-A +A

Aansprakelijkheid tractor die in brand vliegt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 20/06/2013

Een zaak is gebrekkig wanneer ze een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken aan derden. Het abnormaal kenmerk moet geen intrinsiek of blijvend kenmerk betreffen, evenmin een blijvend element dat inherent is aan de zaak of zich voordoet buiten ieder toedoen van een derde.

Art. 1384, eerste lid BW is van toepassing op alle roerende en onroerende goederen die vatbaar zijn voor bewaking door een menselijke persoon. Het is van geen belang of het gebrek oorspronkelijk of verworven is, het gevolg is van ouderdom, een fout in het onderhoud of welke andere oorzaak ook. Evenmin is van belang of de bewaarder al dan niet kennis had van het gebrek of er kennis van kon hebben. Zelfs de onoverwinnelijke onwetendheid omtrent het bestaan van het gebrek bevrijdt de bewaarder niet.

De bewaarder van een zaak is de persoon die voor eigen rekening van de zaak gebruik maakt, het genot ervan heeft of ze onder zich houdt, met het recht van toezicht, leiding en controle. Het gebruik, het genot of het behouden (bewaren) van de zaak zijn alternatieve en geen cumulatieve voorwaarden; de mogelijkheid tot toezicht, leiding en controle zijn wel cumulatieve vereisten.

De bewaring moet concreet beoordeeld worden, op grond van de effectieve macht van gebruik, leiding en controle. Het kan zowel om de uitoefening van een rechtsbevoegdheid gaan als om de uitoefening van een feitelijke bevoegdheid. De bewaarder moet het lot van de zaak dus kunnen bepalen en ten aanzien van de zaak initiatieven kunnen nemen die niet betwist worden door andere rechtssubjecten, omdat zij erkennen dat deze macht de bewaarder toekomt (H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (2000-2008)”, TPR 2011, randnr. 158 en de aldaar vermelde rechtspraak en rechtsleer).

Een feitelijke vereninging die zich als eigenaar gedraagt van een tractor (als trekker van een praalwagen) is bewaarder van een zaak in de zin van artikel 1384 B.W. Dit brengt de aansprakelijkheid mee van alle leden van de carnavalvereniging.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
62
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV E. t/ G. e.a.

...

1. De feiten

In de nacht van 22 op 23 februari 2004 ontstond er brand in een opslagplaats, gelegen te Aalst, Tragel 5.

Bij beschikking in kort geding van 17 maart 2004 werd W.G. aangesteld als gerechtsdeskundige. Hij kwam tot het besluit dat de oorsprong en de oorzaak van de brand gelegen waren bij de tractor van de feitelijke vereniging “Geloeif Me Goed”, een Aalsterse carnavalvereniging, waarvan G.S. voorzitter is/was en waarvan de eerste tot en met dertigste geïntimeerden lid zijn/waren.

...

Beoordeling

...

4. Aansprakelijkheid van de bewaarders van de tractor?

4.1. Een zaak is gebrekkig wanneer ze een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken aan derden. Het abnormaal kenmerk moet geen intrinsiek of blijvend kenmerk betreffen, evenmin een blijvend element dat inherent is aan de zaak of zich voordoet buiten ieder toedoen van een derde.

Art. 1384, eerste lid BW is van toepassing op alle roerende en onroerende goederen die vatbaar zijn voor bewaking door een menselijke persoon. Het is van geen belang of het gebrek oorspronkelijk of verworven is, het gevolg is van ouderdom, een fout in het onderhoud of welke andere oorzaak ook. Evenmin is van belang of de bewaarder al dan niet kennis had van het gebrek of er kennis van kon hebben. Zelfs de onoverwinnelijke onwetendheid omtrent het bestaan van het gebrek bevrijdt de bewaarder niet.

Uit de vaststellingen van de door het parket aangestelde deskundige L.C. en die van de in kort geding aangestelde deskundige W.G. blijkt afdoende dat de tractor behept was met een gebrek. Het feit dat de tractor, na minstens twee uur te hebben stilgestaan, vuur vat om welke reden ook (vastgelopen alternator, oververhitting met stralingswarmte naar brandbare opbouw), kan bezwaarlijk een normale gesteldheid van de zaak worden genoemd.

