-A +A

Aan wie komt belastingsteruggave toe wanneer in EOT hierover niets werd bepaald

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 26/02/2009
A.R.: 
2088/08 FT. 283/05

Als de akte E.O.T. met betrekking tot belastingsteruggaven niet dienstig is, moet besloten worden dat deze teruggaven in onverdeeldheid toebehoren aan beide echtgenoten . Deze onverdeeldheid wordt dan beheerst door het gemene recht (art. 577-2 B.W.) en bij ontstentenis van overeenkomst of bijzondere bepalingen geldt het vermoeden dat beide onverdeelde mede-eigenaars gelijke rechten hadden op dit saldo op het ogenblik van de faillietverklaring. De omdeling door de fiscus van de teruggave is in feite niet relevant. De omdeling betreft de inningsbevoegdheid maar spreekt zich niet uit over de huwelijkvermogensrechtelijke gevolgen.

Faillissement - Echtscheiding door onderlinge toestemming gevolgd door faillissement van één der ex-echtgenoten - lot van de belastingsteruggaven.
 

 

Publicatie
tijdschrift: 
lex.be
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Vonnis

A.R. 2088/08 FT. 283/05

De heer B.L., wonende te ...........,

Eiser, vertegenwoordigd door meester De Neve Elfri, advocaat te 9700 Oudenaarde, Stationsstraat 29,-

Tegen

Meester D.K., advocaat, in persoonlijke naam doch tevens optredend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van mevrouw A.D.C., wonende te ......................, gekend onder het ondernemingsnummer .........,in faling verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde dd. 29.09.2005,

Eerste verweerder, verschijnende in persoon en meester Petra Rotsaert loco meester Spriet Hans optredend voor de curator q.q.,-

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met burelen te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

Tweede verweerder, niet verschijnende,-

In deze zaak, in beraad genomen, heeft de rechtbank het hiernavolgend vonnis verleend;

A. VOORWERP VAN DE VORDERING

1. De eis ingeleid bij exploot dd. 14.07.2008 strekt ertoe

1.verweerders te horen veroordelen tot vrijgave van de belastingteruggave ten bedrage van 15.672,83 euro aan eiser, minimaal tot vrijgave van de belastingteruggave van 15.672,83 euro volgens de omdeling conform de inkomsten van eiser en mevrouw D.C..

2.tweede verweerder te veroordelen om tot betaling over te gaan conform de vrijgave van de belastingsteruggave, meer de wettelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding en meer de gerechtelijke intresten vanaf het ogenblik van het tussen te komen vonnis

3.verweerders te veroordelen tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding ten bedrage van 1.000 euro onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding

B. FEITEN - VOORWERP VAN DE BETWISTING

2. De heer L.B. huwde op 07.08.1993 met mevrouw A.D.C. onder het wettelijk stelsel bij ontstentenis van huwelijkscontract. Tijdens het huwelijk heeft L.B. en zijn echtgenote A.D.C.. bij overeenkomst van 13.11.2002 de handelszaak "(....)" overgenomen. De handelszaak werd door mevrouw uitgebaat. De heer L.B. en mevrouw D.C. verkregen in het kader van de handelszaak een aantal kredieten bij KBC :

het investeringskrediet met nr. 726-1954945-87 ten bedrage van 30.982,00 euro

het investeringskrediet met nr. 726-2079342-33 ten bedrage van 125.000,00 euro

het investeringskrediet met nr. 726-2887636-26

het exploitatiekrediet ten bedrage van 35.000,00 euro

3. Bij vonnis dd. 25.04.2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd de echtscheiding door onderlinge toestemming tussen L.B. en A.D.C. uitgesproken. Het beschikkend gedeelte van het vonnis werd op 16.06.2005 overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Temse.

4.In de overeenkomst tot echtscheiding door onderlinge toestemming dd. 22 november 2004 werd overgegaan tot vereffening - verdeling tussen L.B. en A.D.C. Deze overeenkomst voorziet onder meer het volgende :

- "de partijen zijn overeengekomen de vermelde handelszaak te zullen verkopen..."

"de partijen voorzien tevens de mogelijkheid dat de handelszaak door één van hen wordt verder gezet, voor zover die partij een vervangende borg vindt en de partijen tot een akkoord komen met betrekking tot de aan de andere partij te betalen uitkoopsom"

"Tot aan de verkoop van vermelde handelszaak zal volgende regeling gelden .... Alle opbrengsten van de handelszaak zullen gestort dienen te worden op de gezamelijke KBC rekening 737-0071130-72 De gezamelijke rekening bij KBC bank met nummer 737-0071130-72 die exclusief gebruikt zal worden voor de handelszaak, blijft op beider naam. Elke echtgenoot zal in het bezit blijven van een bankkaart ...."

