-A +A

735 valstrik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Tongeren
Datum van de uitspraak: 
zon, 20/10/2013

Elk debat, dus ook een debat over de toepassing van artikel 729 of artikel 735 Ger.W. belet dat excepties die in limine litis dienen ingeroepen nog kunnen geformuleerd worden.
Meer dan één handige advocaat heeft aldus een wederpartij tot een debat verleidt om aldus de tegenpartij te beletten nog excepties (die in limine litis en dus voor elk verweer dienen ingeroepen) te doen gelden.

Een debat over de duur van debat, zoals het debat over de vraag of er al dan niet gebruik kan gemaakt worden van artikel 735 Gerechtelijk wetboek, belet dat hierna nog excepties kunnen ingeroepen die in limine litis dienen gesteld. Ter inledende zitting zal derhalve de advocaat die een exceptie wenst in te roepen die in limine litis gesteld. Na afroeping van de zaak onmiddellijk de excepties dienen in te roepen. Evenmin mag men in een schriftelijke tussenkomst reeds verweer inroepen of in de brief melding gemaakt over de toepassing van artikel 729 of artikel 735 Ger. W. wanneer excepties in limine litis dienen gesteld.

De vereiste van art. 1679, lid 1 Ger.W. dient strikt toegepast en de exceptie van gebrek aan rechtsmacht omwille van het voorhanden zijn van een arbitragebeding, dient "voor elke andere exceptie of verweer" te worden ingeroepen, dus ook voor het debat over art. 735 Ger.W.

Herhaaldelijk werd onderstreept dat de exceptie van arbitrage tijdig moet worden opgeworpen conform art. 1679, 1 in fine Ger. (W.STORME M. en VOORDECKERS M., Overzicht van rechtspraak: arbitrage, 1989-2005, TPR 2005/4, 1243 e.v., nr. 24 p. 1261, met verwijzing naar Rb. Brussel 26 juni 1990, RGAR 1992, nr. 11968 en Brussel 27 april 1999, TBH 2000, 619).
De rechtbank van koophandel te Brussel oordeelde dat partijen, die de verwijzing naar een andere, ratione bevoegde rechtbank, hadden gevraagd hadden onder

voorbehoud van alle andere standpunten, waaronder de exceptie van arbitrage, stilzwijgend afstand hadden gedaan van de exceptie van rechtsmacht, en bijgevolg van de exceptie van arbitrage (Kh. Brussel 16 januari 1991, TBH 1992 p. 137, noot J. LAENENS).
De rechtbank van koophandel te Mechelen oordeelde dat, wanneer een zaak wegens territoriale onbevoegdheid door de rechtbank van koophandel te Brussel naar de rechtbank te Mechelen was verzonden, de rechtbank van koophandel te Brussel impliciet maar noodzakelijk reeds besliste dat de gewone rechterlijke macht bevoegd is, zodat de exceptie van arbitrage nadien niet meer moest onderzocht worden (Kh. Mechelen 23 januari 1998, T.R.V. 1998, 101 en Bank Fin. 1998, 280, noot R. Prioux).

Ten deze werd de exceptie van rechtsmacht ingeroepen na een debat over artikel 735 Gerechtelijk wetboek, waarna de rechtbank beslist dat de exceptie van arbitrage niet tijdig, niet in limine litis, werd opgeworpen, zodat de rechtbank rechtsmacht heeft (en de exceptie verworven werd.
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2014/312
Pagina: 
903
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Vastgoed en Projekten Kunnen bvba,

[ ... ]

aanleggende partij, [ ... ]

tegen

Projectenbouw nv, [ ... ] verwerende partij,

[ ... ]

1. Voorgaanden

1.1 Op 25 maart 2011 (op de overeenkomst zelf staat geen datum) werd een overeenkomst tot overdracht van aan - delen op naam gesloten tussen de BVBA KUNNEN als verkoper en de NV N&G GROUP, de BVBA GODECO INVEST, de NV HERMIBOUW, de NV OLSTRA en de BVBA ALDE INVEST als kopers, waarbij: de BVBA KUNNEN als verkoper in volle eigendom aan elk van de kopers 30 gewone aandelen op naam van de NV PROJEKTENBOUW overdroeg (volgens art. 1.1), terwijl uit art. 1.4 blijkt dat dertig aandelen werden overgedragen aan de NV N & G GROUP en dertig aan de BVBA GODECO INVEST;

in art. 2 een gezamenlijke prijs werd overeengekomen ''gelijk aan de rekening ~ courant van de verkoper ten aanzien van de vennootschap, te verhogen met een 10 % projectwinst in Tienen en een 5 % projectwinst in Sint ~ Truiden, zoals hierna beschreven"; vermeld werd dat de rekening-courant een bedrag van 72 000 EUR vermeldde, bedrag hetwelk aan de BVBA KUNNEN diende betaald binnen de tien dagen;

