-A +A

Aansprakelijkheid put in fietspad

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 26/11/2012

Een redelijk grote put in een fietspad van enkele centimeter diep, met losliggende stenen in, maakt het fietspad gebrekkig. Bij de beoordeling van de rechter over het abnormale van de zaak in de zin van art. 1384, lste lid BW moet de rechter enerzijds rekening houden met het fysieke criterium en anderzijds met het normatief criterium, te weten de vraag aan welke vereisten van de zaak de benadeelde zich normaal mocht verwachten.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Politierechters
Uitgever: 
die Keure
Jaargang: 
2013
Pagina: 
37
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Het geding vindt zijn oorsprong in een val die eerste eiseres deed met de fiets op 21 april 2010 en die zij toeschrijft aan de staat van het fietspad.

Eiseressen achten verweerster aansprakelijk op basis van de artikelen 7.3 v an het wegverkeersreglement, 1382-83 BW (aquiliaanse foutaansprakelijkheid), 1384, lste lid BW (kwalitatieve aansprakelijkheid als bewaarder van een gebrekkige zaak) en 135, par. 2 Gemeentewet (gemeentelijke verplichtingen inzake veilig wegbeheer). Vanzelfsprekend dienen de art. 1384, lste lid BW en 135, par. 2 Gemeentewet beoordeeld te worden in hoofde van diegene van de verweersters op wie zij toepasselijk zijn.

Eerste eiseres vordert de veroordeling van verweersters in solidum of van de ene bij gebreke aan de andere tot een schadevergoeding van 714,08 euro aan materiële schade plus 525,00 euro aan schade uit tijdelijke arbeidsongeschiktheid, terwijl tweede eiseres van haar kant als in de rechten van eerste eiseres gesubrogeerde verzekeraar 693,26 euro vordert voor prestaties in het kader van een polis lichamelijke ongevallen, telkens vermeerderd met de intrest.

Ten slotte vordert eerste eiseres nog de aanstelling van een deskundige met de in de vordering beschreven opdracht en voorbehoud voor eventuele toekomstige uitgaven (zie dispositief dagvaarding).

Verweersters betwisten hun aansprakelijkheid. De elementen van de betwisting zullen aan de orde komen bij de beoordeling ten gronde.

Feitelijke gegevens

1. Op het vlak van de feitelijke gegevens is er vooreerst een summiere geseponeerde strafinformatie.

2. Daarin verklaart eerste eiseres dat zij met de fiets het verplichte fietspad volgde te Maldegem langsheen de Aalterbaan, richting Kleitkalseide, komend uit de richting Krommewege.

Op het einde van het fietspad komt men aan een doodlopend stuk rijbaan van de Kleitkalseide die uitkomt aan het landbouwbedrijf R.

In die rijbaan ligt er een put, waar eerste eiseres volgens haar verklaring over ten val kwam.

Eiseres liep letsels en schade aan de fiets op.

Eerste eiseres was vergezeld van haar moeder, die voor haar fietste en die haar nog verwittigde voor de put, maar eerste eiseres kon de put niet meer vermijden.

Eerste eiseres verklaart dat zij niet snel reed en schat haar snelheid op 10 à 15 km/uur.

3. De verbalisanten beschrijven de plaats van het ongeval als een doodlopende rijbaan, die rechts uitkomt op een privé-erf en links overgaat in een verplicht fietspad. Er worden foto's van de plaats van het ongeval gevoegd.

4. Op de foto's ziet men duidelijk het begin van het verplichte fietspad, de aansluiting met het stuk waarin zich de put bevindt met een verschil in wegbedekking en de lokalisatie van de put net in het traject van de bocht die moet genomen worden om zich van het ene naar het andere te begeven.

De foto's tonen een put met een vrij grote oppervlakte, enkele centimeter diep, met losliggende stenen erin.

5. In haar verklaring aan de verbalisanten maakte eerste eiseres melding van een getuige, met name de zoon van het nabijgelegen landbouwbedrijf R.

Op vraag van de verzekeraar legde de getuige R. een geschreven verklaring af. Hij kent geen der partijen.

Hij zag het ongeval gebeuren en stond niet ver van de plaats waar de eerste eiseres viel. Hij verklaart dat eerste eiseres ("het meisje") viel terwijl ze met de fiets op het fietspad reed en over losliggende stenen viel. Ten gevolge van het schoonvegen van het fietspad daags voordien lagen de keitjes op de baan op een hoop in de weg van de fietsers.

