-A +A

Aansprakelijkheid bestuurder verhindert niet de betwisting van de BTW vordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/09/2014

De in artikel 442quater, § 1, WIB92 bepaalde aansprakelijkheid van bestuurders voor de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door vennootschappen en bepaalde rechtspersonen houdt in dat de bedoelde bestuurder, van rechtswege, hoofdelijk mede gehouden is de door de vennootschap of rechtspersoon verschuldigde bedrijfsvoorheffing te voldoen wanneer hij een fout heeft begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon die heeft geleid tot de tekortkoming aan de betalingsverplichting door de vennootschap of de rechtspersoon; de vordering van de fiscus tegen de bedoelde bestuurder op grond van deze bepaling is geen aansprakelijkheidsvordering die strekt tot schadevergoeding.

Artikel 93undecies C, § 1, BTW-Wetboek sluit niet uit dat de bedoelde bestuurder op een andere wettelijke grondslag aansprakelijk wordt gesteld voor een fout die verband houdt met het niet-betalen door de vennootschap of de rechtspersoon van de BTW-schulden (1). (1) Zie concl. OM.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. F.12.0206.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met ka-binet te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
eiser,
kiest,
tegen
1. J.-M. D'H.,
2. C. B.,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 19 november 2009 en 6 mei 2010.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 442quater WIB92 zijn, in geval van tekortkoming, door een vennootschap of door een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk en de stich-tingen, aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing, de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming indien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon.

Op grond van artikel 442quater WIB92 is de bedoelde bestuurder van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing, wanneer hij een fout heeft begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechts-persoon die heeft geleid tot de tekortkoming aan de betalingsverplichting door de vennootschap of de rechtspersoon.

2. De vordering van de fiscus tegen de bedoelde bestuurder op grond van artikel 442quater WIB92 is geen aansprakelijkheidsvordering die strekt tot schadevergoe-ding.

De appelrechters die anders oordelen, schenden artikel 442quater WIB92.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede onderdeel

3. Overeenkomstig artikel 1200 Burgerlijk Wetboek houdt hoofdelijkheid tussen schuldenaars in dat zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt.

Krachtens artikel 1203 Burgerlijk Wetboek kan de schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis van de schuldenaars diegene aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het voorrecht van de schuldsplitsing tegen hem kan inroepen.

Krachtens artikel 1204 Burgerlijk Wetboek belet de vervolging tegen een van de schuldenaars gericht, de schuldeiser niet om ook tegen de anderen vervolgingen in te stellen.

4. De in artikel 442quater, § 1, WIB92 bepaalde aansprakelijkheid van bestuur-ders voor de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door vennootschappen en bepaalde rechtspersonen houdt in dat de bedoelde bestuurder, van rechtswege, hoofdelijk me-de gehouden is de door de vennootschap of rechtspersoon verschuldigde bedrijfs-voorheffing te voldoen.

5. Na in het arrest van 19 november 2009 te hebben geoordeeld dat de verweer-ders op grond van artikel 442quater WIB92 aansprakelijk dienen te worden gesteld voor de niet-betaalde bedrijfsvoorheffing, beslissen de appelrechters in het arrest van 6 mei 2010 om de procedure op te schorten tot de curator de verdeling heeft uitge-voerd van het beschikbare actief van het faillissement van Jean-Marie Transport nv, op grond dat zij geen definitieve uitspraak kunnen doen over de omvang van de aan de eiser toekomende "schadevergoeding" zolang dit faillissement niet is afgesloten. Zij schenden aldus de artikelen 1203 en 1204 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

6. Overeenkomstig artikel 93undecies C, § 1, Btw-wetboek zijn, in geval van te-kortkoming, door een aan de btw onderworpen vennootschap of door een rechtsper-soon bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de vereni-gingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, aan haar verplichting tot het betalen van de belasting, van de inte-resten of van de bijkomende kosten, de bestuurder of bestuurders van de vennoot-schap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de ven-nootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming in-dien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon.

Artikel 93undecies C, § 1, Btw-wetboek sluit niet uit dat de bedoelde bestuurder op een andere wettelijke grondslag aansprakelijk wordt gesteld voor een fout die ver-band houdt met het niet-betalen door de vennootschap of de rechtspersoon van de btw-schulden.

