-A +A

Aansprakelijkheid schade onafgewerkte trap geen gebrekkige zaak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/03/2015

Het gebrek in een zaak hoeft niet noodzakelijk een blijvend kenmerk te zijn.

In casu oordeelde de vrederechter dat een trap in ruwbouwfase zonder leuningen met een optrede van 17,5 cm en een eerste trede die wat dieper is dan de andere treden geen gebrekkige zaak was.

In de geschetste omstandigheden en gezien een concrete vergelijking met de verwachten normale gesteldheid van een trap in de eindfase van een ruwbouw, is het niet bewezen dat de trap behept was met een abnormaal kenmerk dat van aard was schade te kunnen berokkenen. Een gebrek van de zaak wordt niet bewezen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
193
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L.G. t/ BVBA A.L.V.

...

2. Het geschil en de vorderingen

2.1. Het geschil betreft een aansprakelijkheidsvordering gebaseerd op art. 1384, eerste lid BW en op art. 1382-1383 BW. Tijdens een opendeurdag in een ruwbouw van een appartementsgebouw viel eisende partij van een trap. Hij brak een rib. Eisende partij voert aan dat de trap onafgewerkt was, smalle en hoge traptreden had, waarbij de laatste traptrede nog eens beduidend hoger was en niet voorzien was van een leuning. Hij hekelt ook het gebrek aan gebruik van veiligheidshelmen en meent dat het hoe dan ook totaal onverantwoord was dat verwerende partij een kijkdag organiseerde in een dergelijk niet afgewerkt gebouw. Daarom is volgens hem verwerende partij aansprakelijk op grond van art. 1384, eerste lid BW als bewaarder van de gebrekkige trap. Minstens zou eisende partij aansprakelijk zijn op grond van art. 1382 BW, omdat zij niet de nodige veiligheidsmaatregelen nam om te vermijden dat er ongevallen zouden gebeuren.

...

2.3. Verwerende partij betwist de gegrondheid van de vordering. Volgens haar is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 1384, eerste lid BW en kan haar geenszins enige fout of gebrek aan voorzichtigheid worden verweten. Zij voert ook aan dat eisende partij een gekend risico heeft aanvaard door in een onafgewerkte woning een zichtbaar onafgewerkte trap te gebruiken.

3. Motivering van de beslissing van de vrederechter

3.1. Relevante feitelijke gegevens

Eisende partij bezocht op 22 maart 2014 – tijdens een “open projectdag” georganiseerd door de verwerende partij – een appartementsgebouw in opbouw gelegen te (...). Tijdens dit bezoek viel hij van de trap, kwam terecht tegen een houten paal en brak hierbij een rib. Er was daags nadien een opname op de dienst spoedgevallen van het UZ te Gent.

Het strafdossier werd geseponeerd, aangezien de feiten strafrechtelijk geen misdrijf uitmaken. Het strafdossier is verre van volledig, niet in het minst omdat men zich de moeite niet heeft getroost ook de verklaring van de aangestelde van verweerster op te nemen.

De nuttige vaststellingen kunnen niet worden gehaald uit de enkele verklaring van eisende partij. Die verklaring bevat immers het verhaal aan één zijde, terwijl het verhaal aan de andere zijde niet bekend is.

De enige objectieve gegevens kunnen worden afgeleid uit de vaststellingen ter plaatse door politiecommissaris S. Die schrijft dat:

– het om een ruw betonnen trap gaat die niet is voorzien van een trapleuning (sic);

– de treden niet voorzien zijn van een afwerkingslaag en 17,5 cm “dik” (sic) zijn;

– de bovenzijde van de onderste trede zich op 23,5 cm boven de begane grond situeert.

Uit de bij die vaststellingen gevoegde foto’s blijkt:

– dat de trap niet afgewerkt is, alles is nog in ruwe beton;

– dat de zijkanten van de trap volle muren zijn tot nagenoeg de onderste trede. Ter hoogte van die onderste trede is wel degelijk een houten leuning bevestigd, zodat de geschreven vaststellingen van de politiecommissaris niet overeenstemmen met wat te zien is op de door hem genomen foto’s;

– de onderste traptrede is 23,5 cm hoog, de andere traptreden zijn 17,5 cm hoog.

De politiecommissaris mat wel de optrede, maar niet de aantrede, wat nochtans even relevant is om na te gaan of een trap gemakkelijk door een modale persoon kan worden betreden.

...

3.4. Antwoord op de middelen en conclusies van de gedingpartijen

3.4.1. Aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW

Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade die men veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan of van zake die men onder zijn bewaring heeft (art. 1384, eerste lid BW).