6. In een brief aan de advocaat van eiseressen van 7 juni 2012 schrijft de moeder van eerste eiseres, mevrouw D. B., dat ook zij nauwelijks de put kon vermijden omdat die eigenlijk bijna onzichtbaar beneden in de bocht lag. Mevrouw B. waarschuwde haar dochter nog, maar deze laatste was al te dicht genaderd, reed door de put en de losliggende kiezels en kwam aldus ten val.

Beoordeling

A. Bewijs der feiten

1. De materialiteit van de val van eerste eiseres ten gevolge van de put is bewezen.

Er is vooreerst de verklaring van de neutrale getuige R., die als getuige werd opgegeven onmiddellijk na het ongeval in eiseres' verklaring aan de verbalisanten (die de getuige evenwel niet zelf verhoorden).

Voor de verklaring zelf verwijst de rechtbank naar de uiteenzetting der feiten hierboven.

Ook de hierboven beschreven brief van mevrouw B. is een dienend feitenrelaas. De loutere omstandigheid dat mevrouw B. de moeder is van eerste eiseres volstaat niet om haar geloofwaardigheid in twijfel te trekken, temeer daar haar brief inhoudelijk niet in tegenspraak is met de verklaring van de getuige R.

Art. 931 Ger.W. zou trouwens geen beletsel zien om mevrouw B. als getuige te horen.

2. Ten tweede bewijzen de foto's dat de put zich wel degelijk op de openbare weg bevond.

B. Ten aanzien van tweede verweerster (Vlaamse Gewest): art. 1384, lste lid BW

1. De rechtbank stelt vast dat tweede verweerster als dusdanig geen betwisting opwerpt over het gegeven dat zij wel degelijk de bewaarder was van het wegdek waarin de put zich bevond en van de plaats van de feiten.

2. Iedere aansprakelijkheid moet in concreto beoordeeld worden. Men kan niet in algemeenheid in centimeter beoordelen of een put of een niveauverschil schade kan teweegbrengen of niet. Dit moet in concreto beoordeeld worden aan de hand van de concrete gegevens van ieder geval afzonderlijk.

3. De omvang van een abnormaal kenmerk kaneen beoordelingselement zijn m.b.t. het bestaan van een gebrek. Maar eens tot het bestaan van een gebrek besloten werd, speelt de omvang van het gebrek geen rol meer. Er is dan aansprakelijkheid van de bewaarder zodra er een causaal verband is tussen het gebrek en de schade.

4. De mogelijke zichtbaarheid van het gebrek speelt geen rol in de aansprakelijkheid van de bewaarder van het wegdek als dusdanig. De rechter die het bestaan van het gebrek zou afwijzen op grond van de zichtbaarheid, of zelfs van de kennis ervan door het slachtoffer, schendt art. 1384, lste lid BW (Cass. 21 november 2003, RGAR 2004, 13907).

5. De put in kwestie vertoont een gevaar voor fietsers.

Zoals al gezegd ligt hij in het traject die de fietsers volgen bij het afdraaien om van het ene weggedeelte naar het andere te gaan en ligt hij blijkbaar net beneden een helling, en door de losse stenen die zich in de put bevinden, is hij van aard fietsers gemakkelijk uit evenwicht te brengen.

Door zijn oppervlakte komen fietsers er, mee gezien zijn ligging, gemakkelijk in terecht.

6. a) Een zaak is gebrekkig wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont dat van aard is in bepaalde omstandigheden schade te berokkenen aan derden.

Dat gebrek hoeft niet noodzakelijk intrinsiek te zijn aan de zaak ( Cass. 2 maart 1995, RW 1996-97, 926; Cass. 13 mei 1995, RW 1994-95, 1329).

 

Het is evenmin vereist dat het gebrek de zaak ongeschikt maakt voor gebruik volgens haar normale bestemming; dit vereiste stellen voor de aansprakelijkheid zou een voorwaarde toevoegen aan de wet die art. 1384, lste lid BW niet inhoudt (Cass. 12 september 2003, RGAR 2005, 13973).

b) Voor de aansprakelijkheid ex art. 1384, lste lid BW zijn de oorsprong van

het gebrek evenals de vraag of de bewaarder van de zaak kennis had van het gebrek volledig irrelevant

(H. VANDENBERGHE, e.a., "Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad", TPR 1987, p. 1255, nr. 74; Pol. Antwerpen 4 juni 1998, De Verzekering 1999, 553).

