-A +A

Aansprakelijkheid ouders voor kinderen verkeersongeval

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Mechelen
Datum van de uitspraak: 
zat, 20/01/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Referentie: 
73
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
507
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Politierechtbank te Mechelen, 10 januari 2007

A.M. t/ J.B., M.F., S.H. en P. De G.

Het geschil heeft betrekking op de gevolgen van een verkeersongeval dat zich op 8 oktober 2004 te Nijlen voordeed. Bij dit ongeval kwamen de personenwagens Opel bestuurd door en in eigendom van A.M., en Volkswagen bestuurd door S.H. en in eigendom van P. De G., het voertuig Citroën bestuurd door F.P. en de fiets Norta bestuurd door S.B. met elkaar in aanrijding.

A.M. vordert van S.H., samen met J.B. en M.F., deze laatsten zowel in eigen naam als qualitate qua voor hun minderjarige dochter S.B. een bedrag van 1.208,50 euro, vermeerderd met de interesten en de kosten.

P. De G. vordert van J.B. en M.F. zo in eigen naam als qualitate qua voor hun minderjarige dochter S.B. een bedrag van 3.081,51 euro, vermeerderd met de interesten en de kosten.

S.H. vordert van J.B. en M.F. zo in eigen naam als qualitate qua voor hun minderjarige dochter S.B. een bedrag van 1.035,03 euro schadevergoeding voor takelen, staangeld en huur vervangwagen en 1 euro provisioneel voor lichamelijke schade en de aanstelling van een geneesheer-deskundige, alle bedragen te vermeerderen met de interesten en de kosten.

I. De feiten

Uit de voorgebrachte stukken, waaronder een geseponeerd strafdossier, blijkt dat om 8 u 05 S.B. oorspronkelijk de Grote Puttingbaan volgde en gekomen aan het kruispunt met de zeer drukke Grote Steenweg deze laatste wenste te dwarsen. Zij was eerst tot stilstand gekomen. Op dat ogenblik wenste F.P., komende uit de richting Lier aan het kruispunt linksaf te draaien teneinde zich op de Grote Puttingbaan te begeven. Hij zag het meisje staan en deed teken dat zij mocht oversteken. Zij twijfelde eerst en besloot dan over te steken, maar op dat ogenblik naderde A.M., komende uit de richting Nijlen. Hij week links uit en remde. S.H. reed oorspronkelijk achter A.M. Zij kwam in aanrijding met het voertuig van A.M. Het voertuig bestuurd door F.P. werd eveneens beschadigd. Op dat ogenblik was S.B. reeds van haar fiets gesprongen. Zij bleef ongedeerd.

S.B. was op het ogenblik van de aanrijding net geen veertien jaar. Haar ouders zijn J.B. en M.F.

II. In rechte

A. T.a.v. de aansprakelijkheid

De rechtbank stelt vast dat A.M. o.m. verklaarde dat de fietser opeens de weg overstak, waardoor hij naar links moest uitwijken en deels op het rijvak van het tegemoetkomend verkeer terechtkwam, waarbij hij tevens op zijn rem stond. Hij voegde er nog aan toe dat, doordat hij naar links moest uitwijken, hij de Citroën licht raakte, en aangezien hij bruusk moest remmen, de wagen die achter hem reed hem achteraan aanreed. Hij verklaarde tot slot nog dat hij vóór de aanrijding 60 km per uur reed.

S.B. verklaarde o.m. dat zij links keek en geen aankomend verkeer zag, waarna zij naar rechts keek en zag dat een voertuig stopte, waarop de bestuurder ervan teken deed dat zij mocht oversteken. Zij verklaarde verder dat zij hierop de rijbaan opreed en plotseling een Opel uit de richting zag aankomen die bruusk begon te remmen en links uitweek, waarop zij van schrik haar fiets liet vallen en naar de rand van de rijbaan liep.

S.H. verklaarde o.m. dat zij zag dat haar voorligger plots bruusk remde en uitweek naar de linkerrijstrook, waardoor zij ook bruusk op de rem ging staan, maar in aanrijding kwam met de achterzijde van de voorligger. Zij voegde eraan toe dat zij op dat ogenblik niet wist waarom de voorligger zo ageerde.

