-A +A

Aandelenoverdracht tijdens huwelijk al dan niet een schenking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 03/12/2014

De animus donandi kan niet worden afgeleid uit de nauwe relatie of de huwelijkse staat tussen (beweerde) schenker en (beweerde) begiftigde.

Daarnaast vormt het louter ontbreken van een evenwichtige economische tegenprestatie op zich evenmin het bewijs van een animus donandi, zelfs niet wanneer er genegenheidsbanden bestaan tussen de partijen (W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwickelen, Schets van het familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 558). Bepaalde prestaties zijn trouwens moeilijk mathematisch-economisch te meten, c.q. te valoriseren. Het hof beklemtoont in dat verband ook dat vrijgevigheid en genegenheid geen volkomen inwisselbare begrippen zijn.

Een beweging van vermogens, een overdracht van aandelen, kan ook bestaan uit.

een re-allocatie van het vermogen te situeren, omdat dit vermogen vaak de resultante is van gezamenlijke inspanningen binnen het huwelijkse samenleven en de in het kader daarvan gevoerde huishouding.

Dit geldt zeker bij het stelsel van scheiding van goederen, zoals dat van partijen (dat weliswaar ook een beperkt toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen had), waar het noodzakelijke evenwicht tussen autonomie, gelijkwaardigheid en solidariteit in de interne verhouding tussen de echtgenoten vaakt noopt tot de toekenning van een recht aan de financieel zwakkere echtgenoot om te participeren in het vermogen dat de andere echtgenoot in de loop van het huwelijk (al dan niet door arbeid) heeft opgebouwd (zie o.a.: A. Verbeke, “Weg met de koude uitsluiting!” WPNR – Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie 2001, nr. 6464, p. 259-266; A. Verbeke, Goederenverdeling bij echtscheiding, Antwerpen, Maklu, 1991, p. 342; Ph. De Page, “La problématique de la séparation de biens dans la théorie et dans la pratique” in Les contrats de mariage, Louvain-la-Neuve, Academia-Bruylant, 1996, 37 e.v.; Ph. De Page, “La séparation de biens – Comptes et créances entre époux – Aspects notariaux et judiciaires”, RTDF 1998, 359 en de verwijzingen aldaar).

Een overdracht van gelden of aandelen kan ook de uitvoering zijn van een morele plicht van een echtgenoot bv. bij de wijziging van een huwelijkscontract, hetgeen een overeenkomst ten bezwarende titel is.

In geval van twijfel moet de kwalificatie schenking naar het oordeel van het hof verworpen worden; afgezien van het feit dat schenkingen niet vermoed worden (handelingen te bezwarenden titel zijn de regel, terwijl handelingen te kostelozen titel de uitzondering zijn), geldt hierbij nog de bijkomende overweging dat de rechtszekerheid pleit tegen een kwalificatie als (per definitie tussen echtgenoten herroepbare en bijgevolg juridisch volstrekt precaire) schenking, telkens als er redelijke twijfel rijst over de onderliggende rechtsverhouding voor de vermogenstransfer.

Een vermogenstransfer tussen echtgenoten kan immers niet post factum zo maar gedenatureerd of geherkwalificeerd worden in een schenking door diegene die activa overdroeg wanneer zich naderhand dan een huwelijkscrisis voordoet. Een eigendomsoverdracht is in beginsel onvoorwaardelijk en bijgevolg onherroepelijk, behalve in geval van wettelijke uitzonderingen of contractueel bedongen voorwaarden, die in casu niet afdoende bewezen voorkomen.

...

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
666
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Beroep te Antwerpen

3e Kamer – 3 december 2014

G.N. t/ I.N.

Procedure

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van november 2012 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 26 december 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer G.N. (hierna de man) tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 9 november 2012 strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis:

– vast te stellen dat hij eigenaar was van 400 aandelen van de BVBA S. tot op het ogenblik van de verkoop van de aandelen aan een derde;

– mevrouw I.N., geïntimeerde (hierna de vrouw), te veroordelen tot betaling aan hem van 400/670 van de ontvangen en/of nog te ontvangen verkoopprijs van de aandelen S., provisioneel becijferd op 450.000 euro, vermeerderd met de interesten vanaf de datum van ontvangst van de gelden in kwestie

(...).

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

Feiten en retroacten

4. Partijen zijn gehuwd te O. op 19 juni 2000 (onder het stelsel van scheiding van goederen, met toevoeging van een beperkt intern gemeenschappelijk vermogen, naderhand nog aangevuld met een keuzebeding).