Opdat de bewaarder van een zaak aansprakelijk zou zijn op basis van art. 1384, eerste lid BW, is het nodig maar voldoende dat een zaak gebrekkig is en dat er een causaal verband bestaat tussen het gebrek en de schade zoals deze zich concreet voordeed.

Een zaak is aangetast door een gebrek in de zin van art. 1384, eerste lid BW wanneer zij een abnormaal karakter vertoont, waardoor deze zaak in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken; het is niet vereist dat het gebrek van de zaak een intrinsiek kenmerk of element is van de zaak. Het volstaat dat de structuur van de zaak wordt aangetast, waardoor deze zaak schade kan veroorzaken en het normaal gebruik ervan verhindert. De verdere oorzaak van het gebrek speelt geen rol bij de beoordeling van de aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW. Het is van geen belang of de bewaarder van de zaak kennis had of behoorde te hebben van het eventuele gebrek, en zelfs de onoverwinnelijke onwetendheid bevrijdt hem niet van een mogelijke aansprakelijkheid. Het al dan niet zichtbaar zijn van een eventueel gebrek is evenzeer irrelevant. Het gebrek in een zaak hoeft niet noodzakelijk een blijvend kenmerk te zijn.

Een vergelijking met een soortgelijke zaak is nodig. Concreet in dit dossier moet derhalve de betreffende trap vergeleken worden met de trap van een appartementsgebouw dat in de eindfase van ruwbouw staat.

Het is niet abnormaal dat een dergelijke trap niet afgewerkt is en nog helemaal in ruwe beton staat. De bewering dat geen leuning aanwezig was, strijdt met het fotomateriaal van het strafdossier. Aan beide zijden van de trap was immers een betonnen muur, zodat de finaliteit van een leuning verkregen werd. Ter hoogte van de onderste trede waren voorlopige houten leuningen aangebracht. Overigens is het niet abnormaal dat een onafgewerkte trap in een ruwbouw nog geen bijkomende trapleuning heeft.

De vraag of concreet sprake kon zijn van een goed beloopbare trap is op basis van de summiere dossiergegevens niet te beoordelen. De politiecommissaris beperkte zich tot het meten van de optreden, terwijl een goede beloopbaarheid van een trap, volgens de trapformule, afhankelijk is van de verhouding (de “trapmodulus”) tussen de optrede (hoogte) en de aantrede (diepte) en van de afmetingen van de neus van de treden. Aangezien de trap onafgewerkt was, zou enkel rekening kunnen worden gehouden met de verhouding tussen optrede en aantrede, maar correcte gegevens liggen niet voor. Uit het fotomateriaal blijkt dat de optrede 17,5 cm was, wat zeker een aanvaardbare maatvoering is. Het is niet abnormaal dat de allereerste trede van een trap wat hoger en dieper is dan de andere treden.

In de geschetste omstandigheden en gezien een concrete vergelijking met de verwachten normale gesteldheid van een trap in de eindfase van een ruwbouw, is het niet bewezen dat de trap behept was met een abnormaal kenmerk dat van aard was schade te kunnen berokkenen. Een gebrek van de zaak wordt niet bewezen.

De vordering op grond van art. 1384, eerste lid BW wordt als niet gegrond afgewezen.

3.4.2. Aansprakelijkheid op grond van artikel 1382 BW

Eisende partij bewijst geen fout of gebrek aan voorzorg die aan verwerende partij toerekenbaar zou zijn en zonder welke de valpartij met de ribbreuk als gevolg, zich niet zou hebben voorgedaan.

Het is niet juist dat de ruwbouwtrap niet van een leuning was voorzien. Aan elke zijde was er een betonnen muur tot aan de onderste trede. Waar de muur eindigde, was wel degelijk een houten trapleuning bevestigd.

Uit niets blijkt dat het gebouw onveilig was om te tonen aan kooplustig publiek.

Van een normaal voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst die, op uitnodiging van een projectontwikkelaar of vastgoedmakelaar, een ruwbouw in eindfase bezoekt, mag redelijkerwijze worden verwacht dat die ook zelf de nodige voorzichtigheid aan de dag legt, net omdat een ruwbouw natuurlijk niet gelijk te stellen is met een volledig afgewerkt gebouw. In een ruwbouw gelden ook totaal andere veiligheidsvoorschriften. Indien eisende partij het gebouw of de trap voor hem persoonlijk te onveilig achtte, diende hij te beslissen die trap niet te gebruiken. Het is immers onmogelijk in te schatten wie individueel wat aankan. Daarover dient elke persoon zelf te beslissen.

Een aan verwerende partij toerekenbare fout is niet bewezen, zodat ook de vordering op grond van art. 1382 BW wordt afgewezen als niet gegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 27/09/2015 - 11:44
Laatst aangepast op: zo, 27/09/2015 - 11:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.