"De nog verschuldigde belastingen en taksen zullen tot en met het aanslagjaar 2005 ten laste blijven van de beide echtgenoten, ieder voor de helft. Eventuele teruggave van belastingen zal gestort worden op de bankrekening bij de KBC bank met nummer 737-0071130-72 bestemd voor de handelszaak en aangewend voor de aflossing van de hierboven vermelde investeringskredieten."

5. Uiteindelijk blijkt mevrouw de handelzaak alleen verder te zetten. Op 21.06.2005 wordt een overeenkomst gesloten tussen NV KBC BANK mevrouw D.C. en de heer L.B. waarbij overeen werd gekomen dat mevrouw alleen het krediet zal verder zetten zodat zij alleen zal gehouden blijven voor de volledige terugbetaling van het uiteindelijk debetsaldo van het krediet.

Verder werd bepaald dat dit krediet zou gewaarborgd blijven door het pand op de handelszaak ten belopen van 150.000 euro en de inpandgeving door B.M. van effecten met een minimale waarde van 37.200 euro. Verder werd bepaald dat de heer B.L. ontslagen zou worden van al zijn persoonlijke verbintenissen uit hoofde van het kredietcontract onder beding dat het krediet onverminderd gewaarborgd zou blijven door alle gevestigde waarborgen.

6.Uit de brief van 12.07.2005 blijkt dat L.B. het bedrag van het krediet in rekening 726-2887636-26 op naam van B.L.-D.C.A. vereffende. Verder blijkt uit een brief van KBC Bank van 25.06.2005 dat L.B. nog een cheque gaf ten bedrage van 38.000,00 euro ter creditering op rekening 737-071130-72 in het voordeel van KBC Bank.

7. Op 02.04.2008 heeft KBC bevestigt dat het dossier voor wat betreft L.B. is afgesloten en hij volledig ontslagen werd op 21.06.2005.

8. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde - 6de kamer dd. 29.09.2005 werd D.C.A. failliet verklaard.

Op 06.06.2006 wordt op naam van D.C.A. - B.L. een aanslag gevestigd in de personenbelasting met een saldo in hun voordeel voor 15.672,83 euro.

9. Uit een brief van 26.06.2006 blijkt dat de ontvanger van de belastingen voor het aanslagjaar 2004 een bedrag van 15.672,83 euro wenste terug te betalen aan B.L. en aan D.C.A. De ontvanger vroeg in dit schrijven instructies omtrent de wijze van terugbetaling te kiezen uit twee mogelijkheden, terugbetaling volgens een onderling akkoord tussen beide echtgenoten of terugbetaling volgens de berekende omdeling op basis van de inkomsten van elke van beide echtgenoten.

10. Bij brief van 26.04.2007 wordt bevestigd dat een bedrag van 11.459,29 euro zou worden overgemaakt op rekening van het faillissement ten voordele van curator K.D. voor de bovenvermelde aanslag. Het is niet duidelijk wat de oorzaak is van de herleiding van het bedrag. Een fiscaal bezwaar ligt niet voor.

L.B. heeft zich vervolgens verzet tegen de uitbetaling aan de curator.

11. Bij brief van 28 november 2007 verantwoordt de rekenplichtige der geschillen het standpunt van de administratie.

12. Bij brief van 19 december 2007 verdedigt de administratie het standpunt dat de belastingteruggave zal gebeuren aan elk van de echtgenoten voor de helft.

C. BEOORDELING

13. De conclusie dd. 31.12.2008 van curator K.D. dient uit de debatten geweerd, vermits deze is neergelegd buiten de termijn in de conclusiekalender in de beschikking dd. 13.10.2008 vastgelegd.

14. De vordering is geen vordering waarbij de hoegrootheid van de belastingaanslag wordt betwist en in deze procedure kan ook de aanslag op zich niet worden betwist. Voor de betwisting van de hoegrootheid van de aanslag geldt een bijzondere procedure van bezwaar op administratief vlak en voor de Rechtbank van Eerste Aanleg.

15. De belastingteruggave waarover het hier gaat is voor kohierartikel 766574558 - aanslagjaar 2005 : 11.459,29 euro.

Dit blijkt uit de brieven van de rekenplichtige der geschillen dd. 26.04.2007 en dd. 16.05.2007.