7. De appelrechters die de aansprakelijkheidsvordering van de eiser met betrek-king tot de niet-doorgestorte btw niet ontvankelijk verklaren in de mate dat die vor-dering ook stoelt op de andere wettelijke fiscale bepalingen die de eiser aanvoert, schenden artikel 93undecies C, § 1, Btw-wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden arresten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie


F.13.0206.N
Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

1. Bij dagvaarding van 28 augustus 2007 vorderde eiser van de verweerders, in hun hoedanigheid van bestuurders van de NV JEAN-MARIE TRANSPORT, welke vennootschap op 23 januari 2007 in faling was verklaard, de betaling van de achterstallige belastingschulden van deze vennootschap, met name de bedrijfsvoorheffing en de BTW-schulden.

Deze vordering stoelde op de artikelen 442bis, 442quater van het WIB92, 93undecies C, van het BTW-wetboek, 265, 332, 530 en 633 van het Wetboek van Vennootschappen, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Bij tussenarrest van 19 november 2009 oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat de bestuurdersaansprakelijkheid van de verweerders wegens de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing door de vennootschap, die dateert van na de inwerkingtreding van artikel 442quater van het Wetboek van Inkomstenbelasting 1992, enkel kan worden beoordeeld volgens deze laatste bepaling. Omdat het faillissement nog steeds niet was afgesloten, werden de debatten heropend. Wat de aansprakelijkheid van de verweerders betreft voor de niet- betaalde BTW-schuld, oordeelden de appèlrechters dat deze kwestie eveneens overeenkomstig de nieuwe aansprakelijkheidsregeling voorzien in artikel 93undecies C, van het BTW-wetboek, diende te worden beoordeeld. De debatten werd ook op dat vlak heropend teneinde de partijen toe te laten een standpunt in te nemen omtrent de gevolgen van deze bijzondere aansprakelijkheidsregeling inzake BTW op de vordering van de eiser.

Bij tussenarrest van 6 mei 2010 verklaarde het hof van beroep de vordering van de eiser met betrekking tot de niet-doorgestorte BTW niet ontvankelijk omdat er door eiser geen aangetekende verzending was verstuurd naar de verweerders conform artikel 93undecies C, van het BTW-wetboek. Volgens de appèlrechters kan deze BTW-schuld niet langs de "commune weg" voor de invordering van belastingen worden ingevorderd en kan eiser zich niet beroepen op de andere wettelijke fiscale bepalingen die zij aanvoert. De procedure werd opgeschort wat betreft de omvang van de aan de eiser toekomende schadevergoeding wegens de niet-betaalde bedrijfsvoorheffing tot de curator de verdeling heeft uitgevoerd van het beschikbare actief van het faillissement van de NV JEAN-MARIE TRANSPORT.

Tegen beide tussenarresten voert eiser twee middelen tot cassatie aan.

2. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert eiser aan dat het hof van beroep niet wettig heeft beslist dat een vordering op grond van artikel 442quater van het WIB92 strekt tot betaling van een schadevergoeding die gelijk is aan de niet-ingehouden en niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing en aldus de juridische aard miskent van dit bijzonder aansprakelijkheidsregime dat immers geen aansprakelijkheidsregeling op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek heeft ingevoerd, maar wel een hoofdelijke derdenaansprakelijkheid heeft ingesteld, waarbij een bestuursfout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die geleid heeft tot de tekortkoming vanwege de vennootschap of rechtspersoon aan de betalingsverplichting van de bedrijfsvoorheffing, enkel een toepassingsvoorwaarde vormt om de bestuurders hoofdelijk gehouden te verklaren in de zin van artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek voor de onbetaald gebleven bedrijfsvoorheffing (schending van de artikelen 393, §2, 442quater van het WIB92, 1200, 1202, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

3. De artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, zoals ingevoerd bij Programmawet van 20 juli 2006, voeren een nieuwe aansprakelijkheidsregeling in waardoor bestuurders van vennootschappen en bestuurders van bepaalde rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de betaling van de bedrijfsvoorheffing en BTW die deze vennootschappen en rechtspersonen nalieten te betalen.