voor wat de projectwinst betreft overeengekomen werd (art. 2): "de vennootschap, hier rechtsgeldig vertegenwoordigd door al haar aandeelhouders, zal 10 % van haar netto-winst van het project Tienen en 5 % van haar netto-winst van het project Sint-Truiden, overmaken aan de koper, binnen een termijn van 30 dagen nadat de laatste verkoop in ieder project verwezenlijkt werd (d.i. door het verlijden van de laatste notariële akte van verkoop). De nettowinst zijnde het verschil tussen de totale opbrengst minus alle kosten van de projecten. Bij niet-tijdige betaling zal de vennootschap een intrest gelijk aan de wettelijke intrestvoet verschuldigd zijn, onmiddellijk opeisbaar zonder ingebrekestelling na verstrijken van voormelde termijn." (met de 'vennootschap' werd de NV PROJECTENBOUW bedoeld, terwijl, aldus de BVBA KUNNEN, met "koper" de verkoper, hetzij dus de BVBA KUNNEN, werd bedoeld, zodat aan de BVBA KUNNEN moest betaald worden ~ zie hieronder verslag spoedvergadering 23/03/2011); in artikel zeven een arbitragebeding werd ingelast.

In een "verslag spoedvergadering 23/03/2011" (twee dagen voor de ondertekening van de overeenkomst dus) werd gesteld: "Op vrijdag 25/03 om 14 u wordt het document getekend van de verkoop van M. zijn aandelen binnen Projectenbouw. De€ 72 000 die werd ingelegd zal terugbetaald worden. Op de winst van Sint-Truiden zal M. 10 % krijgen en op de winst van Sint-Truiden 5 %. Dit zal betaald worden als het project is afgewerkt. Er is ook een aannemingsovereenkomst opgesteld .... " Verder werd onder meer uitgelegd dat voor het project Sint-Truiden een winst voorop gesteld werd van 511 916 EUR.

Met 'M.' wordt M.K. bedoeld.

1.2 Bij inleidende dagvaarding dd. 11 oktober 2012 vorderde de BVBA KUNNEN

betaling van de som van 25 595, 80 EUR, voor het project te SINTTRUIDEN, bedrag te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 25.3.2011, de gerechtelijke intresten en de kosten;

betaling van één EUR provisioneel voor het project TIENEN;

de NV PROJECTENBOUW te veroordelen om de documenten voor te leggen waaruit de netto-winst van het project TIENEN, groot begijnhof, kan worden berekend.

Bij besluiten vorderde de BVBA KUNNEN tevens om de NV PROJECTENBOUW te veroordelen om de opstalovereenkomst met SOM PROJECT voor het project te SINT-TRUIDEN, voor te leggen.

Bij tussenvonnis van 19.11.2012 werd de zaak naar de rol verzonden voor instaatstelling.

1.3 De NV PROJECTENBOUW wijst er op dat de BVBA KUNNEN bij beslissing van de algemene vergadering van 20.11.2012 vervroegd werd ontbonden en in vereffening gesteld, waarbij dhr. M.K., zaakvoerder, als vereffenaar werd aangesteld. De vordering kan dus, volgens haar, enkel door de vereffenaar worden verder gezet.

De heer M.K. hernam inmiddels het geding.

2. Rechtsmacht

Zoals hoger reeds aangehaald werd in artikel zeven van de overeenkomst van 25 maart 2011 een arbitragebeding ingelast.

Onder verwijzing naar dit artikel werpt de NV PROJECTENBOUW op dat deze rechtbank dus geen rechtsmacht heeft ter beoordeling van huidig geschil.

De BVBA KUNNEN verwijst naar art. 1679, lid 1 Ger.W., waarin bepaald wordt dat deze exceptie voor elke andere exceptie of verweer moet worden voorgedragen. Volgens de BVBA KUNNEN is daaraan niet voldaan, gezien er reeds een debat plaats heeft gevonden tussen partijen op de zitting van 5.11.2012 met betrekking tot de toepassing van art. 735 Ger.W. (korte debatten), waarop het tussenvonnis van 19 november 2012 volgde.

Herhaaldelijk werd onderstreept dat de exceptie van arbitrage tijdig moet worden opgeworpen conform art. 1679, 1 in fine Ger. (W.STORME M. en VOORDECKERS M., Overzicht van rechtspraak: arbitrage, 1989-2005, TPR 2005/4, 1243 e.v., nr. 24 p. 1261, met verwijzing naar Rb. Brussel 26 juni 1990, RGAR 1992, nr. 11968 en Brussel 27 april 1999, TBH 2000, 619).

De rechtbank van koophandel te Brussel oordeelde dat partijen, die de verwijzing naar een andere, ratione bevoegde rechtbank, hadden gevraagd hadden onder

 

voorbehoud van alle andere standpunten, waaronder de exceptie van arbitrage, stilzwijgend afstand hadden gedaan van de exceptie van rechtsmacht, en bijgevolg van de exceptie van arbitrage (Kh. Brussel 16 januari 1991, TBH 1992 p. 137, noot J. LAENENS).