16. Blijkens de brief dd. 16.05.2007 is de omdeling volgens de inkomsten van eiser en D.C.A. gebeurd en is het aandeel van de eiser 11.459,29 euro en het aandeel van de vrouw in de terugbetaling nihil.

Mevrouw D.C.A. had immers verlies geleden (zie oorspronkelijke aanslag).

17. De clausule in de akte E.O.T. volgens hetwelk de eventuele teruggave van belastingen zal gestort worden op de rekening KBC om aangewend te worden voor de terugbetaling van de kredieten is niet meer van belang. Immers deze bepaling had duidelijk tot doel de teruggave aan te wenden om de kredieten KBC aan te zuiveren.

Door de overname van de handelszaak door D.C.A. en het ontslaan van B.L. van alle verbintenissen tegenover KBC, na de gedane aanzuiveringen is de bepaling in de akte E.O.T. zonder voorwerp nu de gezamelijke verbintenis tegenover KBC wegviel.

18. Op het ogenblik van het faillissement was de huwgemeenschap welke bestond tussen B.L. en D.C.A. reeds ontbonden en de vereffening en verdeling werd tussen partijen geregeld in de akte E.O.T. dd. 22.11.2004.

19. De curator poneert dat het tegoed een restant is van het gemeenschappelijk vermogen en dus ook aan het faillissement toekomt.

20. Nu de akte E.O.T. met betrekking tot deze gelden niet meer dienstig is, moet besloten worden dat deze gelden in onverdeeldheid toebehoren aan beide echtgenoten (Gent, 05.11.2007, NJW, 2008, 597). Deze onverdeeldheid wordt dan beheerst door het gemene recht (art. 577-2 B.W.) en bij ontstentenis van overeenkomst of bijzondere bepalingen geldt het vermoeden dat beide onverdeelde medeëigenaars gelijke rechten hadden op dit saldo op het ogenblik van de faillietverklaring dd. 22.11.2004. De omdeling is in feite niet relevant. De omdeling betreft de inningsbevoegdheid maar spreekt zich niet uit over de huwelijkvermogensrechterlijke gevolgen. De teruggave betreft baten van de ontbonden huwgemeenschap waaromtrent in de akte E.O.T. geen nuttige clausule meer te vinden is.

21. Eiser heeft derhalve recht op de helft.

22. Tweede verweerster dient veroordeeld tot vrijgave van de belastingteruggave in die zin.

23. Er is geen reden om boven de intresten noch enige schadevergoeding toe te kennen.

24. De rechtbank is van oordeel dat meester K.D.. noch in zijn hoedanigheid van curator noch in persoonlijke naam een fout beging. De houding van de curator valt binnen de marge waarin men in redelijkheid een verschil van mening kan hebben omtrent de uitgestrektheid van zijn rechen en is dus niet foutief.

25. Ook de Belgische Staat, Ministerie van Financiën beging geen fout. Ook hier geldt dat de houding van de staat niet foutief was. De betwisting betreft een toepassing van fiscaal recht - huwelijksvermogensrecht - faillissementsrecht. Het was redelijk in hoofde van de Belgische Staat bij gebreke aan akkoord de uitspraak van de rechtbank af te wachten.

Gezien de procedure gevolg is van de houding van de curator, eerste verweerder dient deze ook in de kosten veroordeeld tegenover eiser. Eiser dient veroordeeld tot de kosten gevallen aan de zijde van de curator in eigen naam.

De bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 met betrekking tot het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak ten overstaan van B.L. en meester K.D., in eigen naam en in zijn hoedanigheid van curator q.q. en geacht op tegenspraak te zijn gewezen in toepassing van artikel 747 § 2 Ger.W. ten overstaan van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Veroordeelt de tweede verweerster, de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, om over te gaan tot vrijgave van de belastingsteruggave en de betaling van 11.459,29 euro meer de wettelijke intresten van de dagvaarding ten belope van de helft aan B.L. en ten belope van de helft aan de curator van het faillissement D.C.A.

Verklaart alle overige vorderingen ongegrond.

Veroordeelt meester K.D. tot de kosten aan de zijde van L.B. begroot op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding en de kosten der dagvaarding.

Veroordeelt eiser tot de kosten gevallen aan de zijde van de curator persoonlijk begroot op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding.

Zegt dat tweede verweerster haar eigen kosten dient te dragen.

Staat de voorlopige tenuitvoerlegging toe van onderhavig vonnis.

Dit vonnis is gewezen door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, zesde kamer,en op de buitengewone openbare terechtzitting van 26 februari 2009

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 09/08/2017 - 11:51
Laatst aangepast op: wo, 09/08/2017 - 11:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.