-A +A

aansprakelijkheid ouders voor kinderen en ouder die het hoederecht heeft

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 29/11/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

samenvatting:

De vaststelling dat de onrechtmatige daad gepleegd werd door een kind op een ogenblik dat het verbleef bij de andere ouder dan deze die het hoederecht heeft verhindert niet dat de ouder die het hoederecht heeft op grond van art. 1384, tweede lid, B.W. aansprakelijk kan worden gesteld, omdat deze niet alleen het tegenbewijs van voldoende toezicht maar ook van een goede opvoeding dient te leveren. Dit tegenbewijs kan niet gelverd worden door in algemene bewoordingen aan te voeren dat het kind nooit enig agressief, baldadig of ongewoon gedrag vertoonde, zonder hiervan een concreet bewijs voor te leggen.

tekst van het arrest:

...

Ontvankelijkheid van de vordering

Van R.D. voert aan dat haar zoon V.C. sedert enkele jaren meerderjarig is geworden, zodat de vordering tegen haar als wettelijke vertegenwoordiger over de persoon en de goederen van haar zoon onontvankelijk is.

Het hof stelt vast dat op heden geen vordering wordt ingesteld tegen Van R. qualitate qua, maar enkel in eigen naam. V.C. werd trouwens reeds voor de eerste rechter gedagvaard in hervatting van het geding, gelet op zijn meerderjarigheid. De vorderingen gericht tegen Van R.D. zijn dan ook ontvankelijk.

Ten gronde

1.1. Op 10 april 1990 werden de verbalisanten om 14 u 29 verwittigd van een stallingbrand te Sint-Niklaas, (...), eigendom van B.V. De verbalisanten stelden vast dat de stalling een bijna volledig houten constructie betrof, afgedekt met golfplaten. Enkel de paardenboxen waren in snelbouwsteen opgetrokken. Volgens de verbalisanten werden bij de bouw de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen om kortsluiting zoveel als mogelijk uit te sluiten.

De vijf paarden die zich in de stalling bevonden, konden tijdig in veiligheid worden gebracht. Enkele paarden werden wel licht gekwetst, meestal schaafwonden.

V.E., partner van B.V., verklaarde aan de verbalisanten dat hij aan het werken was achter de stallingen. Hij reinigde een vuilbak met een hogedrukreiniger waarbij stroom werd afgetapt in de bergplaats. Voordien had hij een tractor binnengezet in de bergplaats. Terwijl hij de vuilbak aan het reinigen was, zag hij aan de kant van de zadelkamer vlammen verschijnen. Hij voegde er nog aan toe geen idee te hebben hoe de brand ontstaan is. Hij bevestigde dat hij nooit rookte.

S.V., dochter van B., kwam op de manege toe om 14 u 40. Tien minuten na haar aankomst kwam V.C. binnengelopen met de melding dat de stallen in brand stonden. Voor zover zij kon zien was de brand links aan de stallen begonnen. Zij verklaarde eveneens niet te roken. In een tweede verklaring voegde ze eraan toe dat zij in de loop van de voormiddag benzine getankt had in haar bromfiets en de plastieken bus met nog enige inhoud nadien had weggezet in de paardenstal.

B.V. verklaarde aan de verbalisanten dat de stallen uiterst veilig waren en werden beveiligd. Zij had alles gedaan om brand te voorkomen. Het hooi en het stro werden gescheiden. Zij had geen idee hoe het vuur in de stallen is ontstaan. Op het ogenblik van de brand was zij niet thuis.

De bevelhebber van de brandweer deelde aan de verbalisanten mee dat er nog stroom was in de stallen toen zij ter plaatse kwamen en het hele gebouw reeds in lichterlaaie stond. De stroom werd tijdens de blussingswerken afgesloten.

V.C. verklaarde aanvankelijk aan de verbalisanten dat hij niet in de stallingen was geweest, evenmin als in de bergplaats. In een tweede verklaring voegde hij eraan toe dat hij onenigheid had gehad met zijn vader. Toen hij naar zijn vader ging om het terug goed te maken, kwam hij in de stal en rook hij brandlucht. Hij zag boven het stro rook omhoog gaan. Hij bemerkte vuur boven aan de balken en aan het stro. Hij ontkende het vuur te hebben aangestoken. Hij merkte nog op dat in de tuin een ton stond waarin afval uit de tuin werd verbrand. Zijn vader zou afval in brand gestoken hebben. V.E. bevestigde dat schuin achter het huis een kuip met gaten stond en hij er die morgen keukenafval en takken in had verbrand.