Als voorwaarde voor de toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, geldt dat de tekortkoming begaan door de vennootschap of rechtspersoon te wijten is aan een fout in hoofde van de bestuurders in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van die vennootschap of rechtspersoon. De herhaalde niet-betaling van de belastingschulden wordt hierbij op weerlegbare wijze vermoed voort te vloeien uit een dergelijke fout, tenzij wanneer de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

4. Bij toepassing van de gemeenrechtelijke principes vóór de invoering van artikel 442quater, schakelde de rechtspraak in de meeste gevallen de schade van de fiscus gelijk met de niet-betaalde bedrijfsvoorheffing, zodat de fiscus geen bijzondere schade, te onderscheiden van de bedrijfsvoorheffing zelf, diende te bewijzen (cfr. de rechtspraak geciteerd door B. VAN DEN BERGH, "Bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing: het privaatrecht neemt het roer over van het fiscaal recht", RW 2010-11, p. 154, nr. 7).

Helemaal eensgezind was deze rechtspraak evenwel niet. In andere uitspraken werd de vordering van de fiscus afgewezen op grond van de overweging dat de door hem geleden schade geen aparte schade vormt, verschillend van die welke bestaat in de niet-voldane bedrijfsvoorheffing. Andere uitspraken kenden de fiscus slechts een ex aequo et bono begrote schadevergoeding toe, op grond van het motief dat onmogelijk kon worden gezegd vanaf wanneer de bestuurder moest weten dat de onderneming reddeloos verloren was en hij aangifte van faillissement diende te doen (B. VAN DEN BERGH, "Bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing: het privaatrecht neemt het roer over van het fiscaal recht", RW 2010-11, p. 154, nr. 7).

Met de invoering van artikel 442quater WIB(1992) heeft de wetgever deze discussie beslecht, met de invoering van de regel dat de bestuurder voor de tekortkoming (i.e. de betaling van de bedrijfsvoorheffing) hoofdelijk aansprakelijk is.

Elke bestuurder is bovendien hoofdelijk aansprakelijk. Auteur DE GEYTER merkt in dit verband op dat "vóór de invoering van artikel 442quater WIB (1992) dit enkel mogelijk was indien de rechter de bestuurders in solidum had veroordeeld" (S. DE GEYTER, "Aansprakelijkheid van bestuurders en vereffenaar VZW voor systematisch onbetaald gebleven bedrijfsvoorheffing", noot onder Brussel 13 september 2006, TFR 2007, 384).

5. De bestuurdersaansprakelijkheid voorzien in de artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, wordt gekoppeld aan een onrechtmatig handelen van de bestuurder, waarbij die (vermoede) fout slechts als toepassingsvoorwaarde geldt voor het inroepen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de openstaande belastingschulden.

De artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, voeren aldus een vorm van derdenaansprakelijkheid in waarbij naast de eigenlijke belastingschuldige ook andere personen ertoe gehouden zijn de verbintenissen van deze eigenlijke belastingschuldige uit te voeren. Op deze manier heeft de fiscus de mogelijkheid om zich op een bijkomende schuldenaar te verhalen, de zgn. derde-aansprakelijke (M. DELANOTE, "Belastingontduiking en problemen van fiscale invordering", in M. MAUS en J. ROZIE, (eds.), Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011,713-714).

Het aansprakelijkheidsregime van de artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, voert derhalve een wettelijke passieve hoofdelijkheid in zoals bedoeld in artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek.

De "aansprakelijkheid" waarvan sprake in de artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, duidt derhalve op een hoofdelijke verplichting tot betaling van de openstaande belastingschulden, die echter niet mag worden vereenzelvigd met de civielrechtelijke aansprakelijkheidsnotie (M. DELANOTE, "Invordering van belastingschulden op het vlak van de inkomstenbelastingen en de BTW", AFT, 2007, nr. 12, 23).

6. De bedoeling van de wetgever om de bestuurders een hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de bedrijfsvoorheffingsschulden op te leggen, vindt volgens auteur DELANOTE bevestiging in artikel 442quater, §4, van het WIB92, in de mate dat daarin wordt gesteld dat de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts kan worden ingeroepen "voor de betaling" van de schulden (in hoofdsom en intresten) inzake bedrijfsvoorheffing.