5. Er kwamen echtelijke moeilijkheden, wat resulteerde in een dagvaarding tot echtscheiding en voorlopige maatregelen.

Op 15 november 2012 werd het vonnis van echtscheiding uitgesproken dat vervolgens werd betekend op 29 november 2012.

Hiertegen werd geen rechtsmiddel aangewend, zodat de echtscheiding definitief voltrokken is.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

7. Vooraleer het hof het argument van de man geput uit art. 931 BW (de absolute nietigheid van de schenking, wegens het ontbreken van een authentieke notariële schenkingsakte) kan onderzoeken, moet vooraf worden nagegaan of de gewraakte aandelenoverdracht door de man naar de vrouw wel als een schenking kan worden beschouwd.

8. De man, die gewag maakt van een schenking, dient bijgevolg het bewijs te leveren van de animus donandi, zijn beweerd toenmalig uitsluitend inzicht om te schenken.

In weerwel van wat de vrouw beweert, kan het bestaan van een schenking (in wezen van de vrijgevigheidsintentie of de animus donandi) worden bewezen door alle middelen van recht, zodat het vereiste van art. 1341 BW niet geldt: feit is immers dat niet de rechtshandeling zelf aan de orde is, maar de werkelijke wil van de partijen ten tijde van de vermogenstransfer.

9. Bij de beoordeling, vanuit het oogpunt van de ingeroepen rechtshandeling, dient men zich uitsluitend te plaatsen op het ogenblik van de totstandkoming van de vermogenstransfer (of de hieraan ten grondslag liggende rechtsverhouding of het betrokken rechtsfeit).

10. De animus donandi kan niet worden afgeleid uit de nauwe relatie of de huwelijkse staat tussen (beweerde) schenker en (beweerde) begiftigde.

Daarnaast vormt het louter ontbreken van een evenwichtige economische tegenprestatie op zich evenmin het bewijs van een animus donandi, zelfs niet wanneer er genegenheidsbanden bestaan tussen de partijen (W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwickelen, Schets van het familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 558). Bepaalde prestaties zijn trouwens moeilijk mathematisch-economisch te meten, c.q. te valoriseren. Het hof beklemtoont in dat verband ook dat vrijgevigheid en genegenheid geen volkomen inwisselbare begrippen zijn.

11. Het antwoord op de vraag of de man in de hier voorliggende zaak afdoende en met voldoende zekerheid het bewijs van een schenking levert, luidt, naar de opvatting van het hof, ontkennend. Het feit buiten beschouwing latend dat het ontbreken van een formele (schenkings)akte naar het oordeel van het hof een feitelijk vermoeden kan opleveren dat er geen sprake is van een schenking (in de hypothese van een schenking zou de schenker-echtgenoot immers alle belang hebben bij een formele schenkingsakte om zo de mogelijkheid tot herroeping gaaf te houden en alle discussies in dat verband voor de toekomst uit te sluiten), houdt het hof rekening met volgende feitelijke elementen van het dossier.

11.a. Partijen waren gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, zij het met toevoeging van een beperkt intern gemeenschappelijk vermogen, beperkt tot twee onroerende goederen, zoals blijkt uit het door hen voorgelegde huwelijkscontract.

11.b. De aandelenoverdracht vond plaats op 30 september 2003.

Op dezelfde dag nam de man ook ontslag als zaakvoerder, wat genoteerd werd in de notulen van de algemene vergadering van 30 september 2003 en vervolgens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad 30 oktober 2003. De vrouw werd benoemd als nieuwe (enige) zaakvoerder.

Voorts blijkt dat de vrouw voordien ontslag nam uit haar betrekking als ambtenaar bij FOD Financiën; zij gaf deze benoeming op, om een opleiding te volgen in de tuinbouwschool, duidelijk met de bedoeling naderhand ook (met kennis van zaken) actief te zijn in de vennootschap (de BVBA S.), waarvan zij de aandelen zou verkrijgen.

Uit de bijgebrachte stukken leidt het hof af dat de man duidelijk in een financieel sterkere positie verkeerde en kennelijk nog verkeert (...); de vrouw werkte vóór de aandelentransfer slechts als ambtenaar (en genoot uit de BVBA S. geen inkomen), terwijl de man ten tijde van de litigieuze aandelenoverdracht reeds een aanzienlijke aandelenparticipatie had in de op 5 maart 2003 opgerichte CVBA V. (waarvan de man één van de vier oprichters is, met 1/4 van de totaliteit van de aandelen), en bovendien uit de oprichtingsakte blijkt dat het kapitaal (...) volledig geplaatst werd bij de oprichting.

