-A +A

Aansprakelijkheid ouders en toeziende grootouder bij ongeval met een klein kind

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
din, 24/06/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
975
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Politierechtbank te Brugge, 2e Burgerlijke Kamer – 24 juni 2008

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiser strekt ertoe verweerders in solidum te horen veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 3.555,09 euro, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te Middelkerke op 11 oktober 2002.

De vordering is gebaseerd op een niet nader gespecificeerde fout van de minderjarige, vertegenwoordigd door zijn ouders, en op een fout van de grootmoeder, die de feitelijke hoede had over het minderjarige kind in de zin van art. 1382-1383 B.W.

Verweerders betwisten de aansprakelijkheid voor het ongeval en de eruit voortspruitende schade.

Een afschrift van het geseponeerde strafdossier van het parket van de procureur des Konings te Brussel bij de Jeugdrechtbank aldaar, wordt voorgelegd.

B. Beoordeling

1. Relevante feitelijke gegevens

Op dinsdag 12 november 2002 deed eiser aangifte van de aanrijding op 11 oktober 2002 te Middelkerke waarbij hij in essentie verklaarde dat hij langs de zeedijk fietste toen er plots een kind het fietspad kwam opgelopen. Eiser heeft hevig geremd om een aanrijding te vermijden, maar kwam ten val. Het kind was vergezeld van zijn grootmoeder, tweede verweerster.

De heer R. verklaarde op 13 november 2002 als getuige in essentie dat hij naast eiser op het fietspad reed, aangeduid met anders gekleurde klinkers en het verkeersbord M4, toen er plots een kind van het voetpad het fietspad opliep waardoor eiser uit volle kracht diende te remmen en over kop ging. De grootmoeder verontschuldigde zich, zei dat het de schuld van het kind was en dat alles geregeld zou worden via de verzekering.

Op 4 januari 2003 zegt de getuige R. in een geschreven verklaring in essentie dat het kind het fietspad opliep en de grootmoeder onmiddellijk toegaf dat zij het kind niet in de gaten hield. Volgens de getuige is de grootmoeder verantwoordelijk, omdat ze niet verhinderde dat het kind het fietspad opliep. Er is een schets waaruit blijkt dat de fietsers op het fietspad (bord M4) reden en het kind van het voetpad het fietspad opliep, terwijl de grootmoeder (met een ander kind) op een zitbank zat.

Eiser legt foto‘s voor waarop de plaats van de aanrijding is aangeduid. Het betreft een zeedijk die bestaat uit drie stroken. De middelste rijstrook is anders betegeld en is anders gekleurd en er is een verkeersbord F19 (openbare weg met eenrichtingsverkeer) met een onderbord M4 (fietsverkeer in beide richtingen) aangebracht.

Verweerders leggen eveneens foto‘s voor van de (zelfde) zeedijk, die op dezelfde manier is ingericht, met dien verstande dat naast het verkeersbord F19-M4 er ook een verkeersbord F99b is aangebracht tussen de twee rechts (vanuit de kant van de zee) gelegen stroken op de zeedijk met aanduiding van welke delen van de weg bestemd zijn voor welke categorieën weggebruikers. Het meest rechts gelegen deel (vanuit de kant van de zee) is uitsluitend bestemd voor voetgangers, het middelste deel (anders betegeld en anders gekleurd) is bestemd voor voetgangers, fietsers en kustrijwielen (gocarts).

2. De aansprakelijkheid van het kind

Het kind was op het ogenblik van het ongeval 25 maanden oud. Er kan worden aangenomen dat het kind nog niet voldoende onderscheidingsvermogen had om in te schatten dat het een gevaar kon betekenen voor de fietsers door van op het gedeelte van de zeedijk uitsluitend voorbehouden voor voetgangers het gedeelte bestemd zowel voor voetgangers, fietsers en gocarts op te lopen. Tegenover de ouders in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers in rechte van hun minderjarig kind is de vordering ongegrond.

3. De aansprakelijkheid van de grootmoeder

Eiser faalt in zijn bewijslast om een fout, althans een onvoorzichtigheid van tweede verweerster, aan te tonen. Het feit dat tweede verweerster toezicht had over het kind (volgens de schets over verschillende kinderen) schept geen vermoeden van aansprakelijkheid.

Op grond van de voorliggende gegevens kan immers niet met zekerheid worden aangenomen dat het kind voor de fiets van eiser liep ten gevolge van een fout of een gebrek aan voorzorg van tweede verweerster. Het feit van de aanrijding, de val van eiser, bewijst geen fout van tweede verweerster. Dat tweede verweerster na de aanrijding haar aansprakelijkheid heeft erkend, staat in contrast met wat zij thans in rechte aanvoert. De buitengerechtelijke bekentenis van verweerster kan enkel slaan op de waarachtigheid van (eventueel) betwiste feiten, niet op de rechtspunten die tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren. De erkenning door een partij met betrekking tot de oplossing die in rechte aan een geschil dient te worden gegeven, levert geen bekentenis op in de zin van art. 1354 B.W. (Cass. 24 juni 1999, Arr. Cass. 1999, 394).

Ten onrechte voert eiser aan dat het kind van het voetpad het fietspad opliep. Er kan op grond van de eigen verklaring van eiser en zijn vriend hoogstens worden aangenomen dat het kind van op het gedeelte van de zeedijk uitsluitend voorbehouden voor voetgangers, het gedeelte bestemd zowel voor voetgangers, fietsers en gocarts opliep. Het is niet aan te nemen dat tweede verweerster door deze beweging van het kind toe te staan, althans niet te verhinderen, noodzakelijkerwijze foutief, minstens nalatig handelde, anders dan wat van een normaal en voorzichtig handelende grootmoeder die toezicht houdt op haar kleinkinderen verwacht mag worden. Elke zone op de Zeedijk te Middelkerke waar het ongeval gebeurde, is toegankelijk voor voetgangers, dus ook voor kinderen. Het is niet foutief noch onvoorzichtig in de zin van de wet dat een kind van 25 maanden oud op de zeedijk even alleen loopt.

Dat tweede verweerster onvoldoende toezicht hield op het kind is niet bewezen. Waar precies tweede verweerster zich op het ogenblik van de aanrijding bevond, is niet met zekerheid vast te stellen. Eiser noch de getuige hebben het kind of de grootmoeder vóór de aanrijding opgemerkt. Eiser verklaarde zelf dat het kind vergezeld was van zijn grootmoeder, waaruit minstens blijkt dat de grootmoeder in de buurt was. Dat het ongeval gebeurde op een ogenblik dat het kind zich buiten het gezichtsveld van tweede verweerster aan elk toezicht had weten te onttrekken ten gevolge van een gebrek aan voorzorg van tweede verweerster, staat geenszins vast en kan dan ook niet als bewezen worden aangenomen.

Aangezien geen fout of nalatigheid van tweede verweerster is aangetoond, is de vordering in zoverre gericht tegen tweede verweerster ongegrond.

 

Noot: 

Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 03/02/2010 - 17:22
Laatst aangepast op: di, 01/11/2011 - 12:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.