-A +A

Aansprakelijkheid gynecoloog - zwangerschap ondanks sterilisatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 17/01/1996

In de huidige stand van de wetenschap zou een zwangerschap nog steeds mogelijk zijn na een sterilisatieingreep (volgens het Hof van Beroep te Antwerpen). De geneesheer kan derhalve slechts worden aangesproken worden wanneer hij in zijn zorgvuldigheidsplicht bij de uitvoering van een te dezen als een inspanningsverbintenis aanziene verbintenis, is te kort geschoten, fout die te dezen niet bewezen werd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
325
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B. t/ D.

Overwegende dat ingevolge het nieuwe door het Hof gedane onderzoek van de zaak dient vastgesteld te worden dat, naar het advies van de gerechtsdeskundigen aangesteld bij beschikking van 10 november 1988 van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, de bij appellante op 22 januari 1988 toegepaste laparoscopische sterilisatie correct werd uitgevoerd, hetgeen betekent: «cum lege artis»;

Overwegende dat appellante dat technisch advies niet overtuigend weerlegt, en zulk des te minder nu dat haar eigen adviserende gynaecoloog niets dienend inbrengt tegen dat medisch gefundeerd gerechtelijk advies;

Overwegende dat appellante dan ook tevergeefs blijft beweren dat het bewezen is dat geïntimeerde een contractuele tekortkoming en/of een fout in de zin van art. 1382 B.W. heeft begaan bij de op haar op 22 januari 1988 uitgevoerde laparoscopische sterilisatie;

Overwegende dat de enkele omstandigheid dat appellante zwanger werd en op 20 november 1988 een gezond meisje ter wereld bracht, niet aantoont, noch laat afleiden dat de door geïntimeerde uitgevoerde laparoscopische sterilisatie foutief werd uitgevoerd dan wel behept was met contractuele tekortkomingen;

Overwegende dat immers de in deze bestaande relatie gynaecoloog-patiënt tot stand gekomen verbintenis geen resultaatsverbintenis is, doch een loutere middelenverbintenis, hetgeen m.a.w. betekent dat geïntimeerde, naar de stand van de medische wetenschap op de datum van de ingreep, enkel de verbintenis aanging haar beste krachten en medische kennis aan te wenden om de beoogde en de door de patiënte gewenste sterilisatie te verwezenlijken, zonder dat door de behandelende arts de patiënt medisch voor 100 % gewaarborgd werd dat zij hoegenaamd niet meer zwanger kan of zou worden; Overwegende dat immers, naar de huidige medische kennis, een correct uitgevoerde laparoscopische sterilisatie geen 100 % zekerheid geeft dat er zich geen zwangerschap meer zou voordoen, al is deze methode, zo niet de meest zekere, dan toch — naar de medische statistieken in 988 pro mille van de gevallen — medisch de meest doeltreffende;

Overwegende dat, waar appellante als een fout in de zin van art. 1382 B.W. dan wel als een contractuele tekortkoming, die geïntimeerde zou hebben begaan, aanvoert dat geïntimeerde haar niet naar behoren voorlichting heeft verstrekt voorafgaande aan de ingreep die tot haar sterilisatie had moeten leiden en haar meer bepaald niet dan wel onvoldoende op een resterend zwangerschapsrisico na de ingreep heeft gewezen, zij van de niet bewezen hypothese uitgaat dat haar zwangerschap, nl. de eicelbevruchting, ontstond na de uitgevoerde laparoscopische sterilisatie, terwijl deze hypothese niet vaststaat en de medische hypothese niet kan worden uitgesloten dat uitzonderlijk de bevruchting vóór de laparoscopische sterilisatie plaatsvond en dat de patiënt, zoals zij het beweert, na de ingreep nog een bloeding heeft gehad;

Overwegende dat dienaangaande volstaan kan worden met te verwijzen naar het advies van de aangestelde gerechtelijke deskundigen waar zij stellen dat er in dezen geen duidelijke medische verklaring bestaat hoe het komt dat, na een correct uitgevoerde laparoscopische sterilisatie, zoals te dezen werd uitgevoerd, zich dan toch een zwangerschap bij de patiënte heeft voorgedaan; dat de gerechtsdeskundigen in verband met het ontstaan van de ongewenste zwangerschap bij appellante allerlei hypothesen vooropstellen, die een eicelbevruchting mogelijk hebben gemaakt, zonder dat met de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid besloten kan worden dat de ene of de andere hypothese zich in de realiteit heeft voorgedaan;

Overwegende dat de door de gerechtsdeskundigen aangehaalde en als hypothetisch genoemde oorzaken van de ongewenste zwangerschap bij appellante: 1) de mogelijke en uitzonderlijke bevruchting juist vóór de laparoscopische sterilisatie, 2) de fistelvorming langs waar de zwangerschap kon ontstaan, en 3) de mogelijke, doch niet aangetoonde onvoldoende occlusie bij de toegepaste laparoscopische sterilisatie, die nadien volledig werd, niet aantonen, noch toestaan af te leiden dat een betere voorlichting van appellante in het onderhavige geval haar ongewenste zwangerschap met de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had kunnen voorkomen;

Overwegende dat immers, in de hypothese — zoals door appellante ingeroepen — dat haar geen dan wel onvoldoende voorlichting werd gegeven vóór de ingreep nopens een mogelijk resterend zwangerschapsrisico ook nà een correct uitgevoerde laparoscopische sterilisatie, zij nalaat aan te tonen en ook niet geloofwaardig maakt dat, bij een in haar ogen correcte voorlichting door haar arts, zij afgezien zou hebben van de toegepaste laparoscopische sterilisatie en de voorkeur zou hebben blijven geven aan de tot dan toe toegepaste orale contraceptie, hetzij de voorkeur zou hebben gegeven aan een andere vorm van contraceptie, die alle algemeen genomen hoe dan ook en naar de kennis van de huidige medische wetenschap minder waarborgen bieden om een ongewenste zwangerschap te voorkomen;

Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat, zelfs in de door appellante gemaakte hypothese dat geïntimeerde haar geen dan wel onvoldoende voorlichting heeft gegeven nopens een mogelijke nog te ontstane zwangerschap, appellante niet tot voldoening van het recht aantoont dat dit gebrek aan voorlichting de oorzaak tot gevolg is geweest van haar ongewenste zwangerschap;

Overwegende dat ten slotte appellante beweert doch niet aantoont dat haar onvoldoende voorlichting werd gegeven vóór de ingreep; dat deze bewering indruist tegen de gegevens van het deskundig verslag van de gerechtsdeskundigen en de door hen gedane feitelijke vaststelling, die door partijen in tempore non suspecto niet werd tegengesproken, dat de «sterilisatie gebeurde na overleg met patiënte en volledige toestemming van patiënte»;

...

Noot: 

Rechtspraak:

• Rb. Kortrijk, 3 januari 1989, R.W., 1988-89, 1171.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 30/09/2017 - 09:40
Laatst aangepast op: za, 30/09/2017 - 09:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.