-A +A

Aansprakelijkheid bestuurder voor het voortzetten van een reddeloos verloren vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
maa, 22/12/2014

De schade die voor de eiseres zou voortvloeien uit de fouten van bestuurders, door misleiding in de geïsoleerde context voorafgaandelijk aan het sluiten van de overeenkomst tussen haar en E.E., betreft individuele schade van de eiseres. Deze vordering is ontvankelijk. Het faillissement van de schuldenaar staat er niet aan in de weg dat een schuldeiser vergoeding vordert van een derde door wiens fout schade is ontstaan die hem alleen treft.

In zoverre de eiseres beweert dat de bestuurders de vennootschap verbintenissen lieten aangaan waaraan de vennootschap, gezien de financiële toestand, niet kon voldoen, gaat zij in feite uit van de stelling dat de bestuurders een reddeloos verloren activiteit hebben verdergezet en in die periode nog verbintenissen sloten waarvan zij wisten dat de vennootschap deze niet zou kunnen nakomen. Deze stelling heeft dan echter betrekking op het verderzetten van een reddeloos verloren onderneming. De aard van de schade wordt in de rechtsleer omschreven als deels collectief en deels misschien individueel. Dit laatste geldt voor de schuldeiser wiens schuldvordering ontstond in de periode van het verderzetten van de reddeloos verloren onderneming (C. Berckmans, “Schuldeisers en stilzitten curator. Het monopolie doorbroken?” NJW 2013, (478) 481, nr. 7).

Aan een ondernemer kan niet worden verweten de laatste kansen die hij redelijkerwijze nog ziet, te benutten. Integendeel, het is in economisch moeilijke tijden zijn plicht die kansen te benutten, zowel ten aanzien van de vennootschap als ten opzichte van de maatschappij.

Het post factum beweren dat de vennootschap geen overlevingskansen heeft, is dan ook al te gemakkelijk. De ondergang van een onderneming kan meestal enige tijd, soms maanden op voorhand, voorspeld worden. Dergelijke voorspellingen vertrekken echter van het feit dat bij gelijkblijvende omstandigheden de onderneming zal verdwijnen. Het is precies de notie “gelijkblijvende omstandigheden” die in de voorspelbaarheid van het tenietgaan van de onderneming een cruciale rol speelt. Hier ligt ook een taak of een kans voor het management, dat kan ingrijpen op datgene waarop men vat heeft, om het afglijden naar discontinuïteit om te buigen (P. Berger, “Going concern versus discontinuïteit: economische aspecten” in Ondernemingsdiscontinuïteit, Juridische en boekhoudkundige aspecten van de waardering en van de verslaggeving, Antwerpen, Kluwer, 1984 (11) 26). Wisselende omstandigheden en opportuniteiten zijn immers eigen aan het economische leven. De voorspelbaarheid van de conjunctuur is zelfs voor vele economen steeds een moeilijke denkoefening, want vaak verslaan de cijfers in positieve of negatieve zin elke voorspelling. Ook de opportuniteiten zijn vaak wisselend en onbekend; het volstaat dat op het laatste moment een investeerder opduikt om zelfs de meest noodlijdende onderneming te redden.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
669
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

III. Middelen
De eisers voeren in hun verzoekschrift de volgende drie middelen aan :
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 59, 191, inzonderheid eerste lid, 191bis en 192 van de Luxemburgse wet van 10 augustus 1915 betreffende de handelsvennoot-schappen ;
- de artikelen 1382, 1383, 1984, 1989, 1991 en 1992 van het Luxemburgse Burgerlijk Wetboek ;
- voor zoveel nodig, de artikelen 1382, 1383, 1984, 1989, 1991 en 1992 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest heeft vastgesteld dat eiseres statutair zaakvoerster is van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Luxemburgs recht Comptigest, dat eiser de feitelijke zaakvoerder ervan is en dat de eisers de vennootschap Comptigest vertegenwoordigd hebben in het kader of bij de overeenkomsten van 14 en 25 februari 1994, waarbij de vennootschap Comptigest haar werkzaamheid van domiciliëring van buitenlandse vennootschappen in Luxemburg aan de derde verweerster verkocht heeft, en beslist vervolgens dat de (eisers) krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schade die zij de verweerders hebben toegebracht door hun terughoudendheid bij de besprekingen die tot de voormelde overeenkomsten van 14 en 25 februari 1994 hebben geleid.

