-A +A

Aansprakelijkheid gerechtsdeurwaarder laattijdige betekening door fout correspondent

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 05/03/2014
A.R.: 
F.12.0006.N

Een lastgever kan rechtstreeks de lasthebber van diens eigen lasthebber kan aanspreken indien deze een fout zou hebben begaan ingevolge de onderlastgeving (art. 1994 BW). Deze rechtstreekse vordering geldt oneacht of de lastgever al dan niet heeft toegestemd met de vervanging of de indeplaatsstelling van de initiële lasthebber. Er wordt in het Belgische recht aangenomen dat de toestemming van de lastgever wel bepaalt of de lastgever naast het rechtstreekse vorderingsrecht tegen de onderlasthebber, ook nog de initiële lasthebber kan aanspreken. Uit art. 1994, eerste lid BW volgt dat de lasthebber aansprakelijk is voor hem die hij bij de uitvoering van zijn opdracht in zijn plaats heeft gesteld, indien hij geen toelating heeft verkregen om iemand in zijn plaats te stellen. Wanneer de lasthebber daarentegen wel toelating had om iemand anders aan te stellen, zal hij slechts kunnen worden aangesproken wanneer de opdrachtgever geen bepaalde persoon heeft aangewezen en degene die de lasthebber heeft gekozen, blijkbaar onbevoegd of onvermogend was.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
864
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

T.-V. t/ NV W.

...

VI. De feiten

Partij T.-V. heeft een overheidsopdracht gegund aan NV W. voor de bouw van het jeugdvakantiehuis “P.V.” te M. NV W. moest instaan voor de ruwbouw. Het inschrijvingsbedrag bedroeg 2.421.272,21 euro, exclusief btw.

Op 21 september 2006 werd overgegaan tot de voorlopige oplevering van de werken. (...).

De definitieve oplevering vond plaats op 18 december 2007.

Het wordt niet betwist dat een aantal facturen niet tijdig werden betaald.

Om die reden zou NV W. een interestafrekening hebben toegezonden aan T.-V. Dit zou een bedrag van 12.384,32 euro betreffen.

Op 22 oktober 2009 liet T.-V. per brief weten dat zij geen interesten verschuldigd was en zij verwees hiervoor naar het akkoord dat tussen partijen zou zijn gesloten op het ogenblik van de voorlopige oplevering en naar het feit dat dit akkoord gold voor “eind van alle rekeningen”.

Zowel op 27 als op 28 oktober 2009 heeft NV W. per aangetekende brief laten weten niet akkoord te kunnen gaan met de visie van T.-V. (...).

Hierop zou geen reactie meer gekomen zijn.

Op 16 december 2009 heeft NV W. haar gerechtsdeurwaarder, tweede geïntimeerde B., opdracht gegeven om over te gaan tot dagvaarding uiterlijk op 18 december 2009. In dit faxbericht schrijft de raadsman van NV W.: “Rekening houdend met aspecten van verjaring is 18 december de laatst nuttige datum voor betekening”.

Dezelfde dag, zijnde 16 december 2009, stuurt tweede geïntimeerde B. een fax naar derde geïntimeerde, gerechtsdeurwaarder M., met het uitdrukkelijke verzoek de nodige betekening te verrichten. Bovenaan dit bericht (onder de datum) wordt in hoofdletters, onderlijnd en in het vet aangegeven: “Zeer dringend: laatste dag 18 december 2009”.

De betekening van het exploot van dagvaarding uitgaande van NV W. aan T.-V. door gerechtsdeurwaarder M. gebeurt op 23 december 2009.

Deze zaak werd ingeleid op 4 januari 2010 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. De vordering bedroeg een bedrag van 12.384,32 euro uit hoofde van verwijlinteresten wegens laattijdige betaling van facturen conform artikel 15 van de Bijlage van het KB van 26 september 1996 (Algemene Aannemingsvoorwaarden).

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 15 januari 2010 werd T.-V. bij verstek veroordeeld.

Tegen dit verstekvonnis heeft T.-V. op 4 februari 2010 verzet aangetekend. In hoofdorde liet deze laatste gelden dat de vordering van NV W. zou verjaard zijn.