De auteur wijst erop dat in het initiële voorontwerp van programmawet uitdrukkelijk werd gesteld dat de bestuurders "hoofdelijk gehouden zijn tot de betaling van de bovenbedoelde belastingen". Slechts op aanraden van de Raad van State (Parl.Doc, Kamer, 2517/001, p. 88) werd het "hoofdelijk gehouden zijn" in het wetsontwerp vervangen door "hoofdelijk aansprakelijk", doch deze terminologische aanpassing kan er volgens de auteur niet op duiden dat de wetgever heeft willen afstappen van zijn doelstelling een passieve hoofdelijkheid in te stellen lastens de bestuurders voor de betaling van de openstaande bedrijfsvoorheffing.

Zo werd in de verantwoording bij een later ingediend amendement nog expliciet gesteld dat de bestuurders op grond van de nieuwe bepaling "hoofdelijk gehouden (kunnen) zijn tot de betaling van de fiscale schuld" (Parl.Doc, Kamer, 2005-06, DOC 51 2517/002, p.5, voorlaatste alinea).

De auteur merkt ook op dat met dezelfde Programmawet van 20 juli 2006 in artikel 442ter van het WIB92, een nieuwe (hoofdelijke) aansprakelijkheid werd ingevoerd teneinde fraude met "kasgeldvennootschappen" te bestrijden.

Binnen deze context werd er nooit aan getwijfeld dat het wel degelijk om een specifieke derdenaansprakelijkheid gaat die geen uitstaans heeft met de civielrechtelijke aansprakelijkheid (DELANOTE, M., o.c, AFT, 23-24).

Ook volgens auteur JANSEN is de aansprakelijkheid bedoeld in artikel 442quater, van het WIB92, hoofdelijk waardoor ieder van de bestuurders zal gehouden zijn tot de betaling van het geheel van de fiscale schuld. De aansprakelijkheid wordt specifiek fiscaal geregeld zodat het bijgevolg niet meer over een schadevergoeding gaat, maar over een belastingschuld, die op basis van het vonnis of arrest door de ontvanger kan worden ingevorderd lastens de bestuurders (T. JANSEN, "Bestuurders toch aansprakelijk voor niet betaalde BV en BTW", Fisc.Act., 2006, nr. 23, p. 3).

7. De visie van de auteurs die menen dat de artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, slechts een bijzondere variant vormen op de civielrechtelijke aansprakelijkheid zodat deze bepalingen volledig verkocht zijn met het leerstuk van de onrechtmatige daad, is hoofdzakelijk gegrond op de in de wettekst gebruikte terminologie, in het bijzonder de verwijzing naar artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (zie T. AFSCHRIFT, "Les dispositions fiscales des lois du 20 juillet 2006 (première partie). Responsabilité des dirigeants pour certaines dettes fiscales de la société et l'obligation solidaire de paiement dans certains cas de fraude à la TVA", JT, 2006, 733, nr. 5; G. DE WIT en N. BOUVERET, "La nouvelle responsabilité des dirigeants d'entreprises en matière TVA: leçons du passé et perspectives futures", RGF, 2007, afl.1, 20; D. DESCHRIJVER, "Enkele vraagpunten met betrekking tot het nieuwe stelsel inzake de aansprakelijkheid van bestuurders in fiscale zaken", RGCF, 2008, 198-199, waarin m.i. ten onrechte wordt gesteld dat hoofdelijkheid niet kan gelden tussen primair en secundair aansprakelijke personen. Krachtens de wet kan een hoofdelijkheid immers worden ingesteld tussen om het even welke personen).

Artikel 442quater, §4, van het WIB92, spreekt die zuiver civielrechtelijke benadering uitdrukkelijk tegen in de mate daarin wordt gesteld dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon slechts kan worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom en interesten, van de schulden inzake bedrijfsvoorheffing. Aldus brengt deze bepaling duidelijk tot uitdrukking dat de wetgever een passieve hoofdelijkheid voor ogen stond in de zin van artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek.

8. Waar de artikelen 442quater, van het WIB92, en 93undecies C, van het BTW-wetboek, kaderen in de strijd tegen fiscale fraude, vormt een regeling die een hoofdelijke derdenaansprakelijkheid invoert een veel efficiënter invorderingswapen dan wanneer een aansprakelijkheidsregime wordt ingevoerd dat stoelt op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Het hof van beroep kwalificeerde de vordering op grond van artikel 442quater van het WIB92 derhalve onterecht als een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering die aanleiding geeft tot de betaling van een schadevergoeding en negeert zodoende dat deze bepaling een derdenaansprakelijkheid heeft ingevoerd waarbij de bestuurders op grond van een hoofdelijke verbintenis gehouden zijn tot de betaling van een belastingschuld, te weten bedrijfsvoorheffing.

Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.

9. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat het hof van beroep, door te oordelen dat geen uitspraak kan worden gedaan over de omvang van de aan de eiser toekomende schadevergoeding zolang het faillissement nog niet is afgesloten, en op die grond de procedure op te schorten, de regel miskent dat de schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis de schuldenaars kan aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het voorrecht van de schuldsplitsing kunnen inroepen, alsook de regel dat vervolgingen tegen een van de schuldenaars gericht de schuldeiser niet belet ook tegen de overigen vervolgingen in te stellen (schending van de artikelen 1200, 1202, 1203, 1204 van het Burgerlijk Wetboek, 442quater van het WIB92).

10. Waar artikel 442quater van het WIB92 een (passieve) hoofdelijke aansprakelijkheid invoert in de zin van artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek, kan de eiser, als schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis, van de hoofdelijk aansprakelijke bestuurders degene aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het voorrecht van de schuldsplitsing tegen hem kunnen inroepen (cfr. de artikelen 1203 en 1204 van het Burgerlijk Wetboek).

Voor de toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 442quater van het WIB92, is het bijgevolg niet relevant of eiser nog een dividend zal ontvangen van de curator van de faillietverklaarde vennootschap nu hij toch rechtstreeks de hoofdelijke aansprakelijke bestuurders kan aanspreken die gehouden zijn integraal de vordering van eiser te voldoen. Het recht op een eventueel dividend bij de afwikkeling van het faillissement is derhalve zonder belang nu de bestuurder hoofdelijk gehouden is om de schuld van de vennootschap in hoofdsom en intresten te voldoen.

11. Door te oordelen dat geen uitspraak kan worden gedaan over de omvang van de aan de eiser toekomende schadevergoeding zolang het faillissement nog niet is afgesloten, en op die grond de procedure op te schorten, miskent het hof van beroep bijgevolg de regel dat de schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis de schuldenaars kan aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het voorrecht van de schuldsplitsing kunnen inroepen, alsook de regel dat vervolgingen tegen een van de schuldenaars gericht de schuldeiser niet belet ook tegen de overigen vervolgingen in te stellen.

Ook het tweede onderdeel lijkt mij bijgevolg gegrond.

12. In het tweede middel voert eiser aan dat het hof van beroep niet wettig beslist dat de aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen voor het niet betalen van de bedrijfsvoorheffing en van de BTW-schulden door de vennootschap uitsluitend kan worden beoordeeld rekening houdend met respectievelijk de artikelen 442quater, §1, van het WIB92 en 93undecies C, van het BTW-wetboek.

Het bestreden tussenarrest van 6 mei 2010 zou volgens eiser op voormelde grond de aansprakelijkheidsvordering van eiser met betrekking tot de niet-doorgestorte BTW bijgevolg niet wettig onontvankelijk verklaard hebben, in de mate dat die vordering ook stoelde op de artikelen 530 en 633 van het Wetboek van Vennootschappen en de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, (schending van de artikelen 442quater van het WIB92, 93undecies C, van het BTW-wetboek, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 530 en 633 van het Wetboek van Vennootschappen).

13. Het verzwaarde aansprakelijkheidsregime dat in de artikelen 442quater, §1, WIB92 en 93undecies C, van het BTW-wetboek, ligt besloten, kadert binnen de strijd van de regering tegen de fiscale fraude.

Met deze regeling wilde de wetgever ook rechtszekerheid bewerkstelligen, gezien de uiteenlopende rechtspraak inzake aansprakelijkheidsvorderingen van de fiscus ten aanzien van de bestuurders inzake de niet-inhouding en -doorstorting van bedrijfsvoorheffing (J. BEKAERT, "De nieuwe bestuurders aansprake-lijkheid voor fiscale schulden: slapeloze nachten voor de bestuurders of much ado about nothing?", RW, 2006-07, 1750; B. VAN DEN BERGH, "Bestuurdersaansprakeüjkheid wegens niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing: het privaatrecht neemt het roer over van het fiscaal recht", noot bij Antwerpen, 8 januari 2009, RW, 2010-11, 155).

