-A +A

Aanpassing woning na arbeidsongeval lift

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Antwerpen-afdeling hasselt
Datum van de uitspraak: 
maa, 17/03/2014
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
867

Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap t/ NV A. B.

...

2. Feiten en antecedenten

R. S., verder in dit arrest “het slachtoffer” genoemd, werd op 1 juli 1998 getroffen door een zwaar arbeidsongeval toen hij in dienst was van de NV L. te Bree.

De NV A. B., verder in dit arrest “de arbeidsongevallenverzekeraar” genoemd, is de arbeidsongevallenverzekeraar van de NV L.

Er werd op 10 oktober 2002 door het slachtoffer een overeenkomst-vergoeding ondertekend die door het Fonds voor Arbeidsongevallen werd bekrachtigd op 5 februari 2003 en waarin de gevolgen van het arbeidsongeval van 1 juli 1998 als volgt werden vastgelegd:

– tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 1 juli 1998 tot en met 31 maart 2000;

– consolidatiedatum: 1 april 2000;

– blijvende arbeidsongeschiktheid: 90%;

– hulp van derden: 58%;

– basisloon: 23.921,97 euro;

– er werden verschillende prothesen en orthopedische toestellen toegekend.

Er werd echter op dat moment geen beslissing genomen of uitspraak gedaan over het recht op vergoedingen voor de eventueel noodzakelijke aanpassingswerken aan de woning van het slachtoffer op grond van de Arbeidsongevallenwet, omdat er op dat ogenblik nog geen sprake was van de eventuele bouw van een woning.

Op 14 december 2005 werd een overeenkomstherziening gesloten tussen het slachtoffer en de arbeidsongevallenverzekeraar, door het Fonds voor Arbeidsongevallen bekrachtigd, waarbij een bijkomende prothese, meer bepaald orthopedische schoenen, werd toegekend.

Op 19 juni 2009 verzocht R. S. het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (hierna: “VAPH”) om tussenkomst voor de kosten van de volgende aanpassingen aan zijn woning:

– bouwkosten liftschacht;

– kokerlift;

– onderhouds- en herstellingskosten kokerlift;

– meerkosten nieuwbouw;

– automatische deuropener voor- en achterdeur;

– handgrepen;

– onderrijdbaar werkvlak, gootsteen en kookvuur;

– aanpassen circulatieomgeving buitenshuis.

Het slachtoffer deed deze aanvraag omdat hij toen startte met de bouw van een woning.

Het VAPH heeft met beslissing van 17 september 2009 ten gunste van R. S., ingevolge zijn aanvraag van 19 juni 2009, besloten tussenkomst te verlenen voor de volgende hulpmiddelen:

– bouwkosten liftschacht: 8.929,21 euro – kokerlift: 19.281,35 euro – meerkosten nieuwbouw: 8.806,25 euro – automatische deuropener voor- en achterdeur: 2.368,25 euro – handgrepen: 759,40 euro – onderrijdbaar werkvlak: 910,21 euro – onderrijdbare gootsteen: 910,21 euro – onderrijdbaar kookvuur: 160,70 euro – aanpassen circulatieomgeving: 2.807,60 euro Totaal: 44.933,27 euro
Met een brief van 12 oktober 2009 liet de arbeidsongevallenverzekeraar het slachtoffer weten niet tussen te komen voor de voormelde gevraagde aanpassingen aan zijn woning. De arbeidsongevallenverzekeraar verwees hiervoor naar het VAPH.

Met een brief van 19 mei 2011 liet de arbeidsongevallenverzekeraar weten slechts beperkt te willen tussenkomen voor een bedrag van 7.657 euro (de waarde van een traplift), zoals vastgelegd door het Fonds voor Arbeidsongevallen.

Het VAPH vorderde van de NV A. B. de terugbetaling van voormelde som van 44.933,27 euro, vermeerderd met de interesten en de kosten. Het trad daarbij op in de hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer ingevolge art. 14 van het Oprichtingsdecreet van het VAPH en krachtens art. 28 Arbeidsongevallenwet en art. 35 van het KB van 21 december 1971.

De arbeidsongevallenverzekeraar was van oordeel dat zijn tussenkomst diende beperkt te worden tot de plaatsing van een traplift/monolift en dit op grond van art. 35 van het KB van 21 december 1971 (zoals aangepast door art. 3 van het KB van 5 juni 2007).