Op 5 februari 2010 verstuurt de raadsman van NV W. een fax naar tweede geïntimeerde B. met volgende inhoud: “De vordering is inderdaad verjaard waardoor mijn cliënte een vordering van 12.384,32 euro, vermeerderd met de interesten en kosten ziet verloren gaan en nog zal moeten instaan voor een kost van de tegenpartij.

“Kunt U dit dossier aangeven bij uw verzekering of wat stelt u voor? Wat zou er gebeurd zijn bij de plaatselijke gerechtsdeurwaarder? (...)”.

Per brief van 5 februari 2010 laat partij B. weten dat zij alleszins partij M. opdracht had gegeven om uiterlijk op 18 december 2009 te betekenen.

Partij B. wordt door NV W. in gedwongen tussenkomst geroepen bij gerechtsdeurwaardersexploot van 7 juli 2010.

Partij M. komt vrijwillig tussen in dit geschil bij verzoekschrift van 6 oktober 2010.

VII. Beoordeling

A. De problematiek van de verjaring

...

18. Uit het bovenstaande blijkt dat de vordering van NV W. als vervallen moet worden beschouwd. NV W. kan bijgevolg dan ook niets meer vorderen van T.-V.

...

B. Incidenteel beroep van NV W. tegen partijen B. en M.

1o De vordering van NV W. tegen partij B.

19. Aangezien uit het bovenstaande blijkt dat NV W. te laat heeft gedagvaard, stelt deze laatste een aansprakelijkheidsvordering in tegen partijen B. en M.

Uit het bovenstaande feitenrelaas blijkt dat NV W. voor de betekening van de bewuste dagvaarding een beroep heeft gedaan op gerechtsdeurwaarder B. met de uitdrukkelijke aanwijzing dat 18 december 2009 de laatste dag was. Partij B. heeft daarop onmiddellijk dit verzoek doorgestuurd naar haar collega M. met dezelfde uitdrukkelijke aanwijzing dat de dagvaarding uiterlijk op 18 december 2009 moest worden betekend. Uiteindelijk is de dagvaarding betekend op 23 december 2009.

Het is duidelijk dat, ondanks de uitdrukkelijke aanwijzing en opdracht van NV W., de dagvaarding te laat werd betekend.

20. Partij B. is van oordeel dat zij geen fout heeft begaan omdat zij tijdig en volledig conform de richtlijnen van NV W. het project van dagvaarding heeft doorgestuurd naar haar collega M. Aangezien NV W. op grond van art. 1994 BW over een rechtstreekse vordering tegen partij M. zou beschikken, zou het dan ook ten onrechte zijn dat B. in deze zaak betrokken is geworden.

21. Deze stelling moet worden bijgevallen. Met betrekking tot de toepassing van de rechtstreekse vordering zoals geregeld in art. 1994, tweede lid BW, blijkt dat de lastgever door deze vordering inderdaad rechtstreeks de lasthebber van diens eigen lasthebber kan aanspreken indien deze een fout zou hebben begaan. Deze rechtstreekse vordering geldt oneacht of de lastgever al dan niet heeft toegestemd met de vervanging of de indeplaatsstelling van de initiële lasthebber. Er wordt in het Belgische recht aangenomen dat de toestemming van de lastgever wel bepaalt of de lastgever (NV W.) naast het rechtstreekse vorderingsrecht tegen de onderlasthebber (M.) ook nog de initiële lasthebber (B.) kan aanspreken. Uit art. 1994, eerste lid BW volgt dat de lasthebber aansprakelijk is voor hem die hij bij de uitvoering van zijn opdracht in zijn plaats heeft gesteld, indien hij geen toelating heeft verkregen om iemand in zijn plaats te stellen. Wanneer de lasthebber daarentegen wel toelating had om iemand anders aan te stellen, zal hij slechts kunnen worden aangesproken wanneer de opdrachtgever geen bepaalde persoon heeft aangewezen en degene die de lasthebber heeft gekozen, blijkbaar onbevoegd of onvermogend was (M. Debucquoy, “De rechtstreekse vordering” in Artikelsgewijze commentaar Bijzondere Overeenkomsten, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 18, nr. 23 e.v.).

