-A +A

Aan meerderjarig kind van 22 jaar kan geen termijn worden opgelegd voor de vordering tot betwisting vaderschap van meerderjarig kind

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 03/02/2011
A.R.: 
18/2016

Artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1337
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Arrest nr. 18/2018

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij vonnis van 27 november 2014 (...) heeft de Franstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. “Schendt art. 318, § 2 BW art. 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in zoverre het een vaste termijn bepaalt die een kind ouder dan 22 jaar verbiedt om het vaderschap van de echtgenoot van zijn moeder meer dan een jaar na de ontdekking dat die niet zijn vader is, te betwisten, terwijl dat kind reeds vele jaren meerderjarig is, over een vorderingsrecht heeft beschikt om het wettelijk vaderschap te betwisten en een bezit van staat met de echtgenoot van zijn moeder heeft laten vormen ondanks zijn overtuiging dat dat bezit van staat niet overeenstemde met de biologische werkelijkheid?”;

2. “Schendt art. 318, § 1 BW art. 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in zoverre het een aan het bezit van staat te wijten absolute grond van niet-ontvankelijkheid invoert voor de vordering tot betwisting van het vaderschap die is ingesteld door het ruim meerderjarige kind dat verschillende jaren na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, in rechte treedt, ontdekking die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2006 die bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) is gewijzigd?”.

...

In rechte

...

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Op het ogenblik van de uitspraak van de verwijzingsbeslissing en vóór de wijziging ervan bij art. 11 van de wet van 18 december 2014 “tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van internationaal privaatrecht, het Consulair Wetboek, de wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder en de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde”, bepaalde art. 318 BW:

Ҥ 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

“§ 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

“Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

“Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot.

“§ 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap tenietgedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.

“De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, gegrond verklaard:

1o in de gevallen bedoeld in artikel 316bis;

2o wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;

3o wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen vast te staan.

§ 4. De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.

§ 5. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen”.

B.1.2. Op het ogenblik van de uitspraak van de verwijzingsbeslissing bepaalde art. 331nonies BW:

“Het bezit van staat moet voortdurend zijn.

“Het wordt bewezen door feiten die tezamen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.

“Die feiten zijn onder meer:

– dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;

– dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;

– dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;

– dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;

– dat het kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;

– dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt”.

B.2. Het in het geding zijnde art. 318 BW regelt de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind. Het vermoeden van vaderschap is ingesteld in art. 315 BW. Binnen de in § 2 van art. 318 BW bepaalde termijnen – die verschillen naar gelang van de vorderingsgerechtigden – staat de vordering enkel open voor de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is evenwel onderworpen aan een beperking: de vordering is – voor alle vorderingsgerechtigden – onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

B.3.1. Art. 332 BW, zoals vervangen bij art. 38 van de wet van 31 maart 1987 “tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming”, bepaalde:

“Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315, kan worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind.

[...]

“De rechtsvordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte en die van de echtgenoot of van de vorige echtgenoot binnen een jaar na de geboorte of na de ontdekking ervan.

“De rechtsvordering van het kind moet worden ingesteld uiterlijk vier jaar nadat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Behoudens buitengewone omstandigheden is ze niet ontvankelijk wanneer de echtgenoot het kind als het zijne heeft opgevoed.

[...]”.

Omdat de wetgever oordeelde dat het toekennen van een vorderingsrecht vanaf de geboorte problemen kon doen rijzen m.b.t. de vertegenwoordiging van de minderjarige en belangentegenstellingen met zich kon meebrengen, heeft hij er aldus voor gekozen het kind een persoonlijk vorderingsrecht toe te kennen vanaf het ogenblik dat het moet worden geacht zelf een weloverwogen beslissing te kunnen nemen (Parl.St. Senaat 1984-85, nr. 904-2, p. 115 e.v.).

B.3.2. Het afstammingsrecht is diepgaand hervormd door de wet van 1 juli 2006 “tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan”.

Het bezit van staat werd bij art. 7 van de wet van 1 juli 2006 als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap ingevoerd teneinde “de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering” (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/026, p. 6 en DOC 51-0597/032, p. 31).

Tijdens de bespreking in de commissie voor de Justitie van de Senaat heeft de minister van Justitie het belang van het begrip “bezit van staat” bevestigd door het volgende te verklaren: “Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast. De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast” (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/7, p. 9).

B.3.3. De vaste termijn van één jaar vanaf de ontdekking, door het kind ouder dan 22 jaar, van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, werd ingevoerd bij art. 368 van de wet van 27 december 2006 “houdende diverse bepalingen (I)”.

De memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de aanneming van de wet van 27 december 2006, vermeldt in dat verband: “De wet van 1 juli 2006 legt vooraf bepaalde termijnen op voor de vaderschapsbetwistingen. Voor de diverse betrokkenen kan het startpunt van de termijn worden uitgesteld, aangezien de datum die in aanmerking moet worden genomen die is van de kennisname van het onjuiste karakter van de band van afstamming. Alleen de vordering van het kind kwam niet in aanmerking voor deze mogelijkheid. Deze beperking moet verbeterd worden, want men zou die als discriminerend kunnen beschouwen” (Parl.St. Kamer 2006-07, DOC 51-2760/001, p. 239; Parl.St. Senaat 2006-07, nr. 3-1988/4, p. 3 en p. 4).

De termijn van één jaar werd verantwoord door het feit dat het onontbeerlijk was de mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te beperken in de tijd, teneinde de afstammingsband veilig te stellen. Op die manier streefde de wetgever ernaar rechtsonzekerheid en onrust in het gezin tegen te gaan (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/014, p. 5) en de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/032, p. 14 en DOC 51-0597/026, p. 6).

Ten gronde

B.4. De verwijzende rechter vraagt het Hof of art. 318 BW verenigbaar is met art. 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in zoverre het, enerzijds, een vaste termijn bepaalt die een kind ouder dan 22 jaar verbiedt om het vaderschap van de echtgenoot van zijn moeder meer dan één jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet zijn vader is, te betwisten (eerste prejudiciële vraag) en, anderzijds, een absolute grond van niet-ontvankelijkheid invoert die aan het bezit van staat tussen de wettige vader en het kind is te wijten (tweede prejudiciële vraag).

B.5.1. De in het geding zijnde regeling van betwisting van het vermoeden van vaderschap valt onder de toepassing van art. 22 Gw. en van art. 8 EVRM.

B.5.2. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft tot essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Art. 22, eerste lid Gw. sluit, evenmin als art. 8 EVRM, een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereist dat in die inmenging wordt voorzien in een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden bovendien de positieve verplichting in voor de overheid om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen van individuen (EHRM 27 oktober 1994,

Kroon e.a. t/ Nederland, § 31).

B.5.3. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM 28 november 1984, Rasmussen t/ Denemarken, § 33; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 30; EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 102; EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, §§ 48-49; EHRM 21 juni 2011, KruÅ¡ković t/ Kroatië, § 20; EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 60; EHRM 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth

t/ Hongarije, § 28).
B.5.4. De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM 26 mei 1994, Keegan t/ Ierland, § 49; EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM 2 juni 2005, Znamenskaya t/ Rusland, § 28; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 34).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Dit vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar ook tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM 6 juli 2010,

Backlund

t/ Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen.
B.6. Aangezien de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft op een absolute beperking van het recht om het vaderschap te betwisten, dient zij eerst te worden beantwoord.

Wat betreft de grond van niet-ontvankelijkheid in verband met het bezit van staat

B.7.1. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of art. 318, § 1 BW verenigbaar is met art. 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap die door het kind is ingesteld onontvankelijk is zodra er tussen dat kind en zijn wettige vader een bezit van staat bestaat.

B.7.2. Bij zijn arrest nr. 147/2013 van 7 november 2013 heeft het Hof voor recht gezegd: “Art. 318, § 1 BW schendt art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM, in zoverre de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap niet ontvankelijk is wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder”.

Het heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

“B.17. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

“B.18. Door het “bezit van staat” als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt het kind volledig de mogelijkheid ontnomen om het vermoeden van vaderschap te betwisten.

“Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

“Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet verenigbaar met art. 22 Gw, gelezen in samenhang met art. 8 EVRM”.

B.19. Aan het bovenstaande wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat een rechterlijke beslissing waarbij een regeling werd toegepast die vergelijkbaar is met de in het geding zijnde maatregel, geen schending van art. 8 EVRM inhield (EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland; EHRM 22 maart 2012, Kautzor t/ Duitsland). Het Europees Hof wees erop dat binnen de lidstaten van de Raad van Europa geen eensgezindheid over de in het geding zijnde aangelegenheid bestaat, zodat de lidstaten over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikken wat de regelgeving inzake het vaststellen van het juridisch statuut van het kind betreft (Ahrens, voormeld, §§ 69-70 en 89; Kautzor, voormeld, §§ 70-71 en 91). Overigens onderzocht het Europees Hof eveneens of de concrete toepassing van de desbetreffende regeling, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, voldeed aan de vereisten van art. 8 EVRM (Ahrens, voormeld, §§ 75-77; Kautzor, voormeld, §§ 62, 78 en 80)”.

B.7.3. Volgens de verwijzende rechter heeft het kind het bezit van staat te dezen laten voortbestaan na te hebben vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn biologische vader was. Die omstandigheid kan de conclusie waartoe het Hof in zijn voormelde arrest nr. 147/2013 is gekomen, niet wijzigen.