De oorsprong van het gebrek is irrelevant, zelfs indien de oorzaak van het gebrek niet abnormaal is (Rb. Gent 2 oktober 2006, T.Pol. 2008, 44).

c) Het wordt als zodanig niet betwist dat tweede verweerster de bewaarder was van het fietspad in de zin van art. 1384, lste lid BW.

De rechtbank verwijst in verband met de beoordeling van het gebrek naar de evolutie in het aansprakelijkheidsrecht in de laatste jaren en naar de recentste cassatierechtspraak: de concrete appreciatie van het abnormale kenmerk moet het fysieke criterium overstijgen en dient een normatief criterium in de beoordeling te betrekken, met name de vraag te weten aan welke vereisten van de zaak de benadeelde zich normaal mocht verwachten (H. VANDENBERGHE, "Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 2000-2008", TPR 2011, 349, nr. 140).

d) Het bovenstaande komt met zoveel woorden tot uiting in het cassatiearrest van 11 maart 2010:

- het abnormale kenmerk van de zaak kan slechts worden beoordeeld door een vergelijking te maken met zaken van dezelfde soort en hetzelfde type om uit te maken aan welke vereisten van de zaak het slachtoffer zich normaal mocht verwachten;

- het arrest dat oordeelt dat het afwateringssysteem (waarover het arrest ging) in de zin van art. 1384, lste lid BW functioneel gebrekkigwas omdat het een onvoldoende pompcapaciteit had (om overstromingen te voorkomen), geeft aldus te kennen dat de afwateringsinstallatie ingevolge het vastgestelde gebrek niet voldeed aan het model waaraan men zich normaal mocht verwachten, derhalve een abnormaal kenmerk vertoonde;

- op grond van voormelde vaststellingen vermocht het arrest het bestaan van een gebrek in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aan te nemen; (onderstreping door de rechtbank) (Cass. 11 maart 2010, C.09.0186.N, www.cass.be).

e) Wat het arrest in rechte oordeelde m.b.t. het gebrek in de waterpomp - blijkens het arrest bestond het gebrek alleen in een geringere capaciteit van de pomp dan wat er mocht van verwacht worden - treedt de rechtbank in rechte in casu bij m.b.t. het fietspad. Door de sub 5 hierboven beschreven put met de losliggende stenen en de beschreven daaraan verbonden risico's vertoonde het fietspad een schadeverwekkend abnormaal kenmerk en beantwoordde het niet langer aan wat er normaal werd van verwacht; de put met stenen in het fietspad maakte dat laatste functioneel gebrekkig omdat, anders dan er wordt van verwacht, zijn gebruik in het verkeer als zodanig een risico ging inhouden voor de weggebruikers voor wie het fietspad bestemd was.

f) De rechtbank concludeert tot de aansprakelijkheid van de bewaarder van het fietspad (tweede verweerster) op basis van art. 1384, lste lid BW.

C. Ten aanzien van eerste verweerster (Gemeente Maldegem): art. 135, par. 2 Gemeentewet

1. Vooreerst weze even herhaald dat hoger werd geoordeeld dat de put zich wel degelijk bevindt op een plaats die tot de openbare weg behoort.

De gemeentelijke veiligheidsverplichting uit art. 135, par. 2 Gemeentewet is niet beperkt tot gemeentelijke wegen, maar strekt zich (autosnelwegen uitgezonderd) uit tot alle wegen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden, zoals in casu de gewestwegen.

2. Vooreerst volledigheidshalve een randopmerking. Verweerster werpt terecht niet op dat het om een blijvende of periodieke toestand zou gaan die de verantwoordelijkheid van de gemeente zou uitsluiten.

Die bepaling in artikel 135, § 2 Gemeentewet heeft alleen betrekking op de politie over het wegverkeer, maar Iaat de gemeentelijke verplichtingen op het vlak van de veiligheid van de wegen, die een ander aspect zijn, onverlet (A. VAN ÜEVELEN, "De buitencontractuele aansprakelijkheid van de wegbeheerder" in E. EMPEREUR, e.a., Aansprakelijkheid van de Wegbeheerder, Vanden Broele, 2006, 89, met de geciteerde cassatierechtspraak aldaar).

