-A +A

Aanslag geheime commissielonen op genoten voordelen in natura

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 14/02/2012
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/11
Pagina: 
704
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Antwerpen 14 februari 2012

(H.T., N.S. EN BVBA P.C./BELGISCHE STAAT)

1. Voorafgaande feiten en procedure 1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft:

- een aanslag in de personenbelasting voor aanslagjaar 2003, en meer bepaald de vraag naar de belastbaarheid van een voordeel van alle aard dat aan de zaakvoerders zou zijn toegekend, doordat de vennootschap een te hoge prijs zou betaald hebben voor het vruchtgebruik op een deel van het onroerend goed dat aan de natuurlijke personen/zaakvoerders toebehoort;

- een aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2002 en meer bepaald de toepassing van de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 op dit voordeel.

BVBA P.C. (met boekjaar van 1 september tot 31 augustus) werd op 30 november 1998 opgericht door de heer en mevrouw H.-N. Ze kregen elk 500 van de 1.000 aandelen. Ze werden ook aangeduid als bezoldigde zaakvoerders. De BVBA had als activiteit een kleinhandel in levende huisdieren en in benodigdheden voor dieren.

T.H. en S.N. zijn samen tevens eigenaar van een onroerend goed, gelegen te( ... ). Het betreft een appartementsgebouw( ... ), waarvan ze de oprichting gestart zijn in 2001.

Het gebouw bestaat uit vier bouwlagen: een ondergrondse kelder, een gelijkvloers en twee verdiepingen. De kelderverdieping is ingericht als winkel en het gelijkvloers als winkel met bureel. In de twee verdiepingen zijn vier duplexappartementen ingericht.

Het geheel kostte volgens de BTW-aangifte van 10 april 2003, inclusief de volledige inrichting 285.642,61 EUR.

Bij notariële akte, verleden op 21 februari 2002, verkochten de heer en mevrouw H.-N. het vruchtgebruik van een deel van het onroerend goed aan BVBA P.C. voor de duur van vijftien jaar, en meer bepaald:

- een handelsruimte bestaande uit:

• de kelderverdieping;

• op het gelijkvloers: de handelsruimte, een bureelruimte, de voordeur en etalage en de parkeerplaatsen voor en achter het gebouw;

- 57511000 van de gemeenschappelijke delen van het gebouw waaronder de grond;

- een garagegebouw achteraan links, omvattende het garagegebouw voor tweeauto's met alle constructieve elementen;

- 2511000 van de gemeenschappelijke delen van het gebouw waaronder de grond.

Voor dit vruchtgebruik werd een prijs overeengekomen van 210.710,00 EUR:

- 37.184,00 EUR voor het vruchtgebruik op de grond;

- 173.526,00 EUR voor het vruchtgebruik op de gebouwen.

Het vruchtgebruik van het gebouw werd verkocht onder het BTW-stelsel.

Het vruchtgebruik van de grond werd aan de registratierechten onderworpen.

1.2. Aanslag en bezwaar

1.2.1. Inzake personenbelasting

Op 4 november 2004 werd een bericht van wijziging gestuurd inzake de personenbelasting voor aanslagjaar 2003 (stuk 102 administratief dossier PB). Daarin werd gesteld dat hetgeen door de vennootschap te veel was betaald bij de verkoop van het vruchtgebruik dan de waarde van dit vruchtgebruik, in hoofde van de blote eigenaars te beschouwen was als bezoldigingen van de zaakvoerders, te vermelden onder de codes 400 en 425.

De administratie ging bij de waardering van het vruchtgebruik en de blote eigendom van de verschillende delen van het gebouw uit van de BTW-aangifte en de bedragen in de notariële akte. De volgende opdeling werd gemaakt:

- ruwbouw winddicht voor het gehele gebouw in volle eigendom, excl. BTW: 216.778,90 EUR;

- vruchtgebruik voor 15 jaar voor het handelsgedeelte van het gebouw, zonder grond volgens de akte: - 173 .526 EUR.

Rest: volle eigendom voor 4 appartementen en naakte eigendom van de handelsruimte: 43.252,90 EUR.

Naakte eigendom van de winkel: 20% van 173.526,00 EUR: 43.382,00 EUR. Rest: waarde van de volle eigendom van de vier appartementen: 0,00 EUR.

De administratie achtte het abnormaal en onmogelijk dat de volle eigendom van de vier appartementen een negatieve constructiewaarde zou hebben:

"Bovenstaande elementen en vaststellingen duiden erop dat de zaakvoerders bij de verkoop van het vruchtgebruik van het handelsgedeelte aan de vennootschap de waarde van het vruchtgebruik hebben overschat. De constructie met overwaardering van de waarde van het vruchtgebruik laat de verkopers toe de ruwbouw van zowel het handelsgedeelte als de 4 privéappartementen te financieren met een niet belastbare vergoeding vruchtgebruik die ze ontvangen van de vennootschap en deze uitgave daar als investering af te schrijven. Deze overwaardering werd geacteerd in de notariële akte. (. ")

 

Gezien de vennootschap deze overprijs ten laste genomen heeft ontstaat er een belastbaar voordeel van alle aard in hoof de van de zaakvoerder. De waarde van dit voordeel wordt als volgt berekend uitgaande van een 50%-verdeling tussen de gelijkvloerse verdieping+ kelder en de 2 verdiepingen met 4 appartementen:

Bepaling van het voordeel krachtens art. 340 WIE 1992

Constructie 4 appartementen+ winkel in volle eigendom volgens bouwwaarde ( ... ) 216. 778,90.

Waardering constructiewaarde volle eigendom handelsgedeelte (50%): 108.389,45. Waardering vruchtgebruik winkel 15j 80% (art. 47 W.Reg.): 86.711,56. Waardering naakte eigendom winkel 20% (art. 47 W.Reg.): 21.677,89.