Het aanvoeren van een grond van niet-ontvankelijkheid, zelfs in een dergelijk geval, tegen de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap, wegens het bestaan van een bezit van staat tussen dat kind en zijn wettige vader, leidt er immers toe dat de rechter op absolute wijze wordt verhinderd rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

B.7.4. Daarenboven kunnen er velerlei redenen zijn waarom een kind niet heeft geprobeerd een einde te maken aan het bezit van staat, gesteld dat het in staat zou zijn geweest dit te doen, zodra het heeft vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader was. Die houding moet daarom nog niet noodzakelijkerwijze worden beschouwd als de vrije en weloverwogen uiting van de onherroepelijke wil van dat kind om zijn wettelijke afstamming op zijn biologische afstamming te zien prevaleren.

Bovendien had het bezit van staat dat reeds tussen het kind en zijn wettige vader bestond, zelfs indien het kind daaraan een einde had gemaakt, er ook toe kunnen leiden dat de vordering tot betwisting van het vaderschap onontvankelijk werd verklaard.

B.8. De tweede prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Met betrekking tot de vaste termijn van één jaar

B.9. Aan het Hof wordt ook een vraag gesteld over de verenigbaarheid, met art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM, van art. 318, § 2 BW in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen.

B.10.1. In het bijzonder voor wat de termijnen in het afstammingsrecht betreft, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het invoeren van termijnen op zich niet strijdig geacht met art. 8 EVRM; enkel de aard van een dergelijke termijn kan als strijdig worden beschouwd met het recht op eerbiediging van het privéleven (EHRM

6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 45; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 45; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 50; EHRM 3 april 2014, Konstantinidis t/ Griekenland, § 46).

B.10.2. Bovendien wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat de appreciatiemarge van de nationale wetgever groter is wanneer er bij de lidstaten van de Raad van Europa geen consensus bestaat over het belang dat in het geding is, noch over de manier waarop dat belang dient te worden beschermd (EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 68). Daarnaast beklemtoont het Europees Hof dat het niet zijn taak is om, in de plaats van de nationale overheden, beslissingen te nemen (EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 41).

B.10.3. Het vaststellen van een verjaringstermijn voor het instellen van een vordering tot onderzoek naar het vaderschap kan worden verantwoord door de zorg om de rechtszekerheid en een definitief karakter van de familiebanden te waarborgen. Om vast te stellen of art. 8 EVRM in acht wordt genomen, dient te worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen de in het geding zijnde concurrerende rechten en belangen. Aldus dienen “niet alleen de belangen van het individu te worden afgewogen tegen het algemeen belang van de gemeenschap in haar geheel, maar dienen ook de in het geding zijnde concurrerende privébelangen tegen elkaar te worden afgewogen” (EHRM 20 december 2007, Phinikaridou t/ Cyprus, §§ 51 tot 53).

B.11.1. Bij zijn arrest nr. 96/2011 van 31 mei 2011 heeft het Hof, met betrekking tot een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap die door een meerderjarig kind tegen de echtgenoot van zijn moeder was ingesteld, terwijl dat vermoeden noch met de biologische waarheid, noch, bij ontstentenis van een bezit van staat, met de socio-affectieve waarheid overeenstemde, geoordeeld:

“B.7. Uit de motivering van het vonnis van de verwijzende rechter blijkt dat, volgens de elementen van het dossier, het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder dat te dezen was vastgesteld ten aanzien van de eiser voor de verwijzende rechter, niet overeenstemt met de biologische waarheid, noch met de socio-affectieve waarheid. Het Hof zal het onderzoek van de bij art. 318, § 2 BW voorgeschreven termijn betreffende de vordering tot betwisting van vaderschap tot dat geval beperken.

“Het Hof moet dus nagaan of het voormelde art. 318, § 2 BW niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op de eerbiediging van het privéleven, zoals het is verankerd in art. 22 Gw. en in art. 8 EVRM, van het kind dat, bij ontstentenis van bezit van staat, het vermoeden van vaderschap wil betwisten dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder, door de termijnen die dat art. 318, § 2 daartoe voorschrijft.

[...]

“B.13. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen.

“B.14. Door te bepalen dat een kind het vermoeden van vaderschap dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder niet meer kan betwisten na de leeftijd van tweeëntwintig jaar of na het jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat diegene die de echtgenoot van zijn moeder was, niet zijn vader is, terwijl dat vermoeden met geen enkele biologische, noch socio-affectieve realiteit overeenstemt, wordt evenwel op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan het recht op de eerbiediging van het privéleven van dat kind. Door de korte verjaringstermijn zou het kunnen dat dat kind niet meer beschikt over de mogelijkheid om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen, zonder dat een en ander kan worden verantwoord door de zorg om de rust der families te bewaren terwijl de familiale banden te dezen onbestaande zijn”.

B.11.2. Bijgevolg heeft het Hof voor recht gezegd: “In de in B.7 beschreven hypothese schendt art. 318, § 2 BW art. 10, 11 en 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens”.