F.P. verklaarde o.m. dat hij teken deed aan de fietser, aangezien er op dat moment geen aankomend verkeer was uit de richting Nijlen, maar dat de fietser twijfelde en drie tellen later toch overstak zonder naar links te kijken. Hij verklaarde echter ook dat de Opel bruusk remde, uitweek en achteraan werd aangereden door zijn achterligger, waarop de Opel tegen zijn voertuig werd gekatapulteerd.

De getuige R. bevestigde de niet betwiste versie en verklaarde verder dat toen de Opel en de Citroën stilstonden, een derde voertuig op de achterzijde van de Opel inreed.

1o De eventuele fout van het fietsende kind – Het vermoeden van fout van de ouders

De rechtbank stelt vast dat de Grote Puttingbaan voorzien was van een bord B1, zodat S.B. voorrang diende te verlenen. Zij deed dit alleszins niet, zodat zij hoe dan ook aansprakelijk is.

De vorderende partijen spreken de ouders niet alleen aan in hun hoedanigheid van wettelijke beheerders over het minderjarig kind, maar voeren aan dat de ouders ook op grond van art. 1384, tweede lid, B.W. aansprakelijk zijn.

De ouders, J.B. en M.F., voeren hiertegen aan dat het feit dat tot de aansprakelijkheid leidt, niet het gevolg is van een gebrek aan toezicht of een tekortkoming in de opvoeding van hun kind, S.B.

Zij dienen derhalve aan te tonen dat zij bij de opvoeding van hun kind blijk hebben gegeven van de nodige zorgen en dat zij de schadeverwekkende daad die tot hun aansprakelijkheid aanleiding geeft niet konden beletten (H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne en L. Wynant, «Overzicht van rechtspraak – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1994- 1999)», T.P.R. 2000, (1551), p. 1811-1812, nr. 111; H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne en L. Wynant, «Overzicht van rechtspraak – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1985-1993)», T.P.R. 1995, (1115), p. 1385, nr. 125).

M.b.t. de ouderlijke opvoedingsplicht komen volgende factoren in aanmerking: de leeftijd van de minderjarige, zijn natuurlijke geaardheid, de zeden en gewoonten eigen aan zijn milieu, de evoluerende maatschappelijke opvattingen en verhoudingen en de verzwakte greep van de ouders op hun kinderen (H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne en L. Wynant, o.c., T.P.R. 2000, p. 1813, nr. 112).

Voor wat de beoordeling van de toezichtsplicht betreft spelen volgende factoren een rol: de leeftijd van de minderjarige, zijn natuurlijke geaardheid, de zeden en gewoonten eigen aan zijn milieu en de evoluerende maatschappelijke opvattingen over de kinderopvoeding, maar ook de concrete omstandigheden van de onrechtmatige daad, de onvoorzienbaarheid en de eenmaligheid ervan (ibid., p. 1817, nr. 113).

M.b.t. de verkeersovertredingen wordt aangenomen dat het schuldvermoeden van de ouders meestal op een tekortkoming in de bewakingsplicht berust. Voor wat de opvoeding betreft wordt aanvaard dat deze behoorlijk is indien de ouders tevens de elementaire normen van het verkeersreglement aanleren, zonder dat het noodzakelijk is dat zij na een vermoeide dagtaak zelf eerst de recente evolutie van de rechtspraak of de interpretatie van het al dan niet absoluut karakter van de prioriteit bestuderen en resumeren voor hun kinderen (G. Moyaert, «De aansprakelijkheid van de ouders voor de verkeersovertredingen van hun minderjarige kinderen – Wet en werkelijkheid», R.W. 1978-79, (2289), k. 2292-2293, nrs. 8, 9 en 10).

Bij de beoordeling van verkeersovertredingen begaan door minderjarigen n.a.v. een verkeersongeval zijn twee punten van essentieel belang.

Enerzijds is er het gegeven dat, gelet op het moderne maatschappelijke leven, er niet van mag uitgegaan worden dat de bewaking bestendig, ononderbroken en effectief dient te zijn. Zo wordt algemeen aanvaard dat de toelating om per fiets naar de school of het werk te gaan geen bewakingsfout impliceert (Rb. Kortrijk 16 september 2003, R.W. 2005-06, 552; zie ook de rechtspraak vermeld door G. Moyaert, o.c., R.W. 1978-79, k. 2293, nr. 9).