Aangezien beide partijen hierover niet tot een overeenstemming konden komen, verschenen zij op 3 februari 2011 vrijwillig voor de Arbeidsrechtbank te Tongeren. Zij verzochten de eerste rechters zich uit te spreken over voormeld geschil, meer bepaald de terugvordering ingesteld door het VAPH ten aanzien van de NV A. B. voor een bedrag van 44.933,27 euro, “te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf de respectieve betalingsdata tot op de datum van de tussen te komen rechterlijke beslissing en vanaf deze datum met verwijlinteresten tot op de datum van betaling”.

...

Bij vonnis van 17 januari 2013 oordeelden de eerste rechters dat de tussenkomst van de NV A. B. beperkt diende te worden tot de waarde van de traplift, vastgesteld door het Fonds voor Arbeidsongevallen op 7.657 euro. Zij verklaarden de vordering van het VAPH ontvankelijk maar slechts gedeeltelijk gegrond en veroordeelden de arbeidsongevallenverzekeraar tot betaling aan het VAPH van 7.657 euro “overeenstemmend met haar regelingsvoorstel van 19 mei 2011”.

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 15 maart 2013, tekende het VAPH hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van 17 januari 2013.

3. Eisen in hoger beroep

Het VAPH vordert zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis te hervormen in zoverre zijn oorspronkelijke vordering slechts gegrond werd verklaard ten belope van 7.657 euro en opnieuw rechtsprekend de arbeidsongevallenverzekeraar te veroordelen tot betaling van 44.933,27 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf de respectieve betalingsdata en de gerechtelijke interesten.

Subsidiair vordert het VAPH de arbeidsongevallenverzekeraar te veroordelen tot betaling van 15.573,76 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf de respectieve betalingsdata en de gerechtelijke interesten.

De NV A. B., de arbeidsongevallenverzekeraar, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen.

4. Beoordeling

4.1. Voorwerp van de betwisting

Het geschil beperkt zich tot de vraag of NV A. B. als arbeidsongevallenverzekeraar op basis van de Arbeidsongevallenwet al dan niet gehouden is om de kosten van de door het arbeidsongeval noodzakelijk geworden aanpassingswerken aan de woning van het slachtoffer ten laste te nemen.

Op 19 juni 2009 richtte het slachtoffer R. S. verschillende zorgvragen tot het VAPH voor de aanpassing van zijn nieuwbouwwoning. Het VAPH verleende vervolgens voor een bedrag van 44.933,27 euro tussenkomsten voor de volgende zorgvragen: bouwkosten liftschacht, kokerlift, meerkosten nieuwbouw, automatische deuropener voor- en achterdeur, handgrepen, onderrijdbaar werkvlak, gootsteen en kookvuur, en aanpassing circulatieomgeving.

Over de andere tussenkomsten door de arbeidsongevallenverzekeraar, op basis van de arbeidsongevallenwetgeving, bestaat er geen betwisting tussen partijen.

Het VAPH vorderde van de NV A. B. (als arbeidsongevallenverzekeraar) de terugbetaling van de tussenkomsten als gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer op grond van art. 28 Arbeidsongevallenwet en art. 35 van het KB van 21 december 1971.

De NV A. B. was slechts bereid een bedrag van 7.657 euro ten laste te nemen, zijnde de waarde van de traplift, op basis van een strikte toepassing van art. 35 van het KB van 21 december 1971, zoals dit artikel gewijzigd werd bij KB van 5 juni 2007.

De arbeidsongevallenverzekeraar werd door de eerste rechters in het gelijk gesteld.

Het VAPH voert voor het hof volgende grieven aan tegen het bestreden vonnis:

– het vernieuwde art. 35 van het KB van 21 december 1971 is niet van toepassing op de huidige casus op grond van de toepassing van de wet in de tijd;

– de toepassing van dit art. 35 brengt bovendien in de huidige casus een onrechtmatige discriminatie met zich mee ten nadele van het slachtoffer;

– de Koning kon bij KB geen limitatieve lijst opstellen van de prothesen en orthopedische toestellen die in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving vergoedbaar zijn, omdat art. 28 Arbeidsongevallenwet de Koning slechts toeliet om de voorwaarden te bepalen van de vergoedingsplicht in het kader van deze wetgeving, en dus niet om te bepalen welke prothesen of orthopedische toestellen vergoedbaar zijn;

– een aantal uitgaven waarvan de arbeidsongevallenverzekeraar de terugbetaling weigert, betreffen geen aanpassingen aan de woning.

