-A +A

Aandeelhouder met slechts één aandeel kan genieten van kwijtschelding borgstelling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 09/04/2013

Wanneer in een vennotschap een vennoot slechts één aandeel heeft en dit onderschreven heeft om familiale redenen en nooit een dividend uitgekeerd kreeg, kan deze aandeelhouder aanzien worden als een persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld voor de gefailleerde en die krachtens art. 80, derde lid Faillissementswet bevrijd kan worden van de verbintenissen volgend uit die zekerheidstelling.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
391
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L.E. e.a. t/ NV I.B.

...

Verzoekers vragen de rechtbank overeenkomstig art. 80, derde lid Faillissementswet hen te bevrijden, daar de door hen aangegane verbintenissen geenszins in verhouding zijn met hun inkomsten en patrimonium.

Krachtens art. 80, derde lid Faillissementswet kan de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld voor de gefailleerde, bevrijd worden van zijn verbintenissen volgend uit die zekerheidstelling, indien die verbintenissen niet in verhouding zijn met zijn inkomsten of patrimonium, tenzij hij zijn onvermogen frauduleus heeft georganiseerd. De kosteloosheid van de zekerheidstelling moet worden beoordeeld op het ogenblik van het aangaan van de verbintenis.

Het begrip kosteloze borg in art. 80, derde lid Faillissementswet werd in de memorie van toelichting van de wet van 20 juli 2005 omschreven als de borg gegeven door “elke persoon die, door bereidwilligheid, verplicht is om de schulden van de gefailleerde te helpen delgen, terwijl die persoon geen persoonlijk belang heeft bij de betaling ervan: namelijk de borg, maar ook de medeschuldenaar die handelt in hoedanigheid van steller van persoonlijke zekerheid” (Parl.St. Kamer 2004-05, 1811/001, 5-6, zie ook: M. Vanmeenen, “De Faillissementswet op de valreep aangepast”, TBH 2005, 997).

Het Arbitragehof besliste in zijn arrest nr. 114/2004 van 30 juni 2004 dat het verschil in behandeling tussen de kosteloze en niet-kosteloze borg verantwoord was en verwees in volgende bewoordingen naar het ontbreken van enig voordeel als een objectief criterium: “het bekritiseerde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium: de kosteloze aard van de borg slaat op het ontbreken van enig voordeel, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling” en oordeelde verder: “Door enkel de personen die met hun borgstelling geen economisch voordeel nastreven van hun verplichtingen te ontslaan, heeft de wetgever de meest onbaatzuchtige en meest kwetsbare categorie van borgen in bescherming willen nemen”.

Ook hier werd geoordeeld dat het kosteloos karakter van de borgstelling slechts aanwezig is wanneer geen direct noch indirect economisch voordeel werd beoogd bij de borgstelling.

Het Hof van Cassatie heeft elke feitenrechter de mogelijkheid gegeven het begrip kosteloos autonoom te onderzoeken en bijgevolg inhoud te geven. Daarbij dient de rechter zich te plaatsen op het ogenblik waarop de borgstelling werd verleend (Cass. 26 juni 2008, C.07.0596 en C.07.0546, Arr.Cass. 2008, nr. 404, conclusie A. Van Ingelgem).

Men dient casuïstisch tewerk te gaan en alle omstandigheden, eigen aan de zaak, in acht te nemen om te beslissen of er al dan niet een tegenprestatie aanwezig is voor de borgstelling “an sich” (zie: J. Van den Bosch, Kosteloze Borgtocht, Brugge, Vanden Broele, p. 11).

De heer D.L. was zowel oprichter, aandeelhouder als zaakvoerder van de BVBA A. Hij verwierf inkomsten uit de vennootschap. Zijn borgstelling was niet kosteloos.

Mevrouw S.G. was weliswaar mede-oprichtster van de BVBA A., samen met haar thans overleden echtgenoot en haar zoon, D.L., maar zij bezat slechts één aandeel in de vennootschap. Haar overleden echtgenoot bezat eveneens één aandeel, de zoon had de rest, zijnde zestig aandelen. Er is haar nooit een dividend uitbetaald geweest. In casu heeft mevrouw S.G., louter als moeder van de zaakvoerder van de vennootschap, de borgstellingsovereenkomst ondertekend.

Zij streefde op het ogenblik van de borgstelling geen economisch voordeel na, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks; dit wordt althans niet aangetoond. Het is nu juist deze meest onbaatzuchtige en meest kwetsbare categorie van borgen die de wetgever in bescherming heeft willen nemen. De borgstellig van mevrouw G. is bijgevolg kosteloos.

Aangezien mevrouw G. zich kosteloos borg stelde voor de vennootschap, dient te worden onderzocht of haar verbintenis al dan niet in verhouding is met haar inkomsten en patrimonium (de zogenaamde proportionaliteitstest).

Voor wat betreft het onevenwicht tussen de borgstelling en de inkomsten en het patrimonium van de borgsteller:

– Mevrouw G. is 82 jaar oud en weduwe. Zij beschikt over een maandelijks gemiddeld inkomen van 1.416 euro (het jaarinkomen waarnaar I.B. verwijst is het bruto-inkomen).

– Zij dient een maandelijkse huur te betalen, en de klassieke maandelijkse lasten (kabeltelevisie, telefoon, verzekeringen, gas, elektriciteit, water, voeding, kleding ...).

– Het saldo van de borgstelling is 5000 euro.

Uit de door verzoekster neergelegde stukken, alsook uit het overzicht van inkomsten en uitgaven met betrekking tot het jaar 2012 dat zij neerlegt, blijkt dat de verbintenissen van verzoekster geenszins in verhouding zijn met haar inkomsten en patrimonium.

Uit geen enkel element blijkt dat zij haar onvermogen frauduleus zou hebben georganiseerd.

Zij komt derhalve in aanmerking voor volledige bevrijding van haar borgstellingsverplichtingen ten opzichte van de NV I.B. Het verzoek van mevrouw S.G. is bijgevolg gegrond.
 

Noot: 

Rechtspraak:

• Cass. 26 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 404, conclusie A. Van Ingelgem, RW 2008-09, 365, noot P. Coussement, TBH 2008, 728, TBBR 2008, 476, noot B. Van Baeveghem, JLMB 2009, noot Th. Cavenaile, RPS 2008, 84, noot W. Derijcke.


Het hof van beroep te Gent oordeelde in haar arrest van 11 januari 2016 (NJW 2017, 500, met noot Johanna Waelkens, Kosteloze borg) dat wie een aandeelhouder is van een schuldenaar zich niet kosteloos borg stelt, gelet op zijn economisch belang bij het welslagen van de onderneming van de schuldenaar.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 30/11/2013 - 19:03
Laatst aangepast op: di, 04/07/2017 - 14:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.