Anderzijds mag er niet uit het oog worden verloren dat heel wat verkeersongevallen eerder te wijten zijn aan de verstrooidheid en de onervarenheid dan aan een gebrek aan kennis van de verkeersregels (D. Deli, «De aansprakelijkheid van de ouders voor verkeersovertredingen van hun minderjarige kinderen en de verplichting tot «dubbele voorzichtigheid» van de bestuurder t.a.v. kinderen in het verkeer» (noot onder Brussel 2 april 1987), T.B.B.R. 1989, (351), p. 353- 354, nrs. 4 en 6). Men mag zelfs aannemen dat deze vaststelling eveneens geldt voor ongevallen waarbij uitsluitend meerderjarigen betrokken zijn.

Toepassing makend van deze principes komt de rechtbank tot het besluit dat de ouders het dubbel tegenbewijs inderdaad leveren. Zij tonen aan dat zij het kind de essentiële verkeersregels goed bijbrachten. S.B. stopte wel degelijk vooraleer de voorranghebbende rijbaan op te rijden en zij begaf zich pas op deze rijbaan nadat een volwassene teken had gedaan. Anderzijds legde S.B. blijkbaar een gekend parcours af. Zij had reeds de leeftijd van dertien jaar bereikt en de ouders mochten er dan ook op vertrouwen dat het kind alleen die weg kon afleggen.

De rechtbank veroordeelt de ouders dan ook alleen in hun hoedanigheid van wettelijke beheerders over de goederen van hun minderjarig kind.

2o T.a.v. de vraag of de andere bestuurders een fout begingen

Er kan in dit specifieke geval niet gezegd worden dat A.M. een fout in oorzakelijk verband met het ongeval beging. Hij reed weliswaar te snel, maar er wordt niet aangetoond dat hij de tegenligger aanreed vooraleer de achterligger op zijn voertuig inreed. Zowel de tegenligger als de getuige verklaarden dat A.M. eerst tot stilstand kwam, maar ingevolge de achterwaartse aanrijding naar voor werd gekatapulteerd. Hij werd hoe dan ook geconfronteerd met een onvoorzienbare hindernis, de overstekende fietser, zodat het aannemelijk is dat hij uitweek en bruusk remde.

Er kan te dezen ook niet worden gezegd dat hij een fietser in gevaar bracht. Het is immers niet omdat een fietser, zelfs indien het een kind betreft tegenover wie men dubbel voorzichtig moet zijn, wordt aangereden, dat hieruit dient te worden afgeleid dat de automobilist hem in gevaar bracht. Het is immers niet uitgesloten dat een weggebruiker in zijn legitieme verwachtingen wordt verschalkt door het gedrag van een kind tegenover wie een dubbele voorzichtigheid geldt (Cass. 13 juni 1996, Verkeersrecht 1997-86, 160; het ging hierbij om een kind dat vanop het fietspad de rijbaan dwarste).

T.a.v. het rijgedrag van S.H. is het wel zo dat zij een fout in oorzakelijk verband beging.

Een bestuurder die onvoldoende veiligheidsafstand met zijn voorligger bewaart, kan immers bezwaarlijk beweren dat een aanrijding met zijn voorligger alleen veroorzaakt zou zijn geweest door een onvoorzienbare rembeweging van laatstvernoemde (E. Brewaeys, Bestendig Handboek Verkeer, Kluwer, 1998, IV.7-11).

Gelet op de ernst van de respectieve overtredingen en de mate waarin deze bijdroegen tot de aangerichte schade, raamt de rechtbank het aandeel van S.B. inzake haar (mede)aansprakelijkheid op 50%, terwijl S.H. hiertoe voor 50% bijdroeg. Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat er blijkbaar enige tijd was tussen het ogenblik dat A.M. remde en blijkbaar tot stilstand kwam en de aanrijding veroorzaakt door S.H. S.B. vond immers nog de tijd om te gaan lopen.

B. T.a.v. de schadevergoeding

1o Schade van A.M.

– voertuigschade: geen betwisting: 850 euro;

– BTW: idem: 178,50 euro;

– wachttijd: J.B. en M.F. voeren aan dat het slachtoffer slechts aanspraak kan maken op een wachttijd ten belope van drie dagen.