3. Art. 135, § 2 Gemeentewet legt de gemeentelijke overheid de verplichting op slechts veilige wegen open te stellen. Ingevolge genoemde wetsbepaling rust op eerste verweerster de verplichting tot het voorkomen, door aangepaste maatregelen, van ieder abnormaal gevaar, tenzij een vreemde oorzaak, die haar niet kan worden aangerekend, haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te komen (Cass. 26 mei 1944, RW 1994-95, 745).

Voor de aansprakelijkheid van de gemeente ex art. 135, § 2 Gemeentewet moet de benadeelde niet het bewijs leveren dat de gemeente kennis had van de gevaarstoestand (CORNELIS, Beginselen van het Belgisch buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, nr. 132-133).

En wat de vreemde oorzaak, die haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te leven betreft, ligt de bewijslast bij de. gemeentelijke overheid.

Dit alles neemt niet weg dat de gemeentelijke veiligheidsverplichting een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis is. De beoordeling gebeurt evidentelijk aan de hand van de concrete gegevens van de zaak.

Een belangrijk beoordelingselement in dat verband kan, naargelang van de omstandigheden van de zaak, het tijdsverloop zijn.

In verband met dit alles verwijst de rechtbank naar de meest recente cassatierechtspraak (hierna geciteerd): wanneer het slachtoffer het bewijs levert van een abnormaal gevaar op een weg in de gemeente, dient in beginsel te worden aanvaard, behoudens tegenbewijs, dat de gemeentelijke overheid die gevaarsituatie behoorde te kennen en maatregelen vereist waren om het gevaar weg te werken.

Om in dat geval niet aansprakelijk

te worden gesteld staat het aan de gemeentelijke overheid het bewijs te leveren dat zij de gevaarsituatie niet behoorde te kennen en niet kende, ofwel gelet op het tijdsverloop in de onmogelijkheid is geweest de nodige maatregelen te treffen om het abnormaal gevaar te verhelpen.

Met het oordeel dat de gemeente niet aantoont dat de gevaarstoestand nog maar pas in de weg (in casu het fietspad) was op het ogenblik van

het ongeval en dat zij derhalve in de materiële onmogelijkheid was tijdig de nodige maatregelen te nemen, verantwoorden de rechters hun beslissing dat de gemeente aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval (Cass. 17 april 2008, T.Pol. 2008, 200; NJW2009, 323, met noot).

Lees in dat verband: G. JOCQUÉ, "Het Hof van Cassatie verkent nieuwe wegen: de aansprakelijkheid van de gemeente voor haar wegennet volgens het arrest van 17 april 2008" in

I. BOONE, J. CLAEYS en L. LAURYSEN, Liber amicorum Hubert Boeken, die Keure, 2009, 117; G. Iocous, "Vraagstukken in verband met de overheidsaansprakelijkheid voor het beheer van het wegennet" in P. Lscoco en C. ENGELS (eds.), Dossiers Tijdschrift van de Vredeen Politierechters, 13, Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2010, p. 275, nrs. 8 e.v.

Zoals bekend, strekt de gemeentelijke verantwoordelijkheid zich uit tot ieder abnormaal gevaar, zichtbaar of verborgen (Cass. 12 januari 2001, TAVW 2001, 260).

Dat de aanwezigheid van de put niet van recente aard was, is evident. Hij is het resultaat van een evolutie over een langere tijd. De foto's tonen dat duidelijk aan.

In casu levert de gemeente dus niet het bewijs van de haar niet toerekenbare vreemde oorzaak of van het ontoereikende tijdsverloop om de toestand te verhelpen.

4. Blijft de beoordeling van het abnormale gevaar.

De rechtbank is van oordeel dat er in casu sprake is van een abnormaal gevaar. Er was inderdaad een toestand die van aard was de weggebruiker te verrassen en waarbij iedere voorzichtige overheid, in dezelfde omstandigheden geplaatst, tussenbeide zou komen om de toestand te verhelpen.

Het abnormale gevaar bestond in de put die zich zoals hoger gezegd in

het traject van de afdraaiende fietsers bevond, een oppervlakte had die hem in combinatie met zijn ligging moeilijk vermijdbaar maakte en daarenboven losliggende stenen bevatte die fietsers uit evenwicht konden brengen hetgeen bijzonder verraderlijk was voor fietsers die op rechtmatige wijze het fietspad gebruikten.