4.2. De toepasselijke wettelijke bepalingen en hoe deze dienen te worden geïnterpreteerd

Art. 14 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het VAPH (BS 11 juni 2004) bepaalt:

“Een persoon met een handicap krijgt geen tegemoetkoming van het agentschap als hij krachtens andere wetten, decreten met uitzondering van het decreet houdende de organisatie van de zorgverzekering, ordonnanties of reglementaire bepalingen, of krachtens gemeen recht, voor dezelfde schade en [op grond van dezelfde handicap] al een schadeloosstelling heeft gekregen. De persoon met een handicap moet zijn aanspraak op deze schadeloosstelling doen gelden.

“Als deze schadeloosstelling minder bedraagt dan de tegemoetkoming van het agentschap, dan past het agentschap het verschil bij.

“In afwachting van de daadwerkelijke schadeloosstelling krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties of reglementaire bepalingen of krachtens gemeen recht, worden de tegemoetkomingen van het agentschap toegekend onder de door de Vlaamse regering vastgestelde voorwaarden.

“Het agentschap treedt, ten belope van het bedrag van de aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling, bedoeld in het derde lid, verschuldigd zijn. (...)”

Art. 28 Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de getroffene recht heeft op de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen en, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, op de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn.

Art. 35 van het KB van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de Arbeidsongevallenwet, luidt in zijn huidige versie als volgt:

“Worden als prothese of orthopedisch toestel aangezien:

1o de eigenlijke prothese of het eigenlijke orthopedisch toestel;

2o alle functionele bijhorigheden;

3o het reservetoestel, naargelang van de aard van de letsels;

4o De volgende aanpassingen aan de woning:

– de traplift;

– de monolift.

“Het slachtoffer heeft recht op prothesen of orthopedische toestellen waarvan de noodzakelijkheid erkend wordt op het ogenblik van de bekrachtiging van de overeenkomst tussen de partijen of van de beslissing bedoeld in artikel 24 van de wet of op elk ander ogenblik.”

Het vierde punt van het eerste lid van dit artikel, alsook het tweede lid ervan zijn ingevoegd bij art. 3 van het KB van 5 juni 2007 houdende diverse bepalingen inzake arbeidsongevallen. Krachtens art. 22 treedt dit besluit in werking op de dag dat het bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad, zijnde 22 juni 2007.

Voor de toepassing van art. 28 Arbeidsongevallenwet wordt onder prothese of orthopedisch toestel begrepen de kunstmiddelen en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die als gevolg van het arbeidsongeval nodig zijn om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen (Cass. 15 oktober 1990, Arr.Cass. 1990-91, 180, RW 1990-91, 1166, conclusie advocaat-generaal H. Lenaerts, Soc. Kron. 1991, 54; Cass. 23 januari 1995, Arr.Cass. 1995, 59, RW 1995-96, 499).

De beoordeling of een prothese noodzakelijk is, gebeurt niet in functie van enige professionele activiteit maar in functie van de mogelijkheid om adequaat de overblijvende lichaamsfuncties te gebruiken. De rechter beschikt bijgevolg over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid inzake de noodzakelijkheidsvoorwaarde voor het slachtoffer om te beschikken over deze of gene prothese. In die context oordeelt de gevestigde rechtspraak sinds verschillende jaren dat de noodzakelijkheid van een prothese eveneens moet worden beoordeeld in functie van het criterium van een aangepast sociaal leven waarop ieder recht heeft. De toestellen en hulpmiddelen die nodig zijn ten gevolge van het ongeval kunnen ook tot doel hebben de herinschakeling van de getroffene in een zo normaal mogelijk leven te bevorderen.