Het onderzoek van het parket heeft aangetoond dat van enig kwaad opzet (ingrijpen van een derde) geen sprake was. De verschillende deskundigen (brandweer, deskundige van het parket en de in kort geding aangestelde deskundige) hebben geen andere oorzaak kunnen vinden. Het bestaan van het gebrek aan de tractor is de enige mogelijke uitleg voor het schadegeval. Het schadegeval kan niet worden toegeschreven aan een vreemde oorzaak.

4.2. Ook het oorzakelijk verband tussen dit gebrek en de opgelopen brand-, rook- en roetschade staat vast. Door het gebrek heeft de tractor vuur gevat, met de gekende brand-, rook- en roetschade tot gevolg.

4.3. Rest de vraag wie de bewaarder van de gebrekkige tractor was op het ogenblik van het schadegeval.

De bewaarder van een zaak is de persoon die voor eigen rekening van de zaak gebruik maakt, het genot ervan heeft of ze onder zich houdt, met het recht van toezicht, leiding en controle. Het gebruik, het genot of het behouden (bewaren) van de zaak zijn alternatieve en geen cumulatieve voorwaarden; de mogelijkheid tot toezicht, leiding en controle zijn wel cumulatieve vereisten.

De bewaring moet concreet beoordeeld worden, op grond van de effectieve macht van gebruik, leiding en controle. Het kan zowel om de uitoefening van een rechtsbevoegdheid gaan als om de uitoefening van een feitelijke bevoegdheid. De bewaarder moet het lot van de zaak dus kunnen bepalen en ten aanzien van de zaak initiatieven kunnen nemen die niet betwist worden door andere rechtssubjecten, omdat zij erkennen dat deze macht de bewaarder toekomt (H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (2000-2008)”, TPR 2011, randnr. 158 en de aldaar vermelde rechtspraak en rechtsleer).

Terecht oordeelde de eerste rechter, op basis van de door G.S. in het raam van het strafonderzoek afgelegde verklaring (“onze tractor”, “onze praalwagen”), dat het meer dan aannemelijk is dat de tractor eigendom was van en/of gebruikt werd door de feitelijke carnavalvereniging. G.S. verklaarde dit ook zo ten overstaan van gerechtsdeskundige W.G. Door de leden van de feitelijke vereniging werd aangaande dit eigendomsrecht nooit enige opmerking geformuleerd ter gelegenheid van de expertiseverrichtingen van gerechtsdeskundige W.G.

De carnavalvereniging “Geloeif Me Goed” werd opgericht op 1 maart 2001 tussen een aantal vrienden, met als doel deel te nemen aan de carnavalactiviteiten in de stad Aalst. Pas later, op 17 oktober 2003, werden de statuten opgesteld. Art. 4 van de statuten bepaalt dat het doel van de vereniging het bouwen van praalwagens is.

Een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is geen rechtssubject. Ze kan niet optreden in rechte en geen verbintenissen aangaan. Ze kan geen rechten verwerven op roerende of onroerende goederen, noch overeenkomsten sluiten. Ze kan geen houder zijn van eigendomsrechten. De goederen die worden aangekocht namens de vereniging worden door een lasthebber aangekocht voor rekening van de leden gezamenlijk. In de persoon van deze leden ontstaat een bijzondere vorm van onverdeeldheid, ook wel collectieve eigendom genoemd. Het betreft het geheel van goederen en rechten die worden aangehouden in het raam van het bijzonder doel van de vereniging. De leden die de vereniging besturen, kunnen deze goederen enkel aanwenden overeenkomstig het doel van de vereniging (D. Van Gerven, Handboek Verenigingen, Kalmthout, Biblo, 2004, nr. 21).