Berekening voordeel van alle aard

- verkregen waarde vruchtgebruik voor het gedeelte constructie: 173.526,00

- aangepaste waarde vruchtgebruik: - 86.711,56

Belastbaar voordeel van alle aard in de PB (art. 25, 2° WIE 1992) 86.814,44 excl. BTW of 105.045,47 incl. BTW( ... ).

Belastbaar op naam van de beide echtgenoten zaakvoerders ieder voor de helft onder codes 400 en 425 (a)."

Naast dit voordeel van alle aard meende de administratie dat er nog een voordeel werd genoten, doordat de vennootschap belangrijke investeringen uitvoerde in de twee bouwlagen van het complex, bestemd als handelsgedeelte. De administratie stelde immers vast dat het vruchtgebruik werd verkocht op het moment dat de constructie nog niet afgewerkt was (ruwbouw winddicht) en dat het overeenkomstig artikel 606 BW aan de naakte eigenaar is om de grove herstellingen te verrichten. De administratie stelde evenwel vast dat de vennootschap voor een bedrag van 91.238,34 EUR, excl. BTW of 110.398,91 EUR, incl. BTW werken ten laste nam (en afschreef) die in feite moeten worden gedragen door de naakte eigenaar. Tot beloop van dit bedrag werd er aldus volgens de administratie een voordeel van alle aard toegekend aan de zaakvoerders, ieder voor de helft.

Ten slotte werd nog vastgesteld dat de centrale verwarmingsinstallatie in de kelder van de winkel via een gedeelte van het circuit ook het privéwoonhuis naast de nieuwbouw bediende, terwijl alles werd gefactureerd op de BVBA. Er werd dan ook nog een voordeel van alle aard verwarming in aanmerking genomen van 1.180,00 EUR.

Er werden daarnaast nog de volgende wijzigingen aangekondigd:

- halvering van code 146 van 9.498,50 EUR naar 4.749,25 EUR vermits een deel van de lening bestemd is voor de financiering van de blote eigendom (art. 11 WIB 1992);

- vermindering van de codes 358 en 378 tot 0,00 EUR vermits het eenmalig fiscaal attest voor de aftrek van de lening niet werd voorgelegd;

- de wijzigingen aangenomen in de akkoordverklaring van 24 juli 2003.

Er werd ten slotte een belastingverhoging aangekondigd van 10% wegens een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken.

 

De belastingplichtige verklaarde zich op 1 december 2004 niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen (stuk 110 administratief dossier).

Er werd een bijkomende vraag om inlichtingen gesteld en op 22 september 2005 werd een nieuw bericht van wijziging gestuurd (stuk 138 administratief dossier).

In dit bericht werd het handelspand waarop het vruchtgebruik betrekking had op diverse wijzen gewaardeerd:

- waardering van het vruchtgebruik op grond van artikel 4 77 WIB 1992: het KI van het afgewerkte onroerend goed werd bepaald op 2.377,00 EUR. Gebruteerd (vermeerderd met 40% kosten) en geïndexeerd bekwam de administratie een normale huurwaarde van 10.069,38 EUR. Aldus was de waarde van het vruchtgebruik voor 15 jaar volgens de administratie 111.955,39 EUR (10.069,38 EUR x 11,1184, met name kapitalisatie aan 4% op 15 jaar). Gelet op het feit dat de koper zelf 89.557,98 EUR investeerde om het gebouw af te werken, bedroeg de normale waarde van het verworven vruchtgebruik eigenlijk 22.397,41 EUR; waardering op basis van artikel 32 WIB 1992: 54.036,16 EUR;

huurrendement: grond en ruwbouw zouden samen, rekening houdend met een rendement van 6% 8.204,55 EUR opbrengen. Rekening houdend met een interestvoet van 4%, ging het dus om een kapitaal van 8.204,55 EUR x 11,1184 = 91.759,68 EUR.

Dit betekende volgens de administratie dat aan het vruchtgebruik een te hoog bedrag werd berekend van 210.710 - 91.759,68 = 118.950,32 EUR, dat belastbaar werd gesteld.

De administratie verrichtte tevens een bijkomende berekening op basis van een vergelijking tussen de kostprijs en de verkoopprijs:

'"U verkocht het vruchtgebruik van het gebouw voor 173.526 EUR (excl. BTW) daar waar de volle eigendom van het verkochte gedeelte slechts 114.432,28 kostte. Zelfs indien we de waarde van de naakte eigendom zouden bepalen op slechts 20%, dan realiseerde u nog een winst van 173.526 - 91.545,82 = 81.980,18 EUR.

Voeg daarbij de winst die u maakte op de verkoop van het vruchtgebruik van de grond, nl. 37.184 - 13.015,30 = 24.168,70 EUR, dan komen we volgens uw eigen cijfers op een winst van 106.148,88 EUR die u realiseerde boven de waarde van het vruchtgebruik."

Er werd aangekondigd dat in hoofde van elk van de zaakvoerders een bedrag van 59.475,16 EUR (de helft van 118.950,32 EUR) belastbaar zou worden gesteld als bezoldiging van bedrijfsleider krachtens artikel 32 WIB 1992 in de code 400 en 425.

Verder werd gesteld dat dit bedrag van 118.950,32 EUR minstens belastbaar was als een divers inkomen in de zin van artikel 90, 1° WIB 1992.

Op dit bericht van wijziging werd niet gereageerd, met als gevolg dat de administratie op 8 november 2005 een kennisgeving stuurde van aanslag van ambtswege (stuk 144 administratief dossier PB). Hiermee verklaarde de belastingplichtige zich niet akkoord bij brief, ontvangen door de administratie op 16 november 2005 (stuk 151 administratief dossier PB).

 

In een kennisgeving van beslissing tot taxatie van 8 december 2005 liet de administratie weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 171 administratief dossier PB).

Er werd een supplementaire aanslag ingekohierd op 20 december 2005 (kohierartikel 759220623, stuk 7 administratief dossier PB).

