiële instelling zelf kan betreffen. Zo niet zou, nog steeds vol­gens Maus, artikel 318, 2de lid WIB 1992 dode letter blijven (vgl. M. MAUS, Defiscale controle, Brugge, die Keure, 2005, p. 255).
De kritiek in de rechtsleer op dergelijke interpretatie is dat ze er toe zou leiden dat
het bankgeheim de facto nog weinig om handen zou hebben (vgl. P. MALHERBE, M.
BEYNSBERGER en P. DAENEN, “Heeft het Belgische fiscale bankgeheim nog een toe­komst?”, TFR 377, 224 e.v.). Er wordt ook op gewezen dat indien de belastingad­ministratie elementen van fraude zou ontdekken naar aanleiding van een onderzoekbij de belastingplichtige, zij immers klacht kan neerleggen bij het parket en danmogelijks via die weg tot het inwinnen van bancaire inlichtingen overgaan.
Het lijkt erop dat de visie van Maus gedeeld wordt door Vanistendael die schrijft dat:
“De eerste zin van artikel 318 WIB 1992 verbiedt de administratie weliswaar omrechtstreeks inlichtingen te nemen bij een bank om belastbare inkomsten vast testellen, maar de 2de zin laat de administratie toe, als zij met andere onderzoeksmid­delen en vermoeden van mechanismen van belastingontduiking aannemelijk maakt,de rekening en de boeken van de bank te onderzoeken om aan de nodige informatiete komen om de belastingplichtige te belasten” (vgl. F. VANISTENDAEL, “Kwijnt hetbankgeheim?”, AFT april 2009, afl. 4, 1-3).
De rechtbank is van oordeel, nog steeds op grond van een tekstuele interpretatiewaarbij artikel 318 WIB tezamen met artikel 317 WIB wordt gelezen en rekeninghoudend met de volledige tekst van het 2de lid van artikel 318 WIB, dat de notie“onderzoek” in het 2de lid van artikel 318 WIB geen enkel onderzoek uitsluit, en duszeker niet het onderzoek bij de belastingplichtige uitsluit; meer nog, de rechtbankmeent dat uit het lezen van het 2de lid van artikel 318 WIB in zijn geheel nog eerderbedoeld wordt dat wanneer een onderzoek bij en naar een belastingplichtige con­crete elementen aan het licht gebracht worden die het bestaan of de voorbereidingvan een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden, de fiscaleadministratie op grond van dat 2de lid van artikel 318 WIB uit de rekeningen, boekenen documenten van de instelling inlichtingen kan putten die het mogelijk maken hetonderzoek te voltooien en de door deze cliënt verschuldigde belastingen te bepalen,m.a.w. het onderzoek naar en bij de belastingplichtige te voltooien en de door hemverschuldigde belastingen te bepalen.
Met het in artikel 317 bedoelde onderzoek is niet (alleen) het onderzoek bij eenfinanciële instelling bedoeld maar bij een (elke) belastingplichtige.
Het 1ste lid van artikel 318 WIB viseert dat onderzoek van artikel 317 bij een finan­ciële instelling, maar artikel 318, 2de lid WIB verwijst impliciet (opnieuw) naarartikel 317 WIB.
Aanvaarden dat het bankgeheim in dit stadium van de taxatie slechts en alleen maarkan worden opgeheven naar aanleiding van een fiscaal onderzoek naar de eigenbelastingplicht van de financiële instelling zelf, zou bovendien betekenen dat artikel318, 2de lid WIB grotendeels dode letter zou blijven.
Dit middel van eisende partij is bijgevolg ongegrond. (...)

 

 
Noot: 

Hans Symoens, De achterhoede gevechten omtrent het fiscaal bankgeheim RABG 2011/10, 716

zie ook Rb. Brussel 24 december 2010, RABG 2011/10, 713, tegenwerpelijkheid bankgeheim aan de administratie (art. 317 WIB).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 20/06/2011 - 23:25
Laatst aangepast op: ma, 20/06/2011 - 23:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.