Het arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen :

(1) "Noch (de eerste twee verweerders) noch (de derde verweerster) gronden (...) hun vordering op de contractuele aansprakelijkheid van Comptigest of (van de eisers), doch op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

(2) (Eiseres) beroept zich op haar hoedanigheid van orgaan van Comptigest om (de verweerders) het recht te betwisten om van haar persoonlijk een vergoeding voor een foutieve handeling te vorderen op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Net als iedereen moet de bestuurder of de zaakvoerder van een vennootschap, overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk elke schade vergoeden die hij een ander door zijn schuld heeft toegebracht. Dat algemeen beginsel wordt bevestigd door de regels van de lastgeving, aangezien de zaakvoerder optreedt in de hoedanigheid van lasthebber van de vennootschap. Krachtens de regels van de lastgeving blijft de lasthebber persoonlijk gehouden ten aanzien van derden voor de foutieve handelingen die hij jegens hen zou stellen, al kunnen zij de lastgever (van de vennootschap) aanspreken.

De aansprakelijkheid van een rechtspersoon voor een aquiliaanse fout van één van zijn organen sluit in de regel de persoonlijke aansprakelijkheid van die organen niet uit, aangezien die aansprakelijkheden naast elkaar blijven bestaan.

Bij wanuitvoering van een contractuele verbintenis die tevens een miskenning uitmaakt van de algemene verplichting van voorzichtigheid, die iedereen dient na te leven (artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek), kunnen de derden die schade hebben geleden door die miskenning van de algemene verplichting van voorzichtigheid, zich trouwens niet rechtstreeks beroepen op de wanuitvoering van de contractuele verbintenis.

(3) (Eiser) beweert dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld omdat hij geen orgaan is van Comptigest.
Uit de stukken van het rechtplegingsdossier van de (verweerders) blijkt afdoend dat (eiser) één van de feitelijke zaakvoerders van Comptigest is (ontvangst van het voorschot van twee miljoen op 25 februari 1994, ontmoeting met de eigenaar van het pand waar de buitenlandse vennootschappen gedomicilieerd waren, ondertekening van een deel van de facturen, gesprekken met de (eerste twee verweerders) tijdens de onderhandeling van de overeenkomsten, vertegenwoordiging van zijn dochter bij het deskundigenonderzoek).

Dat middel doet niet terzake. Het is des te minder gegrond, daar hij niet aansprakelijk wordt gesteld wegens wanuitvoering van een contractuele verbintenis maar wel, zoals hierboven is gezegd, wegens een quasi-delictuele fout.

(4) (De eisers) betogen ten onrechte dat, krachtens de regels van de samenloop van de contractuele en aquiliaanse aansprakelijkheid, (de verweerders) moeten aantonen hetgeen zij niet zouden doen dat er een andere fout en een andere schade bestaat dan alleen de wanuitvoering van een contractuele verbintenis en de daaruit voortvloeiende schade.

De vraag inzake de samenloop van de contractuele en de aquiliaanse aansprakelijkheid rijst alleen wanneer een partij, in het kader van de contractuele verhoudingen, de aquiliaanse aansprakelijkheid van zijn medecontractant aanvoert. Dat is te dezen niet het geval, aangezien niet de aansprakelijkheid van Comptigest maar de persoonlijke aansprakelijkheid (de eisers) in het gedrang is gebracht, op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek".

Grieven
Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Belgische en van het Luxemburgse Burgerlijk Wetboek, die identiek zijn, is eenieder aansprakelijk voor de schade welke hij door zijn daad, zijn nalatigheid of zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt.

Een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Luxemburgs recht treedt op door tussenkomst van zijn zaakvoerders, die de lasthebbers ervan zijn (artikelen 191 en 191bis van de Luxemburgse wet van 10 augustus 1915 ; vgl. artikelen 129 en 130 van de gecoördineerde Belgische wetten op de handelsvennootschappen).

De zaakvoerders van een Luxemburgse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zijn overeenkomstig het gemeen recht jegens de vennootschap verantwoordelijk voor de hun opgedragen taak en voor de tekortkomingen in hun bestuur. Zij zijn, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtredingen van de bepalingen van de wet op de handelsvennootschappen of van de statuten van de vennootschap.