Er werd een bezwaarschrift ingediend, ontvangen op 1 maart 2006 (stuk 2 administratief dossier PB), dat werd afgewezen bij beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijk directeur van 10 april 2008 (stuk 12 administratief dossier PB).

1.2.2. Inzake vennootschapsbelasting

Voor wat de vennootschapsbelasting in hoofde van BVBA P.C. betreft, werd een aanvankelijk bericht van wijziging verstuurd op 8 december 2004 (stuk 96 administratief dossier Venn.b.). Hierop volgde een tijdige verklaring van niet-akkoord.

Op 10 juni 2005 werd een nieuw bericht van wijziging verstuurd (stuk 145 administratief dossier Venn.b.). Hierin werd geargumenteerd dat aan de bedrijfsleiders een voordeel van alle aard werd verleend van 118.950,32 EUR in de vorm van een overprijs voor het vruchtgebruik. Vermits hiervoor geen fiche en samenvattende opgave werd opgemaakt, was hierop volgens de administratie de afzonderlijke aanslag 'geheime commissielonen' van toepassing (art. 219 WIB 1992). Subsidiair beriep de administratie zich op de artikelen 26 (liberaliteit) en 61 (afschrijvingsexcedent) WIB 1992.

De afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 diende volgens de administratie ook te worden toegepast op 40% van de kostprijs voor de klinkers en de tuinaanleg, die volledig door de vennootschap ten laste waren genomen, terwijl deze slechts voor 60% vruchtgebruiker was. Het belastbare bedrag bedroeg hier volgens de administratie 6.155,79 EUR.

Tot beloop van dit bedrag verviel volgens de administratie eveneens de investeringsaftrek. De investeringsaftrek diende volgens de administratie eveneens te worden verminderd met 3.724,00 EUR (privégedeelte van de verwarming).

Tot slot werd de boekhouding verworpen als niet bewijskrachtig en werd een omzetverhoging berekend ten bedrage van 71.449,59 EUR, incl. BTW. Het betrof honden voor een waarde van 27.299,70 EUR die zouden zijn overleden, doch waarvan geen bewijs werd geleverd dat ze werkelijk waren gestorven en afgevoerd. Ze werden geacht te zijn verkocht met een gemiddelde omzetmarge. Ook hier werd de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 aangekondigd.

Tevens werd een belastingverhoging aangekondigd van 10%.

De belastingplichtige verklaarde zich niet akkoord bij brief ontvangen op 19 juli 2005 (stuk 152 administratief dossier Venn.b.).

Bij kennisgeving van beslissing tot taxatie van 8 augustus 2005 liet de administratie weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 171 administratief dossier Venn.b.).

Er werd een supplementaire aanslag, met kohierartikel 556.082 gevestigd op 10 augustus 2005 (stuk 44 administratief dossier Venn.b.).

 

Hiertegen volgde een bezwaarschrift, ontvangen op 12 december 2005 (stuk 2 administratief dossier Venn.b.). Bij beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijk directeur van 10 april 2008 (stuk 11 administratief dossier Venn.b.) werd vastgesteld dat er geen betwisting meer bestaat over de afschrijvingsexcedenten, vermits de afschrijvingspercentages bij de taxatie werden aanvaard. Voor het overige werd het bezwaarschrift afgewezen als ongegrond:

- voor wat de waarde van het vruchtgebruik betreft, oordeelde de directeur dat de verklaringen van de heer V. van de NV L.V. als zou de marktprijs 50,00 EUR/m2 bedragen niet geloofwaardig waren, zoals door de NV L.V. zelf werd bevestigd. De directeur stelde vast dat geen objectieve gegevens ter verantwoording van de prijs werden bijgebracht en dat deze prijs volkomen willekeurig werd bepaald. Bij gebrek aan gekende marktwaarde, oordeelde de directeur dat de administratie de waarde van het vruchtgebruik correct heeft berekend op zijn economische waarde, vertrekkende van het nettorendement van de investering. Dat aldus een te hoge vergoeding werd betaald aan de belastingplichtigen wordt volgens de directeur bevestigd door berekeningen op basis van het kadastraal inkomen of volgens de bouwwaarde;

- voor wat de kosten voor de klinkers en de tuinaanleg betrof, stelde de directeur vast dat deze volledig als beroepskosten ten laste werden genomen, doch dat de parkings en de aanplantingen en de oprit ook gebruikt werden door de huurders van de appartementen. Aldus genoten de zaakvoerders een voordeel van 4/12 van deze kosten;

- voor wat de verwarmingsinstallatie betreft, werd vastgesteld dat deze voor 100% als beroepsmatig werd beschouwd, daar waar via deze installatie ook de appartementen werden verwarmd. Deze kosten dienden dan ook tot beloop van 20% privé te worden beschouwd;

- de investeringsaftrek werd volgens de directeur terecht verworpen, voor wat betreft het privédeel van de kosten voor klinkers en tuinaanleg en voor wat betreft het privégebruik van de verwarmingsinstallatie;

- de gewestelijk directeur oordeelde dat het overdreven deel van de prijs dat voor het vruchtgebruik werd betaald, terecht werd onderworpen aan de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992;

- de gewestelijk directeur oordeelde dat er geen reden was om af te zien van de belastingverhoging van 10%.

1.3. Procedure voor de eerste rechter

In verband met de aanslag in de personenbelasting werd een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 29 mei 2008. Deze zaak was gekend onder AR 08/1456/A.

In verband met de aanslag in de vennootschapsbelasting werd een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 29 mei 2008. Deze zaak was gekend onder AR 08/1457/A.

De eerste rechter heeft de beide zaken samengevoegd in haar vonnis van 11 mei 2010.

 

De eerste rechter oordeelde vooreerst dat de berichten van wijziging en de kennisgeving van aanslag van ambtswege afdoende waren gemotiveerd.