De problematiek van het ten laste nemen als prothese van de aanpassingen aan de woning van het slachtoffer heeft, naast een meer gematigde rechtspraak (zie o.a. Arbrb. Brussel 14 januari 2003, De Verz. 2004, 73), geleid tot een zeer sociale rechtspraak waarbij sommige rechtbanken besloten om belangrijke structuuraanpassingen aan een onroerend goed ten laste te leggen van de arbeidsongevallenverzekeraar. Het hof verwijst in dit verband naar recente cassatierechtspraak waarin bevestigd wordt dat de bouw van een aangepaste badkamer in bepaalde omstandigheden een hulpmiddel kan zijn dat nodig is om het gebruik of de functies van de aangetaste of verzwakte lichaamsdelen van het slachtoffer van een arbeidsongeval te bevorderen, zodat het middel dat ervan uitgaat dat de aanpassing van de inrichting van een badkamer aan de invaliditeit van de getroffene in geen geval beschouwd kan worden als prothese, faalt naar recht (Cass. 22 juni 2009, A.R. nr. S.08.0139.N, Arr.Cass . 2009, 1785, conclusie advocaat-generaal R. Mortier).

Deze evolutie in de rechtspraak naar een ruime interpretatie van het begrip “prothesen en orthopedische toestellen” werd in de rechtsleer op kritiek onthaald. Door dergelijke kosten ten laste te leggen van de arbeidsongevallenverzekeraar, zou het forfaitaire karakter van het vergoedingssysteem van de arbeidsongevallenwetgeving en het beoogde noodzakelijke financiële evenwicht tussen de vergoeding waarop het slachtoffer recht heeft en de economische last die deze vertegenwoordigt voor zijn werkgever miskend kunnen worden (L. Van Gossum, “Opmerkingen over de tussenkomst van de wetsverzekeraar in de onroerende aanpassingen van de woning van het slachtoffer”, De Verz. 2009, 35).

De wetgever heeft met de aanvulling van art. 35 van het uitvoeringsbesluit door art. 3 van het KB van 5 juni 2007 duidelijk een einde willen maken aan de ruime interpretatie die voordien in bepaalde rechtspraak aan het begrip “prothesen of orthopedische toestellen” werd gegeven inzake aanpassingswerken van de woning van het slachtoffer (L. Van Gossum, o.c., De Verz. 2009, 36). In deze aanvulling wordt immers gepreciseerd dat enkel een traplift en een monolift als aanpassingen van de woning beschouwd kunnen worden als de “prothesen of orthopedische toestellen” bedoeld in art. 28 Arbeidsongevallenwet.

Uit het bovenstaande volgt ook onbetwistbaar dat art. 35 van het KB van 21 december 1971, zoals aangevuld door art. 3 van het KB van 5 juni 2007, een limitatief karakter heeft (G. Hullebroeck, “Arbeidsongevallen Verzekering – De schadeloosstelling”, in Kluwers Verzekeringshandboek, II.4.5 – 30a, waarin wordt betoogd dat de andere aanpassingen van de woning – andere dan een trap- of monolift – niet in aanmerking komen voor vergoeding op basis van de arbeidsongevallenwetgeving, waarbij eraan toegevoegd wordt dat het slachtoffer zich voor de vergoeding van deze kosten kan wenden tot andere overheidsinstellingen, zoals het Vlaams Fonds voor reclassering van personen met een handicap, thans het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap).

4.3. De door art. 28 van de Arbeidsongevallenwet aan de Koning verleende bevoegdheid

Het VAPH is van oordeel dat art. 28 Arbeidsongevallenwet de Koning niet toeliet om bij besluit een limitatieve lijst op te stellen van deze prothesen en orthopedische toestellen om tot het besluit te komen dat de lijst opgenomen in art. 35, eerste lid, 4o van het KB van 21 december 1971 niet beperkend kan zijn m.b.t. de aanpassingswerken die ten laste van de arbeidsongevallenverzekeraar gelegd kunnen worden.

Het hof volgt dit standpunt niet. Art. 28 van de Arbeidsongevallenwet geeft immers juist aan de Koning de bevoegdheid om de voorwaarden te bepalen van de vergoedingsplicht in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving m.b.t. de “prothesen of orthopedische toestellen” die ingevolge het ongeval nodig zijn. De wetgever heeft op dat vlak zijn bevoegdheid gedelegeerd aan de Koning, zodat niets eraan in de weg staat dat in een uitvoeringsbesluit ook beperkende voorwaarden worden geformuleerd voor wat het recht op deze “prothesen of orthopedische toestellen” aangaat (Arbh. Antwerpen 13 december 2010, AR 2010/AA/209, inzake NV Axa Belgium t/ W. G. en NV Allianz Belgium).

