-A +A

Aanslag geheime commissielonen op verdoken meerwinst door fictieve uitgaven

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 11/10/2011

Geheime commissielonen 

Fictieve uitgave - Verdoken meerwinst
Een fictieve uitgave maakt een verdoken meerwinst uit die onderworpen is aan de aanslag geheime commissielonen aangezien men door de boeking aangeeft dat de kost het vermogen van de vennootschap heeft verlaten.
 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/11
Pagina: 
741
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(T.A., G.R., C.H./FOD FINANCIËN)

1. Voorafgaande feiten en procedure 1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2001, 2002 en 2003 en meer bepaald de toepassing van de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992.

NV D. werd op 5 februari 2007 failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Tongeren. De advocaten A.A., G.R. en C.H. werden aangesteld als curatoren en hebben in die hoedanigheid het geding, dat hangende was voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt hervat.

Op 7 januari 2000 werd tussen NV D. en BVBA S.T.M. (STM) een overeenkomst gesloten (stuk 120 administratief dossier), waarbij deze laatste er zich toe verbond om begeleiding te verlenen aan NV D. tot het bekomen van meer omzet in het jaar 2000. Er werd afgesproken dat hiervoor een vergoeding zou worden betaald van 1 % op de stijging van de omzet ten opzichte van 1999. Op 28 november 2000 factureerde STM een bedrag van 2.000.000 BEF, te vermeerderen met 420.000 BEF BTW aan NV D., vermits er in 2000 een meeromzet zou zijn gerealiseerd van 200.000.000 BEF ten opzichte van 1999. Deze factuur werd door NV D. betaald, deels in december 2000 (1.000.000 BEF) en deels in maart 2001.

 

Op 7 maart 2001 werd een gelijkaardige overeenkomst gesloten tussen NV D. en BVBA STM (stuk 121 administratief dossier). Er volgde op 4 juni 2002 een factuur voor een bedrag van 50.000,00 EUR. te vermeerderen met 10.500,00 EUR BTW. Deze factuur werd betaald op 5 juni 2002.

Er werd een strafdossier geopend lastens ].S. Deze laatste werd bij vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 5 mei 2004, bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 november 2004, schuldig bevonden aan fiscale valsheid in geschriften en meer in het bijzonder het met bedrieglijk opzet om de respectievelijke afnemers toe te laten personen- of vennootschapsbelasting te ontduiken en onrechtmatig BTW in aftrek te brengen door onder meer de factuur nr. 2002/24 van 4 juni 2002, afgenomen door NV D. op te stellen of te doen opstellen, uitgaande van BVBA STM, daar waar in werkelijkheid geen prestaties of slechts een gedeelte ervan werd geleverd.

Tegen het arrest van 17 november 2004 werd cassatieberoep ingesteld dat werd verworpen bij arrest van 15 februari 2005. De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen verleende op 26 september 2002 toelating aan de ambtenaren van de bevoegde diensten van het ministerie van Financiën, die hiertoe werden aangeduid, tot het nemen van inzage en afschrift van het dossier inzake J .S. (notitienummer ( ... )) (stuk 8 8 administratief dossier).

1.2. Aangifte en aanslag

1.2.1. Aanslagjaar 2001

De belastingplichtige (toen nog NV D.) diende voor aanslagjaar 2001 een aangifte in in de vennootschapsbelasting.

Er werd voor aanslagjaar 2001 een aanvankelijke aanslag gevestigd op 12 april 2002 (kohierartikel (. "), stuk 171 administratief dossier).

Nadat de administratie van de procureur-generaal toelating had gekregen tot inzage in het strafdossier lastens J.S., stuurde de administratie op 21 juni 2005 (stuk 129 administratief dossier) een brief waarin ze aankondigde dat de onderzoekstermijn met twee jaar zou worden uitgebreid overeenkomstig artikel 333 WIB 1992. De administratie verwees naar het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 5 mei 2004, naar de bevestiging ervan door het hof van beroep te Antwerpen en naar de verwerping van het cassatieberoep. Volgens de administratie vormden het opnemen van de valse facturen nrs. 2002/24 en 2000/2 7 in de boekhouding aanwijzingen van belastingontduiking.

Deze kennisgeving werd aangetekend verzonden naar de H.straat te R. (stuk 131 administratief dossier), doch de brief werd terugbezorgd met de vermelding geweigerd. De kennisgeving werd derhalve nog eens per gewone post opgestuurd op 27 juni 2005 (stuk 132 administratief dossier).