De artikelen 442quater, §1, WIB92 en 93undecies C, van het BTW-wetboek, verhinderen echter niet dat de fiscus het bestaande arsenaal aan maatregelen om de bedrijfsvoorheffing of andere belastingen in te vorderen, verder blijft aanwenden (D. DESCHRIJVER, "Door een vennootschap of een VZW onbetaald gebleven bedrijfsvoorheffing en/of BTW - Aspecten van de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders na de Programmawet van 20 juli 2006", TRV, 2007, 111, nr. 54; in dezelfde zin: S. VERTOMMEN, noot onder Kh. Mechelen 5 maart 2009, De fiscale koerier 2009, p. 621).

Anders oordelen zou in strijd zijn met de ratio legis van de nieuwe regeling die er juist toe strekte de fiscus een bijkomend wapen te verschaffen in de strijd tegen de fiscale fraude. Het kan geenszins de bedoelding van de wetgever zijn geweest om de rechten van de fiscus te beperken.

Zulks impliceert dat de fiscus zijn vordering tot bestuurdersaansprakelijkheid ook op andere bepalingen kan steunen dan de artikelen 442quater, §1, WIB92 en 93undecies C, BTW-wetboek, zoals bijvoorbeeld, ingeval van faillissement, op grond van artikel 530 van het Wetboek van Vennootschappen (J. BEKAERT, "De nieuwe bestuurdersaansprakelijkheid voor fiscale schulden: slapeloze nachten voor de bestuurders of much ado about nothing?", RW 2006-07, p. 1755, nr. 15: "Zoals bekend, heeft de wet van 4 september 2002 nu ook een individuele schuldeiser zoals de fiscus de mogelijkheid gegeven om op grond van art. 530 W.Venn. op te treden teneinde de vergoeding te verkrijgen van zijn ‘aandeel' in de collectieve schade.

Dit betekent dat de fiscus zijn vordering tot bestuursaansprakelijkheid zowel kan baseren op het nieuwe artikel 442quater W.I.B. 1992 als op art. 530 W.Venn.")
Het faillissementsrechtelijk aansprakelijkheidsregime van artikel 530 van het Wetboek van Vennootschappen heeft een andere finaliteit dan de artikelen 442quater, §1, WIB92 en 93undecies C, BTW-wetboek, vereist het bewijs van een gekwalificeerde fout en maakt het mogelijk om het passief geheel dan wel gedeeltelijk ten laste van een bestuurder te leggen.

Het oordeel van de appèlrechters dat de aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen voor het niet-betalen door de vennootschap van de bedrijfsvoorheffing en van de BTW-schulden uitsluitend kan worden beoordeeld rekening houdend met respectievelijk de artikelen 442quater, §1, van het WIB92 (5de blad, laatste alinea, van het bestreden tussenarrest van 19 november 2009) en 93undecies C, van het BTW-wetboek (9de blad, 4de alinea, van het bestreden tussenarrest van 19 november 2009; 2de blad, voorlaatste alinea, van het bestreden tussenarrest van 6 mei 2010), en dat de eiser zich niet kan beroepen "op de andere wettelijke fiscale bepalingen die zij aanvoer(t)" (3de blad, 3de punt, van het bestreden tussenarrest van 6 mei 2010) is derhalve niet naar recht verantwoord.
Het tweede middel is bijgevolg eveneens gegrond.

Besluit: VERNIETIGING van de bestreden arresten.
 

Noot: 

• Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap [TRV] DESCHRIJVER, Dirk; Noot onder cassatie 2015, nr. 2, p. 139-146.

• M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 121 e.v., nrs. 137 e.v.).

• H. De Wulf en S. De Geyter, “Aansprakelijkheid van rechtspersonen en hun vertegenwoordigers” in XXXIIIste P.U.C. Willy Delva 2006-2007, Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 171 e.v., nrs. 87 e.v.;

• M. Wauters, “Nieuwe ontwikkelingen inzake aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders” in Themis-cahier vennootschapsrecht 2007-2008, Brugge, die Keure, 2008, p. 55, nr. 4

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/03/2016 - 19:58
Laatst aangepast op: zo, 13/03/2016 - 20:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.