Zodra goederen worden verworven in het raam van de activiteit van de vereniging ontstaat een vermogen dat aan de vereniging verbonden is. Deze goederen mogen enkel worden aangewend ter verwezenlijking van het doel van de vereniging. De vereniging zelf kan, omdat ze geen rechtssubject is, als zodanig geen rechten laten gelden op deze goederen, maar doordat de goederen worden bestemd voor een gemeenschappelijk doel, doen de leden afstand van hun rechten op deze goederen ten voordele van dit doel. Op die manier ontstaat een afzonderlijk vermogen dat aan eigen regels onderworpen is en waarop de leden individueel slechts die rechten kunnen laten gelden die de overeenkomst van vereniging of de statuten van de vereniging hen toebedelen. Ze hebben individueel geen eigendomsrecht meer, maar een onlichamelijk recht op deelname in de vereniging. Dit lidmaatschapsrecht omvat de rechten en verplichtingen omschreven in de statuten. Bijgevolg kan een lid ook niet meer beschikken over de goederen die het heeft ingebracht (D. Van Gerven, o.c., nr. 22). De vraag met welke gelden de tractor werd aangekocht (met lidgelden van de leden van de carnavalvereniging, dan wel door G.S. persoonlijk), is dan ook niet relevant.

Eerst en vooral dient te worden beklemtoond dat het bestaan van een juridische betrekking tussen de persoon en de zaak, zoals de hoedanigheid van eigenaar, hoe dan ook niet vereist noch beslissend is (Cass. 7 mei 1982, Arr.Cass. 1981-82, 1102). En zelfs zo zou blijken dat de tractor initieel door G.S. werd aangekocht, dan nog werd deze tractor door G.S. onmiskenbaar ingebracht in het “collectieve vermogen” van de feitelijke carnavalvereniging. De tractor werd ook in 2002 en in 2003 gebruikt in de carnavalstoet. Dit wordt zo door G.S. aangevoerd en door de overige leden niet tegengesproken. Het dienaangaande opgeworpen verweer van V. Van P., S.M. en L. De K., die aanvoeren niet aansprakelijk gesteld te kunnen worden aangezien niet bewezen is dat zij (mede-)eigenaar zijn van de tractor, kan, zoals de eerste rechter oordeelde, niet worden bijgevallen.

De tractor behoorde dus tot de zogenaamde “collectieve eigendom” van de leden van de feitelijke carnavalvereniging. De leden hebben ook samen de opbouw gemaakt. De materialen waarmee de opbouw werd gemaakt, werden kennelijk eveneens aangekocht met lidgelden afkomstig van de leden van de feitelijke vereniging, dan wel ingebracht door de leden zelf, zodat zij, samen met o.m. de kostuums, eveneens deel uitmaakten van voormelde “collectieve eigendom”.

De loods waarin aan hun praalwagen werd gewerkt, meer bepaald een ruimte van 200 m² op de gelijkvloerse verdieping van een loods gelegen te Aalst, (...), werd gehuurd op naam van G.S. en dit sedert 15 mei 2001. De huurovereenkomst werd weliswaar ondertekend door G.S., maar onmiskenbaar tot nut van en gebruik door de feitelijke carnavalvereniging. De feitelijke vereniging kon, omdat ze geen rechtspersoonlijkheid heeft, zelf geen huurovereenkomst sluiten. Het gehuurde goed werd evenwel uitsluitend gebruikt door de vereniging. Aldaar werd de praalwagen opgebouwd en werden al het materiaal en de kostuums gestockeerd. De huur van de loods werd, volgens G.S., betaald door de carnavalvereniging (met de lidgelden van de leden) via de “schatbewaarders” S.G. en F.G. Dit wordt door S.G. en F.G. zelf niet betwist.

Door een aantal leden wordt opgeworpen dat de huurovereenkomst niet conform de statuten werd gesloten. Dit argument is niet relevant, omdat de huurovereenkomst dateert van 15 mei 2001, terwijl de statuten pas werden opgemaakt op 17 oktober 2003.

De leden werkten niet alleen mee aan de opbouw, ze liepen ook mee in de stoet. Daartoe ondertekenden ze, d.w.z. de meeste van hen, eigenhandig de “lijst van de aangesloten leden die zullen opstappen in de 76e carnavalstoet van Aalst”. W.S. en G.U. ondertekenden de lijst niet, maar erkennen blijkens hun dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring wél dat ze eveneens lid waren van de feitelijke vereniging op het ogenblik van het schadegeval. In hun conclusies ontkennen ze hun lidmaatschap niet.

Het is duidelijk dat al de leden van de feitelijke vereniging zeggenschap hadden over de praalwagens en de tractor, de voertuigen voor het genot van de feitelijke vereniging gebruikten en daarover toezicht, leiding en bewaking uitoefenden. Door de feitelijke vereniging werd de opbouw van de praalwagens (in de betrokken loods) uitgevoerd. Vór de optocht werden de wagens door de feitelijke vereniging uit de loods gehaald en na afloop ervan terug in de loods gestald.