In de loop van de avond kwam de parketdeskundige ter plaatse. De verbalisanten riepen V.C. bij hen en de deskundige om meer details te verstrekken nopens zijn doen en laten die namiddag. Zij noteerden hierbij: «Na het stellen van de nodige vragen bekende de jongen onvrijwillig brand te hebben gesticht. Hij zou, naar zijn zeggen, aan de werkbank staan in de bergplaats en naast de zadelkamer, met een ijzerzaag een nagel hebben doorgezaagd waarbij vonken ontstonden die neerkwamen in het stro. Ziende dat het vuur zich snel naar de andere kant van het gebouw verplaatste, is hij naar zijn vader gelopen om hem van de brand te verwittigen. Nopens de oorzaak ervan zou hij aan zijn vader niets verteld hebben... In bijzijn van zijn vader verklaarde V.C. niet in de werkplaats bezig te zijn geweest, maar wel naast de zadelkamer aan het stro. Zittend op een pak hooi zou hij geprobeerd hebben een kepernagel bij middel van een ijzerzaag door te zagen. Hierbij zouden vonken zijn ontstaan (?)».

1.2. Door B.V. wordt thans het verslag overgelegd dat op verzoek van het parket werd opgesteld door de ir. T.

Deskundige ir. T. stelde vast dat er geen fouten konden teruggevonden worden in de elektrische toestellen of installatie. Hij kon in eerste instantie geen elementen aanduiden in verband met het ontstaan van de brand. Bij verdere navraag bleek volgens de deskundige dat C.V. «ingevolge de ontstane ruzie, in de garage/werkplaats aan het prutsen was en dat de brand ingevolge deze handelingen tot stand was gekomen». De deskundige besloot dat de verklaringen van C.V. uitwezen dat de brand is ontstaan door zijn toedoen. Door hem werd de plaats van het ontstaan van de brand aangeduid ter hoogte van de werkbank in de garage/werkplaats. Op deze plaats konden door de deskundige geen precieze aanwijzingen worden aangetroffen in verband met de oorzaak van de brand veroorzaakt door C.V.

1.3. Bij beschikking in kort geding van 26 september 1990 van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde werd ir. G.G. aangesteld als deskundige met de opdracht te zeggen welke de oorzaak of de oorzaken waren van de brand die zich op 10 april 1990 in de paardenstal gelegen te Sint-Niklaas, (...), had voorgedaan. Tevens kreeg de deskundige de opdracht de schade te beschrijven en te begroten, zowel aan het gebouw als aan de inboedel.

De deskundige kwam tot het besluit dat alle verklaringen en vaststellingen erop wijzen dat de brand is ontstaan in de stalling met hooi en stro, links achteraan. Volgens deskundige G. is de enige mogelijke oorzaak dat het vuur vrijwillig is aangestoken. Het veroorzaken van de brand door het afzagen van een nagel met een ijzerzaag zou onmogelijk zijn. De deskundige voegde hier aan toe: «Aan mevrouw B. zou C.V. gezegd hebben de brand te hebben veroorzaakt door met een aansteker vuur te maken aan stro. Bij andere verklaringen ontkent C.V. de brand te hebben veroorzaakt. Uit al de verklaringen van C.V. waarvan zeker één (het verhaal van de afgezaagde nagel) niet met de waarheid klopt, is het materieel onmogelijk de juiste verklaring te bewijzen. Vreemde personen werden niet gezien en gezien het uur van de feiten lijkt dit uitgesloten».

2. Uit het strafdossier en de beide deskundigenverslagen blijkt met zekerheid dat de brand is veroorzaakt door het foutief gedrag van V.C.

Allereerst verklaarde V. zelf aan de verbalisanten dat hij onvrijwillig brand had gesticht. Na eerdere ontkenningen gaf hij toe met een ijzerzaag een nagel te hebben doorgezaagd waarbij vonken ontstonden die op het stro neerkwamen. Naar aanleiding van de expertiseverrichtingen verklaarde V. dat hij met een aansteker vuur had gemaakt. Zijn verklaringen tonen aldus aan dat hij aan de basis lag van de brand, ongeacht de wijze waarop hij deze heeft doen ontstaan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat V. eerst tot tweemaal toe ontkende de brand te hebben veroorzaakt. Dat hij nadien toch tot bekentenissen overging, toont aan dat hij zich van zijn aansprakelijkheid voor de brand bewust was.

Voorts dient te worden vastgesteld dat geen enkele andere oorzaak voor de brand in aanmerking komt. Door deskundige G. werd zelfontbranding van het stro uitgesloten. Er is geen enkele aanwijzing dat andere personen de brand zouden hebben veroorzaakt. V.C. was als enige in het pand aanwezig.