Voor wat de waardering van het vruchtgebruik betreft, oordeelde de eerste rechter dat de prijs die door de vennootschap werd betaald niet alleen willekeurig werd bepaald, doch dat hij bovendien abnormaal was en te hoog.

De eerste rechter oordeelde dat de administratie middels objectieve en reële normen het vruchtgebruik heeft gewaardeerd en dat de belastingplichtigen, die de bewijslast dragen, vermits ze van ambtswege werden aangeslagen, er niet in slagen om aan te tonen dat de waardering door de administratie niet correct zou zijn.

De eerste rechter oordeelde bijgevolg dat de heer en mevrouw H.-N. terecht werden belast op een voordeel van alle aard en dat deze voordelen terecht werden onderworpen aan de vennootschapsbelasting in hoofde van BVBA P.C., vermits ze niet op passende wijze werden verantwoord.

De naakte eigendom hadden volgens de eerste rechter evenmin recht op de interestaftrek, bepaald in artikel 14 WIB 1992, vermits deze aftrek is voorbehouden voor personen die inkomsten uit het onroerend goed halen.

De vordering van de belastingplichtigen werd afgewezen als ontvankelijk, doch ongegrond en ze werden veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op 0,00 EUR, vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd was door een advocaat.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

Voor het hof van beroep vorderen de belastingplichtigen, thans eisers in hoger beroep om hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis integraal te hervormen en hun bezwaarschriften gegrond te verklaren:

"Bijgevolg concluanten te ontslaan van de ten onrechte gevestigde belastingen (vennootschapsbelasting voor eerste concluante en personenbelasting voor tweede concluanten) en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door concluante reeds betaalde bedragen of de door verweerster ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIE 1992."

In ondergeschikte orde vorderen ze om de aanslag geheime commissielonen te herleiden tot een lager bedrag, op grond van de in het motiverend gedeelte aangehaalde elementen.

Ze vorderen ten slotte om de Belgische Staat te verwijzen in de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 7.000,00 EUR.

De Belgische Staat vordert voor het hof van beroep om het hoger beroep af te wijzen als toelaatbaar doch ongegrond en dienvolgens de betwiste aanslagen en het bestreden vonnis te bevestigen, met veroordeling van de eisers in hoger beroep tot de kosten van het geding, met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingsvergoeding.

 

2. Bespreking

2.1. Motiveringsplicht

Volgens eisers in hoger beroep werden de berichten van wijziging en de kennisgeving van aanslag van ambtswege onafdoende gemotiveerd.

Ook de belastingverhoging werd onafdoende gemotiveerd volgens de belastingplichtigen.

De aanslag is om die reden volgens de belastingplichtigen nietig.

Een bericht van wijziging beantwoordt aan de wettelijke motiveringsplicht indien het de belastingplichtige in staat stelt de gegrondheid van de wijziging te beoordelen. Het bericht van wijziging dient aldus drie elementen te bevatten:

- de redenen waarom van de procedure gebruik wordt gemaakt;

- het bedrag van de inkomsten en de andere gegevens waarop de aanslag zal steunen en

- de wijze waarop deze inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.

Het hof stelt vast dat inzake de personenbelasting aangekondigd werd dat gebruik zou worden gemaakt van de procedure van artikel 346 WIB 1992 omdat de administratie meende dat de aangifte diende te worden gewijzigd om de in dit bericht vermelde redenen. Het bedrag van de inkomsten die aan de belastbare grondslag moesten worden toegevoegd werd in het bericht vermeld en er werd uiteengezet hoe deze inkomsten en gegevens werden vastgesteld.

Het hof oordeelt dat de belastingplichtige aldus in staat was zich rekenschap te geven van de bestanddelen waarop de administratie zich had gesteund en haar verdediging kon voorbereiden.

Het feit dat de administratie het belastbare voordeel van alle aard inzake de personenbelasting in een later bericht van wijziging anders berekende dan in een eerder toegestuurd bericht heeft niet tot gevolg dat de betrokken berichten van wijziging onafdoende zouden zijn gemotiveerd. In het bericht van wijziging van 22 september 2005 wordt immers duidelijk aangegeven dat het de bedoeling is om te reageren op de antwoorden op het eerder toegestuurde bericht van wijziging en om dit bericht aan te vullen en te verduidelijken. In dit bericht wordt een berekening gemaakt van de waarde van het vruchtgebruik op basis van het rendement van de investering en op basis daarvan komt de administratie op een waardering van het vruchtgebruik op een bedrag van 91.759,68 EUR. Dit geeft een voordeel van alle aard van 210.710,00 EUR - 91.759,68 EUR = 118.950,32 EUR, in hoofde van elk van de bedrijfsleiders van de BVBA te belasten voor de helft.

Het hof oordeelt dat aldus duidelijk was op welke gegevens de administratie zich steunde om de aangifte te wijzigen en dat de belastingplichtigen op basis daarvan een passend verweer konden opbouwen.

Hetzelfde geldt voor wat betreft de motivering van de kennisgeving van de aanslag van ambtswege in de personenbelasting en voor wat betreft het bericht van wijziging inzake de vennootschapsbelating. Samen met de eerste rechter dient bijgevolg te worden geoordeeld dat de betrokken berichten afdoende waren gemotiveerd. De aanslagen zijn bijgevolg niet nietig.

2.2. De waardering van het vruchtgebruik Theoretisch

Partijen zijn het erover eens dat het vruchtgebruik moet worden gewaardeerd op de verwachte netto-opbrengsten van het betrokken goed over de volledige termijn van het recht, herleid tot de contante waarde op datum van de verwerving of de vestiging indien de koopsom ervan onmiddellijk verschuldigd is (zie onder meer K. VERHEYDEN, "Waardebepaling van vruchtgebruik op onroerende goederen", AFT 2011, p. 18; voorafgaande beslissing nr. 900.432, van 27 april 2010, besproken door S. VAN CROMBRUGGE, "Vruchtgebruikconstructies: geen voordeel van alle aard?", Fiscoloog 2010, nr. 1220, p. 2).