Ten aanzien van de overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, worden zij van die aansprakelijkheid slechts ontheven indien hun geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd op de eerste algemene vergadering nadat zij er kennis van hebben gekregen (artikelen 59 en 192 van de Luxemburgse wet van 10 augustus 1915 ; cf. artikelen 62 en 132 van de gecoördineerde Belgische wetten op de handelsvennootschappen).

Wanneer een juridisch of feitelijk orgaan van een vennootschap (artikelen 59 en 192 van de Luxemburgse wet van 10 augustus 1915) of een lasthebber die in het kader van zijn lastgeving handelt, een fout, die geen overtreding is, begaat tijdens de besprekingen die tot het sluiten van een overeenkomst leiden, brengt die fout niet de aansprakelijkheid van de zaakvoerder of de lasthebber maar die van de vennootschap of van de lastgever in het gedrang (artikelen 59 en 192 van de voormelde Luxemburgse wet ; artikelen 1984, 1989, 1991 en 1992 van de Belgische en Luxemburgse Burgerlijke Wetboeken).

Het arrest, dat beslist dat de eisers persoonlijk aansprakelijk zijn voor een aquiliaanse fout die zij begaan hebben in hun hoedanigheid van juridisch of feitelijk orgaan van de vennootschap Comptigest, schendt het geheel van de voormelde bepalingen.

2. Tweede middel
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest bevestigt de door de eerste rechter bevolen deskundigenopdracht, te weten : "na de partijen en hun raadslieden te hebben opgeroepen, alle nuttige stukken en inlichtingen te hebben verkregen, en, zonodig, het advies van gespecialiseerde collega's te hebben gevraagd, (1) de mogelijke waarde van de portefeuille van de Luxemburgse vennootschap Comptigest bepalen op het ogenblik van haar overdracht aan de (derde verweerster) (14 en 25 januari 1994) ; (2) de schade van de kopers bepalen op grond van de waarde van de portefeuille zoals die vastgesteld wordt door de deskundige, en ze te ramen ; (3) bepalen of de kopers konden of hoorden te weten dat de portefeuille van de vennootschap betrekking had op onbestaande of op zijn minst haast onbestaande waarden ; (4) alle steekhoudende vragen van de partijen beantwoorden".

Het bestreden arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen :
"Met het aanwijzen van een accountant heeft de eerste rechter de bewijslast van een foutief gedrag (van de eisers), die op de (verweerders) rust, niet omgekeerd.
Het deskundigenonderzoek is immers een onderzoeksmaatregel die ertoe strekt de rechter in te lichten over de complexe technische aspecten van een pertinent feit, dat nuttig is voor de oplossing van het voor hem gebrachte geschil.
Het deskundigenonderzoek is te dezen bevolen overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
De technische gegevens die bij een deskundigenonderzoek worden onderzocht, moeten de rechter kunnen helpen bij zijn beoordeling van de omvang van zowel de mogelijke fout als van de gevolgen ervan.

Te dezen leken de fouten (van de eisers) - prima facie - niet kennelijk ongegrond, zodat de eerste rechter de bekritiseerde deskundigenopdracht terecht bevolen heeft.

De (verweerders) hebben voor het hof (van beroep) de fout aangetoond die zij (aan de eisers) verwijten.
Het blijkt noodzakelijk om het deskundigenonderzoek voort te zetten, aangezien het nuttig lijkt voor de oplossing van het geschil tussen de partijen.
Het middel dat afgeleid is uit een vermeende overdracht van de rechtsprekende bevoegdheid van de rechter aan de deskundige, is niet gegrond."

Grieven
De eisers voerden in hun samenvattende conclusie aan :
"Daarenboven zijn de gegevens waarvan de rechter het gerechtelijk deskundigenonderzoek vraagt, niet terzake dienend.
De bepaling van de mogelijke waarde van de portefeuille, het eerste punt van de opdracht waarmee het beroepen vonnis de gerechtsdeskundige belast, is niet terzake dienend.

De waarde van de portefeuille is door de partijen vastgelegd in een wettelijke overeenkomst.
Benadeling bestaat niet in roerende zaken.

