-A +A

aansprakelijkheid kredietbemiddelaar inzake identiteit kredietnemers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 17/09/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentie
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
185
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV K. t/ BVBA Van B.

In het bestreden vonnis van 28 september 2007 verklaarde de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen het verzet van NV K. tegen het vonnis van 11 januari 2006, gewezen bij verstek, ongegrond. In dit verstekvonnis werd Ko. veroordeeld tot betaling van 8.349,30 euro, te vermeerderen met de interesten.

Met een verzoekschrift neergelegd op 29 juli 2008 tekende NV K. hoger beroep aan. Zij meent dat haar verzet gegrond had moeten worden verklaard en de vordering van BVBA Van B. als ongegrond afgewezen.

BVBA Van B. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

1. Voor wat betreft de feiten die ten grondslag liggen aan het geschil verwijst het hof naar het bestreden vonnis. Deze uiteenzetting van de feiten wordt als volgt vervolledigd.

Het bedrog bestond hierin dat een persoon zich heeft voorgedaan onder de naam Ko., een krediet heeft aangevraagd en zich met een vervalste identiteitskaart heeft aangeboden om het krediet, door middel van een cheque ter hand gesteld, in ontvangst te nemen.

2. Tussen NV K., kredietmaatschappij, en BVBA Van B., kredietbemiddelaar, bestaat een contractuele verhouding die beheerst wordt door de bepalingen van de overeenkomst van 28 februari 1997.

Krachtens art. 4 van dit contract is de bemiddelaar persoonlijk verantwoordelijk voor de juistheid van de inlichtingen die hij aan de NV K. verstrekt voor zover hij die kende of diende te kennen en voor de juistheid van de handtekeningen op de contracten en overeenkomsten met bijhorende stukken die hem door de NV K. ter ondertekening bij zijn cliënten werden bezorgd.

3. Uit de overgelegde stukken en de gegeven toelichtingen volgt dat de zich Ko. noemende persoon als kandidaat-kredietnemer werd aangebracht door een zekere De W. wiens verdere identiteit niet wordt vermeld, maar die reeds eerder klanten zou hebben aangebracht bij BVBA Van B.

4. BVBA Van B. is blijkbaar voortgegaan op de identiteitsgegevens die haar verstrekt werden door De W. en heeft enkel (en dan nog alleen telefonisch) navraag gedaan bij de kredietnemer aangaande zijn huwelijkse staat en dit ingevolge een opmerking ter zake van de kredietverzekeraar.

Zij heeft vervolgens alleen een controle “op zicht” gedaan van de identiteitskaart. Dat de gegevens hiervan leken overeen te stemmen met de gegevens die zij vooraf had verkregen, ligt voor de hand, daar deze louter mondeling waren meegedeeld.

De handigheid waarmee het bedrog werd gepleegd (namelijk door de identiteit van een werkelijk bestaande persoon te misbruiken met gebruik van een vervalste identiteitskaart) doet geen afbreuk aan de vaststelling dat BVBA Van B. zich geen andere documenten heeft laten voorleggen, ook niet in verband met de inkomensgegevens van de kredietaanvrager (art. 10 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet).

De oplichting kwam aan het licht toen een kopie van de kredietovereenkomst werd verstuurd naar het opgegeven adres, waarna de werkelijke heer Ko. het bedrog aan het licht bracht.

5. In voormelde omstandigheden doet de NV K. terecht een beroep op art. 4 van de overeenkomst. De opgegeven identiteitsgegevens waren onjuist en er is niet aangetoond dat de BVBA Van B. niet in staat was de juiste gegevens te kennen.

Dat de BVBA Van B. de haar meegedeelde gegevens correct heeft bezorgd aan de NV K., bevrijdt haar niet, aangezien op haar de contractuele verantwoordelijkheid rustte in te staan voor de juistheid van die gegevens.

6. De vordering van de BVBA Van B. is om die reden ongegrond.

Het bedrag dat via de commissies werd ingehouden, stemt overeen met de schade die de NV K. heeft geleden. Het staat immers vast dat de cheque werd geïnd en dat de dader van het misdrijf spoorloos is.

...

 

Noot: 

• Hof Antwerpen 18 december 2000, RW 2001-02, 1324.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/09/2011 - 18:46
Laatst aangepast op: za, 10/09/2011 - 18:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.