Om het vruchtgebruik te waarderen wordt bij voorkeur uitgegaan van de opbrengstbenadering. Hierbij dient men tewerk te gaan in drie stappen:

- men raamt de bruto-opbrengst of huurwaarde;

- men voert hierop een aantal correcties (verminderingen) door, gelet op de lasten

die de vruchtgebruiker draagt (herstellingen tot onderhoud, verbeteringswerken) en komt aldus tot een netto-opbrengst;

- deze netto-opbrengst wordt geactualiseerd.

Bij dit alles moet rekening gehouden worden met bijzondere omstandigheden, zoals de staat van de afwerking van het goed, specifieke vergunningsverplichtingen, ...

Men kan ook uitgaan van de investeringsbenadering, waarbij men vertrekt van de investeringskost of de marktwaarde en van een normaal te verwachten rendement. Deze waarderingsmethode kan dienstig zijn als controleberekening (K. VERHEYDEN, o.c., AFT 2011, p. 19, nr. 1).

De berekening van de fiscale administratie

In onderhavig geval voert de administratie een waardering door op basis van de investeringsbenadering.

Ze vertrok van de investeringen die in aanmerking genomen werden in de BTW-aangifte van de overdracht van het vruchtgebruik op een deel van het gebouw (stukken 88 e.v. administratief dossier).

De investeringswaarde van het vruchtgebruik van de overgedragen delen wordt aldus geraamd op 114.432,28 EUR, hetzij 60% van het totale bedrag van de investeringen die in de aangifte werden vermeld (194.771,52 EUR) (er wordt hier abstractie gemaakt van de rekenfout, waarbij 60% van dit bedrag 116.852,91 EUR bedraagt).

Hierop wordt een rendementspercentage van 6% toegepast, zodat een rendement bekomen wordt van 6.865,93 EUR per jaar.

De investering in de grond bedraagt 37.184,00 EUR (1.500.000 BEF), waarvan 60% in vruchtgebruik wordt gegeven.

Rekening houdend met een percentage van 6% bedraagt het rendement hier 1.338,62 EUR per jaar.

Het totaal rendement per jaar bedraagt volgens de administratie aldus 8.204,55 EUR (6.865,93 + 1.338,62 EUR).

Geactualiseerd aan 4% over een periode van 15 jaar bedraagt de waarde van het vruchtgebruik volgens de administratie aldus 91.759,68 EUR.

Als men er rekening mee houdt dat voor het vruchtgebruik een prijs werd betaald van 210.710 EUR, dan werd aldus volgens de administratie een voordeel van alle aard verschaft van 118.950,32 EUR.

Waarde van het vruchtgebruik volgens de belastingplichtigen

Volgens de belastingplichtigen bevat de berekening door de administratie een aantal tegenstrijdigheden. Dat het rendement van de investering 6% zou bedragen wordt volgens hen niet aangetoond. Bovendien maakt de administratie een aantal rekenfouten. Ook de waardering op basis van het kadastraal inkomen en in functie van de constructieprijs is volgens hen naast de kwestie.

Het verslag van V. heeft volgens de belastingplichtigen geen enkele waarde en is hen niet tegenstelbaar.

De belastingplichtige vertrekt voor haar eigen waardering van het vruchtgebruik van een nettohuurwaarde van 15.000,00 EUR per jaar.

Geactualiseerd aan 3% over een periode van 15 jaar, bekomt de belastingplichtige aldus een waarde van het vruchtgebruik van 176.153,39 EUR.

Standpunt van het hof

Het hof stelt vast dat de administratie verwijst naar een studie van deskundige V. Het betreft een schattingsverslag van J.V., architect, beëdigd landmeter-expert en schatter van onroerende goederen, in opdracht van de NV B.B.L. en ten behoeve van de heer en mevrouw H.-N., waarbij expert V. is overgegaan tot schatting van de verkoopwaarden van het op te richten appartementsgebouw met handelsgelijkvloers en garages, gelegen aan L..), opgesteld op 27 juni 2001(stukken52 e.v. administratief dossier).

De belastingplichtigen stellen dat met dit verslag geen rekening gehouden mag worden. Ze stellen dit verslag niet te kennen.

Het hof kan het standpunt van de belastingplichtigen in deze niet volgen. Ten eerste dient te worden vastgesteld dat dit verslag blijkens de bewoordingen ervan ten hunnen behoeve werd opgemaakt. Bovendien blijkt dat het gaat om het betrokken onroerend goed, dat hen toebehoort en dat het voorwerp uitmaakt van onderhavig geschil. Ten slotte stelt het hof ook vast dat de belastingplichtigen de kosten voor dit verslag hebben opgenomen, zowel in hun BTW-aangifte bij de oprichting van het gebouw (stuk 82 administratief dossier) als in hun BTW-aangifte bij de overdracht van het vruchtgebruik op een deel van het gebouw (stuk 90 administratief dossier). Zij kunnen dan ook niet met reden voorhouden dit verslag niet te kennen.

 

Het hof stelt verder vast dat het verslag V. werd opgemaakt in de litigieuze periode en lang voordat de betwisting met de administratie is ontstaan ('in tempore non suspectu'i, met name op 27 juni 2001. Het werd opgemaakt door een architecten-, landmeters- en expertenbureau, waarvan de competentie door niemand in twijfel wordt getrokken. Bovendien blijkt het verslag het resultaat te zijn van een grondige voorafgaande studie van de beschikbare elementen.

Het hof oordeelt derhalve dat met de resultaten van dit verslag rekening kan gehouden worden voor de beoordeling van de waarde van het vruchtgebruik en dat het uitsluitsel hierover kan brengen, mede gelet op het feit dat de standpunten van partijen hierover uiteen lopen.