Dat gevaar was van aard de fietsers in hun normale verwachtingen te verschalken. Het is niet relevant of de weggebruiker het abnormale gevaar al dan niet kende of kon kennen (G. JOCQUÉ, Vraagstukken ... , l.c., nr. 9).

Om bovenstaande redenen concludeert de rechtbank tot de verantwoordelijkheid van eerste verweerster op basis van artikel 135, § 2 Gemeentewet.

D. Andere aansprakelijkheidsgronden Aangezien art. 1384, lste lid BW (tweede verweerster) en art. 135, par. 2 Gemeentewet (eerste verweerster) toereikende aansprakelijkheidsgronden zijn, moeten de overige door eiseressen aangebrachte gronden (fout, enz.) niet meer beoordeeld worden.

Terloops, de stenen in de put zijn geen door een weggebruiker achtergelaten stenen (art. 7.3. AVR), wat vragen doet rijzen bij de toepasselijkheid van dat artikel (doch te dezen niet meer hoeft beoordeeld te worden).

E. Eigen samenlopende Jout van eerste eiseres?

1. Dat de zichtbaarheid geen rol speelt voor de aansprakelijkheid van verweersters neemt niet weg dat eerste eiseres een samenlopende fout kan begaan hebben waarin de zichtbaarheid wel een rol speelt en waarvan verweersters de bewijslast dragen.

2. Op het brede fietspad dat op de foto's te zien is, is een snelheid van een fietser van 10 à 15 km/ uur niet abnormaal.

3. Op het zicht van de foto's oordeelt de rechtbank dat de put waarvan de kleur in de donkere wegbedekking niet afsteekt, gelegen binnen het traject van de richtingsverandering van de fietsers en net onderaan een helling, niet waarneembaar was op een afstand en tijd die voldoende waren om nuttig te reageren, mee gelet op de omstandigheid dat eerste eiseres een fietser voor zich had (haar moeder) wat de zichtbaarheid beïnvloedt.

4. Een eigen samenlopende fout van eerste eiseres (die alleen tot aansprakelijkheidsverdeling zou leiden, niet tot de opheffing van de aansprakelijkheid van verweersters), is niet bewezen.

De gevorderde bedragen

Gelet op de samenlopende aansprakelijkheden van verweersters als oorzaak van het ongeval en van de schade zijn beiden ten aanzien van de derde foutloze aansprakelijke in solidum gehouden tot vergoeding van de totaliteit van de schade. De equivalentieleer geldt ook voor kwalitatieve aansprakelijkheden.
 

Noot: 

Zie ook: Burgerlijke Rechtbank te Turnhout, 4e Kamer – 4 december 2009, RW 2011-2012; 577

samenvatting:

Het feit dat op een agrarische weg modder ligt is niet abnormaal en behelst geen gebrek in de zin van artikel 1384 Gerechtelijk wetboek

tekst voonis:

De V. t/ Stad Hoogstraten

...

4. Ten gronde

4.1. De feiten

Op 27 december 2003 omstreeks 18 uur ‘s avonds gebeurde te Wortel “Kolonie” op een landweg een verkeersongeval waarbij appellant met zijn motorfiets BMW ten val is gekomen.

Appellant werd gewond, liep verschillende breuken op en werd overgebracht naar het ziekenhuis.

Aan de openbare weg waar het ongeval gebeurde ligt een stuk landbouwgrond met daarop een voedersilo. Deze grond werd gebruikt door de heer K.P.

Daags na het ongeval ging de echtgenote van de heer De V. aangifte doen van de feiten bij de politie. Er werd een strafdossier opgesteld, dat later werd geseponeerd.

Onder de rubriek “kort relaas” schreven de verbalisanten:

“De V. was samen met enkele kennissen bezig met een motortocht om de kerststallen in de buurt te bezichtigen. (...) Daar hebben zij de Langenberg overgestoken en het weggetje aldaar ingereden. De straat heeft geen officiële naam, maar wordt gerekend tot Wortel Kolonie. Voor de bocht aldaar lag slijk op de rijbaan, afkomstig van een landbouwvoertuig. De V. is geslipt op het slijk en is ten val gekomen (...)”.

Voorts is de rubriek “vaststellingen” relevant: “Wij kunnen twee dagen na de feiten nog vaststellen dat er slijk op de rijbaan ligt. Het slijk is duidelijk afkomstig van een landbouwvoertuig dat uit de weide aldaar komt. In de weide is een voedersilo gelegen (...)”.

