-A +A

Aansprakelijkheid curator na sluiting faillissement

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/10/2015

De Buitencontractuele aansprakelijkheid curator na sluiting faillissement

Kan de curator na de sluiting van een persoonlijk faillissement, aangesproken worden op basis van artikel 1382 BW.

De curator als goede huisvader tot einde faillissement

De curator is ertoe gehouden is op strafe van persoonlijke aansprakelijkheid alle handelingen te verrichten tot bewaring van de rechten van de gefailleerde tegen zijn schuldenaars.

Gefailleerde en de schuldeisers in de boedel kunnen tijdens het faillissement op geëigende momenten hun verzuchtingen en rechten ten aanzien van het optreden van de curator laten gelden.

Artikel 79 Faill.W. 1997 bepaalt dat, wanneer de verefening van het faillissement beëindigd is, de gefailleerde en de schuldeisers bijeengeroepen worden door de curator, op bevel van de rechter-commissaris.

Het totaal bedrag van het actief wordt vermeld en op de vergadering wordt de rekening besproken, waarna dan in het raam van de sluitingsvergadering de gefailleerde of zijn schuldeisers de rekeningen kunnen betwisten en de curator aansprakelijk houden.

Artikel 80 lid 4 Faill.W. bepaalt dat de sluiting van het faillissement een einde maakt aan de opdracht van de curators, behalve wat de uitvoering van de sluiting betreft.

Het vonnis van sluiting verleent aan de curator een volledige en algemene kwijting voor zijn beheer en dit ten opzichte van de gefailleerde en de schuldeisers.

Aansprakelijkheidsvordering tegen de curator door de gefailleerde of de tot de sluitingsvergadering opgeroepen schuldeisers kan enkel worden ingesteld vóór het sluiten van het faillissement.

Daarna kan geen enkele vordering meer worden ingesteld ten aanzien van de curator, met uitzondering evenwel voor handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van de sluiting.
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016
Pagina: 
550
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest

Antwerpen 19 oktober 2015, NjW 2016, 550.

J.D.B., [...] appellant, [...] tegen

1. Mr. V.B., advocaat, [...] qq. curator van het faillissement van de heer J.D.B., geïntimeerde, [...]

2. Mr. V.R.-M., [...], qq. boedelnotaris betrefende de nalatenschap van wijlen K.D.B. geïntimeerde, [...]

I. DE FEITEN – VOORWERP VAN DE VORDERING – VOORGAANDEN

De in beide zaken ter beoordeling voorliggende betwisting betreft de aansprakelijkheid van eerste geïntimeerde als gewezen curator van het persoonlijk faillissement van appellant en tweede geïntimeerde als gewezen boedelnotaris inzake de nalatenschap van wijlen de vader van appellant voor de, volgens deze laatste, door elk van hen in die functie begane fouten en/of nalatigheden en de schade welke hij stelt daardoor te hebben geleden.

Het voorwerp van de aldus door appellant in beide zaken ten laste van geïntimeerden gestelde vorderingen werd voldoende weergegeven in de bestreden vonnissen, die daarin werden gewezen, zodat het hof daarvoor daarnaar verwijst. Bij de bestreden vonnissen werden de daarin door appellant gestelde vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard en appellant veroordeeld tot de kosten.

De eerste rechter heet in elk van deze zaken vastgesteld dat appellant geen enkel stuk voorbracht en hij bijgevolg zijn beweringen op geen enkele wijze bewees of zelfs maar aannemelijk maakte en heet dan besloten tot de afwijzing van de daarin gestelde vorderingen bij gebrek aan bewijs. I

I. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

Appellant vorderde initieel om geïntimeerden solidair, in solidum, minstens de ene bij gebrek aan de andere te veroordelen tot betaling aan hem: – in de zaak 2012/AR/3355: van een bedrag van 40.767,97 EUR, te vermeerderen met de intresten a rato van 10.341,29 EUR of een totaal van 51.118,26 EUR, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding, hetzij 4 oktober 2011

– in de zaak 2012/AR/3356: van een bedrag van 37.184,03 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding, hetzij 4 oktober 2011.

Hij vordert daarin ook telkens de veroordeling van geïntimeerden tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

Ter zitting van dit hof d.d. 7 september 2015 werd de aldus in beide zaken gevorderde schadevergoeding herleid tot 1,00 EUR provisioneel.