In het betrokken verslag wordt de totale verkoopwaarde van het onroerend goed, na voltooiing geraamd op 21.200.000 BEF (525.534,27 EUR).

De verkoopwaarde van het handelsgedeelte (gelijkvloers en kelder en parking) wordt geraamd op 10.400.000 BEF (257.809,26 EUR).

Voor de raming van het vruchtgebruik van dit handelsgedeelte wordt uitgegaan van een huurwaarde van 52.000 BEF (1.289,04 EUR) per maand. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de grond en het gebouw. Op jaarbasis betreft het aldus een brutohuuropbrengst van 15.468,48 EUR.

Het hof kan zich vinden in de bepaling van de huurwaarde in het verslag V. Er dient immers vastgesteld te worden dat het pand nooit te huur werd aangeboden zodat er op dat punt geen vergelijkingspunten bestaan. De deskundige hield rekening met het feit dat het pand gelegen is langs een volledig uitgeruste weg, op 500 m van de dorpskern Lv.), nabij kerk en school, op 600 m van de weg Lv.), op 2 km van de weg(".), op circa 3 km van het centrum van ( ... ) en op 3 km van ( ... ). Er werd ook gewezen op het feit dat het geen uitgesproken handelsligging betrof, maar wel een polyvalente handelsruimte met ruime parking en dat er in de omgeving slechts sporadisch handelszaken en appartementen voorkomen.

Het hof merkt op dat de berekening van de huurwaarde door deskundige V. neerkomt op een rendement van 6%, berekend op de door de deskundige geschatte verkoopwaarde van het handelsgedeelte. Ook de administratie meent dat een rendement van 6% in aanmerking moet genomen worden, maar berekende dit op een andere basis, met name op 60% van 1.500.000 BEF, hetzij 22.310,41 EUR, voor de grond en op 114.432,28 EUR voor het gebouw.

Ook de belastingplichtigen ramen de geschatte huuropbrengst van het onroerend goed op een gelijkaardig bedrag. Ze ramen deze opbrengst op 15.000,00 EUR per jaar, hetzij 1.250,00 EUR per maand.

Het hof oordeelt dan ook dat een brutohuuropbrengst op jaarbasis van 15.468,48 EUR kan weerhouden worden.

Dit bedrag op jaarbasis dient vervolgens geactualiseerd te worden over een periode van 15 jaar.

Waarom de belastingplichtige vervolgens een actualisatiepercentage in aanmerking neemt van 3% wordt niet verduidelijkt. Een rentevoet van 4% voor de actualisering

 

('discounted cash flow') wordt aanvaard in de literatuur (K. VERHEYDEN, o.c., AFT 2011, p. 22, nr. 24) en werd ook door eisers in hoger beroep aangewend voor de bepaling van de huurwaarde van de grond bij hun aangifte inzake registratierechten (stuk 93 administratief dossier). Dit percentage kan dan ook weerhouden worden.

Geactualiseerd op een termijn van 15 jaar bedraagt de waarde van het vruchtgebruik aldus:

15.468,48 EUR x 11,1184 = 171.984,74 EUR.

Door eisers in hoger beroep wordt niet betwist dat was afgesproken tussen partijen dat de vruchtgebruiker de afwerking van het gebouw voor zijn rekening zou nemen. Dit werd aldus afgesproken om praktische en commerciële redenen, zodat de vruchtgebruiker de inrichting volledig kon afstemmen op de noden van de zaak wat betreft elektriciteit, verwarming, vloerbekleding, watervoorziening, inkom en dergelijke (zie conclusies eisers in hoger beroep, p. 9).

De administratie merkt daarbij terecht op dat het pand niet instapklaar werd geleverd aan de vruchtgebruiker, doch casco/winddicht. De vruchtgebruiker diende de kelder en de gelijkvloerse verdieping nog af te werken.

Dat het vruchtgebruik van dit pand niet werd overgedragen op het moment dat het pand reeds afgewerkt was, blijkt uit de aangifte aan de BTW van de overdracht van het vruchtgebruik (stukken 88 e.v. administratief dossier). Deze aangifte werd ontvangen op 21 maart 2002 en de werken in onroerende staat die werden overgedragen worden erin opgenomen. Het betreft metselwerken, kosten voor architect, ramen en deuren, kosten voor expertisebureau, aansluiting water, natuursteen en raamtabletten en elektriciteitsaansluiting. De laatste factuur die in aanmerking werd genomen dateert van 26 februari 2002. Het totaalbedrag van de aldus vermelde werken betreft 194.771,52 EUR, excl. BTW.

In de aangifte die door de eigenaars werd ingediend (stukken 81 e.v. administratief dossier) worden facturen vermeld voor een totaal bedrag van 285.642,61 EUR. Dit impliceert derhalve dat de kosten voor de verdere afwerking nog ruim 90.000,00 EUR, excl. BTW bedroegen. Dit bedrag stemt ongeveer overeen met de kosten voor gebouwen, die in de afschrijvingstabel van de vennootschap (stukken 94 en 95 administratief dossier) werden afgeschreven over 15 jaar, met name de duur van het vruchtgebruik (89.552,75 EUR).

Vermits de huurwaarde van het onroerend goed, geactualiseerd over een periode van 15 jaar 171.984,74 EUR bedroeg en dit de huurwaarde betrof van een voltooid gebouw (zie verslag V.), dient bij de bepaling van de huurwaarde op het moment van de overdracht van het vruchtgebruik nog rekening gehouden te worden met de investeringen die de vruchtgebruiker op zijn kosten heeft gedaan aan het gebouw. Wanneer aldus een investeringsbedrag van 89.552,75 EUR in aanmerking genomen wordt, dan betreft de huurwaarde slechts 82.431,99 EUR.

En dan werd nog geen rekening gehouden met de andere, courante lasten die de vruchtgebruiker nog dient te dragen. De vruchtgebruiker dient in principe immers eveneens in te staan voor de betaling van de onroerende voorheffing en voor alle herstellingen die geen verband houden met de stabiliteit.