Bij “technische vaststellingen” werd genoteerd: “Weersomstandigheden: onbekend. Staat van de weg: vuil (zand, grind, bladeren, ...). (...) Weg-/verkeersomstandigheden: bevuilde rijbaan”.

De heer E. was mee op kerststallentocht en verklaarde als getuige dat ter plaatse voor een bocht enorm veel slijk op de rijbaan lag en dat hij vermoedde dat dit afkomstig was van een landbouwvoertuig. Hij verklaarde tevens dat daar een silo van een boer gelegen was, dat hij ook over het slijk was geslipt, maar dat hij zijn voertuig nog onder controle had kunnen houden en dat men aan een snelheid van 35 km per uur reed.

De heer V., die ook tot het gezelschap behoorde, verklaarde dat er slijk op de rijbaan lag en dat de baan vochtig was. Hij zei ook dat er aan 35 km per uur werd gereden en dat appellant slipte op het slijk. Ten slotte verklaarde hij dat het slijk duidelijk afkomstig was van een tractor die van het erf aldaar kwam en dat de rijbaan verderop proper was.

K.P., de landbouwer, werd ook gehoord door de politie en legde volgende verklaring af: “(...) Ik neem er kennis van dat er een verkeersongeval gebeurd is op de weg achter mijn boerderij. (...). Ik heb aldaar een silo liggen. Ik neem er kennis van dat het verkeersongeval is gebeurd doordat de rijbaan vervuild was. Ik zorg er echter voor dat de rijbaan proper blijft. Ik wens wel te vermelden dat er zeer dikwijls zwaar verkeer doorkomt dat de rijbaan ook vervuilt (...)”.

Op 4 februari 2004 verhoorde de politie de heer De V. Hij verklaarde: “(...). We hadden juist de Langenberg overgestoken en reden aan een trage snelheid van 40 km per uur. Op een gegeven ogenblik voor een bocht naar links, lag er slijk op de rijbaan. Ik ben dan gevallen door dit slijk op de rijbaan. (...). Ik ben met mijn motorfiets gevallen ingevolge slijk, gedeelte van silo(gras) dat op de rijbaan lag (...)”.

Appellant voert aan dat geïntimeerde de bewaarder is van de weg op de plaats van het ongeval en dat zij aan een veiligheidsverplichting te voldoen heeft in het raam van de Nieuwe Gemeentewet.

4.2. Het bestreden vonnis

In eerste aanleg vorderde de heer De V. in primaire orde van NV K.V. (verzekeraar van de genoemde heer K.P. en thans niet meer in zake) een vergoeding van 2.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

Subsidiair, voor het geval de in primaire orde ingestelde eis zou worden afgewezen, vorderde hij van de stad Hoogstraten een schadevergoeding van 10.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

De eerste rechter verklaarde de vorderingen van appellant ontvankelijk. Hij verklaarde de vordering tegen NV K.V. deels gegrond en veroordeelde NV K.V. om aan appellant 1 euro provisioneel te betalen. Tevens stelde hij een geneesheer-deskundige aan om de heer De V. te onderzoeken.

De vordering van appellant tegen de stad Hoogstraten werd zonder voorwerp verklaard.

...

4.4. Beoordeling

1. Appellant voert aan dat geïntimeerde als bewaarder van de weg aansprakelijk is op basis van art. 1384, eerste lid, BW voor een gebrek in de rijbaan.

Hij betoogt dat uit de gegevens die hij bijbrengt blijkt dat de plaats van het ongeval behoort tot het openbaar domein van de stad Hoogstraten. Hij vraagt dat, indien de rechtbank zou twijfelen wie de bewaarder van de weg is op de ongevalsplaats, een landmeter-deskundige zou worden aangesteld om hierover uitsluitsel te bieden.

Appellant geeft aan dat de rijbaan behept was met een gebrek, namelijk modder en slijk op de rijbaan, en dat dit gebrek tevens als abnormaal kan worden bestempeld, zodat daardoor aan derden schade berokkend kon worden.

Vervolgens meent de heer De V. dat de stad Hoogstraten alleszins gefaald heeft haar veiligheidsverplichting na te leven. Volgens appellant bestond er een abnormaal gevaar op het grondgebied van de stad en heeft deze laatste nagelaten om dit te verhelpen.