Eerste geïntimeerde besluit in beide zaken tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep van appellant en vordert dan, bij middel van incidenteel beroep, om de vordering van appellant in beide samengevoegde zaken onontvankelijk te verklaren. Hij beoogt verder ook op zijn beurt de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding, zoals verder door hem in zijnen hoofde begroot in beide aanleggen.

III. BEOORDELING [...]

Ten gronde Het incidenteel beroep van eerste geïntimeerde Eerste geïntimeerde stelt dat de in beide zaken te zijnen laste gestelde vordering van appellant als onontvankelijk dient te worden afgewezen.

Hij doet daartoe in hoofdorde gelden dat hem bij het vonnis van sluiting van het faillissement volledige en algemene kwijting heet gegeven en de gefaalde of schuldeisers daarna ten aanzien van de curator geen vordering wegens buitencontractuele aansprakelijkheid meer kunnen stellen.

Ondergeschikt beroept eerste geïntimeerde zich daarvoor op rechtsverwerking en tenslotte op de vijfjarige verjaringstermijn van art. 2262bis § 1, al. 2 B.W.

Het hof stelt vast dat de aan eerste geïntimeerde verleende kwijting en de daaropvolgend door hem voorgehouden rechtsverwerking in hoofde van appellant geen middel van onontvankelijkheid opleveren, doch deze de gegrondheid van de vordering van appellant betrefen.

De door eerste geïntimeerde in meer ondergeschikte orde ingeroepen verjaring is daarentegen een middel van onontvankelijkheid dat in elke stand van het geding en dus zelfs voor het eerst in hoger beroep kan worden aangevoerd.

Ten aanzien van de curator kan een buitencontractuele aansprakelijkheid worden aangevoerd, nu deze zijn opdracht haalt uit de faillissementswet en zijn benoeming door de rechtbank. Daar waar de curator dus niet te beschouwen is als een contractuele wederpartij van de gefailleerde, zijn de gemeenrechtelijke verjaringsregels toepasselijk.

Ter zake de door eerste geïntimeerde op grond van art. 2262bis, § 1, tweede lid, B.W. ingeroepen vijfjarige verjaringstermijn dient te worden vastgesteld dat als uitgangspunt daarvan het tijdstip geldt waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heet van alle gegevens die nodig zijn om een aansprakelijkheidsvordering te kunnen instellen.

De benadeelde dient hiertoe daadwerkelijk kennis te hebben van de schade en de identiteit van de persoon die daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld, wat inhoudt dat hij in staat is een causaal verband te leggen tussen het schadeverwekkend feit en de schade.

Het is hierbij niet vereist dat de benadeelde kennis heet van een zeker en vaststaand oorzakelijk verband. Het doel van de wetgever was immers om de verjaringstermijn pas te doen lopen vanaf het moment dat de titularis van het vorderingsrecht over alle elementen beschikte voor het instellen van zijn vordering.

De feitenrechter beoordeelt deze kennisvoorwaarden namelijk kennis van de schade en identiteit van aansprakelijke persoon.
Blijkens het daarvan in de bundel van appellant onder stuk 12 voorliggend vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen d.d. 28 oktober 2010 werd beklaagde

L.V.D.E. vrijgesproken voor de haar ten laste gelegde feiten van meineed op 7 oktober 2008 en verklaarde de rechtbank zich derhalve onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van appellant en M.D.B., die zich daarin burgerlijke partij hadden gesteld, waarop appellant dan op 4 oktober 2011 overging tot dagvaarding van geïntimeerden.

Gezien algemeen aanvaard wordt dat een normaal zorgvuldig persoon eerst bewijsmateriaal wil verzamelen en advies inwinnen om zeker te zijn dat de schade is toe te schrijven aan een bepaald schadegeval en aan een bepaalde persoon, vermag in deze dan ook te worden vastgesteld dat de vordering in beide zaken tijdig ingesteld werd. Het incidenteel beroep van eerste geïntimeerde is aldus ongegrond en de bij het bestreden vonnis gewezen beslissingen inzake de ontvankelijkheid van de door appellante gestelde vorderingen dienvolgens te bevestigen. [...]

De vordering van appellant ten aanzien van eerste geïntimeerde Zoals hiervoor reeds uiteengezet met betrekking tot de daartoe door hem ingeroepen middelen van onontvankelijkheid, welke evenwel de gegrondheid van de vordering van appellant betreffen, stelt eerste geïntimeerde dat hij als curator kwijting kreeg bij afsluiten van het faillissement bij vonnis van de rechtbank van koophandel op 4 januari 2007 en er dienvolgens te zijnen opzichte geen vordering meer kan worden gesteld.