 

Aldus kan hetgeen de vruchtgebruiker meer betaalde voor het vruchtgebruik dan de waarde ervan, geschat worden op 128.278,01 EUR (210.710,00 EUR - 82.431,99 EUR).

Aldus heeft de administratie, die het voordeel heeft geraamd op een bedrag van 118.950,32 EUR, zeker geen overdreven raming gegeven van het voordeel dat door de eigenaars van het pand werd genoten naar aanleiding van de overdracht van het vruchtgebruik.

Het hof stelt vast dat de belastingplichtigen de raming van dit voordeel niet kunnen weerleggen. Bij hun raming van de waarde van het vruchtgebruik komen ze uit op een bedrag van 176.153,39 EUR (conclusies p. 17: nettohuurwaarde van 15.000,00 EUR met een rentevoet van 3%). Uit geen enkel gegeven blijkt dat dit een raming voor enkel de gebouwen betreft en dat nog een afzonderlijke raming voor het vruchtgebruik van de grond dient te gebeuren. De belastingplichtigen slagen er dus zelf niet in om de waarde van het vruchtgebruik (voor grond en gebouwen) te verantwoorden voor een bedrag van 210.710,00 EUR.

Dat de waardering door de belastingplichtigen van het vruchtgebruik schromelijk overdreven is wordt ten overvloede nog bevestigd door de volgende overwegingen: - de vennootschap betaalde aldus voor het vruchtgebruik van een niet afgewerkt

deel van het gebouw een bedrag van 210.710,00 EUR, hetzij een bedrag dat de geraamde waarde van de volle eigendom van het handelsgedeelte na voltooiing ervan volgens het verslag V. (stuk 5 6 administratief dossier) benadert, met name 257.809,26 EUR (10.400.000 BEF);

- voor het vruchtgebruik voor een periode van 15 jaar op het handelsgedeelte betaalde de vennootschap aldus een bedrag dat bijna het dubbele bedraagt van de door V. geraamde verkoopwaarde van het vruchtgebruik van dit handelsgedeelte voor 18 jaar, met name 106.222,37 EUR (4.285.000 BEF);

- de prijs, betaald door eiseres in hoger beroep zou ook impliceren dat enkel voor het vruchtgebruik voor 15 jaar van het niet voltooid handelsgedeelte van de gebouwen een bedrag werd betaald van 173.526,00 EUR, excl. BTW, bedrag dat niet veel lager is dan de som van de facturen die voor het optrekken van diezelfde gebouwen (in volle eigendom dus) werd betaald, met name 194.771,52 EUR, excl. BTW (zie stuk 91 administratief dossier);

- voor de gebouwen (hetzij het vruchtgebruik op het handelsgedeelte met grond, vermeerderd met de verbouwingswerken, maar zonder de uitrusting) betaalde de vennootschap blijkens de afschrijvingstabel (stukken 94 en 95 administratief dossier) een bedrag van 358.042,01 EUR, hetzij meer dan de kostprijs van de volle eigendom van deze goederen voor de blote eigenaars, met name 285.642,61 EUR (totaal facturen blijkens de BTW-aangifte, stuk 84 administratief dossier), vermeerderd met de aankoopprijs van de grond (37.184,02 EUR of 1.500.000 BEF), of in totaal 322.826,63 EUR.

2.3. Belastbaarheid van een voordeel van alle aard

De belastingplichtigen stellen zich de vraag of er ter zake wel sprake is van een belastbaar voordeel van alle aard voor de bedrijfsleiders en of het niet eerder gaat om een latente meerwaarde op een privéactiefbestanddeel.

 

Het hof kan het standpunt van de belastingplichtigen niet volgen. In de mate dat het zou gaan om een meerwaarde, betreft het immers geen latente meerwaarde, maar een verwezenlijkte meerwaarde, die wel belastbaar kan zijn.

Overeenkomstig artikel 32, pte lid WIB 1992 zijn bezoldigingen van bedrijfsleiders alle beloningen verleend of toegekend aan een natuurlijke persoon die een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent of die in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst.

Overeenkomstig het attractiebeginsel dienen alle inkomsten - andere dan dividenden - die een bedrijfsleider ontvangt van de vennootschap waarin hij over een mandaat beschikt, te worden beschouwd als bezoldigingen van een bedrijfsleider en als dusdanig te worden belast.

Wanneer de belastingplichtigen menen dat er een andere oorzaak kan gevonden worden voor het feit dat door de BVBA een te hoge prijs werd betaald voor het vruchtgebruik van een gebouw met grond, toebehorend aan haar bedrijfsleiders, dan dienen de belastingplichtigen hiervan het bewijs te leveren.

Het hof oordeelt dat er geen enkele valabele reden wordt aangetoond, waarom een dergelijk bedrag zou dienen te worden betaald voor het vestigen van een dergelijk vruchtgebruik.

Het hof oordeelt derhalve dat de meerprijs die werd betaald, terecht als een belastbaar voordeel van alle aard werd gekwalificeerd in hoofde van de bedrijfsleiders. Gelet op bovenvermelde raming werd aldus terecht in hunnen hoofde elk een bedrag van 59.475,16 EUR als voordeel van alle aard toegevoegd aan hun inkomen als bedrijfsleider.

Ten overvloede merkt het hof op dat er in hoofde van de bedrijfsleiders geen bedrag belastbaar werd gesteld ingevolge het feit dat de vennootschap de kosten voor de klinkers en de tuinaanleg volledig ten laste had genomen, terwijl die deels privé werden gebruikt.

2.4. Belastbaarheid in toepassing van artikel 219 WIB 1992

Volgens de belastingplichtigen kan de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 niet worden toegepast, vermits er geen voordeel is van alle aard, vermits er geen uitgave is in hoofde van de vennootschap en, ondergeschikt, vermits deze aanslag een sanctie uitmaakt, die niet in een redelijke verhouding staat tot de gepleegde inbreuk.