Voorts betoogt appellant dat uit niets blijkt dat hij overdreven snel reed. Hij geeft aan dat de aanwezige modder niet kan worden beschouwd als een voorzienbare hindernis; hij argumenteert dat een weggebruiker zich niet hoefde te verwachten aan een rijbaan die op dermate erge wijze vervuild was. Hij zegt dat uit niets blijkt dat hij niet de vereiste stuurbekwaamheid had of onoplettend zou zijn geweest en wijst op het feit dat ook zijn medebestuurders problemen hadden om overeind te blijven.

2. Geïntimeerde argumenteert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden afgeleid waar het ongeval zich precies heeft voorgedaan en meent dat zij niet zomaar als bewaarder van de weg op de plaats van het ongeval kan worden beschouwd. Ze meent dat deze plaats niet tot de openbare weg behoort, maar tot het privaat domein van de instelling van Wortel-Kolonie.

Subsidiair is zij van oordeel dat de aanwezigheid van slijk op een landweg bezwaarlijk als abnormaal kan worden beschouwd, zodat zij alleszins niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het gebeurde ongeval op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Ze wijst erop dat de veiligheidverplichting voor de gemeente een inspannings- en geen resultaatsverbintenis is en dat zij op 19 november 2003 ter plaatse nog grachten heeft geruimd en zich ter plaatse van de toestand heeft vergewist.

De stad Hoogstraten is van oordeel dat het ongeval enkel en alleen heeft kunnen plaatsvinden door de fouten en de onvoorzichtigheid van de heer De V. zelf.

Ze meent dat de aanwezigheid van slijk op een landweg niet onvoorzienbaar was en dat de heer De V. art. 10.1.3o, van het Wegverkeersreglement heeft geschonden.

3. De eerste rechter heeft geoordeeld dat de vordering van appellant tegen geïntimeerde alsdan zonder voorwerp was geworden wegens het feit dat de verzekerde van NV K.V. door hem aansprakelijk werd geacht voor het gebeurde ongeval, zodat hij zich niet verder diende uit te spreken over de eventuele aansprakelijkheid van de stad Hoogstraten.

Momenteel dient te worden vastgesteld dat de vordering die appellant in eerste aanleg in subsidiaire orde stelde, op dit ogenblik niet langer zonder voorwerp is. Deze rechtbank dient juist de eventuele aansprakelijkheid van geïntimeerde voor het gebeurde ongeval te onderzoeken.

De vaststelling van de eerste rechter dat er geen aanwijzing voorhanden is dat de heer De V. te snel zou hebben gereden, kan worden bijgevallen. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat er zich heel wat modder op de rijbaan bevond.

Op een agrarische weg als de kwestieuze baan dient een voorbijganger zich echter wel te verwachten aan de aanwezigheid van modder. Het is niet abnormaal dat er zich slijk bevindt op een landweg. Als hij in het donker een dergelijke weg betreedt, moet een normale en voorzichtige motorrijder zich eraan verwachten dat een landweg in een agrarisch gebied glad kan zijn door aanzienlijk wat modder en vuil.

Het feit dat er zich modder en zelfs veel modder op een dergelijke weg bevindt, is in het geheel niet abnormaal.

Er is bijgevolg geen sprake van een gebrek in de zaak, zodat geïntimeerde – als ze al bewaarder van de kwestieuze weg zou zijn, maar wat dus niet verder dient te worden onderzocht – niet aansprakelijk kan worden gesteld op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Voorts staat vast dat de veiligheidsverplichting van de gemeente wel degelijk een inspanningsverbintenis is. Van geïntimeerde kan niet worden verwacht dat zij bij wijze van spreken elke dag of week op alle landwegen gaat kijken of ze nog wel berijdbaar zijn ingevolge de aanwezigheid van slijk. Van een normale en zorgvuldige gemeente moet worden verwacht dat zij haar wegen onderhoudt en probeert problemen te verhelpen van zodra deze worden gemeld. Uit niets blijkt dat de stad Hoogstraten zich niet in voldoende mate heeft ingespannen om de kwestieuze weg veilig en berijdbaar te houden. Appellant toont niet aan dat geïntimeerde zich niet aan haar verplichting om de wegen veilig te houden, heeft gehouden.

Uit niets blijkt dat geïntimeerde de Nieuwe Gemeentewet niet heeft nageleefd.

Samenvattend kan worden gezegd dat niets kan worden verweten aan geïntimeerde.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 16/09/2017 - 07:32
Laatst aangepast op: za, 16/09/2017 - 07:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.