-A +A

Aansprakelijkheid schade door afvallende dakpannen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 10/05/1994

De eigenaar van een verhuurd gebouw dient in te staan voor de herstellingen aan het dak. cf. artt. 1720 en 1754 B.W.) dat de herstellingen aan het dak ten laste komen van de eigenaar van de woning. De eigenaar van het verhuurde gebouw blijft bewaarder van de structuur van het gebouw (muren, dak, fundamenten) omdat alleen hij de bevoegdheid heeft om in deze delen van het gebouw in te grijpen om ze te beschermen.

De eigenaar is dus ontegenzeglijk de bewaarder van het dak en de aansprakelijke partij op grond van art. 1384 B.W.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
258
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
D. t/ C.

Naar aanleiding van de omstandigheid dat de voor de huurwoning (Rijselsestraat nr. 32 te I....) geparkeerde personenwagen Peugeot 205, eigendom van de huurder Jacques C., in de nacht van donderdag 15 op vrijdag 16 oktober 1987 ten gevolge van een stormwind (met neervallende dakpannen) werd beschadigd, werd de eigenaar van de woning, de heer André D., op grond van de artikelen 1382/1383, 1384, eerste lid, 1386 van het Burgerlijk Wetboek aangesproken (bij exploot van dagvaarding van 16 september 1988) ter vergoeding van de door Jacques C. geleden schade (bij expertise en herstelfactuur bepaald op 38.900 frank, plus 19 procent B.T.W., zijnde 7391 frank, plus drie dagen wachttijd en vier dagen derving aan 500 frank, zijnde 3500 frank; totaal van de hoofdsom = 49.791 frank).

...

Beoordeling

...

3. De feiten hebben zich voorgedaan te (...). Blijkens het attest van het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België bereikten de windstoten op de dag der feiten op het strand te Oostende een snelheid van 36 m/sec., zijnde 129,6 km per uur. Een dergelijke windkracht maakt geen overmacht uit (cf. Bull. Ass./De Verz., 1990, noot p. 580).

Bovendien wil het Hof erop wijzen dat overmacht, als rechtsvaardigingsgrond die elke fout uitsluit, drie cumulatieve criteria behelst, namelijk ten eerste, de onweerstaanbaarheid (= het onvrij handelen van het schadeverwekkend element), ten tweede de onvoorzienbaarheid (= een plotseling feit dat onmogelijk kan worden voorzien) én ten derde, de niet-toerekenbaarheid (= de schadeverwekker mag geen deel hebben gehad aan de totstandkoming van de schade).

Zowel het tweede als het derde element kunnen in casu niet worden aangevoerd: aan de kust in West-Vlaanderen is een krachtige windintensiteit volstrekt voorzienbaar, en niet het dak is weggewaaid, doch enkel twee nokpannen en twee gewone pannen zijn neergevallen, hetgeen wijst op een relatief gebrekkig onderhoud van het dak. Van overmacht kan dus geen sprake zijn.

4. Dat de Peugeot van de geïntimeerde C. werd beschadigd door neervallende dakpannen, afkomstig van de woning die in eigendom toebehoort aan de appellant, blijkt voldoende uit een geheel van ernstige en overeenstemmende vermoedens die in de strafinformatie terug te vinden zijn.

...

5. Een persoonlijke foutaansprakelijkheid, in de zin van de artt. 1382/1383 van het Burgerlijk Wetboek, is ten aanzien van de appellant niet bewezen.

6. Het Hof wijst op het verbod van cumulatie van art. 1386 B.W. en art. 1384, eerste lid, B.W. (aangezien het begrip bewaring kenmerkend is bij de aansprakelijkheid voor dieren en gebrekkige zaken, maar totaal afwezig in art. 1386 B.W., waar de eigenaar aansprakelijk is, zelfs indien hij niet de daadwerkelijke bewaarder van het gebouw is). Aangezien de instorting toch wel enig belang moet vertonen, is de meerderheid van rechtsleer en rechtspraak van oordeel dat het neervallen van enkele dakpannen niet als een instorting van een gebouw kan worden aanvaard (cf. Cornelis, Buitencontractuele aansprakelijkheid, p. 253, noot 45).

7. Rest dus de problematiek van art. 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Drie punten zijn daarbij essentieel: (a) de zaak dient vatbaar te zijn voor bewaking, door de persoon die als bewaarder van de zaak wordt aangesproken; (b) de gebrekkigheid van de bewaarde zaak moet worden aangetoond door de benadeelde (art. 1384, eerste lid, B.W. constitueert niet een vermoeden van het gebrek in de zaak ten voordele van het slachtoffer); (c) het gebrek in de zaak moet de noodzakelijke oorzaak zijn van de schade.

Wat punt (a) betreft moet worden beklemtoond dat niet elke houder van de zaak (bv. een huurder) tevens bewaarder is van de zaak in de zin van artikel 1384, eerste lid, B.W.; de rechter moet immers in feite nagaan wie van de zaak gebruik maakt, met de bevoegdheid van controle, toezicht en leiding: die is dan bewaarder van de zaak.

In casu staat vast dat de huurovereenkomst (ondertekend te L. op 4 september 1985) niet afwijkt van het gemene recht op het stuk van de herstellingen; daaruit volgt (cf. artt. 1720 en 1754 B.W.) dat de herstellingen aan het dak ten laste komen van de eigenaar van de woning (zijnde de appellant). De eigenaar van het verhuurde gebouw blijft bewaarder van de structuur van het gebouw (muren, dak, fundamenten) omdat alleen hij de bevoegdheid heeft om in deze delen van het gebouw in te grijpen om ze te beschermen.

De appellant is dus ontegenzeglijk de bewaarder van het dak.

Wat punt (b) aangaat is het Hof met de eerste rechter van oordeel dat een dak dat zijn pannen verliest — weze het ten gevolge van een hevige wind — een gebrekkig dak is; het is immers een dak dat niet berekend is op de in ons land vaak voorkomende noordwestenstormen; het gebrek is dus in casu duidelijk intrinsiek aan de zaak zelf.

Wat betreft punt (c) is het voldoende te verwijzen naar punt 3 (geen overmachtssituatie) en punt 4 (bewijs door ernstige en overeenstemmende vermoedens), zodat het indirect bewijs van het gebrek door de schadelijder werd geleverd.

8. Wat de B.T.W. betreft moet opgemerkt worden dat het expertiseverslag het hoofdbedrag van 38.900 frank exclusief B.T.W. duidelijk vermeldt, terwijl de herstellingsfactuur van de B.V.B.A. S. (te Brugge) — factuur nr. 833 van 8 februari 1988 — even duidelijk het totaal bedrag van de B.T.W. (7.391 frank) vermeldt. Over de toekenning van de B.T.W. kan dus geen twijfel bestaan (zie Cass., 23 december 1992, met noot Lambert houdende verwijzing van de cassatie-arresten van 13 april 1988, 20 september 1988 en 5 mei 1992, Bull. Ass./ De Verz., 1993, 255 tot 257).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/09/2017 - 17:01
Laatst aangepast op: wo, 27/09/2017 - 17:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.