4.4. De toepassing van de wet in de tijd

De vraag rijst of het oude dan wel het nieuwe art. 35 van het KB van 21 december 1971 van toepassing is op huidig geschil. Als algemene regel geldt de onmiddellijke werking van de rechtsregel, waarbij retroactiviteit, eerbiedigende en uitgestelde werking de uitzonderingen zijn die uitdrukkelijk bepaald moeten zijn of minstens duidelijk moeten blijken uit de bewoordingen of de strekking van de norm. Uitgangspunt is daarbij dat de regelgever de principiële vrijheid geniet om zijn regelgeving te wijzigen en zijn beleid aan te passen aan de wisselende omstandigheden van het algemeen belang (P. Popelier, Toepassing van de wet in de tijd in APR, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, p. 39, nr. 57 en de aldaar vermelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof).

In de eerste plaats moet de norm zelf worden onderzocht op aanwijzingen over de temporele functie en het door de normgever determinerend geachte aanknopingspunt. Wanneer het evenwel onduidelijk is welk aanknopingspunt de regelgever als meest relevant beschouwde, moet teruggegrepen worden naar het rechtsfeit dat gewoonlijk in rechtspraak of rechtsleer wordt beschouwd als het juridische zwaartepunt van de rechtsverhouding (P. Popelier, o.c., p. 41, nr. 60).

Het nieuwe, door art. 3 van het KB van 5 juni 2007 ingevoegde tweede lid van art. 35 van het KB van 21 december 1971 is in dat opzicht relevant. Daarin wordt immers aangegeven dat het slachtoffer van een arbeidsongeval recht heeft op prothesen en orthopedische toestellen waarvan de noodzakelijkheid erkend wordt op het ogenblik van de bekrachtiging van de overeenkomst tussen de partijen of van de beslissing bedoeld in art. 24 van de wet of op elk ander ogenblik. Hieruit kan worden afgeleid dat het meest relevante aanknopingspunt ter zake het ogenblik is waarop het recht op prothesen en orthopedische toestellen in het juridisch verkeer definitief wordt vastgelegd (de bekrachtiging van het tussen partijen tot stand gekomen akkoord of de definitieve beslissing van de bevoegde rechtbank over de vergoedingen waarop aanspraak kan worden gemaakt door het slachtoffer naar aanleiding van het ongeval).

Dit aanknopingspunt valt trouwens te rijmen met het standpunt dat op dit vlak ook gehanteerd wordt door de rechtspraak en de rechtsleer in de materie van de onrechtmatige daad. Voor het vaststellen van de toepasselijke wet om de aansprakelijkheid te bepalen en de vraag te beantwoorden of al dan niet een schadeloosstelling verschuldigd is, geldt als relevant rechtsfeit (aanknopingspunt) de schadeveroorzakende daad. Maar voor wat de betalingsmodaliteiten en de berekening van de vergoeding betreft, wordt gekeken naar het moment waarop de betaling wordt gedaan of de vergoeding definitief wordt vastgesteld, ongeacht het ogenblik waarop het schadeverwekkende feit zich heeft voorgedaan (P. Popelier, o.c., p. 41, nr. 60 en de aldaar vermelde rechtspraak).

Het algemeen rechtsbeginsel van de onmiddellijke werking van de nieuwe rechtsregel heeft in onderhavige zaak derhalve tot gevolg dat toepassing moet worden gemaakt van art. 35 van het KB van 21 december 1971, zoals gewijzigd en aangevuld door het KB van 5 juni 2007, daar er geen definitieve beslissing werd genomen of uitspraak werd gedaan over het recht op vergoeding voor de noodzakelijke aanpassingswerken aan de woning op grond van de Arbeidsongevallenwet en er geen sprake kan zijn van reeds verkregen rechten (zie ook: Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt 20 oktober 2008, De Verz. 2009, 31).

Het VAPH kan dan ook niet worden gevolgd in zoverre het aanvoert dat het recht op tussenkomst in de kosten van de aanpassingen aan de woning ontstaan is op het ogenblik van de overeenkomst-vergoeding, bekrachtigd op 5 februari 2003, omdat, anders dan het VAPH beweert, de noodzakelijkheid ervan niet werd erkend op het ogenblik van de bekrachtiging van de overeenkomst. De bouw van een nieuwe woning door de h. S. werd trouwens pas aangevat in 2009.