Al de leden zijn als bewaarders van de (gebrekkige) zaak te beschouwen en bijgevolg aansprakelijk overeenkomstig art. 1384, eerste lid BW.

...

4.6. De verschillende vorderingen op grond van art. 1384, eerste lid BW tegen G.S. en de overige leden van de feitelijke vereniging, met uitzondering van L. De K., zijn bijgevolg gegrond. Art. 1384, eerste lid BW roept een onweerlegbaar foutvermoeden in het leven dat de bewaarders van de gebrekkige zaak voor de schade die door de gebrekkige zaak veroorzaakt werd, aansprakelijk zijn, waarbij de bewaarders zich niet kunnen bevrijden van hun aansprakelijkheid door aan te tonen dat ze geen fout begaan hebben.

...

5.2. De stad Aalst had bij NV E. een motorrijtuigenverzekering afgesloten met betrekking tot 117 trekkers, 11 hulptractoren, 8 bromfietsen en 165 getrokken voertuigen.

Art. 3 en 4 van de speciale voorwaarden van de polis luidden:

“3. Deze polis heeft uitsluitend uitwerking op 22, 23 en 24 februari 2004 tijdens de deelname aan de stoet vanaf de plaats aangeduid voor het vertrek in groep van de stoet tot op de plaats van de ontbinding ervan.

“4. De waarborg van deze polis wordt tevens verleend voor de weg van de garage naar de verzamelplaats aangeduid voor het vertrek in groep van deze stoet en voor de terugkeer naar de garage na afloop ervan voor zover de bestaande verzekering van de voornoemde voertuigen niet aangesproken kan worden”.

Voor de tractor was door de leden van de feitelijke vereniging geen burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering afgesloten (cf. laatste lid van voormeld art. 4). Nochtans wordt door de leden zelf aangegeven dat de loods waarin de tractor geplaatst stond, een plaats is die voor het publiek toegankelijk is, dan wel voor een zeker aantal personen die het recht hebben er te komen.

De vraag of de plaats waar het ongeval zich voordeed (de gemeenschappelijke gang van de loods dus) een voor het publiek dan wel een voor een zeker aantal personen die het recht hebben er te komen, toegankelijke plaats is, is in het raam van onderhavige betwisting overigens niet relevant. Het laatste lid van art. 1 van de algemene voorwaarden bepaalt immers: “De dekking wordt verleend voor de schadegevallen die zich hebben voorgedaan op de openbare weg of op de openbare of de privéterreinen” (zoals in 1992 toegevoegd in de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen).

5.3. Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat krachtens de verzekeringsovereenkomst afgesloten door de stad Aalst, gelet op de specifieke omschrijving van het gedekte risico, geen dekking moet/kan worden verleend. De verzekeringswaarborg strekte zich enkel uit “tijdens de deelname aan de stoet” en dit vanaf de plaats aangeduid voor het vertrek in groep van de stoet tot op de plaats van de ontbinding ervan én op de weg van de garage naar de verzamelplaats aangeduid voor het vertrek in groep van deze stoet, en voor de terugkeer naar de garage na afloop ervan.

Een schadegeval dat zich voordeed in de garage, minstens een paar uur nadat de tractor deze garage was binnengereden, valt niet onder de waarborg. De schade deed zich immers niet voor “tijdens de deelname aan de stoet” en evenmin tijdens het traject tussen de garage (de loods dus) en de verzamelplaats, dan wel tijdens het traject tussen de verzamelplaats en de garage (de loods dus).

Oorspronkelijk luidde art. 78 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst: “De verplichting van de verzekeraar strekt zich uit tot vorderingen die na het einde van de overeenkomsten worden ingediend, wanneer de schadeverwekkende gebeurtenis zich in de loop van de overeenkomst heeft voorgedaan”. Dit sloot aan bij de omschrijving van het toepassingsgebied van de aansprakelijkheidsverzekering zoals bepaald in (het oorspronkelijke) art. 77 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst: “Dit hoofdstuk is van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten die ertoe strekken de verzekerde dekking te geven tegen alle vorderingen tot vergoeding wegens een schadeverwekkende gebeurtenis die in de overeenkomst is beschreven, en zijn vermogen binnen de grenzen van de dekking te vrijwaren tegen alle schulden uit een vaststaande aansprakelijkheid”. De “schadeverwekkende gebeurtenis” was dus het aanknopingspunt om te bepalen of een verzekeraar al dan niet dekking diende te verlenen. Het ogenblik waarop de schade zich voordeed, deed er niet toe.