Op 12 september 2005 werd deze kennisgeving nogmaals aangetekend verstuurd naar het adres E.park te L. (stukken 134 e.v. administratief dossier). De zending werd opnieuw geweigerd.

Op 12 september 2005 werd eveneens een bezoek aangekondigd aan het bedrijf op 21 september 2005 (stuk 137 administratief dossier). De heren C.P. enJ.M., bestuurders van NV D., legden op 22 september 2005 een verklaring af (stuk 139 administratief dossier). Ze verklaarden beiden dat ze de prestaties met betrekking tot de factuur van STM niet konden verantwoorden. Ze verklaarden beiden dat er een mondelinge overeenkomst bestond tussen NV B. en NV D. waarin werd overeengekomen dat alleen NV B. voor de verkoop in Engeland kon zorgen. Het leek hen onwaarschijnlijk dat STM voor een begeleiding van de verkoop in Engeland zou gezorgd hebben. Vermits de omzetstijging tussen 1999 en 2000 vooral betrekking had op de verkoop in Engeland, leek het hen onwaarschijnlijk dat STM voor deze omzetstijging zou hebben gezorgd.

Op 12 oktober 2005 stuurde de administratie een bericht van wijziging van aangifte voor aanslagjaar 2001 (stuk 158 administratief dossier). Na weergave van de strafrechterlijke veroordeling en de verklaringen van de heren P. en M., stelde de administratie:

"Blijkens de facturatie van de NV B. en het feit dat zelfs de bestuurders verklaren dat het onwaarschijnlijk is dat BVBA STM voor de omzetstijging heeft gezorgd, is het duidelijk dat de factuur met nr. 2000/27 d.d. 28 november 2000 voor een bedrag van 2.420.000 BEF inclusief BTW als vals dient te worden beschouwd."

De administratie kondigde bijgevolg aan dat het in 2000 nog niet betaalde saldo van de factuur van STM, dat als schuld stond geboekt (1.420.000 BEF), zou worden belast als overschatting van het passief. Het reeds betaalde bedrag (1.000.000 BEF) zou worden onderworpen aan de bijzondere afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992.

Het betrof immers een verdoken meerwinst die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap werd teruggevonden. Dit bedrag werd immers op 8 december 2000 betaald aan STM.

Er werd eveneens een belastingverhoging aangekondigd van 200% bij toepassing van artikel 444 WIB 1992 en artikel 226 KB/WIB 1992 wegens onvolledige of onjuiste aangifte gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken. De aanslag werd gevestigd met toepassing van de aanslagtermijn van artikel 354, 2de lid WIB 1992: het in de boekhouding opnemen van valse facturen werd beschouwd als een inbreuk op de bepalingen van het WIB 1992, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Op 16 november 2005 stuurde de administratie een kennisgeving van aanslag van ambtswege, vermits de belastingplichtige nagelaten had om te antwoorden op het eerder vermelde bericht van wijziging (stukken 164 e.v. administratief dossier). De inhoud van deze kennisgeving kwam overeen met die van het bericht van wijziging.

Op 15 december 2005 werd voor aanslagjaar 2001 de supplementaire aanslag, kohierartikel (".) uitvoerbaar verklaard, met verzending van het aanslagbiljet op 23 december 2005 (stuk 172 administratief dossier).

1.2.2. Aanslagjaar 2002

De belastingplichtige diende voor aanslagjaar 2002 een aangifte in en er volgde een aanvankelijke aanslag (kohierartikel L. .), stuk 248 administratief dossier).

Er volgde een bericht van wijziging op 12 oktober 2005 (stuk 236 administratief dossier) met een gelijkaardige motivering als het bericht van wijziging voor aanslagjaar 2001.

Er werd aangekondigd dat de overschatting van het passief zou worden teruggenomen voor een bedrag van 35.200,88 EUR. Het betrof het bedrag van 1.420.000 BEF dat op 30 maart 2001 werd betaald als saldo van de factuur van STM.

Er werd ook aangekondigd dat een bedrag van 35 .200,8 8 EUR zou worden onderworpen aan de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB92. Het betrof het saldo van de factuur, uitgereikt door STM, dat op 30 maart 2001 werd betaald en aldus de vennootschap had verlaten. Vermits deze factuur vals was, betrof de boeking van deze factuur een verdoken meerwinst.