Aangezien de partijen de prijs niet hebben laten bepalen door een derde of door een deskundige, vloeit de waarde van de portefeuille voort uit hun overeenkomst.
'La loi ne se soucie pas du préjudice minime, ou relativement minime (provenant presque toujours de faux calculs, d'espérances trompées, ou de l'impéritie d'un des contractants), qui est, dans un régime de libre concurrence, de l'essence même des affaires ou, dans certains cas, librement accepté par la partie qui le subit, dans le but d'atteindre un résultat déterminé' (De Page, t. I, n ° 67, p. 80). 'En vertu du principe de l'autonomie de la volonté, chacun fixe librement les conditions auxquelles il contracte. Il en est le seul juge et la sécurité, voire même la possibilité des affaires, en dépendent. Cela est d'autant plus nécessaire que la loi est incapable de fixer le juste prix des choses' (De Page, ibidem) ;

De opdracht waarbij de deskundige belast wordt met het bepalen van de mogelijke waarde van de portefeuille van de vennootschap, is bijgevolg onwettig en miskent de overeenkomst van de partijen (en is in elk geval niet terzake dienend), aangezien de contracterende partijen, die de grondregel van de wilsautonomie toepassen, het bij overeenkomst over die waarde eens worden.

De opdracht waarbij de deskundige belast wordt met het bepalen, op grond van de waarde van de portefeuille, van de schade van de kopers en de raming ervan, is eveneens onwettig en niet terzake dienend, aangezien volgens de middelen van de (verweerders) zelf erop de schade beoordeeld moet worden in het kader van een contractuele verhouding (de schade die de kopers geleden hebben door de verkoop, die zij echter vrij onderhandeld hebben), terwijl de (verweerders) kritiek uitoefenden op de algemene verplichting tot zorgvuldigheid die voor iedereen geldt, en die, zoals hiervoor is gezegd en overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, alleen aan de oorsprong kan liggen van een vergoedbare schade als het een andere schade betreft dan die ten gevolge van de wanuitvoering van de overeenkomst.

Wat bijgevolg punt (2) betreft, en los van wat hierboven is herhaald, moet de opdracht van de deskundige op zijn minst in die zin worden aangevuld dat deze ook belast wordt met het bepalen en ramen van de schade van de kopers die niet voortvloeit uit de wanuitvoering van de overeenkomst".
Het bestreden arrest antwoordt niet op de middelen waarin de eisers betoogden dat het deskundigenonderzoek de overgedragen activiteit geen andere waarde kon geven dan die welke de partijen overeengekomen waren, en waarin zij betoogden dat de omschrijving van de deskundigenopdracht mogelijk pas was aangepast na de bepaling van een mogelijke contractuele schade, terwijl de vordering gegrond is op de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden arrest is dus niet regelmatig met redenen omkleed.

3. Derde middel
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest bevestigt de beslissing van de eerste rechter om de vennootschap Comptigest International te verzoeken zijn volledige boekhouding voor te leggen.
Het bestreden arrest grondt die beslissing op de volgende redenen :
"Door de b.v.b.a. Comptigest te verzoeken zijn volledige boekhouding aan de deskundige te overhandigen, heeft de eerste rechter de artikelen 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek nageleefd. De toepassing van de artikelen 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek houdt geen verband met de rechtsvordering van de eisers, zodat de (verweerders) niet kan worden verweten de b.v.b.a. Comptigest niet in het geding te hebben gebracht en aldus af te zien van het aanvoeren van artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek. De artikelen 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek bevatten autonome bewijskrachtige regels.
De eerste rechter heeft terecht verwezen naar artikel 22 van het Wetboek van Koophandel om de overhandiging van de volledige boekhouding van Comptigest aan de deskundige te verantwoorden.

De deskundige heeft in zijn voorafgaande opmerkingen geklaagd dat hij (van eiser) niet de noodzakelijke boekhoudkundige stukken en inlichtingen heeft verkregen om zijn opdracht af te ronden.

(De eisers) geven een overdreven draagwijdte aan artikel 22 van het Wetboek van Koophandel. Die wetsbepaling vermeldt immers niet dat de koopman die de rechter beveelt zijn volledige boekhouding over te leggen, partij moet zijn in het geschil. De tekst preciseert in fine weliswaar dat de openlegging ertoe strekt 'daaruit te nemen hetgeen het geschil betreft'. Dat gegeven, dat niets te maken heeft met de noodzaak partij in het geding te zijn, beperkt alleen het gebruik dat van de overgelegde boekhouding mag worden gemaakt en bijgevolg het voorwerp van het onderzoek en van het werk van de deskundige".