B.11.3. De voor de verwijzende rechter hangende vordering onderscheidt zich van het geval dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 96/2011, aangezien er te dezen een bezit van staat zou bestaan tussen de ex-echtgenoot van de moeder en het kind dat zijn afstammingsband met hem betwist.

B.11.4 Bij zijn arrest nr. 96/2011 werd het Hof ertoe gebracht de in het geding zijnde bepaling te toetsen in de situatie die door de verwijzende rechter aan het Hof is voorgelegd en heeft het zijn onderzoek uitdrukkelijk tot die situatie beperkt. Het staat dan ook aan het Hof de in het geding zijnde bepaling te toetsen in de verschillende situatie die de verwijzende rechter in de onderhavige zaak aan het Hof voorlegt.

B.12. De verwijzende rechter leidt uit de verklaringen van de betrokken partijen af dat het kind reeds op de leeftijd van zeventien jaar heeft ontdekt dat de echtgenoot van de moeder niet zijn vader is en dat de termijn waarover het beschikte om het vermoeden van vaderschap te betwisten op grond van de in het geding zijnde bepaling, op dat ogenblik is ingegaan.

B.13. Wanneer een kind verschillende jaren vóór het de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt, ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, biedt art. 318, § 2 BW het kind niet langer de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap te betwisten zodra het de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt. Dat kind, dat wordt verhinderd om dat vermoeden van vaderschap te betwisten, wordt eveneens verhinderd om na die leeftijd nog een vordering tot onderzoek naar het vaderschap in te stellen.

B.14.1. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat, waartoe ook de identiteit van zijn verwekkers behoort (EHRM

7 februari 2002, Mikulic t/ Kroatië, §§ 53 en 54; EHRM 13 juli 2006, Jäggi t/ Zwitserland, § 25; EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, §§ 48-49).

B.14.2. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet de wetgever, wanneer hij de regels inzake afstamming vaststelt, niet alleen rekening houden met de rechten van de betrokkenen, maar ook met de aard van die rechten. Wanneer het gaat om het recht op een identiteit, waartoe het recht behoort om zijn afstamming te kennen, is een diepgaande belangenafweging noodzakelijk (EHRM 13

juli 2006, Jäggi t/ Zwitserland, § 37; EHRM 3 april 2014, Konstantinidis t/ Griekenland, § 47). Zelfs indien een persoon zijn persoonlijkheid heeft kunnen uitbouwen zonder zekerheid te hebben over de identiteit van zijn biologische vader, moet worden aangenomen dat het belang dat een individu kan hebben om zijn afstamming te kennen niet afneemt met de jaren, wel integend

eel (EHRM 13 juli 2006, Jäggi t/ Zwitserland, § 40; EHRM 16 juni 2011, EHRM Pascaud t/ Frankrijk, § 65). Het Europees Hof stelt eveneens vast dat uit vergelijkend onderzoek blijkt dat in een belangrijk aantal Staten de vordering van het kind om het vaderschap te doen vaststellen niet aan een termijn is gebonden en dat een tendens waarneembaar is om een grotere bescherming toe te kennen aan het kind (EHRM 20 december 2007, Phinikaridou t/ Cyprus, § 58).

B.15. In een gerechtelijke procedure tot vaststelling van de afstamming dient het recht van eenieder op vaststelling van zijn afstamming in beginsel dan ook de overhand te krijgen op het belang van de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden.

B.16. Ook al bestaan er familiale banden, geconcretiseerd door het bezit van staat, of ook al hebben ze bestaan, toch doet de in het geding zijnde bepaling op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven van het kind, door de korte verjaringstermijn die aan het kind de mogelijkheid zou kunnen ontzeggen om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen.

Daarenboven, indien het kind buiten het huwelijk was geboren en het voorwerp van een vaderlijke erkenning had uitgemaakt, had het die erkenning met toepassing van art. 330 en 331ter BW, vervangen bij art. 38 van de wet van 31 maart 1987, nog ver na de leeftijd van 22 jaar kunnen betwisten. Daaruit vloeit een discriminatie voort tussen het kind dat aan de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde termijn is onderworpen en het kind dat aan de in de voormelde art. 330 en 331ter BW vermelde verjaringstermijn is onderworpen.

B.17. De in het geding zijnde bepaling is bijgevolg niet verenigbaar met art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen.

B.18. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

 

Noot: 

• I. Boone, “Koninklijk bloed, afstammingsrecht en het Grondwettelijk Hof” RW 2015-2016 van de lopende jaargang.

• Gerd Verschelden, Betwisting huwelijk vaderschap niet langer ontoelaatbaar bij bezit van staat, De Juristenkrant 224, pagina 1.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 15/04/2016 - 18:22
Laatst aangepast op: vr, 15/04/2016 - 18:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.