Er werd eveneens een belastingverhoging aangekondigd van 200% bij toepassing van artikel 444 WIB 1992 en artikel 226 KB/WIB 1992 wegens onvolledige of onjuiste aangifte gepaard gaande met valsheid of gebruik van valse stukken. De aanslag werd ook hier gevestigd met toepassing van de aanslagtermijn van artikel 354, 2<le lid WIB 1992.

Vermits de belastingplichtige ook op dit bericht van wijziging niet reageerde, werd hem op 16 november 2005 een kennisgeving van aanslag van ambtswege toegestuurd, met dezelfde inhoud als het bericht van wijziging (stuk 242 administratief dossier).

De supplementaire aanslag, met kohierartikel (".) werd gevestigd op 15 december 2005, met verzending van het aanslagbiljet op 23 december 2005 (stuk 249 administratief dossier).

1.2.3. Aanslagjaar 2003

De belastingplichtige diende voor aanslagjaar 2003 een aangifte in en er volgde een aanvankelijke aanslag, met kohierartikel (".), gevestigd op 2 februari 2004 (stuk 340 administratief dossier).

Op 12 oktober 2005 stuurde de administratie een bericht van wijziging, met een gelijkaardige motivering als het bericht van wijziging met betrekking tot de vorige aanslagjaren (stuk 326 administratief dossier). Dit bericht betrof weliswaar de factuur nr. 2002/24 van 4 juni 2002 voor een bedrag van 50.000,00 EUR, meer 10.500,00 EUR BTW.

Er werd aangekondigd dat de afzonderlijke aanslag verdoken meerwinsten van artikel 219 WIB 1992 zou worden toegepast op het factuurbedrag van 60.500,00 EUR. Ook hier werd een belastingverhoging aangekondigd van 200%.

De aanslag zou worden gevestigd met toepassing van de aanslagtermijn van artikel 354, t= lid WIB 1992.

Vermits de belastingplichtige ook op dit bericht van wijziging niet reageerde, werd een kennisgeving van aanslag van ambtswege verstuurd op 16 november 2005 (stuk 331 administratief dossier). De administratie liet bij brief van 29 november 2005 weten dat ze bij haar standpunt bleef en vestigde een supplementaire aanslag met kohierartikel ( ... ) op 15 december 2005, met verzending van het aanslagbiljet op 23 december 2005.

1.3. Bezwaar

Op 23 februari 2006 ontving de gewestelijke directie een bezwaarschrift tegen de supplementaire aanslag, gevestigd voor aanslagjaar 2001 (stuk 2 administratief dossier). Op 19 januari 2006 en op 17 januari 2006 had de gewestelijke directie reeds een bezwaarschrift ontvangen voor aanslagjaar 2002, respectievelijk aanslagjaar 2003 (stukken 6 e.v. administratief dossier).

Er werd telkens formeel bezwaar aangetekend tegen de toegepaste "belastingverhoging van 300% ".Deze zou niet in verhouding staan tot de ernst van de feiten gezien: - het huidig bestuur van NV D. zijn volledige medewerking verleend heeft aan het onderzoek van S. en B.;

de gewraakte feiten zijn gepleegd door voormalig bestuurder C.F. zonder medeweten van de huidige bestuurders;

er mondeling medegedeeld is door S. dat een belastingverhoging van 50% gangbaar is in dergelijk geval;

de administratie der indirecte belastingen voor dezelfde feiten slechts een belastingverhoging van 40% toepast.

De belastingplichtige werd gehoord op 9 mei 2006.

Bij beslissing van 19 september 2006 heeft de gewestelijk directeur de bezwaarschriften voor de drie aanslagjaren afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond.

1.4. Procedure voor de eerste rechter

NV D. legde op 18 december 2006 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Bij akte van gedinghervatting, neergelegd op 26 januari 2009 gingen Mrs. A.A., G.R. en C.H., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van NV D. over tot gedinghervatting.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot, op verzoek van de curatoren op 15 april 2009 betekend, werd C.F. gedagvaard, teneinde het te vellen vonnis aan hem gemeen en tegenstelbaar te horen verklaren.