Sedert de wetswijziging (art. 9 van de wet van 16 maart 1994, BS 4 mei 1994) luidt voormeld art. 78: “De verzekeringswaarborg slaat op alle schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en strekt zich uit tot vorderingen die na het einde van de overeenkomst worden ingediend”. Dit sluit aan bij het eveneens gewijzigde art. 77 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst dat de specifieke bepalingen van toepassing maakt “op de verzekeringsovereenkomsten die ertoe strekken de verzekerde dekking te geven tegen alle vorderingen tot vergoeding wegens het voorvallen van de schade”. De aansprakelijkheidsverzekeraar moet thans aldus dekking verlenen voor een vordering die na het einde van de overeenkomst is ingesteld, voor zover die vordering betrekking heeft op schade die is voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst (zie ook: C. Van Schoubroeck en T. Meurs, “Art. 78 Wet Landverzekeringsovereenkomst regelt dwingend het uitlooprisico en niet het inlooprisico” (noot onder Cass. 28 juni 2012), RW 2012-13, p. 1382, nr. 35; zie ook: M. Fontaine, Verzekeringsrecht, Brussel, Larcier, 2011, p. 262-263, nr. 610).

De schade in onderhavig dossier betreft onmiskenbaar de brand die in de loods is ontstaan en niet het verhit geraken van de motor. De schade heeft zich dus voorgegaan op een ogenblik dat er geen dekking was.

Verschillende partijen verwijzen naar de “geest” van de overeenkomst en wijzen erop dat de polis geen onderbreking of schorsing van de dekking bevatte tijdens de tijdspanne dat het voertuig in de loods gestald werd in de loop van die drie dagen.

De overeenkomst zelf, meer bepaald het gedekte risico, is in de overeenkomst duidelijk omschreven. De stad Aalst heeft het op zich genomen een burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten voor de praalwagens die deelnamen aan de stoet. Enkel het traject van de stoet was verzekerd, evenals het traject naar en van de verzamelplaats. De voorwaarden dienden dan ook niet te voorzien in een schorsing van dekking in de periodes tussen de verschillende ritten van de praalwagens, omdat de voorwaarden zelf duidelijk waren. Er diende slechts dekking te worden verleend vanaf het ogenblik dat de tractor in de loods vertrok om naar de verzamelplaats te rijden. De dekking gold tijdens de stoet en vervolgens tot het ogenblik dat de tractor weer in de loods gestald werd. De schade deed zich pas nadien voor en was dus niet gedekt.

...

6. Gehoudenheid van de verschillende gezinsaansprakelijkheidsverzekeraars?

6.1. Verschillende leden van de feitelijke vereniging gingen over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van hun gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar.

...

Het hof is, zoals de eerste rechter, van mening dat de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraars (waarover thans reeds wordt geoordeeld) niet gehouden zijn tot tussenkomst, zij het op een andere grond van die welke werd aangenomen door de eerste rechter. Zoals hierboven in randnummer 5 werd beslist, valt het schadegeval immers niet onder de wetgeving inzake de verplichte verzekering van motorrijtuigen.

De polissen die voorliggen stipuleren evenwel alle dat schade veroorzaakt door brand in een gehuurd/gebruikt/bewoond gebouw, niet gedekt wordt.

Het volstaat dat de brand ontstaan is in het gebouw dat gehuurd wordt. Als eigenaar, huurder of bewoner is het immers mogelijk het brandrisico door een brandverzekeringspolis te laten dekken, reden waarom dit risico buiten de dekking van de gezinsaansprakelijkheidsverzekering wordt gehouden, zowel contractueel als door de wetgever zelf (art. 6.11 van het KB BA-privéleven 1984).