4.5. De schending van het gelijkheidsbeginsel

Het VAPH werpt op dat wanneer de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling van art. 35 van het KB van 21 december 1971 in hierboven vermelde zin wordt opgevat, er sprake is van een discriminatie tussen slachtoffers van arbeidsongevallen die zich op de oude bepalingen konden beroepen en de slachtoffers die onder het nieuwe systeem vallen.

Door het bepalen van het tijdstip waarop het KB uitwerking heeft, maakt de wetgever een onderscheid tussen rechtsverhoudingen die onder de toepassing van de nieuwe wet vallen en rechtsverhoudingen die er niet onder vallen. Dit kan op zich geen schending opleveren van art. 10 en 11 Gw. (Arbitragehof, nr. 25/90, 5 juli 1990; Arbitragehof nr. 36/90, 22 november 1990). Naar het oordeel van het hof wordt er aldus evenmin afbreuk gedaan aan reeds ontstane rechten of het beginsel van de rechtszekerheid (Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt 20 oktober 2008, De Verz. 2009, 31).

Bovendien dient te worden opgemerkt dat een slachtoffer van een arbeidsongeval zowel onder het oude als het nieuwe stelsel recht heeft op aanpassingen van de woning, met dien verstande dat vanaf 22 juni 2007 de tussenkomst van de arbeidsongevallenverzekeraar beperkt is tot de traplift of monolift en de overige aanpassingen ten laste zijn van het VAPH.

De aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet worden aangenomen.

4.6. De aard van de uitgaven waarvoor tussenkomst werd verleend door het VAPH

Het VAPH voert in meest subsidiaire orde aan dat de uitgaven m.b.t. de automatische deuropeners voor- en achterdeur, de handgrepen, het onderrijdbaar werkvlak, gootsteen en kookvuur, en de aanpassing van de circulatieomgeving, geen betrekking hebben op de aanpassing van de woning en dus zelfs binnen het kader van het vernieuwde art. 35 van het KB van 21 december 1971 verschuldigd zijn door de arbeidsongevallenverzekeraar. Volgens het VAPH raken deze aanpassingen en/of toestellen immers geenszins de structuur van de woning.

Het hof oordeelt dat bedoelde uitgaven wel degelijk betrekking hebben op de aanpassing van de woning en geenszins beschouwd kunnen worden als “prothesen of orthopedische toestellen”. Het standpunt van het VAPH druist in tegen de ratio legis van de wetswijziging van art. 35 van het KB van 21 december 1971 bij KB van 5 juni 2007. De wetgever heeft met deze wetswijziging duidelijk een einde willen maken aan de ruime interpretatie die voordien in bepaalde rechtspraak aan het begrip “prothesen en orthopedische toestellen” werd gegeven inzake aanpassingswerken aan de woning van het slachtoffer (supra).

4.7. Besluit

Nu art. 35, eerste lid, 4o van het KB van 21 december 1971 bepaalt dat het slachtoffer van een arbeidsongeval op grond van de Arbeidsongevallenwet ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar enkel recht heeft op een vergoeding voor aanpassingswerken van zijn woning wanneer deze slaan op het installeren van een traplift of monolift, hebben de eerste rechters de subrogatoire vordering van het VAPH terecht slechts in die mate gegrond verklaard (tussenkomst van de arbeidsongevallenverzekeraar beperkt tot de waarde van de traplift, vastgelegd door het Fonds voor Arbeidsongevallen op 7.657 euro) en voor het overige de vordering van het VAPH terecht afgewezen als ongegrond.

Het hof bevestigt dan ook het bestreden vonnis.

Het hoger beroep is ongegrond.

Noot: 

A. Van Regenmortel en l. De Meyer, “Geef aan de Koning wat aan de Koning toekomt! Maar wat is dat ook alweer? Over de koninklijke verordeningsbevoegdheden en de (grond)wettigheid van het KB van 5 juni 2007 voor wat betreft de woningaanpassingen noodzakelijk ingevolge een arbeidsongeval”, RW 2016-2017, zelfde nummer als de publicatie van dit arrest, hoofdartikel

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 07/03/2017 - 16:30
Laatst aangepast op: di, 07/03/2017 - 16:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.