Bij vonnis van 2 december 2009 oordeelde de rechtbank vooreerst dat de aanslagtermijn van artikel 354, 2de lid WIB 1992 terecht werd toegepast voor wat betreft de aanslagjaren 2001 en 2002. De eerste rechter oordeelde immers dat de berichten van wijziging en de kennisgevingen van aanslag van ambtswege voldoende aanwijzingen bevatten van inbreuken, zoals bedoeld in dit artikel. De rechtbank oordeelde dat aan de hand van de voorgelegde stukken was aangetoond dat de facturen, uitgeschreven door STM en gericht aan NV D. vals waren. De rechtbank stelde vast dat er geen verslagen van vergaderingen werden voorgelegd, of opvolgingsverslagen, strategiebepalingen en studies, zodat de echtheid van de uitgaven niet kon worden verantwoord. Er werd niet aangetoond dat door STM werkelijk prestaties werden geleverd die voor een verhoging van de omzet hebben gezorgd.

 

Voor wat de toepassing van artikel 219 WIB 1992 betreft had de belastingplichtige geargumenteerd dat het niet mogelijk is een verdoken meerwinst aan te tonen door kosten te verwerpen. De rechtbank verwierp dit argument en oordeelde dat winsten ook kunnen worden verzwegen, doordat sommige lasten ten onrechte opzettelijk werden geregistreerd.

Het boeken van fictieve facturen en dus het boeken van uitgaven die niet werden gedaan, of waarvan de werkelijkheid niet werd bewezen, kon volgens de rechtbank dus wel als meerwinsten worden gekwalificeerd. Het bedrag van de meerwinst omvatte volgens de rechtbank tevens de ontdoken BTW, vermits deze effectief werd aangerekend, en dit ongeacht of de BTW in aftrek gebracht werd of niet.

Volgens de rechtbank kon de belastingverhoging van 200% niet meer worden toegepast, vermits de verschuldigde belasting reeds 300% uitmaakte van de niet-aangegeven inkomsten. Uit de aanslagbiljetten bleek dat deze belastingverhoging effectief op nul werd gebracht zodat artikel 444 WIB 1992 correct werd toegepast.

De vordering van de belastingplichtige werd derhalve afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond.

Voor wat de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring betreft, stelde de eerste rechter vast dat er een procedure hangende was voor de rechtbank van koophandel te Tongeren betreffende de bestuurdersaansprakelijkheid van de heer F. Deze vordering werd ontvankelijk en gegrond verklaard.

De belastingplichtige werd veroordeeld tot de kosten van het geding, vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding, bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat. De heer F. werd veroordeeld tot de kosten van het geding, vereffend op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en 216,61 EUR dagvaardingskosten.

1.5. Procedure voor het hof van beroep

De curatoren van de belastingplichtige legden een verzoekschrift neer ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 5 maart 2010. De curatoren vorderen om hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om dienvolgens de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2001 (kohierartikel (. ") ), 2002 (kohierartikel (. ")) en 2003 (kohierartikel (. ")) te vernietigen wegens onrechtmatige toepassing van artikel 219 WIB 1992 en in de mate dat aan de NV D. een belastingverhoging van 200% werd opgelegd.

Ze vorderen eveneens om aan NV D. kwijtschelding te verlenen van eventueel opgelegde boetes en om de Belgische Staat te veroordelen tot teruggave van de ten onrechte geïnde bedragen, met inbegrip van de moratoriuminteresten.

Ze vorderen eveneens om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320,00 EUR voor elk van beide aanleggen.

Ze vorderen ten slotte om het arrest gemeen en tegenstelbaar te verklaren aan tweede geïntimeerde, de heer F., en om hem te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de dagvaardingskosten (218,61 EUR) en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (1.320,00 EUR) voor elk van beide aanleggen.

 

De Belgische Staat vordert om het hoger beroep van appellanten ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en hen ervan af te wijzen, met veroordeling tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 EUR.

De heer F., geïntimeerde in tussenkomst en vrijwaring vordert om het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren en om de kosten toe te passen als naar recht. Op de zitting van 12 september 2011 laat de raadsman van de heer F. acteren dat hij de door hem gevraagde rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.320,00 EUR.

2. Bespreking

( ... )

2.2. De afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 2.2.1. Artikel 219 WIE 1992 en verdoken meerwinsten

Overeenkomstig artikel 219 WIB 1992 is een afzonderlijke aanslag verschuldigd, onder meer op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden. Die aanslag is gelijk aan 300% van die verdoken meerwinsten. Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, pte lid, 2° tot 4° (art. 219, 3<le lid WIB 1992).