De huurovereenkomst met betrekking tot de box in de loods werd weliswaar enkel ondertekend door G.S., maar dit onmiskenbaar als orgaan van de feitelijke vereniging, die zelf niet in rechte kon optreden en overeenkomsten kon sluiten. De gehuurde loods werd immers enkel door de feitelijke vereniging gebruikt (voor het maken van de praalwagens en het stockeren van materiaal en kostuums) en de huurgelden werden ook betaald door de feitelijke vereniging (dit wordt tenminste niet betwist door de “schatbewaarders” van de feitelijke vereniging). Bijgevolg zijn alle leden van de feitelijke vereniging, niettegenstaande enkel G.S. de huurovereenkomst ondertekende, te beschouwen als “huurder” van de loods. Dat de huurovereenkomst in strijd met de statuten van de feitelijke vereniging zou zijn gesloten, doet hieraan geen enkele afbreuk, omdat de statuten ruim na de huurovereenkomst werden opgemaakt.

De schriftelijke huurovereenkomst die voorligt, slaat daarenboven enkel op de garagebox zelf en niet op de gemeenschappelijke gang van de loods waarin de praalwagen gestald was op het ogenblik dat hij vuur vatte. Op basis van alle elementen van het dossier kan worden afgeleid dat de gemeenschappelijke gang, bij uitbreiding, door al de leden van de feitelijke carnavalvereniging, minstens op basis van een mondelinge huurovereenkomst met de eigenaar van de loods, werd gehuurd. De plaats waar de tractor en de aanhangwagens geparkeerd stonden, werd door hen allen gebruikt (de wagens werden er na afloop van de stoet gestald) en aan de eigenaar van de loods (CVA W. De P.) werd een maandelijkse huur betaald door de schatbewaarders, met de lidgelden van de leden van de feitelijke vereniging (ze betaalden elk jaarlijks 250 euro lidgeld). De tractor mocht in de gemeenschappelijke gang gezet worden, omdat er kennelijk te weinig manoeuvreerruimte was in de box zelf.

Ten overvloede kan erop worden gewezen dat het voor verschillende polissen ook volstaat dat de plaats waarin de brand ontstaan is “gebruikt” wordt door de verzekerde.

...

Noot: 

Charlotte Henskens, Zich feitelijk verenigen zonder zorgen. Behoefte aan informatie over belang van verzekering (noot onder voormeld arrest in het RW)

Inhoudstafel, bronverwijzingen en synthese van de gedachtengang in deze noot:

I. Feiten en voorafgaande procedure.

II. Bewaarder van een gebrekkige zaak

• Cass. 28 januari 2005, NJW 2005, 1131;
• Cass. 29 september 2006, NJW 2007, 566, noot I. Boone;
• Cass. 11 september 2008, Pas. 2008, 1916;
• Cass. 2 januari 2009, Arr.Cass. 2009, 3;
• Cass. 12 maart 2009, Arr.Cass. 2009, 800;
• Cass. 11 mei 2009, Arr.Cass. 2009, 1219;
• Cass. 11 maart 2010, Pas. 2010, 797;
• Cass. 18 juni 2012, Pas. 2012, 1402
• Cass. 25 april 2005, RW 2007-08, 62
• Cass. 26 mei 1904, Pas. 1904, I, 248, conclusie advocaat-generaal E. Janssens).
• Cass. 5 juni 1998, Arr.Cass. 1998, 652; Gent 13 januari 2005, TBBR 2007, 522;
• Rb; Namen 28 maart 2011, VAV 2011, 282;
• Rb. Brussel 9 december 2011, RGAR 2012, nr. 14.854
• Cass. 25 maart 1943, Arr.Cass. 1943, 60.
• Cass. 15 december 1967, Pas. 1968, I, 515
• Cass. 11 september 1980, RW 1981-82, 27;
• Cass. 4 april 1986, RW 1986-87, 1819;
• Cass. 24 januari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 562
• Cass. 15 september 1983, Arr.Cass. 1983-84, 39, Pas. 1984, I, 36, conclusie advocaat-generaal M. Liekendael, RCJB 1985, 577, noot R. Kruithof, RGAR 1986, nr. 11.108, noot T. Vansweevelt;
• Cass. 24 januari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 562;
• Cass. 24 oktober 1994, Arr.Cass. 1994, 873). 
• T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 479
• Rb. Brussel 9 februari 2005, RGAR 2007, nr. 14.265;
• B. Dubuisson, “La garde de la chose...pour des prunes”, RCJB 2006, 18
• L. Cornelis, De buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door zaken, Antwerpen, Kluwer, 1982, 205 