11.c. De aangetekende brief van de man van 6 september 2011 waarbij de beweerde “schenking” werd herroepen, werd door de vrouw onverwijld geprotesteerd en tegengesproken, met het argument dat er nooit sprake geweest is van een schenking.

11.d. Tijdens het huwelijk kunnen tussen echtgenoten transacties worden aangegaan die resulteren in vermogenstransfers, zonder dat deze transacties daarom a priori als schenking moeten worden gekwalificeerd. Vermogenstransfers tijdens het huwelijk beogen vaak ook de realisatie van een faire balans tussen de solidariteit die een huwelijk meebrengt en de autonomie van de echtgenoten.

Bepaalde onevenwichten kunnen hierbij worden hersteld of minstens gedeeltelijk worden gecompenseerd. Dit kadert in de benadering van het huwelijk als een partnerschap tussen twee gelijkwaardige partners die een engagement aangaan om hun leven samen vorm te geven.

In die context is niet zelden een re-allocatie van het vermogen te situeren, omdat dit vermogen vaak de resultante is van gezamenlijke inspanningen binnen het huwelijkse samenleven en de in het kader daarvan gevoerde huishouding.

Dit geldt zeker bij het stelsel van scheiding van goederen, zoals dat van partijen (dat weliswaar ook een beperkt toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen had), waar het noodzakelijke evenwicht tussen autonomie, gelijkwaardigheid en solidariteit in de interne verhouding tussen de echtgenoten vaakt noopt tot de toekenning van een recht aan de financieel zwakkere echtgenoot om te participeren in het vermogen dat de andere echtgenoot in de loop van het huwelijk (al dan niet door arbeid) heeft opgebouwd (zie o.a.: A. Verbeke, “Weg met de koude uitsluiting!” WPNR – Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie 2001, nr. 6464, p. 259-266; A. Verbeke, Goederenverdeling bij echtscheiding, Antwerpen, Maklu, 1991, p. 342; Ph. De Page, “La problématique de la séparation de biens dans la théorie et dans la pratique” in Les contrats de mariage, Louvain-la-Neuve, Academia-Bruylant, 1996, 37 e.v.; Ph. De Page, “La séparation de biens – Comptes et créances entre époux – Aspects notariaux et judiciaires”, RTDF 1998, 359 en de verwijzingen aldaar).

11.e. Na de litigieuze aandelenoverdracht werd trouwens ook een nieuwe huwelijksovereenkomst gesloten bij notariële akte van 27 april 2004; dit is evenzeer een overeenkomst te bezwarenden titel en geen gift.

11.f. De determinerende beweegreden van de man kan ook het uitvoeren van een dwingend aangevoelde morele plicht geweest zijn, zodat niet afdoende vaststaat dat dit gebeurde vanuit een louter vrijgevige intentie.

In geval van twijfel moet de kwalificatie schenking naar het oordeel van het hof verworpen worden; afgezien van het feit dat schenkingen niet vermoed worden (handelingen te bezwarenden titel zijn de regel, terwijl handelingen te kostelozen titel de uitzondering zijn), geldt hierbij nog de bijkomende overweging dat de rechtszekerheid pleit tegen een kwalificatie als (per definitie tussen echtgenoten herroepbare en bijgevolg juridisch volstrekt precaire) schenking, telkens als er redelijke twijfel rijst over de onderliggende rechtsverhouding voor de vermogenstransfer.

Een vermogenstransfer tussen echtgenoten kan immers niet post factum zo maar gedenatureerd of geherkwalificeerd worden in een schenking door diegene die activa overdroeg wanneer zich naderhand dan een huwelijkscrisis voordoet. Een eigendomsoverdracht is in beginsel onvoorwaardelijk en bijgevolg onherroepelijk, behalve in geval van wettelijke uitzonderingen of contractueel bedongen voorwaarden, die in casu niet afdoende bewezen voorkomen.

...

15. Het hoger beroep is ongegrond en het bestreden vonnis dient te worden bevestigd.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 22/12/2015 - 17:16
Laatst aangepast op: di, 22/12/2015 - 17:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.