De rechtbank van koophandel te Mechelen oordeelde dat, wanneer een zaak wegens territoriale onbevoegdheid door de rechtbank van koophandel te Brussel naar de rechtbank te Mechelen was verzonden, de rechtbank van koophandel te Brussel impliciet maar noodzakelijk reeds besliste dat de gewone rechterlijke macht bevoegd is, zodat de exceptie van arbitrage nadien niet meer moest onderzocht worden (Kh. Mechelen 23 januari 1998, T.R.V. 1998, 101 en Bank Fin. 1998, 280, noot R. Prioux).

De vereiste van art. 1679, lid 1 Ger.W. dient met andere woorden strikt toegepast en de exceptie van gebrek aan rechtsmacht omwille van het voorhanden zijn van een arbitragebeding, dient "voor elke andere exceptie of verweer" te worden ingeroepen, dus ook voor het debat over art. 735 Ger.W.

In deze omstandigheden dient besloten dat de exceptie van arbitrage niet tijdig, niet in limine litis, werd opgeworpen, zodat deze rechtbank rechtsmacht heeft.

3. Ontvankelijkheid

De NV PROJECTENBOUW werpt de onontvankelijkheid van de vordering op gezien zij noch koper noch verkoper was in de overeenkomst van verkoop van aandelen van 25 maart 2011, terwijl uit de overeenkomst niet blijkt dat zij bepaalde bedragen zou moeten betalen, noch dat deze aan de BVBA KUNNEN zouden moeten betaald worden.

Ze voegt er aan toe dat het document van 23 maart 2011 (verslag spoedvergadering) niet werd ondertekend.

De BVBA KUNNEN antwoordt hierop dat de NV PROJECTENBOUW wel vertegenwoordigd was door haar aandeelhouders in de overeenkomst van

25 maart 2011 gelet op de tekst van (art. 2): "de vennootschap, hier rechtsgeldig vertegenwoordigd door al haar aandeelhouders, zal ... ". Met de 'vennootschap' was de NV PROJECTENBOUW bedoeld, hetgeen ook uit de overeenkomst blijkt, zo vervolgt de BVBA KUNNEN. De BVBA KUNNEN wijst er verder op dat de betaling van 72 000 EUR, die eveneens volgt uit de overeenkomst van 25 maart 2011, wel werd uitgevoerd door de NV PROJECTENBOUW. De vordering is bijgevolg wel ontvankelijk, zo besluit de BVBA KUNNEN.

In ondergeschikte orde beroept de BVBA KUNNEN zich op sterkmaking, en voor zover dit evenmin zou worden aanvaard, verzoekt ze de zaak naar de rol te verzenden om haar toe te laten de aandeelhouders in het geding te betrekken.

In de eerste plaats dient er op gewezen dat de NV PROJECTENBOUW geldig vertegenwoordigd was door haar aandeelhouders, terwijl niet betwist wordt dat dit inderdaad zo was.

Verder blijkt dat de overeenkomst van 25 maart 2011 niet namens de NV PROJECTENBOUW werd ondertekend en evenmin namens haar aandeelhouders als dusdanig (in hun hoedanigheid van aandeelhouders, bevoegd om de NV PROJECTENBOUW te verbinden).

Anderzijds is voor de overeenkomst, zoals ze gesloten is voor wat de NV PROJECTENBOUW betreft, geen formele vereiste van een geschrift voorgeschreven, zodat de overeenkomst ook mondeling kon worden gesloten. Bovendien is er in voorliggende situatie een begin van uitvoering doordat de NV PROJECTENBOUW de in de overeenkomst bedoelde som van 72 000 EUR betaalde. Volledigheidshalve dient er op gewezen dat het een overeenkomst tussen handelaars in de sfeer van het handelsrecht betreft, waarin de bewijsvoering in principe vrij is en via alle middelen van recht kan worden geleverd.

Overeenkomsten zijn in het handelsrecht in principe consensueel, zodat ze louter mondeling kunnen gesloten worden. Vaak gebeurt het bewijs van hun bestaan en van de inhoud van de verbintenissen die ze bevatten via de vrijwillige uitvoering die aan de overeenkomst werd gegeven (G.L. BALLON, Bewijs in handelszaken, Story Publishers, 2011, nr.4.2.1 p. 99, met verwijzing o.a. naar art. 1138, tweede lid BW; Cass. 9 januari 1969, Pas. 1969 I, 430, RW 1968-1969, 1119 en Gent 15 mei 2002, TBH 2003, 155, noot E. BODSON en T. KRUGER).

In deze omstandigheden besluit de rechtbank dat de NV PROJECTENBOUW wel degelijk gebonden is door de gemaakte afspraken, die ze reeds deels vrijwillig uitvoerde, en bijgevolg dat de vordering ontvankelijk is.

[ ... ]
 

Noot: 

R. Steennot, exceptie van gebrek aan rechtsmacht, noor onder rb. Kh Tongeren 22 oktober 2013, NJW 2014/312, 903, bevestigend dat de exceptie van gebrek aan rechtsmacht voor elk verweer dient ingeroepen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 17/07/2015 - 18:28
Laatst aangepast op: vr, 17/07/2015 - 18:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.