Het is evenwel zo dat voor berekening van de wachttijd er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de gevallen waarin het voertuig ondanks het ongeval rijvaardig blijft en die waarin het voertuig tijdelijk niet meer rijvaardig is, maar nog hersteld kan worden. In het laatste geval loopt de wachttijd pas ten einde op het ogenblik dat de schade definitief is begroot en door partijen aanvaard (B. Bruyr, «Les éléments du dommage réparable – La privation de jouissance du véhicule accidenté», R.G.A.R. 2001, nr. 13336, nr. 18; zie ook: L. Schuermans, A. Van Oevelen, C. Persyn, Ph. Ernst en J.- L. Schuermans, «Overzicht van rechtspraak – Onrechtmatige daad. Schade en Schadeloosstelling (1983-1992)», T.P.R. 1994, (851), nr. 124.1; Verkeerszakboekje 2004, nrs. 153 en 154).

De rechtbank stelt vast dat de expertise werd afgesloten op 13 oktober 2004, zodat de gevorderde vijf dagen gerechtvaardigd zijn: 100 euro;

– hersteltijd: geen betwisting: 80 euro.

De vordering van A.M. is derhalve geheel gerechtvaardigd. Aangezien er te zijnen laste geen fout bewezen is, dienen zowel J.B. en M.F. in hun voormelde hoedanigheid als S.H. in solidum te worden veroordeeld.

...

 

Noot: 

Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

De aansprakelijkheid van de ouders voor de bijna 18 jarige?

Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge

4e bis Burgerlijke Kamer – 21 november 2014, RW 2014-2015, 1634

F.D. t/ NV A.E. en NV A.A.

...

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van F.D. strekt ertoe A.E. en A.A. in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 7.500 euro als schadevergoeding voor een verkeersongeval te De Haan op 16 juli 2010.

De vordering is gebaseerd op (1) een fout van J.H. in de zin van art. 1382-1383 BW, bestaande in een overtreding van art. 8.3, tweede lid, 10.1.1o en 10.1.3o Weg Verkeersreglement; (2) art. 1384, tweede lid BW, (...).

De verwerende partijen betwisten de aansprakelijkheid van hun verzekerde voor het ongeval en de eruit voortvloeiende schade.

...

Een afschrift van het strafdossier, gekend onder notitienummer (...) van het parket van de procureur des Konings te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie politiezaken (geseponeerd) wordt voorgelegd.

B. Beoordeling

1. Op 16 juli 2010 om 17 u 30 deed er zich een verkeersongeval voor te De Haan in de Vosseslag ter hoogte van het huisnummer 99 tussen F.D., voetgangster, en J.H., die zijn fiets bestuurde.

Het ongeval deed zich voor binnen de bebouwde kom. De rijbaan bestaat uit twee rijstroken, één voor elke rijrichting. Langs weerszijden van de rijbaan is er een fietspad. Er is geen trottoir. In de richting van Brugge (dit is de richting die door F.D. en J.H. werd gevolgd) is het fietspad 1,70 meter breed; daarnaast is er een gelijkgrondse berm. De verbalisanten hebben foto’s gemaakt van de plaatsgesteldheid, die bij het proces-verbaal werden gevoegd.

Op het tijdstip van het ongeval was het klaarlichte dag. De weersomstandigheden waren normaal en het wegdek was droog en in goede staat.

J.H. gaf aan de verbalisanten het volgende relaas over het ongeval: “Vandaag 16 juli 2010 omstreeks 17 u 30 was ik bestuurder van de herenfiets op de Vosseslag. Ik kwam samen met mijn vriendin van het strand. Ik reed voorop, mijn vriendin volgde mij. Op het fietspad liep er een oudere dame. Ik wilde haar links voorbijsteken en riep nog enkele keren naar haar “pas op”. Zij draaide zich nog half om, maar verstond mij blijkbaar niet. Ik heb ook eenmaal met mijn fietsbel gerinkeld. Op het moment dat ik haar wilde voorbijsteken, kwam er net een wagen van achter mij die in dezelfde rijrichting reed. Ik moest in feite kiezen tussen omvergereden worden door dit voertuig of een aanrijding met de dame, waarop ik haar dan met mijn stuur heb geraakt. Daarop zijn wij beiden ten val gekomen. Momenteel heb ik enkel pijn aan mijn heup en de achterzijde van mijn rechterbovenbeen. Normaal gezien zal ik hiervoor geen dokter raadplegen”.