In dit geval heeft NV W. via haar advocaat aan B. opdracht gegeven om een dagvaarding tijdig te laten betekenen aan T.-V. Er is tussen NV W. en B. bijgevolg een resultaatsverbintenis tot stand gekomen. Op zich wordt dit alles niet betwist. De verhouding tussen NV W. en B. wordt gekwalificeerd als een lastgeving (I. Claeys, “Over vertegenwoordiging in de relatie cliënt-advocaat-gerechtsdeurwaarder” (noot onder Antwerpen 16 februari 1998), RW 1998-99, p. 95, nr. 6; J. Joos, “Over gerechtsdeurwaardersfouten en het recht op toegang tot de rechter”, P&B 2003, p. 21, nr. 5).

Aangezien partij B. als gerechtsdeurwaarder territoriaal niet bevoegd was om zelf in te staan voor de betekening, heeft zij een beroep gedaan op gerechtsdeurwaarder M. als plaatsvervanger. Deze plaatsvervanging is gebeurd tussen twee gerechtsdeurwaarders en moet bijgevolg worden beschouwd als een onderlastgeving waarop art. 1994 BW van toepassing is.

Aangezien de opdracht van NV W. via haar advocaat is verlopen, kon zij niet onwetend zijn dat partij B. voor deze betekening een beroep moest doen op een andere gerechtsdeurwaarder. Impliciet moet er bijgevolg van uitgegaan worden dat NV W. toestemming heeft verleend aan B. om iemand anders aan te stellen. In dat geval heeft NV W. een rechtstreekse vordering op onderlasthebber M. en niet meer op B., tenzij deze laatste geopteerd zou hebben voor iemand die niet uitdrukkelijk door NV W. werd aangewezen en die onbevoegd of onvermogend zou geweest zijn om deze taak uit te voeren. B. heeft een beroep gedaan op gerechtsdeurwaarder M. en uit geen enkel gegeven blijkt dat deze laatste onbevoegd of onvermogend zou zijn geweest.

Het is dan ook terecht dat B. zich beroept op art. 1994 BW.

De vordering van NV W. tegen partij B. is bijgevolg ongegrond.

Noot: 

Bas Feys en Bart De Meyer, De (onder)lastgeving tussen opdrachtgever en territoriaal bevoegde gerechtsdeurwaarder, RW 2014-2015, 864:

I. Lastgeving en onderlastgeving bij gerechtsdeurwaarders
• Cass. 7 december 1995, RW 1996-97, 778, noot P. Depuydt; • Antwerpen 16 februari 1998, RW 1998-99, 92, noot I. Claeys,
• P. Depuydt, De aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder, Brussel, Groep De Boeck, 2009, 9-10;
• Cass. 25 maart 2004, RW 2004-05, 856, noot I. Claeys, TBBR 2004, 430, noot S. Mosselmans;
• art. 1393 Ger.W.
• P. Wéry, “L’huissier de justice et la substitution de mandataire”, TBBR 1998, 313).
• art. 509, § 1 nieuw Ger.W.
• art. 519, § 1, 1° Ger.W.)
• Richtlijn (NK) C97/034 – D 105 van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, Brussel 24 maart 1997, met citaat G. De Leval: “Il s’agit d’appliquer l’article 1994 du Code Civil qui régit la situation de l’huissier territorialement incompétent choisissant un autre huissier territorialement compétent”).

II. Instemming met de onderlastgeving
• culpa in eligendo – (art. 1994, eerste lid, 2° BW)
• P. Wéry, Le mandat, Brussel, Larcier, 2000, 101
• H. De Page en R. Dekkers, Traité élémentaire de droit civil belge, V, Brussel, Bruylant, 415 e.v
• R. Gillis, “Plaatsvervanging bij lastgeving deel 2”, NjW 2012, 193

• III. Impliciete instemming en noodzakelijkheid
• B. Tilleman, Lastgeving in APR, Antwerpen, Kluwer, 1997, 150 e.v
• Cass. 21 december 2012, RW 2013-14, 1577, noot M. de Potter de ten Broeck

IV. Conclusie
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/02/2015 - 16:26
Laatst aangepast op: zo, 01/02/2015 - 16:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.