Grieven
 De eisers voerden in hun appelconclusie tegen het vonnis van 18 april 1997 aan dat :
"Het vonnis dat de openlegging van de koopmansboeken vordert om bewijs te leveren tegen een niet-koopman, schendt artikel 1329 van het Burgerlijk Wetboek (noch (de tweede eiseres), noch (eiser) zijn kooplieden)".
Het bestreden arrest antwoordt niet op dat middel en is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en schendt derhalve artikel 149 van de Grondwet.

IV. Beslissing van het Hof

Over het eerste middel :
Overwegende dat het arrest beslist dat de aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de eisers in het gedrang is gebracht wegens de fout die zij, als orgaan van de vennootschap naar Luxemburgs recht Comptigest, begaan hebben bij de onderhandeling van de overdracht, door die vennootschap, van een activiteit aan de verweerders ;

Overwegende dat, enerzijds, uit geen enkele overweging blijkt dat het arrest de bepalingen van de Luxemburgse wet, die volgens het middel geschonden zijn, zou toepassen ;

Dat, anderzijds, het arrest niet vaststelt dat de eisers gehandeld zouden hebben in een andere hoedanigheid dan die van orgaan van de vennootschap Comptigest ;

Dat het middel, in zoverre het de schending aanvoert van de daarin vermelde bepalingen van de Luxemburgse wet en in zoverre het betoogt dat de eisers "op zijn minst" zouden hebben gehandeld als lasthebbers van die vennootschap, feitelijke grondslag mist ;

Overwegende, voor het overige, dat de fout die een orgaan van een vennootschap begaat bij de besprekingen die tot een overeenkomst hebben geleid, de aansprakelijkheid van die rechtspersoon weliswaar rechtstreeks in het gedrang brengt, maar dat die aansprakelijkheid, in de regel, de persoonlijke aansprakelijkheid van dat orgaan niet uitsluit maar met laatstgenoemde aansprakelijkheid samen bestaat ;

Dat, in zoverre, het middel, dat het tegendeel voorhoudt, faalt naar recht ;

Over het tweede middel :

Overwegende dat het arrest vermeldt dat de vennootschap van de verweerders "had ingezien dat het cliënteel niet overeenstemde met eisers beschrijving" en dat "de technische gegevens die bij een deskundigenonderzoek worden onderzocht, de rechter moeten kunnen helpen bij zijn beoordeling, (zowel) van de mogelijke fout (als) van de gevolgen ervan";

Dat het arrest aldus antwoordt op de conclusie waarin de eisers in substantie betoogden dat de waarde van de portefeuille in onderlinge overeenstemming was vastgelegd, zodat het onwettig was een deskundigenopdracht te bevelen die ertoe strekte zowel die waarde te bepalen als de schade van de verweerders die niet voortvloeide uit de wanuitvoering van de overeenkomst ;

Dat het middel niet kan worden aangenomen ;

Over het derde middel :
Overwegende dat het arrest geen uitspraak doet over de bewijswaarde van de boekhoudingsstukken waarvan de overlegging door de eerste rechter was bevolen ;
Dat hij bijgevolg niet hoefde te antwoorden op de conclusie waarin de eisers aanvoerden dat de handelsboeken krachtens artikel 1329 van het Burgerlijk Wetboek geen bewijs tegen hen konden opleveren ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel

Noot: 

 

• M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 121 e.v., nrs. 137 e.v.).

• H. De Wulf en S. De Geyter, “Aansprakelijkheid van rechtspersonen en hun vertegenwoordigers” in XXXIIIste P.U.C. Willy Delva 2006-2007, Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 171 e.v., nrs. 87 e.v.;

• M. Wauters, “Nieuwe ontwikkelingen inzake aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders” in Themis-cahier vennootschapsrecht 2007-2008, Brugge, die Keure, 2008, p. 55, nr. 4

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 22/12/2015 - 18:44
Laatst aangepast op: di, 22/12/2015 - 18:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.