De belastingplichtigen stellen terecht dat het feit dat de aanslag van ambtswege werd gevestigd, de administratie er niet van vrijstelt om aan te tonen dat er sprake is van verdoken meerwinsten die niet in het vermogen van de vennootschap kunnen worden teruggevonden. De administratie moet dit bewijs kunnen leveren op het moment van het vestigen van de aanslag.

2.2.2. Bewijs van verdoken meerwinsten

In tegenstelling tot wat de belastingplichtigen voorhouden, kan een verhoging van de winst door de verwerping van kosten als een verdoken meerwinst worden beschouwd. Door een bepaalde fictieve uitgave als kost te boeken, geeft de vennootschap immers uitdrukkelijk toe dat het bedrag van die fictieve kost het vermogen van de vennootschap heeft verlaten (L. VANHEESWIJCK, "Geheime commissielonen: van steekpenningen tot sanctie voor ficheplicht" in L. MAES, H. DE CNIJF en L. DE BROECK (eds.), Fiscaal Praktijkboek 2008-2009. Directe belastingen, Mechelen, Kluwer, (p. 315), p. 337). Uit het boeken van een fictieve kost blijkt ook dat er een verschil is tussen het werkelijk behaalde resultaat en het resultaat zoals het wordt voorgehouden door de belastingplichtige, zodat dit verschil beschouwd kan worden als een verdoken meerwinst (L. FOGUENNE en C. VANDEVYVER, "Bénéfices dissimulés et commissions secrètes: une analyse critique de la cotisation spéciale", C&FP 2001, (p. 481), p. 488).

Enkel die verdoken winsten die nog in het vermogen van de vennootschap zullen worden teruggevonden zullen ontsnappen aan de bijzondere aanslag (L. FOGUENNE en C. VANDEVYVER, o.c., p. 488). Dit verklaart ook waarom de reserves als bedoeld in artikel 24, iste lid, 2° tot 4° WIB 1992 uit het toepassingsgebied van artikel 219 WIB 1992 worden gesloten.

Anders dan de curatoren voorhouden, heeft de administratie wel degelijk het bewijs geleverd dat de facturen van STM, waarvan de vennootschap de aftrek heeft proberen te bekomen fictief waren. Hierboven werd immers reeds geoordeeld dat aangetoond werd dat de facturen niet aan werkelijke prestaties beantwoordden en dat de NV D. hiervan op de hoogte was of moest geweest zijn. Het feit dat de facturen werden betaald maakt hen niet minder fictief, vermits de betalingen gebeurden, zonder dat de vennootschap aantoonde daar iets (goederen of diensten) voor in de plaats te krijgen.

Door die valse facturen in de boekhouding op te nemen werd een deel van de winst verborgen gehouden. Het betrokken factuurbedrag betrof derhalve een verdoken meerwinst in de zin van artikel 219 WIB 1992.

2.2.3. Het verlaten van het vermogen van de vennootschap

Opdat de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 op dit verdoken winstbestanddeel van toepassing zou zijn, is bovendien vereist dat aangetoond wordt dat deze meerwinst het vermogen van de vennootschap heeft verlaten.

Een deel van de factuur nr. 2712000 werd betaald in december 2000, met name 1.000.000 BEF. Het overige deel (1.420.000 BEF) werd betaald op 30 maart 2001. Factuur nr. 24/2002 werd volledig ( 60.500,00 EUR) betaald op 5 juni 2002.

Vermits het tweede deel van de eerste factuur (1.420.000 BEF) nog niet betaald werd in 2000 en dus op dat moment nog niet het vermogen van de vennootschap had verlaten, diende dit deel voor aanslagjaar 2001 beschouwd te worden als een overschatting van het passief. Gelet op artikel 219, 3<le lid WIB 1992 kon dit deel niet worden onderworpen aan de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992, doch diende dit onderdeel als deel van de winst aan het belastbare resultaat te worden toegevoegd overeenkomstig artikel 24, iste lid, 4° WIB 1992.

Het in 2000 wel reeds betaalde deel van factuur nr. 2712000 kon voor het aanslagjaar 2001 wel onderworpen worden aan de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992. Het betrof, gelet op het fictief karakter van de factuur, immers een verdoken meerwinst, die het vermogen van de vennootschap had verlaten.