F.D. verklaarde tijdens haar verhoor door de politie het volgende over de omstandigheden van het ongeval: “Ik bevond mij langs de rechterzijde van de weg, op het fietspad. In die omgeving is er geen apart voetpad. Op een gegeven moment kwam er een fietser aan die langs achter op mij botste. Ik had niets gehoord, geen geroep, geen fietsbel. Ik ben op de grond gevallen, ik denk de fietser ook; ik had zijn fiets in de benen. Terwijl ik mij al op de grond bevond, heb ik op dat moment enkel gehoord: “Oh! mevrouw”. Het was de fietser die me dit toeschreeuwde, ongetwijfeld verbaasd dat hij mij niet meer had kunnen ontwijken. Er was een toeloop en een voorbijrijdende man is gestopt en stelde voor om mij te helpen. Hij heeft mij naar het ziekenhuis Sint-Jan te Oostende gevoerd (...)”.

Het strafdossier bevat geen getuigenverklaringen.

Het openbaar ministerie heeft het strafdossier geseponeerd, op grond van het motief “onvoldoende bewijzen”.

3. J.H. heeft op klaarlichte dag een bejaarde voetgangster (70 jaar), die zichtbaar voor hem uit op het fietspad wandelde, aangereden. De weg was rechtlijnig en er was geen sprake van zichtbelemmerende factoren.

Fietser H. had dan ook – in acht genomen de geringe breedte van het fietspad – rekening moeten houden met haar aanwezigheid én zijn snelheid moeten matigen. Indien hij de voetgangster met de nodige voorzichtigheid en aan een aangepaste snelheid was genaderd, dan had hij ook kunnen en moeten merken dat de voetgangster hem haar klaarblijkelijk niet opgemerkt of gehoord had. Hij had zijn rijgedrag daarop kunnen afstemmen en rekening houden met mogelijk onverwachte stapbewegingen van de voetgangster. Hij heeft kennelijk ook geen rekening gehouden met het achteropkomend verkeer. Als normaal voorzichtig fietser, die een voetgangster wilde voorbijrijden op een relatief smal fietspad, had hij er zich vooraf van moeten vergewissen of er geen naderend verkeer was.

Uit zijn verklaringen blijkt dat hij dit niet had gedaan: “Op het moment dat ik haar wilde voorbijsteken, kwam er net een wagen van achter mij die in dezelfde rijrichting reed. Ik moest in feite kiezen tussen omvergereden worden door dit voertuig of een aanrijding met de dame, waarop ik haar dan met mijn stuur heb geraakt”.

...

Op basis van de voorliggende gegevens staat het dan ook vast dat J.H. zijn inhaalbeweging overhaast heeft uitgevoerd en daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de andere weggebruikers. Hij heeft een voorzienbare hindernis aangereden (art. 10.1.3o Wegverkeersreglement) en daarenboven art. 40.2 Wegverkeersreglement overtreden dat bepaalt dat een bestuurder dubbel voorzichtig moet zijn ten aanzien van bejaarden. De rechtbank beklemtoont in dit verband dat “niet te voorzien” alleen een hindernis is die zich zo snel en onverwacht voordoet en op zo korte afstand dat het onmogelijk is die te ontwijken (Pol. Mechelen 3 december 1999, Verkeersrecht 2000, 273).

Dit foutief rijgedrag van J.H. staat in oorzakelijk verband met het ongeval en de eruit voortgevloeide schade.

J.H., die op 9 februari 1993 werd geboren, was op het tijdstip van het ongeval zeventien jaar en vijf maanden oud. Op deze leeftijd moet betrokkene uiteraard geacht worden over voldoende onderscheidingsvermogen te beschikken opdat een onrechtmatig handelen in het verkeer hem toerekenbaar zou zijn. Bij de beoordeling van het gedrag van een minderjarige moet immers rekening worden gehouden met zowel zijn leeftijd als met de fysieke en intellectuele ontwikkeling van het kind in relatie met de schadeverwekkende handeling. Het kind moet weten wat het deed of moet over voldoende verstandelijke vermogens beschikken om de gevolgen van zijn handelingen te voorzien (Antwerpen 23 maart 1994, RGAR 1996, nr. 12.659). Aldus kan er geen twijfel over bestaan dat een minderjarige van bijna achttien jaar de feitelijke gevolgen van zijn optreden op de openbare weg kan beoordelen en derhalve toerekeningsvatbaar is (Pol. Antwerpen 8 mei 1996, Verkeersrecht 1997, 112).

De persoonlijke aansprakelijkheid van J.H. op basis van art. 1382-1383 BW staat vast.