Een belangrijkste voorwaarde houdt in dat de bewaarder de mogelijkheid heeft tot leiding, toezicht en controle, hetgeen omschreven wordt als feitelijk meesterschap wordt genoemd
• A. Damsin, “Observations – Assurance incendie – Responsabilité de gardien de la chose – Article 1384 du Code civil – Notion de vice”, T.Verz. 2012, 120; T. Vansweevelt

Een feitelijke vereniging kan geen eigenaar zijn
• D. Van Gerven, Handboek Verenigingen. Kalmthout, Biblo, 2004, 41.

Een tractor aangekocht door een feitelijke vereninging brengt tussen de leden van de vereniging een vorm van onverdeeldheid of collectieve eigendom teweeg
• J. Van Heuvel, De la situation légale des associations sans but lucratif en France et en Belgique, Brussel, Larcier, 1984, 187 
• H. De Page en R. Dekkers, Traité élémentaire de droit civil belge, V, Brussel, Bruylant, 1975, 1000-1001
• J. Goedseels, La personnalité civile des associations sans but lucratif et des établissements d’utilité publique, Brussel, Larcier, 1935, 61).

Onverdeelde eigenaars van een zaak worden vermoed bewaarder te zijn, tenzij zij kunnen bewijzen dat zij de bewaring hebben overgedragen aan een derde.
• H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne, L. Wynant en M. Debaene, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1994-1999)”, TPR 2000, 1726

• Cass. 25 maart 1999, AJT 1999-2000, 410.
Of de leden de feitelijke macht en toezicht uitoefenden is niet van belang, wel de vraag of ze dit meesterschap KONDEN uitoefenen.

Om de aansprakelijkheid van de bewaarder, houder te weerhouden dient bovendien het bewijs geleverd dat het feitelijk meesterschap voor eigen rekening wordt uitgeoefend.

• B. Dubuisson, “Développements récents concernant les responsabilités du fait des choses (choses, animaux, bâtiments)”, RGAR 1997, nr. 12.729, randnr. 19). • T. Vansweevelt en B. Weyts, o.c., 481;
• B. Weyts, “Over een ontplofte vuilniszak met schade aan een wagen tot gevolg. Bewaring van een gebrekkige zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW”, TBBR 2008, 336).

H. Bocken, “Van fout naar risico. Een overzicht van de objectieve aansprakelijkheidsregelingen naar Belgisch recht”, TPR 1984, 376.

De auteur analyseert verder op een uitzonderlijk grondige wijze door de vraag te stellen in hoeverre de leden van de feitelijke vereniging de tractor voor eigen rekening bewaarden. De tractor werd ontegensprekelijk gebruikt voor het plezier en dus het genot van de feitelijke vereniging. Die tractor is eigendom van de collectiviteit van alle leden en kan enkel aangewend worden volgens het doel van de vereniging.
• D. Van Gerven, o.c., 41-42;
• H. De Page en R. Dekkers, o.c., 1018-1019;
• D. Van Gerven, “De golfclub als doelgebonden vermogen” in Liber Amicorum Walter Van Gerven, Deurne, Kluwer, 2000, 449).

Maar een feitelijke vereniging heeft geen rechtspersoonlijkheid en is dus niet meer dan een verzameling van leden.
• K. Mortier, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NJW 2008, 809).
Elk lid van de feitelijke vereniging kan dus wel het feitelijk meesterschap uitoefenen over een gemeenschappelijk goed Maar doet doet dit niet voor rekening van de feitelijke vereniging, als afzonderlijke entiteit, maar voor rekening van de som van de leden, waarvan het dus zelf ook deel uitmaakt.

Alle leden zijn dus bewaarders.