De brand kan niet ontstaan zijn door verbranding van afval in de ton achter het woonhuis. Door de deskundige wordt deze mogelijke oorzaak niet in aanmerking genomen. De verwijzing naar het afval in de ton is voorts slechts terug te vinden in de tweede verklaring van V.C. Van deze mogelijkheid maakte hij in zijn eerste verklaring geen gewag. Uit de verklaring blijkt bovendien dat de ton zich bevond «op de tuin schuin achter de woning». V.E. bevestigde dat hij in de loop van de voormiddag keukenafval en takken had verbrand in een kuip met gaten die schuin achter het huis stond. De brand deed zich evenwel voor in de stalling. Het valt niet in te zien hoe een kuip achter het woonhuis brand zou hebben kunnen doen ontstaan in de stalling. Dat de kuip als mogelijke brandoorzaak in aanmerking zou hebben kunnen komen, diende trouwens door de deskundige niet verder onderzocht te worden, gelet op de bekentenissen van V.C.

Ten onrechte beweren Van R., V.C. en de NV F.A. dat uit het verslag van deskundige G. blijkt dat geen zekerheid zou bestaan nopens de oorzaak van de brand. Deze deskundige verklaarde formeel: «De enige mogelijke aanvaardbare oorzaak is dat het vuur vrijwillig werd aangestoken». Dat niet na te gaan is of V.C. de brand heeft veroorzaakt door met een aansteker vuur te maken en dit materialiter niet bewezen kan worden, belet niet dat de betrokkene minstens onvoorzichtig heeft gehandeld. Hetzelfde geldt voor het feit dat B. dit zou hebben vernomen van V.C.

Er is geen enkele aanwijzing dat een onvoorzichtigheid bij het roken de brand zou hebben veroorzaakt. V.E. verklaarde dat hij nooit rookt tijdens het werken. Het tegendeel wordt niet aangetoond, terwijl geen enkele technische vaststelling wijst op een brand veroorzaakt door onvoorzichtig rookgedrag.

Voorts valt nog op te merken dat B. niet aanwezig was op het ogenblik van het ontstaan van de brand, terwijl de brand moet zijn ontstaan vooraleer S. arriveerde, komende van de tegenoverliggende manege.

Of de brand al dan niet opzettelijk werd veroorzaakt, doet niet af aan het feit dat V.C. minstens onvoorzichtig is geweest waardoor hij op grond van art. 1382- 1383 B.W. tot vergoeding van de schade gehouden is.

3.1. Daar V.C. een fout beging in de zin van art. 1382- 1383 B.W. en hij op het ogenblik van de brand nog minderjarig was, kan zijn moeder Van R.D. worden aangesproken op grond van art. 1384, tweede lid, B.W.

Van R. wijst erop dat haar zoon bij zijn vader V.E. verbleef. Het tijdelijk verblijf bij de vader doet geen enkele afbreuk aan haar gehoudenheid, omdat zij niet alleen het tegenbewijs van voldoende toezicht maar ook van een goede opvoeding dient te leveren. Het bewijs van een goede opvoeding wordt niet geleverd. Van R. beperkt zich ertoe in algemene termen aan te voeren dat haar zoon nooit enig agressief, baldadig of ongewoon gedrag vertoonde. Hiervan wordt evenwel geen enkel concreet bewijs voorgelegd.

Het feit dat B. haar vordering enkel richt tegen Van R. en niet tegen haar partner V.E., doet evenmin afbreuk aan de gehoudenheid van Van R. Wie het hoederecht had, is ter zake evenmin dienend. Van enig misbruik van recht is geen sprake.

3.2. V.E. merkt op dat hij weliswaar op het ogenblik van de feiten de wettelijke vertegenwoordiger was van V.C., maar dat hij nu deze hoedanigheid niet meer bezit.

Dat V.C. meerderjarig is geworden, belet niet dat V.E. als zijn vader aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade op grond van art. 1384, tweede lid, B.W. Op het ogenblik van de feiten was V.C. immers nog minderjarig. Dat de schadelijders hun vordering kunnen richten tegen V.C., vormt geen beletsel voor de vordering op grond van art. 1384, tweede lid, B.W. tegen de ouders.

Ook V.E. blijft in gebreke het tegenbewijs te leveren van voldoende toezicht en goede opvoeding. Dat Van R. het hoederecht had, belet niet dat hij als vader nog gehouden was in te staan voor de opvoeding van zijn zoon.

...
 

Noot: 

Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/04/2010 - 17:16
Laatst aangepast op: di, 01/11/2011 - 12:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.