4. De vordering van F.D. is ook gebaseerd op art. 1384, tweede lid BW, gericht tegen S. De W. Dit impliceert dat de schadevergoeding wordt gevorderd tegen de (aansprakelijkheidsverzekeraar van de) moeder in eigen naam op grond van het wettelijk vermoeden dat de schade die het minderjarige kind toebrengt aan derden het gevolg is van een fout van de ouders in het toezicht op of in de opvoeding van het kind. Dit vermoeden betreft niet alleen het bestaan van een fout van de ouder(s) maar ook van het causaal verband tussen de fout van de ouder en de schade. Er is dus sprake van een vermoeden van aansprakelijkheid, eerder dan van een vermoeden van fout (H. Bocken, “Aansprakelijkheid van en voor minderjarigen”, De Verz. 2006, 309).

Het vermoeden is evenwel weerlegbaar. De ouders ontkomen aan aansprakelijkheid op grond van art. 1384, tweede lid BW indien zij aantonen dat zij hun verplichtingen zowel op het gebied van toezicht als op het gebied van opvoeding goed zijn nagekomen of dat er geen causaal verband is tussen hun vermoede fout en het schadegeval. Indien de ouders dit tegenbewijs niet leveren, staan hun fout en het causaal verband met de schade vast.

In voorliggend geval staat het vast dat J.H. op het ogenblik van het ongeval niet onder het toezicht van zijn moeder stond. Bij beschikking van de jeugdrechtbank van Dendermonde van 11 juni 2010 werd hij onder toezicht van het OC Sint-Jozef te Gent geplaatst. Bijgevolg bevond de moeder zich op het tijdstip van het ongeval (16 juli 2010) zowel in de juridische als de materiële onmogelijkheid om toezicht uit te oefenen op haar zoon.

Hoewel de voorliggende gegevens vragen doen rijzen over de verstrekte opvoeding door de ouder(s) van J.H., dient de rechtbank vast te stellen dat de voorliggende overtreding van het Wegverkeersreglement het gevolg is van een verkeerde inschatting van de verkeerssituatie, die zelfs door een minderjarige met een goede opvoeding zou kunnen begaan zijn. Ook met de beste opvoeding is het risico van een foutieve inschatting in het verkeer niet uitgesloten (H. Vandenberghe e.a., “Overzicht van Rechtspraak – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 1994-1999”, TPR 2000, p. 1817, nr. 112). Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen causaal verband tussen de tekortkoming van de moeder op het vlak van de opvoeding en het door het foutief rijgedrag van (de bijna achttienjarige) J.H. veroorzaakte ongeval.

De rechtbank acht het vereiste tegenbewijs geleverd, zodat de vordering op grond van art. 1384, tweede lid BW ten aanzien van de moeder als ongegrond wordt afgewezen.

5. Daarnaast is de eis van F.D. op basis van art. 1384, vierde lid (juncto art. 1384, derde lid BW) ook gericht tegen (de BA-verzekeraar van) het OC Sint-Jozef, de instelling waaraan J.H. bij beschikking van 11 juni 2010 van de jeugdrechtbank van Dendermonde was toevertrouwd.

Op grond van art. 1384, vierde lid BW is er een vermoeden van aansprakelijkheid van de leerkrachten/opvoeders van de onderwijsinstelling wanneer een leerling op een ogenblik dat hij onder het toezicht van de instelling stond een derde op onrechtmatige wijze schade heeft berokkend. Ook dit vermoeden is weerlegbaar (art. 1384, vijfde lid BW). Het tegenbewijs – dat er aangepast en zorgvuldig toezicht werd uitgeoefend – moet in concreto beoordeeld waarbij met verschillende feitelijke elementen als leeftijd van het kind, plaats van het ongeval en noodzaak van bijzonder toezicht rekening wordt gehouden. De verplichting van de school om te waken over de veiligheid van de leerlingen is geen resultaatsverbintenis maar een inspanningsverbintenis (H. Vandenberghe e.a., “Overzicht van Rechtspraak – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 1994-1999”, TPR 2000, p. 1834, nr. 124).