Alle juridische pogingen ten spijt lijken de leden van een feitelijke carnavalvereniging niet aan de aansprakelijkheid op grond va art. 1384 als bewaarder van de zaak ontsnappen en dit gaat ook niet door te bewijzen dat hen geen enkele subjectieve fout treft.De aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW betreft immers een objectieve of foutloze aansprakelijkheid die aan de bewaarder wordt toegekend vanwege zijn hoedanigheid (H. Bocken, o.c., TPR 1984, 383; L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, I, De onrechtmatige daad, Antwerpen, Maklu, 1989, nr. 310; J.L. Fagnart, “Chronique de jurisprudence. La reesponsabilité aquilienne (1955-1967)”, JT 1969, 259; H. Vandenberghe, M. Van Quickenbonge en L. Wynant, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 1995, 1280; B. Weyts, o.c., TBBR 2008, 333).
• B. Dubuisson, o.c., RCJB 2006, 19;
• Cass 7 mei 1982, Arr.Cass. 1981-82, 1102

III. Tussenkomst van de WAM-verzekeraar van de stad Aalst

Wat met de verzekering die de stad Aalst afsloot voor alle voertuigen in de stoet (een een WAM-verzekering)?
De verzekeringswaarborg strekte zich enkel uit tot de schade die zich voordeed “tijdens de deelname aan de stoet” en op de weg van en naar de garage. Maar niet in de garage waar de brand zich voordeed.

• L. Schuermans, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 450;
• C. Van Schoubroeck en G. Schoorens, “De aansprakelijkheidsverzekering: a never ending story?”, TBH 1995, 646IV. Tussenkomst van de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraars

IV. Tussenkomst van de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraars

En opnieuw zijn de carnavalisten niet gered. Het risico van brand in een gehuurd, gebruikt of bewoond gebouw wordt buiten de dekking van de gezinsaansprakelijkheidsverzekering gehouden, zowel in alle voorliggende polissen als door de wetgever zelf

• F. De Ly, “KB 12 januari 1984” in Comm.Verz., Mechelen, Kluwer
• K. Troch, “De verzekeringen bij huur” in D. Meuldermans (ed.), Een onroerend goed huren en verhuren, Leuven, Acco, 1996, 401-423;
• B. Veeckmans, “Brandverzekering en huurdersaansprakelijkheid”, TPR 1995, 465-495).

V. Zich feitelijk verenigingen zonder zorgen?

De auteur kan enkel vaststellen en betreuren dat het arrest correct is, doch dat deze carnavalisten thans een rekening van maar liefst 1,5 miljoen euro dienen te betalen. 
De auteur verwijst naar de pers die zich de vraag stelt of feitelijke verenigingen in het algemeen en carnavalisten in het bijzonder wel nog bestaanbaar en leefbaar blijven. zie H. Claassens naar aanleiding van deze zaak (“Rechter legt bom onder verenigingen”, De Standaard 15 juli 2013).

De auiteur stelt gerust door te wijzen op de mening van de woordvoerder van Assuralia, Francois de Clippele, stellende dat dit arrest geen reden mag zijn tot paniek (X, “Aansprakelijkheid feitelijke vereniging: geen reden tot paniek”, moneytalk.knack.be 15 juli 2013.). Ondanks het feit dat er geen verzekeringsplicht bestaat, kunnen feitelijke verenigingen zich wel vrijwillig verzekeren voor de aansprakelijkheid van hun leden voor een bepaalde activiteit of voor een bepaalde periode.

De burger heeft evenwel een betere kennis nodig van het verzekeringsrecht en een inzicht in de risico's. Eigenlijk geldt dit ook voor de stad Aalst die onvoldoende had nagedacht over de uitsluitingsgronden van de polis en beter de caranvalspolis had moeten negociëren.

• W. Robyns, “Financiële educatie vanuit verzekeringsperspectief. Van inzicht naar actie”, T.Verz. 2011, 171
• W. Robyns, o.c., T.Verz. 2011, 169
• R. Marchetti en A. Pütz, “La responsabilité civile et l’assurance des volontaires et de leurs organisations. Quand le texte de la loi entre en contradiction avec sa ratio legis”, JT 2006, 385-391).
• Parl.St. Kamer 2005-06, nr. 2496/001, p. 6-8;
• N. Van Gelder, “De aansprakelijkheid van vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties: toepassingsgebied en uitwerking”, TBBR 2009, 113
• N. Van Gelder, o.c., TBBR 2011, 267
• X, “Vrijwillig engageren zonder je vingers te verbranden: drie voorstellen”, www.fov.be.

VI. Besluit

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 06/09/2014 - 18:01
Laatst aangepast op: za, 06/09/2014 - 18:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.