Appellant kan niet worden gevolgd, waar hij daartegen doet gelden dat de sluiting van het faillissement geen invloed heet op de buitencontractuele aansprakelijkheid van de curator.

De Faillissementswet verwijst op twee plaatsen naar de aansprakelijkheid van de curator. In de eerste plaats bepaalt artikel 40, lid 2 Faill.W. dat de curator het faillissement beheert als een goed huisvader onder toezicht van de rechtercommissaris en wordt dan vervolgens in artikel 57, lid 1 Faill.W. gesteld dat de curator ertoe gehouden is op strafe van persoonlijke aansprakelijkheid alle handelingen te verrichten tot bewaring van de rechten van de gefailleerde tegen zijn schuldenaars.

Zoals hiervoor gesteld, haalt de curator zijn opdracht uit de faillissementswet en zijn benoeming door de rechtbank en is hij niet te beschouwen als een contractuele wederpartij van de gefailleerde, van de schuldeisers van de gefailleerde of van de Belgische Staat. Aan de curator wordt alleen het beheer over de goederen van de gefailleerde toevertrouwd, zodat deze laatste alle belang heet bij een goede realisatie van het actief of een correcte veriicatie en betwisting van het passief.

De gefailleerde en de schuldeisers in de boedel kunnen tijdens het faillissement op geëigende momenten hun verzuchtingen en rechten ten aanzien van het optreden van de curator laten gelden en kunnen zich daarvoor ook desgevallend wenden tot de rechter-commissaris, nu deze, conform artikel 35 Faill.W., actief toezicht houdt op de curator en de aldus op hem rustende algemene toezichtsplicht inhoudt dat hij er, in het belang van de gefailleerde en de schuldeisers, op toeziet dat de curator de wettelijke verplichtingen naleet die in het bijzonder het goede beheer en de correcte verefening van het faillissement moeten waarborgen.

Het hof verwijst verder ook naar o.m. art. 68, 69, 75 en 76 en in het bijzonder art. 79 Faill.W. 1997, waarin expliciet vermeld wordt dat, wanneer de vereffening van het faillissement beëindigd is, de gefailleerde en de schuldeisers bijeengeroepen worden door de curator, op bevel van de rechter-commissaris. Het totaal bedrag van het actief wordt vermeld en op de vergadering wordt de rekening besproken, waarna dan in het raam van de afsluitingsvergadering de gefailleerde of diens schuldeisers de rekeningen kunnen betwisten en de curator aansprakelijk houden, wat appellant in deze blijkbaar evenwel niet heet gedaan of, om de hem eigen zijnde redenen, heet gemeend niet te moeten doen. Het vonnis van sluiting verleent aan de curator een volledige en algemene kwijting voor zijn beheer en dit ten opzichte van de gefailleerde en de schuldeisers.

Bij het in het bundel van appellant onder stuk 7 voorliggend vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen d.d. 18 december 2006 werd het faillissement van appellant gesloten verklaard. Daar waar art. 80, lid 4 Faill.W. bepaalt dat de sluiting van het faillissement een einde maakt aan de opdracht van de curators, behalve wat de uitvoering van de sluiting betreft, en ze een algemene kwijting inhoudt, dient te worden vastgesteld dat een eventuele aansprakelijkheidsvordering tegen de curator door de gefailleerde of de tot de sluitingsvergadering opgeroepen schuldeisers uitsluitend kan worden ingesteld voor het sluiten van het faillissement en daarna dus geen enkele vordering meer ten aanzien van de curator kan worden ingesteld, met uitzondering evenwel voor handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van de sluiting, wat in deze niet het geval is.

De door appellant in beide voormelde zaken ten laste van eerste geïntimeerde gestelde vorderingen dienen dan ook wederom als ongegrond te worden afgewezen en de aldus bij de bestreden vonnissen gewezen beslissingen te worden bevestigd, zij het om andere redenen. [...] V. BESLISSING [...] Geeft aan appellant akte van zijn eisherleiding.

Verklaart het hoger beroep van appellant en het incidenteel beroep van eerste geïntimeerde in beide voormelde zaken ontvankelijk en, binnen de perken ervan, erop recht doende ten gronde: Bevestigt de bestreden vonnissen. [...]
 

Noot: 

J. Waelkens, Vordering tegen curator na sluiting faillissement; NJW 2016, 552

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 06/11/2016 - 17:35
Laatst aangepast op: zo, 06/11/2016 - 17:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.