Artikel 219 WIB 1992, zoals van toepassing voor het betrokken aanslagjaar, bepaalt dat een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten vermeld in artikel 57 WIB 1992, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden. Die aanslag is gelijk aan 300% van die kosten. Die aanslag wordt bovendien verhoogd met drie opcentiemen.

Het hof oordeelt dat de voordelen, bestaande uit enerzijds de meerprijs die voor het vruchtgebruik werd betaald en anderzijds het feit dat de kostprijs voor de klinkers en de tuinaanleg volledig ten laste werd genomen door de vennootschap, correct werden begroot door de administratie.

De enige reden voor het feit dat deze kosten ten laste werden genomen door de vennootschap berust in het feit dat de heer en mevrouw H.-N. bedrijfsleider waren in de vennootschap, zodat ze terecht werden gekwalificeerd als bezoldigingen in de zin van artikel 32 WIB 1992.

Gelet op de tekst van de artikelen 57 en 219 WIB 1992 moesten voordelen van alle aard, waaraan geen kost beantwoordt, voor het betrokken aanslagjaar niet op een fiscale fiche worden opgenomen. Deze aanslag werd niet van toepassing geacht wanneer er geen sprake was van een kost, doch enkel van een derving van een inkomen (zie de rechtspraak en rechtsleer vermeld door A. KIEKENS, noot onder Rb. Brussel, 16 september 2005, Fisc.Koer. 2006, afl. 6, p. 413 e.v. en door A. VEREIST, "Afzonderlijke aanslag geheime commissielonen. De laatste 10 jaar revisited", TFR 2008, nr. 349, (p. 903), p. 911).

In onderhavig geval betreft het wel degelijk uitgaven van de vennootschap, met name de betaling van een meerprijs en de betaling van de kosten voor tuinaanleg en klinkers, zodat voormelde rechtspraak hier niet relevant is.

Vermits deze uitgaven van de vennootschap niet op individuele fiches en samenvattende opgaven werden vermeld, werden ze terecht aan de afzonderlijke aanslag onderworpen.

Over de vraag of de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 al dan niet als een strafsanctie dient te worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM oordeelde het Hof van Cassatie onlangs dat de bijzondere aanslag geen strafrechterlijk karakter heeft in zover ze ertoe strekt het verlies van de belastingen en de sociale bijdragen te vergoeden (Cass. 10 september 2010, TFR 2011, nr. 393, p. 25). Dat de afzonderlijke aanslag in onderhavig geval meer dan een vergoedend karakter zou hebben wordt niet aangetoond. Er kan derhalve geen vermindering worden doorgevoerd.

2.5. De investeringsaftrek

Voor wat de verwerping van de investeringsaftrek betreft, stelt het hof vast dat deze aftrek enkel werd verworpen in de mate dat er sprake was van een privégebruik van de verwarmingsinstallatie of van de kosten voor tuinaanleg en klinkers.

Overeenkomstig artikel 75 WIB 1992 is de investeringsaftrek niet van toepassing op onder meer: 1° vaste activa die niet uitsluitend voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt; ( ... )

3° vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt.

Op basis van deze bepaling werd de toepassing van de investeringsaftrek terecht verminderd met een bedrag van 9.879,79 EUR (6.155,79 EUR+ 3.724,00 EUR).

2. 6. De interestaftrek

Inzake de aanslag in de personenbelasting stellen de belastingplichtigen dat de interestaftrek ten onrechte werd verworpen, in de mate dat het vruchtgebruik werd overgedragen.

De blote eigenaar van een woning kan de interesten van een hypothecaire lening niet in aftrek brengen. Artikel 11 WIB 1992 voorziet uitdrukkelijk dat de onroerende inkomsten uit artikel 7, § 1, 1° en 2° WIB 1992 belastbaar zijn naar het geval er sprake is van een eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van een goed. Het zou onlogisch zijn dat de blote eigenaar die het vruchtgebruik heeft afgestaan en bijgevolg niet het genot van de zaak heeft, ook nog eens zou belast worden op het onroerende inkomen. Met artikel 14, iste lid WIB 1992 die de interestaftrek toestaat "van de inkomsten van onroerende goederen", heeft de wetgever bevestigd dat alleen de personen die inkomsten uit een onroerend goed kunnen halen, hier bedoeld zijn. Belastingplichtige voldoet als blote eigenaar niet aan de vereisten voor de interestaftrek voorzien in artikel 14 WIB 1992 (Gent 17 april 2007, TFR 2008, nr. 339, p. 378).

De interestaftrek werd dan ook terecht verworpen.

2. 7. De belastingverhoging

Er werd een belastingverhoging opgelegd van 10%. Deze zou volgens de belastingplichtigen moeten worden kwijtgescholden vermits het een principiële betwisting betreft.

Het hof oordeelt dat de betrokken belastingverhoging werd opgelegd overeenkomstig de wet (art. 444 WIB 1992), en dat ze evenredig is met de gepleegde inbreuk. Het betreft geen principiële betwisting. Er is dan ook geen enkele reden om een vermindering toe te staan.

2. 8. Rechtsplegingsvergoeding

Het hof oordeelt dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep moet worden bepaald overeenkomstig de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 31 mei 2007), uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1tot13 van de wet van 21 april 2007.

Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde, doch ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniaire bedrag van de vordering (cf. Cass. 12 maart 2010, F]F, No. 2010/183, p. 720).

Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 7.000,00 EUR, te indexeren tot 7.700,00 EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken, zodat het kan worden toegekend aan de fiscale administratie als in het gelijk gestelde partij.

 

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van BVBA P.C., T.H. en S.N. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst BVBA P.C., T.H. en S.N. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op 7.700,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 16/08/2013 - 13:00
Laatst aangepast op: vr, 16/08/2013 - 13:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.