Op 30 maart 2001 werd het tweede deel van de eerste factuur betaald. Voor aanslagjaar 2002 diende aldus dit bedrag uit de winst gehaald te worden en diende met andere woorden de verhoging van de belastbare grondslag, die op grond van artikel 24, iste lid, 4° WIB 1992 in aanslagjaar 2001 was toegepast, ongedaan te worden gemaakt.

Anderzijds diende te worden vastgesteld dat dit deel van de verdoken meerwinst op 30 maart 2001 het vermogen van de vennootschap had verlaten, zodat deze meerwinst voor aanslagjaar 2002 belastbaar werd in toepassing van artikel 219 WIB 1992. Deze meerwinst is met andere woorden door de betaling ervan op 30 maart 2001 gewijzigd van een overschatting van het passief, overeenkomstig artikel 24, iste lid, 4° WIB 1992 onderworpen aan het gewoon tarief, in een verdoken meerwinst, onderworpen aan de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992. Er is geen sprake van dubbele belasting van dezelfde meerwinst, vermits de eerdere belasting op grond van artikel 24, 1 ste lid, 4° WIB 1992 werd teruggenomen.

De tweede factuur, nr. 24/2002, werd volledig betaald in 2002. Vermits het ook een verdoken meerwinst betreft, gelet op haar fictief karakter, en vermits deze meerwinst het vermogen heeft verlaten, door betaling ervan aan de heer S., is voldaan aan de voorwaarden van belastbaarheid van dit bedrag in toepassing van artikel 219 WIB 1992 in aanslagjaar 2003.

Het hof oordeelt dat de administratie op grond van artikel 219 WIB 1992 een afzonderlijke aanslag kon vestigen.

2.2.4. De betaalde BTW

De curatoren zijn van mening dat de belastbare grondslag minstens moet verminderd worden met de BTW die op de facturen werd betaald.

Uit de stukken blijkt dat op elk van beide facturen BTW werd aangerekend door STM en dat deze BTW mede met het factuurbedrag werd betaald aan de heer S. Er wordt evenmin betwist dat deze BTW nadien werd opgenomen in de BTW-aangifte (conclusies appellanten, randnr. 30).

Dat betekent dus dat deze BTW eveneens werd betaald en dus het vermogen van de vennootschap heeft verlaten, terwijl zij nadien in aftrek werd gebracht via de BTW-aangifte, en dit alles ondanks het feit dat er geen werkelijke prestaties werden geleverd.

Anderzijds blijkt ook uit de stukken dat er met de BTW-administratie een akkoord werd gesloten namens NV D. op 25 oktober 2005, waarbij de NV D. er zich toe verbond om de voorheen afgetrokken BTW terug te betalen (stukken 599 en 600 administratief dossier).

Aldus kan het bedrag van de BTW niet langer worden beschouwd als deel uitmakend van de verdoken meerwinst in de zin van artikel 219 WIB 1992 en is de vordering van de curatoren op dit punt gegrond.

Bovendien stellen de curatoren terecht dat de opname van de BTW in de belastbare grondslag de aanslagen willekeurig en derhalve nietig maakt. Het akkoord met de BTW-administratie werd immers reeds gesloten in oktober 2005, daar waar de bestreden aanslagen pas werden gevestigd op 15 december 2005. De administratie kon dit gegeven derhalve kennen op het moment van het vestigen van de aanslagen en diende er rekening mee te houden.

Door de aanslagen desondanks te vestigen op het factuurbedrag inclusief BTW is de administratie willekeurig tewerk gegaan, zodat de aanslagen dienen te worden vernietigd.

(".)

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

 

rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende,

Verklaart de vordering van meesters A.A., G.R. en C.H., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van NV D. ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond,

Vernietigt de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2001 (kohierartikel (".) ), 2002 (kohierartikel (".)) en 2003 (kohierartikel (".) ),

Veroordeelt de Belgische Staat tot teruggave van de ten onrechte geïnde bedragen, met inbegrip van de moratoriuminteresten.

Verklaart dit arrest gemeen aan C.F.,

Beveelt de heropening der debatten op ( ... ) teneinde, hetzij de procedure te regelen indien de Belgische Staat binnen de wettelijke termijn een subsidiaire aanslag ter beoordeling aan het hof voorlegt, hetzij de zaak in beraad te nemen met het oog op de begroting van de kosten in het andere geval,

Houdt de beslissing nopens de kosten aan.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 16/08/2013 - 15:25
Laatst aangepast op: di, 11/03/2014 - 01:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.