Hoewel J.H. op het ogenblik van het ongeval juridisch was toevertrouwd aan het OC Sint-Jozef, kan aan de aangestelden van deze aanstelling geen enkele tekortkoming of onzorgvuldigheid in het toezicht worden verweten. Zoals de raadsman van A.E. terecht argumenteert, was het niet foutief of lichtzinnig om J.H. toe te staan een aantal dagen van zijn vakantie te genieten in het bijzijn van zijn vriendin en haar moeder. Aan het OC Sint-Jozef en/of zijn aangestelden kan in geen enkel opzicht een gebrek aan toezicht worden verweten; de beslissing om J.H. enkele dagen aan de kust te laten vertoeven was verantwoord, en feitelijk was de onderwijsinstelling in de materiële onmogelijkheid om het ongeval te verhinderen, omdat haar leerling niet in de instelling maar aan de kust verbleef. Het feit dat betrokkene onder het algemeen toezicht van het OC Sint-Jozef bleef staan, doet daar geen afbreuk aan.

De rechtbank acht het tegenbewijs van geen gebrek aan zorgvuldig toezicht geleverd.

6. Dit leidt de rechtbank tot het besluit dat enkel de aansprakelijkheid van J.H. en niet de aansprakelijkheid van zijn moeder, S. De W., noch de aansprakelijkheid van de instelling, het OC Sint-Jozef, betrokken is.

Omdat noch de aansprakelijkheid van de moeder, noch de aansprakelijkheid van de instelling worden aangenomen, dient/kan de rechtbank geen verdeelsleutel van de aansprakelijkheid bepalen tussen de beide verwerende partijen, zoals door A.E. en A.A. wordt gevraagd.

...

7. Het foutief rijgedrag van J.H. sluit een fout van F.D. niet uit.

Uit de verklaringen van beide weggebruikers en de schets van de verbalisanten blijkt dat het ongeval zich voordeed op het fietspad.

Als fietser was J.H. uiteraard gerechtigd om op het fietspad te rijden.

F.D. mocht het fietspad enkel volgen in zover er op de plaats van het ongeval geen begaanbaar trottoir of berm was (art. 42.2.2.1o Wegverkeersreglement).

Uit het proces-verbaal blijkt dat er geen trottoir was. De schets en de foto’s tonen evenwel aan dat er wel een begaanbare gelijkgrondse berm was, maar volgens het navolgend proces-verbaal waren er – voor zover de verbalisant zich kon herinneren – vermoedelijk voertuigen geparkeerd op de gelijkgrondse berm. Het komt dan ook niet bewezen voor dat F.D. op foutieve wijze geen gebruik heeft gemaakt van de gelijkgrondse berm.

Indien er op de plaats van het ongeval geen begaanbaar trottoir of berm was, mocht F.D. het fietspad volgen, mits zij voorrang verleende aan de fietsers en bromfietsers (art. 42.2.2.1o Wegverkeersreglement).

“Voorrang verlenen” betekent de absolute vrije doorgang geven aan wie voorrang heeft. Het hinderen van het verkeer is daarbij het doorslaggevende criterium: de tot voorrang verplichte weggebruiker mag niet rekenen op de uitwijk- en remmogelijkheden van de voorranghebbende bestuurder (Bestendig Handboek Verkeer, nr. 6409).

In voorliggend geval blijkt mevr. D. die “absolute vrije doorgang” niet te hebben verleend aan J.H., die de voorranghebbende weggebruiker was. Zij wandelde op het fietspad en had klaarblijkelijk te weinig aandacht voor de andere weggebruikers van het fietspad. Als alerte en zorgvuldige weggebruiker had zij niet enkel moeten anticiperen op de (voorzienbare) nadering van fietsers door voldoende zijdelingse ruimte te laten op het fietspad, maar had zij ook fietser H. moeten kunnen zien en/of horen naderen en had zij tijdig plaats moeten kunnen maken en vrije doorgang verlenen aan de fietser.

Ook aan F.D. kan derhalve een onzorgvuldigheid worden verweten. Zij heeft niet enkel art. 42.2.2.1o Wegverkeersreglement maar ook de algemene zorgvuldigheidsnorm van art. 1382-1383 BW miskend.

8. Op basis van wat hierboven werd uiteengezet, moet de aansprakelijkheid worden verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het foutief rijgedrag van J.H. die een zichtbaar voor zich uit wandelende, bejaarde vrouw heeft aangereden in belangrijkere mate tot het ongeval bijgedragen dan het gebrek aan alertheid van F.D. Het is billijk de aansprakelijkheid te verdelen volgens de verdeelsleutel 3/4 ten laste van J.H. en 1/4 ten laste van F.D.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 18/11/2009 - 00:48
Laatst aangepast op: za, 23/04/2016 - 13:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.